VIJF DECEMBER.

Het was op den avond van vijf December.

Gestadig viel de regen neer uit de pikdonkere lucht, korte rukwinden

deden af en toe de vensterruiten trillen en maakten het hun, die op

straat moesten zijn, nog onaangenamer dan het neerstroomende water dit

reeds deed.

„Geen mooie Sinterklaasavond,” herhaalden de menschen telkens en

telkens weer.

„Neen, vanavond moest het helder, droog weer zijn; zoo’n beetje vorst,

dat hoort er zoo bij.”

„En wat sneeuw!”

„Nou, voor sneeuw is het nog te vroeg, daarmee kunnen we wel tot

Kerstmis wachten.”

Deze en dergelijke opmerkingen hoorde men vooral in de winkels, waar

het in de vroege avonduren nog buitengewoon druk was en waar bijna geen

handen genoeg waren om het gekochte in te pakken.

Ondanks het ongunstige weer heerschte er in de straten van Rotterdam

een buitengewone drukte, de levendigheid, die den Hollandschen

Sinterklaasavond kenmerkt.

Dienstmeisjes, loopjongens en kruiers, allen beladen met groote en

kleinere pakken, begaven zich naar de adressen der gelukkigen, voor wie

de surprises waren bestemd; handkarren, overdekt met glimmend natte

dekkleeden, vigelantes en vrachtwagens, alles bewoog zich door de

straten om de tallooze pakken, manden en kisten af te leveren.

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

In een statig heerenhuis aan den Westersingel, waar een schild boven de

deur verkondigde, dat daar het Spaansche consulaat gevestigd was, zaten

in de ruime huiskamer een heer en een dame.

Beiden waren den middelbaren leeftijd reeds gepasseerd, doch terwijl

het gelaat van den heer reeds werd omlijst door zilverwitte haren en

een grijzen baard, vertoonde het uiterlijk der dame nog slechts weinig

sporen van den naderenden herfst.

Slechts eenige fijne rimpeltjes omkransten de groote grijze oogen en

lagen aan weerszijden van den goedgevormden mond.

Het donkerbruine haar, dat boven het voorhoofd gescheiden en in een

eenvoudigen wrong was opgemaakt, had nog slechts weinig van zijn glans

verloren.

Slechts hier en daar liep een zilveren draad er doorheen.

Ook de gestalte der dame, die toch reeds de vijftig was gepasseerd, had

nog veel van haar jeugdige sierlijkheid behouden.

Op het eerste gezicht zou men haar echtgenoot, jonkheer Deelman, wel

twintig jaar meer geven dan zijn vrouw.

Wanneer de grijze consul echter den blik zijner energieke oogen

opsloeg, als zijn heldere, welluidende stem zich tot den bezoeker

richtte en hij zijn veerkrachtige gestalte verhief, zag men de

vergissing in en begreep men, dat dit zilverwit van haren en baard was

als een vroege sneeuwbui, die de natuur in vollen herfsttooi heeft

verrast en is neergevallen op nog groene struiken, nog niet ontbladerde

boomen.

In hun rustige woonkamer, die met goeden smaak eenvoudig en deftig

gemeubeld was, zat het echtpaar bij elkaar op dezen avond van

feestvreugde en verrassingen.

Vroeger was ook onder hun dak die avond van 5 December vol ongeduld

verbeid en in luidruchtige vroolijkheid gevierd.

Toen dartelden door de breede gangen en ruime kamers twee jonge

meisjes, de beide eenige kinderen van den consul en diens vrouw.

Louise, het slanke blonde meisje en de donkere Nora, het sprekend

evenbeeld harer moeder.

Hun blonde dochter echter had reeds op achttienjarigen leeftijd het

ouderlijk huis verlaten om den man harer keuze, een bekend musicus,

naar het buitenland te volgen.

Nu woonde zij reeds verscheidene jaren in Berlijn, waar haar echtgenoot

het middelpunt der musicale wereld was geworden en waar Loes, zooals

mama haar nog bij voorkeur noemde, geheel opging in de zorg voor haar

beide jongens en in de verplichtingen, die het leven haar, als vrouw

van een beroemdheid, oplegde.

