ALLEN AF.

Al onze personen zijn eene maand ouder dan zij tijdens de laatst door

ons beschreven gebeurtenissen en gesprekken waren, en velen hunner zijn

toevallig weer in het kleine landstadje bijeen, waar wij hen het eerst

leerden kennen. Frederik Lightfoot, voormaals maître d’hotel in dienst

van den baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, heeft de

vrijheid genomen aan den adel en de burgerij van –shire bekend te

maken, dat hij het welbekende, uitmuntend ingerichte hotel het Wapen

van Clavering heeft overgenomen en daar met de voortdurende gunst van

de heeren en familiën van het graafschap hoopt vereerd te worden. „Dit

oude en gunstig bekende hotel,” luidt mijnheer Lightfoot’s advertentie,

„is naar den laatsten smaak verbouwd en versierd. De heeren, die met de

honden van Dumplingbeare ter jacht gaan, zullen in het Wapen van

Clavering uitmuntende stalling voor hunne paarden vinden. Er is aan het

hotel eene ruime biljartzaal toegevoegd, en de kelders zijn goed

voorzien van de fijnste wijnen en sterke dranken, door Frederik

Lightfoot op de onbekrompenste wijze en met zorg gekozen.

Handelsreizigers zullen het Wapen van Clavering als een aangename

verblijfplaats leeren kennen, en de prijzen zijn naar een algemeen

tarief geregeld, overeenkomstig den geest van spaarzaamheid, die den

tegenwoordigen tijd kenmerkt.”

Werkelijk heerscht er vrij wat drukte in het oude logement. Het wapen

van Clavering, boven den ingang, is prachtig opgeschilderd. De vensters

der koffiekamer zien er helder uit en zijn met de in den Kersttijd

gebruikelijke hulsttakken versierd. De vrederechters houden hunne

zittingen in de speelzaal der voormalige societeit. De open tafel voor

de landlieden wordt als vanouds gehouden en door steeds meerdere gasten

bezocht, die met jufvrouw Lightfoot’s gerechten ingenomen zijn. Vooral

aan haar Indische curries en hare Mulligatawny-soep valt groote bijval

ten deel; majoor Stokes, de geachte bewoners van Fairoaks Cottage, de

gepensioneerde kapitein Glanders en andere omwonende heeren hebben er

hunne goedkeuring van betuigd, en er meer dan eens gebruik van gemaakt,

zoowel bij bijzondere gelegenheden als bij het diner van het Instituut

van Clavering, gegeven bij de inwijding der leeszaal, toen de

voornaamste inwoners van het welvarende plaatsje daar met elkander in

gezelschap kwamen en aan de uitmuntende tafel der kasteleines eer

bewezen. Het voorzitterschap werd bekleed door den baronet Sir Francis

Clavering, daarin bijgestaan door den geachten predikant doctor

Portman, en het ondervoorzitterschap werd op uitnemende wijze

waargenomen door den heer Barker (bijgestaan door de weleerwaarde

heeren J. Simcoe en S. Jowls), den ijverigen chef der lintfabriek te

Clavering en hoofddirecteur van den Clavering- en Chatteries-zijtak van

den grooten westerspoorweg, die in het volgend jaar zal geopend worden

en aan welken de ingenieurs en werklieden thans druk bezig zijn.

Eene belangrijke gebeurtenis, die waarschijnlijk plaats zal hebben in

het leven van onzen talentvollen stadgenoot, den weledelgeboren heer

Arthur Pendennis, heeft hem, naar wij vernemen, doen afzien van zijn

plan om zich candidaat te stellen in ons district; en volgens geruchten

(zeggen de Chatteries Champion, de Clavering Agriculturist en de

Baymouth Fisherman – dat onafhankelijke provinciale blad, hetwelk zoo

bekend is wegens zijn onwrikbare trouw aan de grondwet en zijne

sympathie voor de Britsche vloot, terwijl het tevens zulk een

uitmuntende gelegenheid aanbiedt om te adverteeren) – volgens

geruchten, zeggen de C. C., C. A. en B. F., zou Sir Francis Clavering,

indien zijn achteruitgaande gezondheid hem noodzaakte zijne plaats in

het parlement te verlaten, deze ontruimen ten gunste van een jongen

heer van kolossaal fortuin, verwant aan den hoogsten adel des rijks,

die op het punt staat een huwelijk aan te gaan met eene lieftallige en

schoone dame, door de nauwste banden aan de familie op Clavering Park

verbonden. Lady Clavering en jufvrouw Amory zijn op het Park

aangekomen, om er de Kerstdagen door te brengen, en wij vernemen, dat

daar vele voorname personen verwacht worden en er met den aanvang van

het nieuwe jaar feestelijkheden van bijzonder belangwekkenden aard

zullen plaats hebben.

Met behulp van de bovenstaande nieuwstijdingen zal de schrandere lezer

wel begrijpen wat er in den korten tusschentijd, gedurende welken wij

ons verhaal hebben afgebroken, is voorgevallen. Ofschoon Lady

Rockminster een beetje knorde omdat Laura de voorkeur aan Pendennis

boven Blauwbaard gaf, zullen zij, die het geheim van dezen laatsten

kennen, wel begrijpen, dat het jonge meisje geen andere keus had, en

aan de welwillende oude dame, die zich tot voogdes over jufvrouw Bell

had opgeworpen, mishaagde het overigens niet, dat het meisje de groote

levensbestemming van alle jonge dames vervullen en een echtgenoot nemen

zou. Mylady deelde hare kamenier nog denzelfden avond de gewichtige

gebeurtenis mee, en natuurlijk was jufvrouw Beck, die alles haarfijn

wist en door Martha van Fairoaks nauwkeurig op de hoogte was gehouden

van hetgeen er voorviel, uiterst verbaasd en verheugd. „Het inkomen van

mijnheer Pendennis bedraagt zóóveel; uit den spoorweg, zegt hij, dat

hij nog zóóveel meer zal trekken; jufvrouw Bell bezit zóóveel en zal

waarschijnlijk later nog wel iets meer krijgen. Voor menschen in hun

stand zullen zij zeer goed kunnen rondkomen. En ik zal neef Pynsent

eens spreken, die ik geloof dat eenmaal een oog op haar had – maar

daarvan kon natuurlijk geen sprake zijn („O, natuurlijk niet, mylady;

nu, dat begrijp ik best!”) – niet dat ik er iets van weet of er zelfs

in het minst aan behoef de denken, – ik zal George Pynsent eens

spreken, die nu eerste secretaris is van het Departement Zegelkoord en

Lak, en hem zeggen, dat hij mijnheer Pendennis tot het een of ander

moet laten benoemen. En morgenochtend, Bock, moet gij mijn compliment

aan majoor Pendennis gaan doen, met de boodschap, dat ik te één uur een

bezoek bij hem zal afleggen. Ja,” mompelde de oude dame, „de majoor

moet weer in zijn humeur komen en zijn geld aan Laura’s kinderen

nalaten.”

Derhalve vervoegde zich de douairière Lady Rockminster te één uur bij

majoor Pendennis, die, gelijk men wel begrijpen kan, verrukt was zulk

eene voorname bezoekster te ontvangen. De majoor was voorbereid, zoo

niet op het nieuws, dat mylady hem kwam meedeelen, althans op de

tijding, dat Pen’s engagement met jufvrouw Amory verbroken was. Toen de

jonge heer aan zijn oom dacht – wij moeten bekennen, dat het dien dag

voor de eerste maal was – en diens nieuwen bediende in de vestibule van

het logement ontmoette, vroeg hij mijnheer Frosch naar de gezondheid

van den majoor, en zette zich daarop in de koffiekamer neer om een half

dozijn regels te schrijven, in welke hij zijn voogd kennis gaf van het

gebeurde. „Waarde oom,” schreef hij, „indien er eenig verschil van

gevoelen tusschen ons bestaan heeft, zoo is het nu voorbij. Ik ben

gisteren naar Tunbridge Wells geweest en heb daar bevonden, dat iemand

anders den prijs heeft weggedragen, waaromtrent wij niet wisten hoe te

handelen. Jufvrouw Amory heeft, zonder eenig medelijden met mij, hare

hand aan Henry Foker en zijne vijftienduizend pond ’s jaars geschonken.

Ik betrapte hen in hunne minnekoozerij en vond en liet hem als

overwinnaar terug.

„Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat Tatham, zooals hij mij

schrijft, drie stukken van mijn land te Fairoaks voor een hoogen prijs

aan de spoorwegmaatschappij verkocht heeft. Ik zal u dit en nog meer

vertellen, zoodra wij elkander zien, en verblijf steeds u toegenegen

„A. P.”

