Aan het station te Tunbridge stond Pen zich te ergeren en te verbijten
tot de aankomst van den avondtrein naar Londen, een vol half uur, dat
hem wel zes uren scheen te duren; maar zelfs die oneindige tijd ging
voorbij, de trein kwam aan en zette zich weer in beweging, de lichten
van Londen kwamen in het gezicht, en een heer, die zijn valies in het
spoorwegrijtuig vergat, snelde naar eene vigilante en zeide tegen den
koetsier: „Rijd zoo hard als uwe paarden loopen kunnen naar Jermyn
Street.” De koetsier, ofschoon de voerman van een „hansom,” betuigde
zijn dank voor de fooi, die hem in de hand werd gestopt, en Pen vloog
in het hotel de trap naar de vertrekken van Lady Rockminster op. Laura
zat in de gezelschapskamer alleen en met een bleek gelaat bij het
lamplicht te lezen. Dat bleeke gezicht keek op, toen Pen de deur
opendeed. Mogen wij hem volgen? De groote oogenblikken in het leven
zijn toch slechts oogenblikken gelijk alle andere. Uw vonnis is in één,
twee woorden geveld. Een enkele blik der oogen, een bloote druk der
hand – of der lippen, ofschoon deze niet kunnen spreken – kan
beslissend zijn.
Nu Lady Rockminster na haar middagslaapje opstaat en zich naar haar
zitvertrek begeeft, mogen wij toch wel met mylady binnentreden.
„Wel heb ik ooit – jongelui!” zijn de eerste woorden die zij spreekt,
en hare kamenier kijkt nieuwsgierig over haar schouder. En wel mag zij
dien uitroep doen, wel mag de kamenier groote oogen opzetten, want de
jongelui „poseeren”, en Pen vertoont zich in eene houding, waarvan elke
jonge dame, die dit leest, heeft hooren spreken, of die zij gezien
heeft, en hoopt, of in ieder geval verdient te zien.
Kortom, zoodra Pen binnentrad, ging hij naar Laura met het bleeke
gezichtje, die zelfs den tijd niet had, om uit te roepen: „Hoe? reeds
zoo spoedig terug?” greep haar uitgestrekte en bevende hand juist toen
zij opstond, wierp zich voor haar op de knieën en riep uit: „Ik heb
haar gezien. Zij heeft zich met Henry Foker geëngageerd – en – en nu,
Laura?”
De hand beantwoordt den druk der zijne, uit de oogen straalt een
antwoord – op de trillende lippen zweeft een woord, maar zij blijven
sprakeloos. Pen’s hoofd zinkt op den schoot van het meisje neer, en hij
snikt. „Kom dierbare moeder, zegen ons,” en wederom omstrengelen hem
armen, zoo teer als die van Helena.
Het is op dit oogenblik, dat Lady Rockminster binnentreedt en zegt:
„Wel heb, ik ooit, – jongelui! Beck, ga de kamer uit. Wat behoeft gij
uw neus hierin te steken?”
Pen springt met een zegevierenden blik op en zegt, nog altijd Laura’s
hand vasthoudende: „Zij troost mij in mijn ongeluk, mevrouw.”
„Wat beteekent het, dat gij haar de hand kust? Wie weet wat gij nog
meer doen zult!”
Daarop kuste Pen ook de hand van mylady en zeide op tragischen toon:
„Ik ben naar Tunbridge geweest, om jufvrouw Amory te zien, en heb daar
bevonden, dat – een schelm mij haar hart ontstolen heeft.”
„Is dat alles? Laagt gij daarover op uwe knieën te schreien?” vroeg de
oude dame, boos wordende. „Dat nieuws hadt gij wel tot morgen kunnen
bewaren.”
„Ja, een ander heeft mij den voet gelicht,” vervolgde Pen; „maar waarom
zou ik hem een schelm noemen? Hij is braaf, standvastig, jong, rijk en
mooi.”
„Wat praat gij toch voor onzin?” riep de oude dame uit. „Wat is er
gebeurd?”
„Jufvrouw Amory heeft mij mijn ontslag gegeven en den weledelgeboren
heer Henry Foker haar jawoord gegeven. Zij zat liedjes voor hem te
kweelen, terwijl hij aan hare voeten lag; en sedert de laatste tien
dagen waren er geschenken en geloften gewisseld. Henry was de
rheumatiek der oude mevrouw Planter, die hare liefste Laura buiten het
huis hield. Hij is de standvastigste en edelmoedigste man, die men zien
kan. Hij heeft de predikantsplaats te Logwood aan den echtgenoot van
Lady Anna beloofd en haar een prachtig huwelijksgeschenk gegeven, en
daarop is hij, zoodra hij wist dat hij vrij was, naar Blanche geijld en
heeft zich aan hare voeten geworpen.”