En Nora, de beeldschoone jongste dochter, had al spoedig het voorbeeld

van haar zuster gevolgd.

Het was niet zonder eenige teleurstelling in het hart, dat de ouders

hun mooie Nora, die reeds eenige aanzienlijke partijen had afgeslagen,

de vrouw hadden zien worden van een eenvoudigen Duitschen ingenieur,

dien zij gedurende een zomerverblijf in Wiesbaden hadden leeren kennen

en die stormenderhand het hart van het Hollandsche meisje had veroverd.

Doch Karl Willmer bleek zooveel uitstekende eigenschappen te hebben,

hij was hun bij nadere kennismaking zoo sympathiek geworden, dat ook

zij den smeekenden blik zijner trouwhartige oogen niet hadden kunnen

weerstaan en hem de hand van hun nog eenig overgebleven kind hadden

toegestaan.

Nadat Nora en Karl Willmer hun huwelijksreis waren gaan maken om daarna

hun eigen woning op te zoeken in Wiesbaden, was het stil en eenzaam

geworden in het huis van jonkheer Deelman.

De bejaarde heer, die zeer gefortuneerd was, had zich met nog meer lust

dan tevoren aan zijn zaken gewijd. Hij was het hoofd eener aanzienlijke

reedersfirma.

Voor zijn vrouw echter was het leven kalm en vrij eentonig geworden.

Wel bleven vrienden en kennissen hen trouw bezoeken, maar de ware

vroolijkheid, de meest ongekunstelde feestvreugde heerschte slechts dan

in het deftige heerenhuis, als de logeerkamers, met teedere zorg lang

te voren reeds in gereedheid gebracht, in beslag waren genomen door hun

kinderen en kleinkinderen.

Wanneer eenige keeren per jaar de beide dochters met man en kinderen

tijdelijk hun intrek hadden genomen in het huis aan den Westersingel,

als vroolijke stemmen en trippelende voetjes door de ruimten klonken,

als de twee Berlijnsche kleinzoontjes, nu reeds jongens van zeven en

negen jaar, en het bekoorlijke dochtertje van Nora en Karl om beurten

op grootvaders knie mochten paardjerijden en allen tegelijk door

grootmoeder werden vertroeteld, dan weer voelde mevrouw Deelman zich

volmaakt gelukkig.

Met een stillen glimlach kon zij, als zij de deur zachtjes had geopend,

op den drempel der kamer blijven stilstaan, wanneer zij daarbinnen de

aardige groep zag, die haar man vormde met zijn drie kleinkinderen om

zich heen.

De beide mooie blonde jongens, elk aan een kant van grootvader zittend,

met blozende wangen en schitterende oogen luisterend naar lange,

boeiende verhalen uit grootpa’s jeugd, verhalen van guitige

jongensstreken en kattekwaad, die gretig ingang vonden bij de jeugdige

toehoorders en hen af en toe deden schateren van lachen.

En het vierjarige kleindochtertje, het fijne, bruine krullekopje,

geleund tegen grootvaders schouder, het kleine handje spelend met den

langen, witten baard, luisterde aandachtig mee, instemmend met het

lachen der neefjes, al kon zij nog niet altijd volgen, wat daar voor

grappigs werd verteld.

Mevrouw Deelman legde het roze mutsje, waarop zij juist een koket

strikje had vastgehecht, even neer. Met teederen blik bekeek zij haar

kunstwerk nog eens, zich voorstellende hoe beeldig het aardige kapje

haar mooie kleindochtertje zou staan.

Toen werd het voorzichtig in een ruime lade eener antieke kast

weggeborgen bij de andere geschenken, die daar reeds sinds eenige weken

in werden verzameld, om tegen Kerstmis naar de kinderen in Duitschland

te worden verzonden.

Het oud-Hollandsche Sinterklaasfeest had, sinds de beide dochters in

Duitschland woonden, plaats gemaakt voor den „Weihnachtsfeier”, het

feest van den verlichten Kerstboom.