„Ik meen te weten wat gij mij wildet meedeelen,” zeide de majoor met

den hoffelijksten lach en eene buiging tegen Pen’s ambassadrice. „Het

was zeer vriendelijk van u, mij dit nieuws te willen overbrengen. Wat

ziet gij er goed uit! Wat zijt gij goed! Wat zijt gij altijd voorkomend

jegens dien jongen geweest!”

„Dat was om den wille van zijn oom,” zeide Lady Rockminster met groote

wellevendheid.

„Hij heeft mij verslag gedaan van den staat zijner zaken en mij een

lieven brief geschreven, – een heel lieven brief,” ging de oude heer

voort, „en ik zie daaruit, dat zijn fortuin vermeerderd is, – ja! Alles

wel beschouwd, heb ik er niet veel spijt van, dat die zaak met jufvrouw

Amory is afgesprongen, ofschoon ik het eenmaal wenschte, – ja, alles

wel beschouwd, ben ik er blij om.”

„Wij moeten hem troosten, majoor Pendennis, en hem eene vrouw

bezorgen,” hervatte de lady; maar nu begon de waarheid den majoor voor

den geest te schemeren en zag hij in, met welk doel Lady Rockminster

zich wel tot ambassadrice had willen leenen.

Wij behoeven het gesprek niet mee te deelen, dat nu volgde, noch

uitvoerig te vermelden hoe mylady een onderhandeling besloot, die, om

de waarheid te zeggen, vrij gemakkelijk was. Er bestond geen reden,

waarom Pen niet overeenkomstig zijn eigen wensch en dien zijner moeder

zou trouwen; en Lady Rockminster ondersteunde het plan van haar kant

door zinspelingen, die bij den majoor een groot gewicht in de schaal

legden, maar van welke wij hier niets anders zullen zeggen, daar mylady

nog in leven is (ofschoon natuurlijk hoog bejaard) en de familie het

misschien kwalijk zou nemen. In één woord, de oude heer werd geheel

overrompeld door het bepaalde plan der lady om innemend te zijn, en

door hare hartelijke genegenheid voor Laura. Niets kon werkelijk

wellevender en vriendelijker zijn dan Lady Rockminster’s gedrag van het

begin tot het einde, behalve op zeker oogenblik, toen de majoor

verklaarde, dat zijn jongen zich wegwierp waarop mylady eene kleine

rede hield om den majoor aan het verstand te brengen, dat Laura –

gelijk de arme Pen en zijne vrienden ook ootmoedig erkennen –

duizendmaal te goed voor hem was. Laura zou de vrouw van een koning

kunnen zijn; zij was een toonbeeld van deugd en uitnemende gaven. En

wij moeten dan ook zeggen, dat majoor Pendennis, toen hij begreep dat

eene dame van den rang der gravin van Rockminster voor jufvrouw Bell

een oprechte bewondering koesterde, haar oogenblikkelijk zelf begon te

bewonderen.

Toen dus de Herr Frosch naar Lady Rockminster’s vertrekken gezonden

was, om aan jufvrouw Bell en mijnheer Arthur Pendennis te berichten,

dat de majoor hen zou ontvangen, en Laura blozend en opgetogen aan

Pen’s arm verscheen, reikte de majoor met hartelijkheid en aandoening

aan elk van beiden eene bevende hand toe, en verwelkomde Laura

vervolgens op nog een andere wijze, die haar nog sterker deed blozen.

Gelukkige blosjes! schitterende oogen, die met het licht der liefde

stralen! De verhaler wendt zich van dit groepje tot zijne jeugdige

lezers, en hoopt, dat hunne oogen eenmaal alle op die zelfde wijze

schitteren mogen.

Toen Pen op de meest vriendschappelijke wijze afscheid genomen had en

de lieftallige Blanche haar jeugdig hart aan een blozend bruidegom met

vijftien duizend pond ’s jaars verpand had, ontsproot er een gevoel van

geluk in Lady Clavering’s hart en familie, gelijk de goede begum het in

vele jaren niet gekend had, en ontstond er de verrukkelijkste

hartelijkheid en toegenegenheid tusschen haar en Blanche. De vurige

Foker trachtte den gelukkigen dag te bespoedigen, en was zoo begeerig

als men maar verwachten kon, om den rouwtijd te bekorten, die hem het

bezit van zooveel bekoorlijkheden en beminnelijke eigenschappen

verschaft had, waarop hij tot dusverre slechts in de verte uitzicht had

gehad, en waarvan hij zich nu als de gelukkige bezitter mocht

beschouwen. De lieftallige Blanche, die alles was wat haar verloofde

kon verlangen, was niet ongenegen om aan den wensch van haar

teergeliefden Henry te voldoen. Lady Clavering kwam van Tunbridge over.

Modemaaksters en juweliers werden aan het werk gezet en in dienst

genomen om de heerlijke tooisels van Hymen te leveren. Lady Clavering

was in zulk een goed humeur, dat zelfs Sir Francis er de gunstige

gevolgen van ondervond, en het in zooverre tot eene verzoening tusschen

dit echtpaar kwam, dat hij naar Londen terugkeerde, wederom aan het

hoofd van zijn eigen tafel zat en zich, tamelijk goed van geld

voorzien, weer in zijne biljartzalen en speelhuizen vertoonde. Op

zekeren dag, toen majoor Pendennis en Arthur op Grosvenor Place gingen

dineeren, vonden zij daar een ouden kennis als majordomo in dienst, en

de heer in het zwart, die hun met de meeste beleefdheid en deftigheid

de keus liet tusschen verschillende soorten van champagne, was niemand

anders dan mijnheer James Morgan. De chevalier Strong behoorde tot het

gezelschap; hij was zeer levendig en vroolijk en vergastte de

aanwezigen op de beschrijving hoe hij zich buitenslands vermaakt had.

„Mylady heeft mij uitgenoodigd,” zeide Strong op zachten toon tegen

Arthur; „die Morgan keek zoo zwart als de nacht, toen ik binnenkwam.

Hij heeft hier niet veel goeds in den zin. Ik zal eerst weggaan, en u

en majoor Pendennis aan het hek van Hyde Park afwachten.”

Mijnheer Morgan hielp majoor Pendennis bij het aantrekken van zijne

overjas, toen hij zou heengaan, en mompelde zoo dat hij tijdelijk eene

betrekking bij de familie Clavering had aangenomen.

„Ik heb een papier van u in mijn bezit, mijnheer Morgan,” zeide de oude

heer.

„Hetgeen gij, als gij er lust toe hebt, aan Sir Francis kunt toonen,

mijnheer, het is mij onverschillig,” zeide mijnheer Morgan met

neergeslagen blik; „ik heb veel verplichting aan u, majoor Pendennis,

en indien ik het u vergelden kan, zal ik het niet nalaten.”

Arthur hoorde die woorden, en daar hij den blik vol haat opmerkte, van

welken zij vergezeld gingen, riep hij plotseling uit, dat hij zijn

zakdoek vergeten had, en liep weer naar boven naar de gezelschapszaal.

Foker was daar nog en kon van zijne sirene niet scheiden. Pen wierp op

de sirene een veelbeteekenenden blik, en wij houden het er voor, dat

zij aan veelbeteekenende blikken gewoon was, want toen Arthur, na den

zakdoek, dien hij kwam zoeken, werkelijk gevonden te hebben, weer

heenging, riep de sirene hem lachend na: „O Arthur – mijnheer Pendennis

– ik moet u eene boodschap voor mijne lieve Laura meegeven!” en met die

woorden kwam zij ook naar buiten.

„Wat is er?” vroeg zij, terwijl zij de deur sloot.

„Hebt gij Henry alles verteld? Weet gij, dat die schelm van een Morgan

met alles bekend is?”

„Ja, dat weet ik.”

„Hebt gij het Henry verteld?”

„Neen, neen,” antwoordde zij. „Gij zult mij toch niet verraden?”

„Dat zal Morgan doen.”

„Neen, dat zal hij niet,” zeide Blanche. „Ik heb hem beloofd –

n’importe. Wacht tot na ons huwelijk. – O, tot na ons huwelijk. Och,

wat ben ik toch rampzalig!” riep het meisje uit, dat den ganschen avond

de lieftalligheid, bevalligheid en opgeruimdheid zelve was geweest.

„Ik verzoek en bezweer u, het aan Henry te vertellen,” zeide Arthur.

„Vertel het hem op staanden voet. Het is toch uwe schuld niet. Hij zal

u alles vergeven. Deel het hem nog heden avond mee.”