„En daar gij nu Blanche niet kunt krijgen, zult gij u met Laura
vergenoegen; is het zoo niet, mijnheer?” vroeg de oude dame.
„Hij heeft edel gehandeld,” zeide Laura.
„Ik heb gehandeld zooals zij mij beval te doen,” hernam Pen; „vraag er
niet naar op welke wijze, Lady Rockminster, maar ik heb het naar mijn
beste weten en vermogen gedaan. Bedoelt gij, dat ik Laura niet waardig
ben? Dat weet ik ook en ik bid den hemel mij te verbeteren; en indien
de liefde en het bijzijn van het beste en reinste wezen ter wereld dit
kan doen, zal mij ten minste die hulp niet ontbreken.”
„Hm! hm!” gaf de oude dame daarop ten antwoord en zag met een tamelijk
tevreden blik de jongelieden aan. „Het is alles heel wel, maar ik zou
de voorkeur aan Blauwbaard gegeven hebben.”
En thans herinnerde zich Pen, ten einde het gesprek van een onderwerp
af te leiden, hetwelk voor eenige der aanwezigen pijnlijk begon te
worden, zijn onderhoud met Huxter dien morgen en Fanny Bolton’s
aangelegenheden, die hij onder den aandrang zijner eigen zaken vergeten
had. En hij vertelde aan de dames, dat Huxter Fanny tot den rang zijner
vrouw verheven had en nu in doodelijken angst zat voor de komst van
zijn vader. Hij beschreef dat tooneel zeer humoristisch en zorgde
vooral wel te drukken op dat gedeelte van het verhaal, hetwelk Fanny’s
coquetterie en onweerstaanbare begeerte om de mannen te bekoren,
betrof, waarmede hij eigenlijk wilde zeggen: „Ge ziet wel, Laura, dat
ik in dat vroegere geval zoo heel schuldig niet was; het meisje legde
het op mij toe en ik was het, die weerstand bood. Nu ik er niet langer
bij ben, wendt die kleine sirene hare kunstgrepen en verlokkingen op
anderen aan. Wees dus zoo goed die gansche zaak maar uit uw hoofd te
zetten, of mij zoo zacht mogelijk voor mijn afdwaling te straffen.”
Laura doorzag zeer goed in zijne levendige uiteenzetting wat hij
bedoelde. „Indien gij kwaad gedaan hebt, lieve Pen, dan hebt gij er
berouw over gehad, sprak zij, en gij weet,” voegde zij er met
veelbeteekenende blikken en blosjes bij, „dat ik geen recht heb u
daarover hard te vallen.”
„Hm!” bromde de oude lady, „ik zou toch liever Blauwbaard gehad
hebben.”
„Het verledene is vergeten; de dag van morgen ligt voor ons. Ik zal
mijn best doen, dien voor u gelukkig te maken, lieve Laura,” zeide Pen.
Zijn hart was door het vooruitzicht van zijn geluk verootmoedigd; het
werd met ontzag vervuld bij de aanschouwing van hare zachtmoedigheid en
reinheid. Hij had er zijn aanstaande des te liever om, dat zij dat
voorbijgaande gevoel voor Warrington bekend en haar edel hart voor hem
blootgelegd had. En zij, van haar kant, dacht waarschijnlijk: „Hoe
zonderling toch, dat ik ooit voor een ander man iets gevoeld heb; het
ergert mij bijna, dat ik zoo weinig om hem geef en zoo weinig bedroefd
ben, dat hij weg is. O, wat heb ik Arthur in deze beide laatste maanden
leeren liefhebben! Ik bekommer mij om niets dan om hem; wakend en
slapend denk ik aan hem: hij is altijd bij mij. En te mogen gelooven,
dat hij de mijne, de mijne zal zijn en dat ik hem trouwen zal en niet
zijne dienstmaagd zal behoeven te wezen, zooals ik nog heden morgen
verwachtte; want ik zou Blanche op mijne knieën gesmeekt hebben, mij
bij hem te laten wonen. En nu – O, het is te veel! O moeder, moeder,
waart gij nu hier!” En werkelijk was het haar, alsof Helena
tegenwoordig was – inderdaad bij haar, ofschoon onzichtbaar: Een
lichtgloed van zaligheid straalde van haar uit. Zij ging met een
anderen tred en prijkte met nieuwe schoonheid. Arthur zag die
verandering in haar en de scherpe oogen der oude Lady Rockminster
merkten het ook op.