De heer Deelman legde het laatste blad van de „Nieuwe Rotterdammer” op

tafel, wierp een blik op de pendule, die tien uur aanwees en schoof een

speeltafeltje, waarop een schaakbord met stukken gereedstond, tot vlak

bij de groote schemerlamp, die haar schijnsel wierp in een gezellig

hoekje van de kamer.

Dit was voor zijn vrouw het teeken, om zich nog een uurtje te verdiepen

in het schaakspel, waarop beiden verzot waren.

„Ik zal trachten mijn schade van gisteravond in te halen,” sprak

mevrouw Deelman, terwijl zij plaats nam in haar gemakkelijk stoeltje,

dat haar man bij de speeltafel had geplaatst.

„Ja, ik geloof, dat je gisteravond met je gedachten elders waart,”

antwoordde haar man op schertsenden toon.

„Wou het niet vlotten met het mutsje voor Baby of hadt je andere

ernstige zorgen?”

„Juist geraden, man!” klonk het terug. „Nu echter kan ik al mijn

gedachten aan het spel wijden, want het mutsje is af.”

„En is het naar genoegen, grootmoedertje?”

„Och ja, het is zoo gemakkelijk, iets voor Baby te maken alles staat

haar goed...

„Ho, ho!” lachte de grootvader, „laten we nu maar gauw ons spelletje

beginnen, want als jij over je kleindochtertje begint, komt er geen

eind aan de loftuitingen. IJdele grootmoeder!” plaagde hij.

Jonkheer Deelman nam uit een geopend kistje een versche sigaar en nam

plaats in een gemakkelijken stoel tegenover zijn vrouw.

Op dat oogenblik werd er op de kamerdeur geklopt en een der dienstboden

verscheen op den drempel, met beide handen een groote mand

vasthoudende.

Verbaasd keek het echtpaar op, toen het meisje meedeelde:

„Deze mand werd hier zooeven bezorgd voor mijnheer en mevrouw!”

„Door wien, Anna?” vroeg mevrouw Deelman, den pion, dien zij tusschen

duim en wijsvinger vasthield, neerzettende.

„Een heer, in pelsjas gekleed, gaf hem mij persoonlijk af. Hij kwam per

auto en is dadelijk weer weggereden.”

„Zei hij er verder niets bij?” informeerde mevrouw weer.

„Alleen, dat ik er erg voorzichtig mee moest zijn, vooral niet laten

vallen.”

„Het is goed, Anna. Wil je de mand maar op den divan zetten?”

Het meisje plaatste uiterst voorzichtig de vierkante mand, die van

breede, witte spaanders gevlochten was, op de aangewezen plaats en

verliet het vertrek.

„Een Sinterklaas-surprise voor ons!” sprak mevrouw weer, terwijl zij

opstond en zich naar den divan begaf.

„Dat is sinds jaren niet meer voorgekomen. Zeker een aardigheid van een

der kennissen.”

„Ik zou niet weten van wien,” bromde de heer des huizes, maar half in

zijn schik, dat de aandacht van zijn vrouw nu geheel was afgeleid van

het geliefkoosde spel.

„Allen weten, dat wij, nu de kinderen getrouwd zijn, geen

Sinterklaasfeest meer vieren en wij zijn toch te oud om nog voor den

gek te worden gehouden.”

Intusschen was mevrouw ijverig bezig, het rood-zijden koord, dat

kruiselings om de mand was gebonden, los te maken.

Een adres was niet te vinden en het deksel was slechts losjes bovenop

de mand gelegd.

„Een eigenaardige verpakking,” sprak zij half tot zichzelf, half tot

haar man, die, genietende van zijn sigaar en behaaglijk in zijn stoel

achterover leunende, op een afstand naar zijn vrouw keek.

Deze legde juist het spanen deksel op een stoel naast den divan en

haalde iets uit de mand te voorschijn, dat veel op een witten sluier

geleek.