„En geef haar, als het u belieft, dit – il est la – met mijne

complimenten. Neem mij niet kwalijk, dat ik u heb teruggeroepen; en als

zij ten half vier bij madame Crinoline kan zijn en Lady Rockminster

haar kan missen, zou ik zoo gaarne een ritje met haar door het park

doen,” en met die woorden keerde zij zingende en kushandjes gevende in

de zaal terug, terwijl Morgan als eene kat de met tapijt belegde trap

kwam opsluipen.

Toen Pen zich beneden bij zijn oom voegde, hoorde hij Blanche op hare

piano de brillantste muziek maken. Onder het heengaan vertelde Arthur

met korte woorden wat hij gedaan had. „Wat moest ik doen?” vroeg hij.

„Ja, wat moet er, voor den drommel, gedaan worden?” zeide de oude heer.

„Wat kunnen wij anders doen, dan de zaak op haar beloop laten? Wij

mogen, bij den hemel, wel dankbaar wezen, dat wij er niet meer in

betrokken zijn, en ze kunnen overlaten aan degenen, welke zij aangaat.”

„Ik hoop van harte, dat zij het hem zal vertellen,” zeide Pen.

„Voor den drommel, zij zal haar eigen zin volgen,” zeide de oude man.

„Jufvrouw Amory is een verduiveld slim meisje, en moet hare eigen

kaarten maar uitspelen; ik ben drommels blij, dat gij er van af zijt, –

drommels blij, dat verzeker ik u. Wie rookt daar? O, dat is mijnheer

Strong weer. Die wil zich, geloof ik, er ook mee bemoeien. Als ik u een

raad mag geven, Arthur, houd er u maar buiten.”

Strong begon een paar maal alsof hij juist over die zaak wilde spreken,

maar de majoor was doof aan dat oor en praatte over den maneschijn, die

op Apsley House viel, over het weer, over de huurrijtuigen, die stonden

te wachten, – over alles, behalve over dat ééne onderwerp. Hij maakte

eene stijve buiging tegen Strong en nam bij het ingaan van St. James’

Street den arm van zijn neef, dien hij nogmaals waarschuwde zich niet

met de zaak in te laten. „Het had u heel duur te staan kunnen komen,

neef, daarop geef ik u mijn woord,” zeide hij.

Toen Arthur het hotel weer uitkwam, zag hij Strong’s mantel en sigaar

op eenige deuren afstands. De vroolijke chevalier kwam hem lachend te

gemoet. „Ik ben ook een oud soldaat,” zeide hij. „Ik wenschte u te

spreken, Pendennis. Ik heb alles vernomen wat er gebeurd is, al de

wijzigingen en veranderingen, die er tijdens mijn afwezigheid hebben

plaats gehad. Ik wensch u geluk dat gij gaat trouwen, en evenzeer dat

gij het ontsnapt zijt, – gij begrijpt mij wel. Het ging mij niet aan,

maar wel weet ik, dat zeker iemand eene kleine, aanmatigende –, nu, het

doet er niet toe, wat – is. Gij hebt als man gehandeld en uw verstand

gebruikt, en zijt nu wèl af.”

„Ik heb geen reden om te klagen,” zeide Pen. „Ik ben teruggegaan, om de

arme Blanche te bezweren, dat zij alles aan Foker zou openbaren; ik

hoop om harentwil, dat zij het doen zal, maar ik vrees van neen. De

rechte weg is toch altijd de beste, Strong.”

„En gelukkig degeen, die er op kan blijven,” zeide de chevalier. „Die

schelm van een Morgan heeft iets kwaads in den zin. Hij heeft gedurende

de twee laatste maanden rondom onze kamers gezworven en het geheim van

dien dollen Amory ontdekt. Hij heeft er achter trachten te komen waar

hij zat; hij heeft Bolton uitgehoord en den ouden Cos verscheidene

malen dronken gemaakt. Hij kocht den kruier van de Inn om, dat deze hem

zou berichten wanneer wij terugkwamen, en door hetgeen hij al weet, is

hij in Clavering’s dienst gekomen. De schurk zal er geducht zijn

voordeel mee doen; onthoud maar wat ik zeg.”

„Waar is Amory?” vroeg Pen.

„Ik geloof te Boulogne. Ik liet hem daar achter, en waarschuwde hem,

niet terug te komen. Ik heb mijne betrekking met hem afgebroken, na een

geweldigen twist, dien men met zulk een dolleman ook te verwachten had.

Het doet mij genoegen, dat hij nu bij mij in de schuld staat, en dat ik

het ben, die hem voor meer dan één ongeluk bewaard heb.”

„Hij heeft zeker al zijne winsten weer verloren?” vroeg Pen.

„Neen; hij is beter af, dan toen hij wegging, of zelfs nog veertien

dagen geleden. Hij was te Baden buitengewoon voorspoedig en deed de

bank verscheidene avonden springen, zoodat men overal van hem sprak.

Hij verbond zich daar met zekeren Bloundell, die een kring van allerlei

mannelijke en vrouwelijke, Russische, Duitsche, Fransche en Engelsche

oplichters rondom hem verzamelde. Amory werd zoo overmoedig, dat ik op

zekeren dag genoodzaakt was hem bijna dood te ranselen. Ik had geen

andere keuze; die kerel is voor niets bang en ik moest dus wel

toeslaan.”

„En heeft hij u niet uitgedaagd?” vroeg Pen.

„Gij zijt zeker van gevoelen, dat niemand er iets bij zou verloren

hebben, als ik hem had doodgeschoten? Neen, mijnheer, ik wachtte op

zijn uitdaging, maar die kwam niet, en de eerstvolgende maal dat ik hem

ontmoette, vroeg hij mij vergiffenis en zeide: „Strong, ik vraag u

verschooning; gij hebt mij afgestraft, maar ik verdiende het.” Wij

gaven elkander de hand, maar ik kon na het gebeurde niet meer met hem

samenwonen. Ik betaalde hem wat ik hem den vorigen avond schuldig was

gebleven,” vervolgde Strong met een blos. „Ik verpandde al wat ik

bezat, om hem af te betalen, en ging toen met mijne laatste tien

guldens naar de roulette om een kans te wagen. Indien ik ze verloren

had, zou ik mij den volgenden morgen door hem hebben laten

doodschieten. Ik was het leven moe. Is het, bij den hemel, geen

schande, mijnheer, dat een man als ik, die eenige wissels afgegeven,

doch die nooit een vriend in den nood gelaten, of een oneerlijke daad

verricht heeft, niet in staat is zijne hand tot iets te zetten, om zijn

brood te verdienen? Ik deed echter goede zaken aan de roulette,

mijnheer, en daarmee heb ik er afscheid van genomen. Ik ga nu in den

wijnhandel. De familie mijner vrouw woont te Cadix. Ik ben voornemens

hier Spaansche wijnen en hammen in te voeren; daarmee is fortuin te

maken, mijnheer, fortuin; hier is mijn kaartje. Als gij sherry of

hammen noodig hebt, herinner u dan, dat Ned Strong daarin doet.” En bij

die woorden haalde de chevalier een fraai adreskaartje uit, houdende,

dat Strong en Co., in Shepherd’s Inn, de eenige agenten waren voor de

beroemde Diamant Manzanilla – van den hertog van Garbanzos grande, van

Spanje der eerste klasse, en voor de vermaarde Toboso, hammen uit de

landstreek van Don Quijote, waar de varkens alleen met eikels gemest

worden. „Kom het een en ander maar eens op mijne kamers proeven

mijnheer. Gij ziet, dat ik aanleg heb voor zaken, en, bij den hemel,

ditmaal zullen ze niet mislukken.”

Pen nam lachend het kaartje aan. „Ik weet niet of ik nog naar

partijtjes van ongetrouwde heeren mag gaan,” zeide hij; „gij weet, dat

ik ga –”

„Maar gij moet toch sherry hebben, mijnheer. Sherry kunt gij niet

missen.”

„Ik zal ze van u nemen, daarop kunt gij rekenen,” zeide de ander. „En

ik geloof u te mogen gelukwenschen, dat gij die andere compagnieschap

ontbonden hebt. Die brave man,” liet hij er na een oogenblik op volgen,

„die Altamont correspondeert met zijne dochter, naar ik hoor.”

„Ja, de kleine slimme heks schreef hem de langste kletsbrieven, die ik

ooit gelezen heb, en hij antwoordde haar onder het adres van jufvrouw

Bonner. In de eerste dagen wilde hij haar wegvoeren; hij moest en zou

zijn kind terug hebben. Maar zij had niet veel lust om te komen, zooals

gij wel begrijpen kunt; en hij drong er ook niet sterk meer op aan.”