„Wat zijt gij toch een sluw klein nest geweest,” fluisterde zij Laura
toe, terwijl Pen opgewonden en lachende van Huxter vertelde, „en wat
hebt gij uw geheim goed bewaard!”.
„Hoe kunnen wij het jonge paar helpen?” zeide Laura, want natuurlijk
stelde zij belang in alle jonge paren, gelijk edelaardige minnaars
altijd andere minnaars liefhebben.
„Wij moeten hen gaan bezoeken,” zeide Pen.
„Natuurlijk moeten wij hen gaan bezoeken,” antwoordde Laura. „Ik zal
nog heel veel van die Fanny gaan houden. Laten wij dadelijk gaan. Mag
ik het rijtuig hebben, Lady Rockminster?”
„Zoudt gij nu willen gaan, kindlief? Het is al elf uur. Ik houd het er
voor, dat mijnheer en jufvrouw Huxter hunne slaapmuts ophebben. En het
is voor u ook tijd om naar bed te gaan. Goedennacht, mijnheer
Pendennis.”
Arthur en Laura verzochten nog tien minuten uitstel.
„Dan zullen wij morgenochtend gaan Ik zal u met Martha komen afhalen.”
„Eene gravenkroon op den wagen,” zeide Pen, die er zeker zelf mee
ingenomen was, „zal in Lamb Court en Smithfield groot opzien baren.
Wacht even wilt gij ons helpen in eene kleine samenzwering, Lady
Rockminster?”
„Wat bedoelt gij met eene samenzwering, jonge heer?”
„Zoudt gij zoo goed willen zijn, morgen een weinigje ongesteld te wezen
en mij te vergunnen den ouden heer Huxter bij u te roepen, zoodra hij
in de stad komt? Als hij reeds opgetogen is wanneer hij op het land bij
een baronet geroepen wordt, hoeveel indruk zal dan niet eene gravin op
hem maken! Wanneer hij vermurwd, wanneer hij geheel week is, zullen wij
hem het geheim openbaren, het jonge paar binnenbrengen, hem zijn
vaderzegen afpersen en een einde aan het kluchtspel maken.”
„Allemaal gekheid,” zeide de oude dame. „Neem uw hoed, mijnheer. Kom
mee, juffer. Daar – ik kijk een anderen kant uit. Goedennacht,
jongelui.” En wie weet of de oude lady, toen zij hoofdschuddende en
meesmuilende aan Laura’s arm heenging, niet aan haar eigen jeugd dacht.
Vroeg in den morgen verschenen Laura en Martha volgens de gemaakte
afspraak, en wij willen hopen, dat de gewenschte indruk in Lamb Court
werd teweeggebracht, van waar het drietal zich naar de woning van
mijnheer en mejufvrouw Samuel Huxter in Charter House Lane begaf.
De beide dames bekeken elkander met groote belangstelling en niet
geringe ontroering van Fanny’s zijde. Zij had haar „voogd”, gelijk het
haar behaagde Pen naar aanleiding van zijn geldgeschenk te noemen, niet
gezien sedert de gebeurtenis, die haar met mijnheer Huxter vereenigd
had.
„Samuel heeft mij verteld hoe vriendelijk gij geweest zijt,” sprak zij.
„Gij waart altijd zeer vriendelijk, mijnheer Pendennis. En – en ik hoop
dat uwe vriendin, die in Shepherd’s Inn zoo ongesteld werd, weer beter
is, mevrouw.”
„Ik heet Laura,” gaf de aangesprokene blozend ten antwoord. „Ik ben –
dat wil zeggen, ik was – ik meen, ik ben Arthur’s zuster; en wij zullen
u altijd liefhebben, omdat gij zoo goed voor hem geweest zijt, toen hij
ziek was. En wanneer wij ons op het land bevinden, hoop ik dat wij
elkander zien zullen. En het zal mij altijd verheugen, Fanny, als ik
hoor, dat gij gelukkig zijt.”
„Wij zijn voornemens te gaan doen, wat gij en Huxter gedaan hebt,
Fanny. – Waar is Huxter? Wat woont ge hier lief! Wat eene mooie kat!”