Een kreet van verbazing ontsnapte op dit oogenblik aan haar lippen en

nu stond ook haar echtgenoot haastig op om een blik in de geheimzinnige

mand te werpen, die dan toch werkelijk een surprise scheen te bevatten.

Met een paar schreden was hij zijn vrouw genaderd en nauwelijks had ook

hij een blik geworpen in de geopende mand of een langgerekt: „Hè” kwam

van zijn lippen.

Voor de oogen van het verbaasde echtpaar lag, in rose watten verpakt,

een kind, een echt, levend kind, dat, zeker wakker geworden door het

volle licht, waardoor het werd beschenen, de donkerbruine oogjes

opsloeg en het mondje opende om eens flink te geeuwen.

„Een kind!” was alles, wat mevrouw kon uitbrengen.

„Een fatale vergissing! Natuurlijk verkeerd bezorgd!” riep jonkheer

Deelman, op half verontwaardigden, half lachenden toon.

„De hemel weet, wat voor roman daar achter steekt!” vervolgde hij.

Met echt vrouwelijke voorzichtigheid nam zijn echtgenoote intusschen

het kleine wicht, dat hoogstens vijf maanden kon tellen, uit de zachte

verpakking.

Het was een knap kindje van donkere gelaatskleur, met groote bruine

oogen en zwart krullend haar.

Het had een kleinen mond met kersroode lipjes, frissche, blozende

wangen en een vrij grooten neus. De kleine handjes waren goed verzorgd

en het geheele uiterlijk van het kind sprak van uitstekende verpleging.

„Wat wil je met het Sinterklaascadeau gaan doen? Ik zou het maar rustig

weer in de rose watten leggen,” meende de Spaansche consul.

Het kindje knipoogde eens tegen het electrische licht boven de tafel,

keek toen met zijn donkere oogen naar de vrouw, in wier arm het lag, en

lachte haar vriendelijk toe.

„Ik kan het arme wurm toch niet meer in die mand terugleggen,”

antwoordde zij, onwillekeurig een blik vol teederheid op het hulpelooze

wezentje werpende. „Vindt je het niet het beste om de kleertjes eens te

onderzoeken? Wie weet, of we niet eenig herkenningsteeken vinden.”

„Maar lieve vrouw!” riep de heer Deelman uit, „je denkt toch geen

oogenblik aan de mogelijkheid, dat dit kleine menschje inderdaad bij

ons bezorgd moest worden?

„Natuurlijk heeft de brenger zich in het adres vergist. Je zult zien,

dat het geheele pakket straks teruggehaald wordt.”

„Ik begrijp evenmin iets van de zending als jij,” antwoordde mevrouw op

zachten toon, terwijl zij op een stoel plaats nam en het kindje languit

op haar schoot legde. „Ik vermoed echter, dat hier een geheim achter

schuilt. Hoe dikwijls leest men niet van dergelijke......”

Doch haar man liet haar niet uitspreken.

„In elk geval zal men ons toch niet in zoo’n interessante geheimzinnige

geschiedenis willen betrekken,” sprak hij. „Maar ga gerust je gang.

Kijk maar eens, welke ophelderingen je vindt.”

Met geoefende hand begon nu de bejaarde dame het kind van de

bovenkleertjes te ontdoen.

„Alles is van de fijnste stof vervaardigd en de borduursels zijn

werkelijk kostbaar,” sprak zij, toen het fijne jurkje was losgeknoopt

en de prachtige onderkleertjes te voorschijn kwamen.

„En kijk eens!” riep zij uit, haar man een klein kleedingstuk

voorhoudende. „Zoowaar een kroon is erin geborduurd! En hier ook!”

vervolgde zij, een kunstig bewerkt rokje nauwkeurig bekijkende.

„Dus van adellijken bloede!” sprak mijnheer, die, ondanks zijn

schijnbare onverschilligheid, elke beweging van zijn vrouw met de oogen

volgde.

Inderdaad waren alle kleedingstukken voorzien van een kroontje, doch

monogram of initialen ontbraken verder geheel.