Hier barstte de chevalier in lachen uit. „En weet gij nu, mijnheer, wat

de oorzaak van onzen twist en gevecht was? Er was eene weduwe te Baden,

zekere baronnes de la Cruche Cassée, die niet veel meer deugde dan hij

zelf, en die de schelm wilde trouwen; en hij zou het ook gedaan hebben,

indien ik haar niet had meegedeeld, dat hij reeds gehuwd was. Ik geloof

niet, dat zij veel beter was dan hij. Ik zag haar den dag, waarop ik

naar Engeland overstak, op den steiger te Boulogne.”

En thans hebben wij ons verhaal aangevuld tot het punt, waar het

bericht in den Chatteries Champion ons reeds gebracht had.

Er moesten nog maar weinige, zeer weinige dagen verloopen vóór dien

zaligen dag, waarop Foker jufvrouw Blanche de zijne zou kunnen noemen;

de inwoners van Clavering waren te hoop geloopen om het prachtigste

nieuwe rijtuig ter wereld te bewonderen, dat in het koetshuis van het

Wapen van Clavering stond en, in vergelding voor een dankbaar

aangenomen slokje, aan de belangstellenden getoond werd door mijnheer

Foker’s eersten koetsier. Madame Fribsby was bezig met het vervaardigen

van eenige mooie kleedjes voor de boerendochters, die als een soort van

bruidskoor bij het ontbijt en de trouwplechtigheid zouden verschijnen.

Tevens zouden er bij deze heerlijke gelegenheid onbeschrijfelijk groote

feesten in het park gegeven worden.

„Ja, mijnheer Huxter, de gelukkige landlieden, de roem van hun land,

zullen zich in de ridderzaal vereenigen. De vette os zal geslacht

worden, de gevulde beker zal rondgaan, de klokken zullen vroolijk

galmen; en mijn schoonvader, het oog bedauwd met een traan des gevoels,

zal op den drempel van het slot zijn zegen over ons uitspreken. Dat

zal, geloof ik, de gang der plechtigheid wezen, mijnheer Huxter; en ik

hoop dat wij u zullen zien en uw lief vrouwtje aan de zijde van haar

man. Wat zult gij gebruiken, mijnheer? Jufvrouw Lightfoot, wilt ge zoo

goed zijn mijn geachten vriend en lijfarts, mijnheer Huxter, mijnheer

Samuel Huxter, lid van het koninklijk chirurgisch genootschap, het

beste voor te zetten wat uw hotel bevat en het bedrag van het

feestgelag op mijne rekening te stellen? En mijnheer Lightfoot, wat

zult gij gebruiken? ofschoon ik geloof, dat gij reeds genoeg hebt

gehad, – Ja, dat zie ik.”

Aldus sprak Henry Foker aan het buffet van het Wapen van Clavering. Hij

bewoonde kamers in dat hotel en had daar een kring van vrienden rondom

zich vergaderd. Ieder, die er kwam, onthaalde hij op drank. Hij stond

op vertrouwelijken voet met iedereen. Hij gevoelde zich zoo gelukkig!

Hij danste als het ware rondom madame Fribsby, jufvrouw Lightfoot’s

boezemvriendin, die nadenkend in het buffet zat. Hij vertroostte

jufvrouw Lightfoot, aan wier huwelijkshemel zich reeds wolkjes

vertoonden; want wij moeten naar waarheid getuigen, dat de jonge

Lightfoot, nu hij de volle heerschappij over den kelder voerde, die

niet over zijn eigene teugellooze driften had, en van den morgen tot

den avond proefde en dronken was. En het was voor zijne liefhebbende

vrouw een jammerlijk gezicht, als zij den forschen jonkman over de

plaats of door de koffiekamer zag zwaaien, of hem met de boeren en

winkeliers zijn eigene fijne wijnen en met zorg gekozen voorraad

gedistilleerde vochten zag uitdrinken.

Wanneer mijnheer Morgan, de hofmeester, den tijd kon uitbreken, kwam

hij van het park overwippen en dronk een glaasje op kosten van den

kastelein van het Wapen van Clavering. Met woeste en spottende

gelaatstrekken luisterde hij naar Lightfoot’s dronkemanstaal. Jufvrouw

Lightfoot gevoelde zich altijd dubbel rampzalig, wanneer haar

ongelukkige echtgenoot onder het oog van zijn kameraad was. Pas weinige

maanden getrouwd, en dan te moeten bedenken, dat het reeds zoo ver

gekomen was! Madame Fribsby kon gevoelen voor haar; zij kon zelve even

slechte voorbeelden van mannen aanhalen. Ook zij had verdriet gehad en

treurige ondervinding van de mannen verkregen. Niemand schijnt ten

volle gelukkig te mogen zijn, en er is alsem, gelijk mijnheer Foker

aanmerkte, in ieders beker. En echter scheen er geen alsem in den beker

van dien braven jonkman zelven te zijn! Hij liep over van geluk en

opgeruimdheid.

Mijnheer Morgan was onuitputtelijk in zijn opmerkzaamheden voor Foker.

„En echter mag ik hem niet lijden,” zeide de openhartige jonge heer

tegen jufvrouw Lightfoot. „Hij ziet er altijd uit, alsof hij mij de

maat voor mijne doodkist wil nemen. Mijn schoonvader is bang voor hem;

schoonpapa is – hm! – het komt er niet op aan, maar schoonmama is een

best mensch, jufvrouw Lightfoot.”

„Ja, dat is mylady ook,” erkende jufvrouw Lightfoot, met een zucht,

bedenkende, dat het misschien beter voor haar ware geweest, als zij

hare meesteres nooit verlaten had.

„Ik houd niet van Morgan, schoon ik de reden niet weet,” hernam Foker;

„en hij wenscht, dat ik hem als hofmeester zal aannemen. Blanche wil

ook, dat ik hem in dienst zal nemen. Waarom is jufvrouw Amory zoo met

hem ingenomen?”

„Is jufvrouw Amory zoo met hem ingenomen?” vroeg juffer Lightfoot, naar

het scheen door deze mededeeling zeer getroffen; en de waardige

kasteleines kreeg nog meer redenen om ongerust te worden. Op zekeren

morgen, namelijk, werd haar een brief met het postmerk Boulogne

bezorgd, over welken zij en haar man aan het twisten waren toen Foker

de trap langs het buffet afging, om zich naar het Park te begeven. Hij

was gewoon daar te ontbijten en zich een poosje in het bijzijn van

Armida te verkwikken. Daar het gezelschap van Clavering hem

onuitsprekelijk verveelde en hij niet van de jacht hield, vertrok hij

dan, om zich een paar uren met biljarten en het gezelschap in het Wapen

van Clavering te vermaken. Aldus werd het tijd om met jufvrouw Amory

uit rijden te gaan, en na bij haar gedineerd te hebben, vertrok hij

weer en keerde bedaard naar zijn logement terug.

Lightfoot en zijne vrouw twistten dus over den brief. Wat beteekende

die buitenlandsche brief? Waarom kreeg zij altijd brieven van

buitenslands? Wie schreef die? Dat wilde hij weten. Hij geloofde niet,

dat zij van haar broeder kwamen. Raakte het hem niet? Het raakte hem

wel, en met een vloek greep hij zijne vrouw en tastte naar haar zak, om

zich van den brief meester te maken.

De arme vrouw gaf een gil en riep uit: „Daar hebt ge hem dan!” Juist

toen haar man den brief opnam en mijnheer Foker binnentrad, gaf zij op

diens gezicht andermaal een gil en trachtte opnieuw het papier te

bemachtigen. Lightfoot duwde haar echter weg en opende het schrijven,

uit hetwelk een ingesloten brief op de ontbijttafel viel.

„Handen thuis, als gij uw leven liefhebt!” zeide de kleine Henry,

toespringende. „Sla geene handen aan eene vrouw, mijnheer. De man, die

de hand aan eene vrouw slaat, anders dan uit vriendelijkheid, is een –

hola, dat is een brief voor jufvrouw Amory. Wat beteekent dit, jufvrouw

Lightfoot?”

Jufvrouw Lightfoot begon op een klagenden en verwijtenden toon tegen

haar man uit te varen: „Gij lafaard! eene vrouw, die u van de straat

heeft opgeraapt, zóó te behandelen! de handen aan uwe vrouw te slaan!

Waarom heb ik u ook getrouwd! Waarom heb ik mylady voor u verlaten! Heb

ik daarom achthonderd pond aan het in orde brengen van dit huis

besteed, opdat gij maar zoudt drinken en allerlei uitspattingen

begaan?”

„Zij ontvangt brieven en wil mij niet zeggen wie die schrijft,” zeide

mijnheer Lightfoot met dubbelslaande tong; „het zijn familiezaken. Wilt

ge ook iets gebruiken, mijnheer?”