Terwijl Fanny op deze vragen antwoordt, zegt Laura bij zich zelve:
„Wel, kom aan! is dat nu het meisje, waarvoor wij allen zoo bang waren?
Wat heeft hij toch in haar kunnen zien? Het is geen onaardig kind, maar
welke manieren! Nu, zij is zeer vriendelijk voor hem geweest; de hemel
zegene haar daarvoor!”
Mijnheer Samuel was uitgegaan, om zijn vader af te wachten. Mejufvrouw
Huxter verhaalde, dat de oude heer dien dag aan het Somerset-koffiehuis
in het Strand zou afstappen, en bekende, dat zij van die bijeenkomst
het ergste vreesde. „Wat moeten wij beginnen als zijn ouders zich aan
hem onttrekken?” sprak zij. „Ik zal het mij nooit kunnen vergeven, als
ik het ben, die mijn man ongelukkig maak. Wees gij onze voorspraak,
mijnheer Arthur. Is iemand in staat den ouden heer Huxter te vermurwen
en invloed op hem uit te oefenen, dan zijt gij het.” Blijkbaar
beschouwde Fanny Pen nog altijd als een soort van hooger wezen. Toen
Arthur de tragische manieren en blikken, de kleine listen, de
angstvalligheid en de nuffigheden van het jonge vrouwtje opmerkte,
dacht hij ongetwijfeld aan vroegere dagen. Zoodra de vreemden
vertrokken waren traden de heeren Linton en Blades binnen, die
natuurlijk Huxter kwamen opzoeken en eene lekkere tabakslucht
uitstraalden. Zij hadden het rijtuig voor de deur van den bakker zien
staan en het kroontje met eerbied aanschouwd. Zij vroegen Fanny nu wie
die erge fat was, die daar juist was weggereden, en verklaarden, dat de
gravin van den echten stempel was. En toen zij vernamen, dat het
mijnheer Pendennis met zijne zuster was geweest, maakten zij de
opmerking, dat Pen ook maar een beenafzetter tot vader had gehad en
zich heel verwaand gedroeg; want zij hadden op dien avond van den
kleinen twist tusschen Huxter en Pen, in de Achterkeuken, tot het
gezelschap behoord.
Toen Laura en Pen door de Fleet Street naar huis reden, en Laura juist
tot onuitsprekelijk vermaak van Pen verklaarde, dat Fanny er heel
aardig uitzag, maar volstrekt niet mooi was – misschien was zij het,
maar zij kon het niet zien – zagen zij, toen zij ten gevolge van het
drukke verkeer bij Temple Bar een oogenblik moesten stilhouden, den
jongen Huxter op weg naar huis. „De ouwe was gekomen en zat in het
Somerset-koffiehuis; hij was in een vrij goed humeur, want hij had
goede tijdingen omtrent den spoorweg; maar Huxter had niet durven
spreken over – over dat geval. Zou mijnheer Pendennis het niet eens
willen doen?”
Pen antwoordde, dat hij zich dadelijk naar mijnheer Huxter zou begeven,
om te zien wat er gedaan kon worden. Huxter junior zou buiten blijven
ronddrentelen, terwijl dat ijzingwekkende gesprek plaats had. De kroon
op het rijtuig vervulde hem ook met bewondering, en zelfs de oude heer
Huxter beschouwde ze met verrukking, toen hij door het venster van het
koffiehuis het Strand stond te overzien, hetgeen voor hem altijd eene
ware uitspanning was.
„En ik kan er nu een uitstapje afnemen, mijnheer,” zeide de oude
Huxter, terwijl hij Pen de hand gaf. „Zeker weet gij het nieuws al?
Onze wet is doorgegaan, mijnheer. Wij krijgen onzen zijtak, – onze
aandeelen zijn gestegen, mijnheer – en wij koopen uwe drie stukken
lands aan den Brawl en jagen u een aardig duitje in den zak, mijnheer
Pendennis.”
„Wezenlijk? Dat is een verblijdend nieuws.” Pen herinnerde zich nu, dat
er sedert drie dagen op zijne kamers in den Temple een brief van
mijnheer Tatham lag, welken hij niet had geopend, daar hij het te druk
had met andere zaken.
„Ik hoop niet, dat gij te rijk wordt en de praktijk neerlegt,” zeide
Pen. „Wij kunnen u te Clavering niet missen, mijnheer Huxter, ofschoon
ik zeer goede berichten omtrent uw zoon hoor. Mijn vriend, dokter
Goodenough, laat zich ten gunstigste over zijne talenten uit. Het is
jammer, dat een man van uwe verdiensten in een landstadje opgesloten
zit.”