Om den molligen hals van den kleinen jongen was een uiterst dun gouden

kettinkje bevestigd en hieraan hing een medaillon van goud, ingelegd

met een kroontje van kleine diamanten.

Voorzichtig opende mevrouw Deelman het medaillon en zij zag, dat dit

twee miniatuurportretten bevatte, een heer en een dame voorstellende.

Met de hoofden vlak bij elkaar bekeek het echtpaar met nieuwsgierigen

blik de beide kleine, doch zeer scherp uitgevoerde portretten en bijna

gelijktijdig fluisterden zij:

„Zeker de beide ouders.”

Het kindje was nu nog alleen gekleed in een hemdje van het allerfijnste

linnen en behaaglijk met de mooigevormde beentjes om zich heen

trappelend, ook de armpjes onophoudelijk bewegend, keek het met zijn

groote donkere kijkers in de kamer rond, steeds den blik weer gevestigd

houdend op de electrische lichtjes in roomwitte, peervormige glazen.

Mevrouw Deelman had ook het hemdje losgemaakt en toen zij ook dit wilde

uittrekken om het aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, voelde

zij, dat midden op de borst van dit kleedingstuk iets was bevestigd.

Voorzichtig schoof zij de gevulde armpjes van den onverwachten kleinen

bezoeker uit de korte mouwtjes en toen zag zij, dat tusschen de dubbele

borst van het hemdje een zeer dun papier was genaaid.

Met eenige moeite werden de beide lagen van elkaar getornd en met

steeds grooter wordende verbazing lazen zij samen wat op het papier

geschreven stond.

Het was een chèque op de nieuwe Rotterdamsche Bank, groot een half

millioen gulden.

Zwijgend keken zij elkaar aan.

Na eenige oogenblikken sprak consul Deelman:

„Het wordt mij hoe langer hoe onbegrijpelijker! Een kind van voorname

afkomst, een half millioen meebrengende... en dat alles wordt bij ons

op deze geheimzinnige manier bezorgd...... Ik weet niet, wat ik er van

moet denken!”

„Ik evenmin,” antwoordde zijn vrouw. „Eén ding weet ik echter wel: ik

zal het kleine baasje weer een gedeelte van zijn kleertjes moeten

aantrekken en het dan een bedje verschaffen.”

„Ben je dan van plan het kind hier te houden, Marie?”

„In elk geval zullen we het toch tot morgen bij ons moeten houden. We

kunnen het kind toch nu, in den laten avond, niet meer laten weghalen?”

Met vrouwelijke teederheid trok zij den kleinen vreemdeling weer zijn

hempje aan.

Toen sprak zij aarzelend, met een verlegen lachje:

„Ik heb in de chiffonnière nog zooveel kindergoed. Mij dunkt, dat ik

wat nachtkleertjes moest halen......”

Reeds had zij den donkeroogigen jongen op den divan neergelegd en,

terwijl haar man weer in zijn stoel was gaan zitten en peinzend voor

zich uit keek, was zij haastig naar een zij vertrek gegaan, vanwaar zij

eenige oogenblikken later terugkeerde met een wit bundeltje over den

arm.

Een half uur daarna lag de kleine, nu gehuld in luier en

nachtjaponnetje, welke eenmaal hadden toebehoord aan de dochtertjes van

jonkheer Deelman, rustig te slapen in een wit kinderledikantje.

Het speeltafeltje met het schaakbord was weer in den hoek geschoven, de

hooge electrische schemerlamp, die zooeven nog haar licht had geworpen

over de glimmende pionnen, kasteelen en koningin, was uitgedraaid en

jonkheer Deelman bekeek telkens opnieuw de beide miniatuurportretten in

het kostbare gouden medaillon.

Eindelijk werd dit met de fijne kleertjes en de chèque, die op het

kindje waren bevonden, zorgvuldig opgeborgen in de brandkast en, zich

nog steeds verliezende in allerlei gissingen, begaf lang na middernacht

het echtpaar zich ter ruste.

Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing · 第 4 / 21 题