„Ik zal dezen brief aan jufvrouw Amory geven, daar ik zelf naar het

park ga,” zeide Foker, zeer bleek wordende; en de missive van de tafel

opnemende, op welke het ontbijt der arme kasteleines aangericht stond,

ging hij heen.

„Hij staat op het punt van te komen, – wel verduiveld, wie staat er op

het punt van te komen? Wie is J. A., vrouw? Voor den duivel, wie is J.

A.?” schreeuwde de echtgenoot.

Maar jufvrouw Lightfoot riep terug: „Houd uw mond, dronken varken,”

haalde snel haar hoed en doek, zag mijnheer Foker na, die de straat

opging, sloeg een achterweg in, die er evenwijdig mee loopt, en vloog

zoo haastig zij kon naar de portiersloge van Clavering Park. Foker zag

wel eene gedaante die hem vooruitsnelde, doch toen hij aan de

portiersloge kwam, was zij verdwenen. Hij vroeg daar wie hem zoo even

was voorafgegaan en of het jufvrouw Bonner niet was geweest? Hij kon

zich bijna niet op de been houden en de boomen dansten voor zijn oogen.

Een paar malen moest hij tegen de bladerlooze stammen der lindeboomen

uitrusten.

Lady Clavering bevond zich met haar zoon in de ontbijtkamer en haar

gemaal zat over zijne courant te geeuwen. „Goedenmorgen, Henry,” zeide

de begum. „Hier zijn brieven, hoopen brieven; Lady Rockminster zal

Dinsdag komen, in plaats van Maandag, en Arthur komt met den majoor

heden, Laura gaat bij doctor Portman logeeren en komt van daar naar de

kerk, – en maar wat deert u, mijn jongen? Hoe ziet ge zoo bleek?”

„Waar is Blanche?” vroeg Henry met eene haperende stem; „is zij nog

niet beneden?”

„Blanche is altijd de laatste,” zeide het zoontje, onder het eten van

zijne kadetjes; „zij is een luilak, dat is zij. Als gij niet hier zijt,

ligt zij tot aan het tweede ontbijt te bed.”

„Houd je mond, Frans,” sprak zijne moeder.

Na eenige oogenblikken kwam Blanche met een bleek gelaat en een

tamelijk nieuwsgierigen blik op Foker beneden; daarop trad zij vooruit,

kuste hare moeder en kwam Henry met een gelaat te gemoet, dat hare

liefste lachjes tot zijne verwelkoming vertoonde.

„Hoe gaat het, Henry?” vroeg zij en stak hem hare beide handen toe

„Ik gevoel mij onwel,” antwoordde hij. „Ik – ik heb een brief voor u

meegebracht, Blanche.”

„Een brief? en van wien? voyons,” sprak zij.

„Dat weet ik niet, maar ik zou het gaarne vernemen,” zeide Foker.

„Hoe zou ik dat weten, voordat ik hem gezien heb?” vroeg Blanche.

„Heeft jufvrouw Bonner u dat nog niet verteld?” vroeg hij met eene

onvaste stem. „Daar schuilt een geheim onder. Geef gij haar den brief,

Lady Clavering.”

Met verwondering nam Lady Clavering den brief uit de bevende hand van

den armen Foker aan en bekeek het adres. Maar nauwelijks had zij dit

gedaan, of zij begon aan al hare leden te beven, liet met een ontsteld

gelaat den brief vallen, snelde naar Frans, dien zij aan haar hart

drukte, en riep snikkende uit: „Neem hem weg – het is onmogelijk,

onmogelijk!”

„Wat is er gaande?” vroeg Blanche, met een lachje, dat echter een

akeligen indruk maakte: „het is maar een brief van – van een armen

bloedverwant, dien wij ondersteunen.”

„Dat is niet waar, dat is niet waar,” gilde Lady Clavering. „Neen,

Frans – is het wel zoo, Clavering?”

Blanche had den brief opgenomen en trad er mee naar het vuur, doch

Foker liep haar na en greep haar bij den arm met de woorden: „Ik moet

dien brief zien. Geef hem over. Gij zult hem niet verbranden.”

„Gij – gij zult jufvrouw Amory op die manier niet in mijn huis

behandelen,” riep de baronet uit: „geef den brief terug, voor den

duivel!”

„Lees hem – en zie haar eens aan,” zeide Blanche, op hare moeder

wijzende; „voor haar – voor haar hield ik het geheim. Lees hem nu maar,

wreedaard!”

En Foker brak den brief open en las het volgende:

„Ik heb de laatste drie weken niet geschreven, mijn schatje van een

Betsy; maar deze dient om u mijn vaderzegen te geven, en ik zal er

bijna even spoedig zijn als mijn brief, want ik wensch de plechtigheid

bij te wonen en mijn schoonzoon te zien. Ik zal mijn intrek bij

jufvrouw Bonner nemen. Ik heb een aangenaam najaar doorgebracht en woon

hier in een hotel waar voornaam gezelschap bijeen is en dat op goeden

voet is ingericht. Ik kan het niet geheel goedkeuren, dat gij mijnheer

P. bedankt en mijnheer F. genomen hebt; ik vind Foker ook zulk een

welluidenden naam niet, en naar de beschrijving, die gij van hem geeft,

schijnt hij een sukkel en gansch niet mooi. Maar hij heeft duiten, en

dat is het voornaamste. Dit weinige zij, totdat wij elkander zien,

mijne kleine lieve Betsy, genoeg van uw toegenegen vader

„J. Amory Altamont.”

„Lees dat eens, Lady Clavering; het is te laat om het voor u te

verbergen,” zeide de arme Foker; en toen de radelooze vrouw er haar

blik over had laten gaan, brak zij weer in zenuwachtig gillen uit en

klemde haar zoon krampachtig vast.

„Men heeft u tot een verworpeling gemaakt, arme jongen,” sprak zij.

„Men heeft uw oude moeder onteerd; maar ik ben onschuldig, Frans; voor

God betuig ik, dat ik onschuldig ben. Ik heb dit niet geweten, mijnheer

Foker; wezenlijk, dat heb ik niet.”

„Daarvan ben ik ook overtuigd,” zeide Foker, naar haar toetredende en

hare hand kussende.

„Edele, edele Henry!” riep Blanche in vervoering uit; maar hij trok de

hand terug, die zich aan haar kant bevond, en keerde zich met bevende

lippen van haar af. „Dat is iets anders,” zeide hij.

„Het was om harentwil, Henry – om harentwil,” en wederom plaatste

jufvrouw Amory zich in postuur.

„Er had ook iets om den mijnen gedaan moeten worden,” sprak Foker. „Ik

zou u genomen hebben, wie gij ook geweest waart. Alles wordt te Londen

besproken, en zoo wist ik ook wel, dat het met uw vader niet – niet

goed afgeloopen was. Denkt gij, dat ik u om uwe familie zou getrouwd

hebben? Wel verduiveld! Met hart en ziel heb ik u twee jaar liefgehad,

en ondertusschen hebt gij mij tot een speelbal gebruikt en mij

bedrogen,” schreeuwde de jonkman uit. „O Blanche, Blanche, het is hard

om dat te verduren,” en bij die woorden sloeg hij de handen voor zijn

gelaat en snikte.

„Waarom heb ik het hem dien avond niet verteld, toen Arthur mij

waarschuwde!” dacht Blanche.

„Wijs haar niet af, Henry,” riep Lady Clavering uit. „Neem haar, neem

al wat ik bezit. Gij weet dat het, bij mijn dood, het hare is. Deze

jongen is onterfd” – (De jonge heer Frans, die als verbijsterd dit

vreemde tooneel had bijgewoond, barstte hier in een luid geschreeuw

uit). „Neem tot den laatsten stuiver, dien ik bezit. Geef mij genoeg om

van te leven, om mij met dit kind te gaan verbergen en beiden te

ontvluchten. O, het zijn beiden slechte, slechte mannen geweest.

Misschien is hij op het oogenblik reeds hier. Laat mij hem niet zien.

Clavering, gij lafaard, bescherm mij tegen hem.”

Op dit voorstel sprong Clavering op. „Dat is u geen ernst, Jemima.

Meent gij dat?” vroeg hij. „Gij zult u toch aan mij en Frans niet

onttrekken? Ik heb het niet geweten, zoo waarlijk helpe mij –! Ik had

er even weinig vermoeden van als van het uur van mijn dood, Foker,

totdat de kerel overkwam en mij ontdekte, die vervloekte ontvluchte

misdadiger.”

„Die wat?” vroeg Foker, en Blanche gaf een gil.