„De hoofdstad zou de ware plaats voor mij geweest zijn, mijnheer,”
zeide Huxter, terwijl hij zijn blik over het Strand liet weiden. „Doch
men moet de gelegenheid aangrijpen, waar zij zich voordoet, en ik ben
in het beroep van mijn vader opgevolgd.”
„Hetgeen ook dat van mijn vader was,” zeide Pen; „en soms wenschte ik,
dat ik het ook had gekozen.”
„Gij hebt eene verhevener loopbaan betreden, mijnheer,” zeide de oude
heelmeester. „Gij staat naar eene plaats in den senaat en naar
letterroem. Gij voert de dichterpen, mijnheer, en verkeert in de groote
wereld. Wij te Clavering houden u in het oog. Wij lezen uw naam altijd
onder de gasten op de partijen van den adel. Pas dezer dagen nog maakte
mijne vrouw de opmerking, hoe zonderling het was, dat gij bij zekere
partij van den graaf van Kidderminster niet genoemd werdt. Aan welk lid
der aristocratie mag ik vragen behoort dat rijtuig, waaruit ik u zag
stijgen? Aan de gravin-douairière van Rockminster? Hoe vaart mylady?”
„Mylady is ongesteld, en toen ik hoorde, dat gij in de stad zoudt
komen, heb ik haar sterk aangeraden u te laten roepen, mijnheer
Huxter,” zeide Pen, en de oude Huxter gevoelde, dat, indien hij honderd
stemmen voor den afgevaardigde van Clavering had mogen uitbrengen, hij
ze alle aan Pen zou geschonken hebben.
„Er zit een oude vriendin van u in het rijtuig – ook eene dame van
Clavering – wilt gij niet even naar buiten komen en haar spreken?”
vroeg Pen. De oude chirurgijn was verrukt, dat hij midden in het volle
Strand met iemand in een rijtuig, dat met eene kroon prijkte, mocht
spreken, en dus kwam hij buigend en lachend naar buiten. Huxter junior,
die in den omtrek zwierf en dus getuige was van het onderhoud tusschen
zijn vader en Laura, zag deze laatste hare hand uitsteken, en een
oogenblik later aanschouwde hij hoe zijn vader, na het wisselen van
eenige weinige woorden met Pen, zelf in het rijtuig sprong en met
jufvrouw Bell wegreed.
Er was geen plaats voor Arthur over, die lachend bij den jongen
chirurgijn terugkwam en hem vertelde waar zijn vader heenging.
Gedurende het gansche ritje prees en vleide en streelde de listige
Laura den ouden heer zoo behendig, dat hij haar alles toegestaan zou
hebben wat zij had willen vragen, en Lady Rockminster voltooide de
overwinning door zijne bekwaamheid te prijzen en te verklaren, dat zij
dringend begeerd had hem te raadplegen. Welke verschijnselen had mylady
waargenomen? Zou hij consult houden met mylady’s gewonen geneesheer?
Was mijnheer Jones uit de stad? Het zou hem een eer wezen, mylady naar
zijn beste vermogen en ondervinding van dienst te zijn.
Hij was met zijne patiënte zoo hooglijk ingenomen, dat hij er aan zijne
vrouw en familie over schreef; hij sprak tegen Samuel, toen die jonge
heer zich vertoonde om een biefstuk met oestersaus te gebruiken en met
zijn vader naar den schouwburg te gaan, over niets anders dan Lady
Rockminster. Mylady bezat een eenvoudige deftigheid, eene voorkomende
beleefdheid, eene voorname bevalligheid, die hij nog nooit bij eene
andere vrouw had aangetroffen. De verschijnselen waren niet
onrustbarend; hij had Spir. ammon. aromat, met een weinigje Sp. menth.
pip. en oranjebloesem voorgeschreven, en meer zou er niet noodig zijn.
„Jufvrouw Bell scheen op den vertrouwelijksten en vriendschappelijksten
voet met mylady te staan, en zou eerlang in den echt treden. Alle
jongelui moesten trouwen, zeide mylady, en de gravin verwaardigde zich
naar mijn eigen familie te vragen, waarop ik u, Sam, mijn beste jongen,
aan mylady noemde. Ik zal morgen terugkomen en, indien de
voorgeschreven middelen de uitwerking hebben gehad, die ik er van
verwacht, daarop wat Spir. lavend. comp. laten volgen en aldus mijn
edele patiënte geheel opknappen. Welke schouwburg wordt het meest door
de de voorname lui bezocht, hè, Sam? en naar welke uitspanning zult gij
dezen avond den ouden plattelandsdokter brengen, mannetje?”