„Ja,” schreeuwde de baronet op zijne beurt, „ja, een vervloekte

weggeloopen strafgevangene – een kerel, die de handteekening van zijn

schoonvader, een verwenschten procureur, had nagemaakt; die een anderen

kerel aan de Botany Baai vermoordde, en toen de vlucht nam naar de

wildernissen, waar ik wenschte dat hij gestorven was. En hij kwam ruim

zes jaar geleden bij mij en plunderde mij uit, en ik heb mij

geruïneerd, om dien helschen booswicht te onderhouden! En Pendennis

weet het, en Strong weet het, en die verwenschte Morgan weet het, en

zij weet het, het is den hemel bekend hoelang; maar ik heb het nooit

willen vertellen en ik heb het voor mijne vrouw geheim gehouden.”

„En gij hebt hem gezien en hem niet doodgeslagen, Clavering, gij

lafaard?” zeide de vrouw van Amory. „Kom mee, Frans; uw vader is een

bloodaard. Ik ben onteerd, maar ik ben uw oude moeder, en gij zult –

gij zult mij toch liefhebben, niet waar?”

Blanche begaf zich éplorée naar hare moeder; doch Lady Clavering

deinsde met een zekeren schrik voor haar terug. Raak mij niet aan, riep

zij; gij hebt geen hart en hebt er nooit een gehad. Ik doorzie nu

alles. Ik zie waarom die lafaard zijne plaats in het parlement aan

Arthur zou afstaan; ja, die lafaard! en waarom gij dreigdet, dat gij

mij zoudt noodzaken u de helft van het fortuin van Frans uit te keeren.

En toen Arthur u wilde trouwen zonder dat gij een duit ten huwelijk

bracht, omdat hij mijn jongen niet wilde berooven, liet gij hem varen

en naamt gij den armen Henry. Laat u niet met haar in, Henry. Gij zijt

er te goed voor. Trouw die – die dochter van een misdadiger niet. Kom

mee, Frans, mijn lieveling; kom bij uw arme oude moeder. Wij zullen ons

ergens verbergen, maar wij zijn eerlijk, ja, wij zijn eerlijk.

Onderwijl was er een zonderling gevoel van opgetogenheid in Blanche’s

gemoed opgekomen. Die maand, welke zij met Henry had doorgebracht, was

haar onuitstaanbaar lang gevallen. Al zijn geld en pracht was

ternauwernood in staat geweest, haar aan hem zelven te gewennen. Haar

geduld was uitgeput door zijn onnoozele manieren, en het stuitte haar

hem verder te vleien en te bewierooken.

„Wacht even, mama; wacht even, mevrouw,” riep zij uit met een gebaar,

dat gepast was, al scheen het ook wat theatraal. „Ik heb geen hart,

zegt gij? Ik houd de schande mijner moeder geheim. Ik sta mijne rechten

aan mijn halven broeder, mijn onechten broeder af – ja, mijne rechten

en mijn fortuin. Ik verraad mijn vader niet, en echter heet het, dat ik

geen hart heb. Nu wil ik mijne rechten doen gelden, en de wetten van

mijn land zullen mij die toekennen. Ik beroep mij op de rechten van

mijn land – ja, de rechten van mijn land! Die vervolgde man keert heden

terug. Ik verlang naar mijn vader te gaan.” En het dametje zwaaide hare

hand en beschouwde zich als eene heldin.

„Zult gij dat doen?” riep Clavering met een zijner gewone vloeken uit.

„Ik ben vrederechter en ik zal hem, voor den duivel, laten arresteeren.

Daar komt een rijtuig; misschien zit hij er in. Laat hem maar komen!”

Er naderde inderdaad een rijtuig door de laan en de beide vrouwen

begonnen om het hardst te gillen, daar zij verwachtten binnen een

oogenblik Altamont te zien verschijnen.

De deur ging open en mijnheer Morgan diende majoor Pendennis en

mijnheer Pendennis aan, die bij hun binnentreden al de aanwezigen in

dezen hooggaanden twist vonden. De ontbijtkamer was door een hoog

kamerschut van de vestibule afgescheiden, en wel waarschijnlijk is het,

dat mijnheer Morgan, volgens zijne gewoonte, van dat scherm gebruik had

gemaakt, om zich in te wijden in hetgeen er voorviel.

Den vorigen dag was er bepaald, dat de jongelui uit rijden zouden gaan,

en op het bepaalde middaguur werden mijnheer Foker’s paarden uit het

Wapen van Clavering aangebracht. Jufvrouw Blanche vergezelde hem echter

bij deze gelegenheid niet. Pen trad naar buiten en drukte hem op het

bordes de hand, en Henry Foker reed weg, door zijn rijknecht in

rouwlivrei gevolgd. Al de voorvallen, die het belangrijkste gedeelte

van ons verhaal hebben uitgemaakt, waren door de betrokken partijen

gedurende deze twee of drie uren besproken. Er was menige raad gegeven,

menige geschiedenis verteld, menige schikking voorgeslagen; maar ten

slotte reed Henry Foker heen, onder een meewarig: „God zegen’ u!” van

Pen. Het was een somber diner op Clavering Park, waarbij de nieuw

aangestelde hofmeester niet bediende en beide de dames afwezig waren.

Na het diner zeide Pen: „Ik zal naar Clavering wandelen, om te zien of

hij aangekomen is.” En hij ging de donkere laan door en de brug over en

nam den weg langs zijn eigen buitenplaatsje, welks stille en hem zoo

goed bekende landerijen nu verlicht werden door den gloed der ovens en

smidsen van de werklieden, die den nieuwen spoorweg aanlegden; en op

die wijze bereikte hij het stadje en begaf hij zich naar het Wapen van

Clavering.

Het middernachtsuur was reeds voorbij, toen hij, uiterst bleek en

ontroerd, op Clavering Park terugkwam. „Is Lady Clavering nog op?”

vroeg hij. Ja, zij bevond zich nog in hare zitkamer. Hij ging daarheen,

en trof de arme dame in een beklagenswaardigen toestand, schreiende en

sidderende, aan.

„Ik ben het, – Arthur,” zeide hij, naar binnen ziende, en daarop

binnentredende greep hij hare hand met warmte en drukte er een kus op.

„Gij zijt altijd de voorkomendste vriendin voor mij geweest, lieve Lady

Clavering,” zeide hij. „Ik houd zeer veel van u, en nu heb ik nieuws

voor u.”

„Noem mij zoo niet,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zijne hand

drukte. „Gij zijt altijd een goed kind geweest, Arthur, en het is zeer

vriendelijk van u, dat gij nu komt, – zeer vriendelijk. Bij wijlen

gelijkt gij bijna sprekend op uwe ma, beste jongen.”

„Lieve goede Lady Clavering” herhaalde Arthur, met bijzonderen nadruk

op die woorden, „er is iets zeer zonderlings gebeurd.”

„Is hèm iets overkomen?” kon Lady Clavering ternauwernood uitbrengen.

„O, het is verschrikkelijk als ik bedenk, dat ik daarom blij zou zijn –

verschrikkelijk.”

„Hij is in welstand. Hij is er geweest en hij is weer weg, lieve

mevrouw. Maak u niet ongerust, – hij is weg en gij zijt altijd Lady

Clavering.”

„Is het dan waar, wat hij mij somtijds gezegd heeft,” kreet zij, „dat

hij –”

„Dat hij getrouwd was voordat hij u trouwde,” vulde Pen aan. „Hij heeft

het heden avond bekend. Hij zal nooit weer terugkomen.” Er volgde

wederom een gil, maar nu sloeg zij haar armen om Pen’s hals, kuste hem

en barstte op zijn schouder in tranen los.

Wat Pen onder tal van snikken en vragen te vertellen had, moeten wij in

weinige woorden samenvatten, want wij hebben onze bepaalde grens

bereikt en ons verhaal spoedt ten einde. Amory was aangekomen met den

omnibus van den spoorweg, die de oude diligences Alacrity en

Perseverance had vervangen, en aan het Wapen van Clavering afgestapt.

Hij bestelde een diner onder den aangenomen naam van Altamont en wilde,

daar hij van gezelligen aard was, met den kastelein drinken, die er

niets tegen had van zijn wijn mee te proeven. Toen hij mijnheer

Lightfoot had uitgehoord omtrent de familie op het park, en hem daaruit

gebleken was, dat jufvrouw Lightfoot, gelijk zij verzekerd had, haar

mond had gehouden, liet hij door mijnheer Lightfoot nog wat wijn

brengen en na afloop van dit feestmaal begaven beiden zich in hoogst

opgewonden toestand naar jufvrouw Lightfoot’s buffet.

Zij zat daar met hare vriendin madame Fribsby thee te drinken, en

Lightfoot was thans zoo zalig, dat hij zich over niets ter wereld zou

verwonderd hebben, zoodat, toen Altamont jufvrouw Lightfoot als eene

oude kennis de hand schudde, die herkenning hem volstrekt niet vreemd

voorkwam, maar hem alleen eene voldoende reden toescheen om nog meer te

drinken. De heeren gingen dus aan den brandewijngrog, dien zij ook de

dames wilden laten proeven, zonder zich om de verschrikte blikken van

beiden te bekommeren.

Terwijl zij daarmee bezig waren – het was omstreeks zes uur in den

namiddag – kwam mijnheer Morgan, Sir Francis Clavering’s nieuwe

hofmeester, binnen en werd uitgenoodigd mee te drinken. Hij koos zijn

geliefkoosden drank en het gezelschap was spoedig in een algemeen

gesprek verdiept.

Na eene poos begon mijnheer Lightfoot in te dutten. Mijnheer Morgan had

meer dan eens aan madame Fribsby een wenk gegeven om het vertrek te

verlaten; doch die dame, naar het scheen op zonderlinge wijze hier

geboeid, of wel verbijsterd, of misschien ook door jufvrouw Lightfoot

aangespoord om niet te vertrekken, bleef zitten. Dit ergerde mijnheer

Morgan, die zijn misnoegen te kennen gaf in bewoordingen, welke

jufvrouw Lightfoot kwetsten en Altamont deden zeggen, dat hij een rare

klant en niet bijzonder beleefd jegens dames was.

De woordenwisseling tusschen de beide heeren maakte de vrouwen zeer

beangst, en inzonderheid jufvrouw Lightfoot, die alles aanwendde om

mijnheer Morgan tot bedaren te brengen; en onder voorwendsel van den

vreemde een lucifer te geven, stak zij hem een papiertje toe, waarop

zij heimelijk geschreven had: „Hij kent u. Maak u uit de voeten.”

Misschien wekte de wijze, waarop dat papier overhandigd werd of de gast

het las, achterdocht op, want toen hij kort daarna opstond en

verklaarde, dat hij naar bed ging, stond Morgan met een schaterlach ook

op en zeide, dat het nog veel te vroeg was om te gaan slapen.

Toen de onbekende desniettemin zeide, dat hij zich naar zijne

slaapkamer zou begeven, antwoordde Morgan, dat hij hem den weg zou

wijzen.

„Kom dan maar boven,” was het wederwoord van den vreemdeling. „Ik heb

daar een paar pistolen om elken verrader of spion voor den kop te

schieten,” en daarbij zag hij Morgan met zulke vlammende blikken aan,

dat deze Lightfoot bij zijn kraag greep en wakker schudde, en daarbij

uitriep: „John Amory, ik arresteer u in naam der koningin. Leen mij de

hand, Lightfoot. Deze vangst is duizend pond waard.”

En daarbij strekte hij de hand uit om zijn gevangene te grijpen; maar

de ander balde zijne vuist en bracht met zijne linkerhand aan Morgan

zulk een geweldigen slag op de borst toe, dat hij achter mijnheer

Lightfoot neertuimelde. Deze heer, die van athletische gestalte en

moedigen aard was, zeide, dat hij zijn gast de hersens zou inslaan, en

maakte zich gereed die bedreiging ten uitvoer te leggen, toen de

vreemdeling zijn rok afwierp en, onder het vervloeken van zijne

tegenstanders, hun toebulderde, dat zij maar moesten opkomen.

Maar met een doordringenden gil wierp zich jufvrouw Lightfoot voor haar

man, terwijl madame Fribsby met een nog luider kreet op den vreemdeling

toesnelde en onder den uitroep: „Armstrong, Johnny Armstrong!” zijn

ontblooten arm greep, op welken een hart en de letters M. F.

getatoueerd zichtbaar waren.

Die uitroep van madame Fribsby scheen den vreemdeling te verwonderen en

nuchter te maken, en op haar neerziende, zeide hij: „Waarachtig, het is

Polly!”

„Dit is Amory niet,” ging madame Fribsby voort; „het is Johnny

Armstrong, mijn ondeugende man, die mij in St. Martin’s kerk trouwde,

die stuurman op een Oostindievaarder was en mij twee maanden later

verliet, die booswicht! Dit is John Armstrong – hier staat het merk op

zijn arm, dat hij voor mij maakte.”

„Ik ben John Armstrong, dat is maar al te waar, Polly,” zeide de

vreemdeling „Ik ben John Armstrong, Amory Altamont, – en laten zij nu

maar allen opkomen en zien wat zij tegen een Britsch zeeman kunnen

uitrichten. Hoera! daar gaat het er op los!”

Nog altijd riep Morgan: „Arresteer hem!” Doch jufvrouw Lightfoot riep

uit: „Hem arresteeren? hem arresteeren? gemeene spion! Hoe! het

huwelijk stuiten, mylady ruïneeren en ons het Wapen van Clavering

ontnemen?”

„Zegt hij, dat hij ons het Wapen van Clavering zal ontnemen?” vroeg

mijnheer Lightfoot, zich plotseling omkeerende. „Ik zal hem ophangen, –

ik zal hem worgen.”

„Houd hem vast, manlief, tot de omnibus voorbijkomt, die naar den

spoorweg rijdt. Die zal dadelijk hier zijn!”

„Wel verd–! ik zal hem smoren als hij eene vin verroert,” zeide

Lightfoot. En op die wijze hielden zij Morgan in bedwang tot de omnibus

voorbijkwam en mijnheer Amory of Armstrong naar Londen vertrok.

Morgan was hem nagereisd; maar hieromtrent lichtte Arthur Pendennis

Lady Clavering niet in, en toen hij haar verliet, bad zij ’s hemels

zegen over hem af aan de sponde van haar zoon, dien zij ging kussen

terwijl hij lag te slapen. Het was een drukke dag geweest.

Wij moeten de gebeurtenissen van nog één dag opteekenen, en wel van den

dag toen mijnheer Arthur getooid met een nieuwen hoed, een nieuwen

blauwen rok en eene blauwe das, met een nieuw fantasievest, nieuwe

laarzen en nieuwe hemdsknoopjes (hem geschonken door de hooggeboren

vrouwe gravin douairière van Rockminster) aan een eenzame ontbijttafel

op Clavering Park verscheen, waar hij ternauwernood een enkele bete kon

nuttigen. Er lagen twee brieven naast zijn bord, waarvan hij eerst den

een, welks adres met eene ronde kantoorhand geschreven was, opende, om

vervolgens den anderen te lezen, waarvan de hand hem beter bekend was.

De brief No. 1 luidde als volgt:

„Maatschappij voor den handel in Garbanzos-wijn, gevestigd in

Shepherd’s Inn.

Maandag.

„Waarde Pendennis, Ik feliciteer u hartelijk met de gebeurtenis, die u

voor uw gansche leven gelukkig zal maken, en verzoek u, mijne

vriendelijkste complimenten aan mevrouw Pendennis te willen

overbrengen, die ik nog langer hoop te kennen dan ik haar reeds gekend

heb. En wanneer ik haar aandacht vestig op de omstandigheid, dat

zuivere sherry een der noodzakelijkste artikelen is om het haar gemaal

genoeglijk in huis te maken, ben ik zeker dat ik haar tot klant zal

hebben om den wille van u zelven.

„Maar ik heb u andere zaken dan mijn eigene mee te deelen.

Gisterennamiddag kwam zekere J. A. op mijne kamers aan, uit Clavering,

dat hij verlaten had onder omstandigheden, welke gij ongetwijfeld kent.

Ondanks de oneenigheid, die wij hadden gehad, kon ik niet nalaten hem

voedsel en dak te verleenen (en hij maakte zoowel van de Garbanzo

Amontillado als van de Toboso-ham een ruim gebruik), waarop hij mij

verhaalde wat hem weervaren was, benevens nog een aantal andere

verbazende avonturen. De schavuit trouwde reeds op zijn zestiende jaar

en herhaalde later die plechtigheid nog vele malen – te Sidney, in

Nieuw Zeeland, in Zuid-Amerika, in Newcastle, en dat alles nog vóórdat

hij onze arme vriendin de modemaakster leerde kennen. Het is een

volslagen Don Juan.

„En het scheen ook alsof de kommandeur hem eindelijk verraste, want

terwijl wij aan den maaltijd zaten, hoorden wij drie zware slagen op

mijne buitendeur, die onzen vriend van schrik deden opspringen. Ik heb

hier zelf een paar belegeringen doorgestaan en ging dus naar mijn

gewone plaatsje op verkenning uit. Gelukkig is er thans geen enkele

wissel van mij in omloop, en bovendien melden de heeren van dat vak

zich niet op die wijze aan. Ik zag, dat het Morgan, de voormalige

bediende van uw oom was, met een agent van politie (die ik echter

geloof dat geen echte agent was). Zij zeiden, dat zij een bevel van

gevangenneming hadden tegen John Armstrong, alias Amory, alias

Altamont, een ontvlucht strafgevangene, en dreigden de deur in te

slaan.