Toen mijnheer Huxter zich den volgenden dag ten twaalf uur in Jermyn
Street aanmeldde, had Lady Rockminster hare kamer nog niet verlaten,
maar jufvrouw Bell en mijnheer Pendennis zaten hem af te wachten. Lady
Rockminster had een rustigen nacht doorgebracht en ging zeer goed
vooruit. Hoe had mijnheer Huxter zich vermaakt? Was hij naar den
schouwburg geweest? met zijn zoon? Wat was het een mooi stuk, wat
speelde mevrouw O’Leary lief, en wat zong zij mooi! en wat een aardig
mensch was die jonge Huxter! iedereen hield veel van hem en hij was een
eer voor zijn stand. Hij had niet de manieren van zijn vader, dat was
zeker, noch de ouderwetsche wellevendheid, die meer en meer verdween;
maar een fikscher, braver jongen leefde er niet. „Hij behoorde op het
land te gaan praktizeeren, mijnheer, welk besluit gij ook neemt,” zeide
Arthur; „hij moest trouwen – gelijk anderen ook voornemens zijn te doen
– en zich vestigen.”
„Mylady zeide gisteren juist hetzelfde, mijnheer Pendennis. Hij
behoorde te trouwen. Ja, mijnheer, Sam moest trouwen.”
„De stad is vol verleiding, mijnheer,” ging Pen voort, waarop de oude
heer aan mevrouw O’Leary, die houri uit Mohammed’s paradijs, dacht.
„Er is voor een jonkman geen beter behoedmiddel dan een vroegtijdig
huwelijk met een braaf en lief meisje.”
„Neen, geen beter, mijnheer, geen beter.”
„En liefde gaat boven geld, niet waar?”
„Wezenlijk, dat is zoo!” zeide jufvrouw Bell.
„Met zulk eene schoone autoriteit stem ik geheel in,” zeide de oude
heer met eene buiging.
„En – en indien ik u nu eens een nieuwtje te vertellen had, mijnheer,”
zeide. Pen.
„God bewaar me, mijnheer Pendennis! wat bedoelt gij?” vroeg de oude
heer.
„Indien ik u eens te vertellen had, dat zeker jongmensch, weggesleept
door een onweerstaanbare liefde tot een mooi en allerdeugdzaamst meisje
– op hetwelk iedereen verlieft – aan den aandrang van zijn verstand en
zijn hart had toegegeven en in het huwelijk getreden was? Indien ik u
eens vertelde, dat die man mijn vriend is, dat onze hooggeachte en in
waarheid edele vriendin, de gravin-douairière van Rockminster, groot
belang in hem stelt (en gij kunt zelf nagaan welke vooruitzichten een
jonkman heeft, wanneer die familie hem wil voorthelpen); indien ik u
meedeelde, dat gij hem kent – dat hij hier is – dat het is....”
„Sam getrouwd! God bewaar me! mijnheer; dat wilt ge toch niet zeggen?”
„En met zulk een lief meisje, beste mijnheer Huxter!”
„Mylord is op haar verzot,” zeide Pen, bijna de eerste leugen
vertellende, aan welke hij zich in den loop van dit verhaal heeft
schuldig gemaakt.
„Getrouwd! Is de deugniet inderdaad getrouwd?” dacht de oude heer
„Zij smeeken uwen zegen af,” zeide Pen en deed de deur open.
En binnen traden mijnheer en jufvrouw Samuel Huxter en wierpen zich
voor den ouden heer op de knieën. De geknielde kleine Fanny vond genade
in zijn oogen. Zij moet toch iets aantrekkelijks gehad hebben, in spijt
van Laura’s oordeel.
„Ik zal het nooit weer doen, vader,” zeide Sam.
„Sta op, Sam,” zeide mijnheer Huxter; en zij stonden op en Fanny kwam
telkens wat naderbij en zag er zoo lief en bedremmeld uit, dat mijnheer
Huxter als onwillekeurig het meisje, dat schreide en lachte, kuste en
dadelijk van haar begon te houden.
„Hoe heet gij, liefje?” vroeg hij, na een oogenblikje van die
uitspanning.
„Fanny, papa,” antwoordde mejufvrouw Samuel.