„Nu had ik, mijnheer, in mijn eigen dagen van gevangenschap een kleinen

uitweg langs de goot naar het venster van Bows en Costigan ontdekt, en

ik zond onzen Alias nu langs dien bedekten weg, die echter zeer wrak

was geworden, zoodat ik niet zonder vrees voor zijn leven was, en

daarop liet ik, na eenige onderhandeling, mijnheer Morgan met zijn

vriend binnen.

„De schelm was echter van het bestaan van dien bedekten weg onderricht,

want hij liep dadelijk door naar de kamer en gelastte den politieagent

naar beneden te gaan en op de deur te passen, waarna hij mijne kleine

trap opvloog, alsof hij de inrichting van het huis kende. Toen hij het

venster uitging hoorden wij eene ook aan u welbekende stem uit Bows’

bovenkamertje roepen: „Wie zijt gij, en wat duivel komt gij doen? Als

ge prijs op uw leven stelt, verlaat dan die goot, want er is al een man

doodgevallen.”

„En terwijl Morgan gedurende dien overtocht in de duisternis trachtte

te zien of die ijzingwekkende tijding wel waar was, nam hij een

bezemstok en brak met een krachtigen slag de verbindingspijp af. Van

morgen vertelde hij mij opgetogen, dat deze eenvoudige list hem

ingegeven was door de herinnering aan zijn schatje van een Emily, toen

zij de rol van Cora vervulde, en door de brug van Pizarro. Ik wenschte,

dat die schurk van een Morgan op de brug ware geweest, toen de generaal

zijne list te baat nam.

„Indien ik van Alias iets nader verneem, zal ik het u melden. Hij heeft

nog overvloed van geld, en toen ik hem aanspoorde daarvan een weinigje

aan onze arme vriendin de modemaakster te zenden, begon de schavuit te

lachen en zeide, dat hij niet méér bezat dan hij zelf noodig had; maar

hij zou met genoegen eene lok van zijn haar zenden aan ieder, die er

prijs op stelde. Vaarwel – leef gelukkig en geloof mij altijd

„Uw toegenegen E. Strong.”

„En nu de andere brief,” zeide Pen. „Die goede oude vriend!” en hij

kuste het lak alvorens het te verbreken.

„Warrington, Dinsdag.

„Ik mag dezen dag niet laten voorbijgaan, zonder u beiden Gods besten

zegen toe te wenschen. Moge de hemel u, beste Arthur en lieve Laura,

gelukkig maken. Ik geloof, Pen, dat gij de beste vrouw van de wereld

gekregen hebt, en hoop, dat gij haar als zoodanig zult liefhebben en

koesteren. De kamers zullen zonder u, Pen, zeer eenzaam wezen; maar als

ik er mij verveel, zal ik een nieuw thuis hebben bij mijn broeder en

zuster. Ik oefen mij hier reeds op de kinderkamer, om mij op de rol van

oom George voor te bereiden. Vaarwel! doe uw huwelijksreisje en keer

dan terug naar

„Uw toegenegen G. W.”

Pendennis en zijne vrouw lazen dien brief te zamen toen het ontbijt bij

doctor Portman was afgeloopen en de gasten vertrokken waren, en het

rijtuig, te midden van eene bijeengeschoolde volksmenigte, voor het

huis van den doctor stond te wachten. Doch een zijdeurtje leidde naar

de begraafplaats der St.-Mary’skerk, wier klokken luide galmden, en

hier was het, op de graszode die Helena’s graf bedekte, dat Arthur aan

zijne vrouw George’s brief liet zien. Was het uit droefheid of uit

besef van geluk, dat Laura’s tranen zoo overvloedig op het papier

neerstroomden? En nogmaals, in de nabijheid der gewijde asch, kuste en

zegende zij haar dierbaren Arthur.

Er werd dien dag slechts één huwelijk in de kerk van Clavering

voltrokken want ondanks Blanche’s opofferingen voor hare lieve moeder,

kon de eerlijke Henry Foker geen vergiffenis schenken aan de vrouw, die

haar bruidegom misleid had, en zeer te recht beweerde hij, dat zij hem

andermaal zou bedriegen. Hij deed een reisje naar de pyramiden en naar

Syrië, waar hij zijn hartzeer achterliet, en kwam terug met een mooien

baard en eene verzameling tarboeshes en narguilés, waarop hij al zijne

vrienden onthaalt. Hij leeft op grooten voet en neemt, op Pen’s

aanraden, zijne wijnen van de beroemde gewassen van den hertog van

Garbanzos.

Het lot van den armen Cos is reeds in vroegere bladzijden van dit

verhaal vermeld. Na zulk een leven kon men geen roemrijk einde

verwachten. Morgan is een der geachtste ingezetenen in het kerspel van

St. James en heeft zich bij de tegenwoordige staatkundige beweging als

een man en een Brit doen kennen. Wat Bows betreft – deze werd na het

overlijden van den heer Piper, den organist te Clavering, door de

kleine jufvrouw Sam Huxter, die dominé Portman om haar vinger windt,

uit Londen gehaald, om naar een vacanten post te dingen, en behaalde

ook de overwinning. Toen Sir Francis Clavering zijn onwaardig leven

eindigde, nam dezelfde onvermoeide kleine bemoeial het district

stormenderhand in, dat nu in het parlement vertegenwoordigd wordt door

den weledelgeboren heer Arthur Pendennis. Blanche Amory is, gelijk

iedereen weet, te Parijs getrouwd, en de salons van madame la comtesse

de la Blague de Montmorenci de Valentinois behoorde onder de meest

bezochte der hoofdstad. Het duel tusschen den graaf en het jonge en

heethoofdige lid der bergpartij, Alcide de Mirobo, was alleen het

gevolg van den twijfel, dien deze laatste in de club opperde omtrent de

echtheid der titels, die de edelman voerde. Madame de la Blague de

Montmorenci de Valentinois ondernam eene reis na die gebeurtenis, en

Bungay kocht hare gedichten en gaf die uit, met de gravinnenkroon

prijkende op het werk der gravin.

Majoor Pendennis werd in zijne laatste dagen heel fijn, en was nooit

gelukkiger dan wanneer Laura hem met hare lieve stem iets voorlas of

naar zijne verhalen luisterde. Want deze beminnelijke dame is de

vriendin van oud en jong en brengt haar leven door met anderen gelukkig

te maken.

„En welk soort van echtgenoot zou die Pendennis wel zijn?” vraagt

wellicht menig lezer, bezorgd voor het heil van zulk een huwelijk en

voor het fortuin van Laura. Wij verwijzen de vragers naar de dame

zelve, die, ofschoon zij zijne gebreken en sombere buien wel opmerkt

(en ziet en bekent dat er betere mannen zijn dan hij is), hem toch

altijd de standvastigste liefde toedraagt. Zijne kinderen, of hunne

moeder, hebben nooit een hard woord uit zijn mond gehoord, en begroeten

hem, wanneer zijne vlagen van neerslachtigheid of afgetrokkenheid

voorbij zijn, weer met onverminderde achting en vertrouwen. Zijn vriend

is nog altijd zijn vriend, – geheel gezond van hart, want die ziekte is

nooit gevaarlijk voor een gezond orgaan. En George vervult zijne rol

van peter uitmuntend en woont alleen. Indien mijnheer Pen met zijne

werken meer naam gemaakt heeft dan zijn kundiger vriend, die bij

niemand bekend is, zoo leeft George toch tevreden zonder dien roem. Zoo

de beste menschen niet de hoogste prijzen in de loterij des levens

trekken, weten wij, dat het aldus bepaald is door den Beschikker der

loterij. Wij weten en zien dagelijks, dat de valschen en boozen leven

en voorspoedig zijn, terwijl de goeden worden weggeroepen en de

dierbaren en jeugdigen vóór hun tijd ten grave dalen; wij zien in

ieders leven een verstoord geluk, een veelvuldig struikelen, een

onvruchtbaar streven, een strijd tusschen goed en kwaad, waarin de

sterken dikwijls bezwijken en de vluggen achterhaald worden; wij zien

bloemen der deugd op onreine plaatsen groeien, gelijk wij het grootste

en luisterrijkste geluk soms ontsierd zien door smetten der ondeugd en

vlekken des kwaads. En laten wij nu, daar wij weten hoeveel er nog aan

den besten onder ons ontbreekt, eene liefderijke hand, in weerwil van

al zijne feilen en tekortkomingen, aan Arthur Pendennis toereiken, die

geen held beweert te zijn, maar alleen een man en een broeder.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 153 / 155 题