WAARIN MEN ZIEN ZAL, DAT ARTHUR LIEVER EEN RETOURBILJET HAD
MOETEN NEMEN.
De trein voerde Arthur maar al te snel naar Tunbridge over, ofschoon
hij tijd had op dien korten tocht al de voorvallen zijns levens te
herdenken en in te zien welke smartelijke gevolgen zijne zelfzucht en
eigenzinnigheid hem berokkend hadden. „Nu is het uit met verwachtingen
en wenschen, met romaneskheid en eerzucht!” dacht hij. „Of ik toegeef,
dan of ik mij verzet, altijd ben ik even ongelukkig. Mijne moeder
smeekt mij een engel te nemen, en ik weiger. Maar gesteld, ik had haar
genomen, dan zou Laura, mij aldus opgedrongen, toch nooit een engel
voor mij geweest zijn. Ik zou haar mijn hart niet op aansporing van een
ander hebben kunnen schenken; nooit zou ik haar hebben leeren kennen
zooals zij is, indien iemand anders mij hare goede eigenschappen had
moeten verklaren, of op hare deugden opmerkzaam maken. Ik geef toe aan
de vermaningen van mijn oom, en aanvaard, op zijne verzekeringen,
Blanche, eene plaats in het parlement, rijkdom, eer en eene
schitterende loopbaan; en zie, daar komt de Fortuin en berooft mijne
vrouw van den bruidschat, dien ik mij in plaats van een hart had laten
welgevallen. Waarom was ik niet eerlijker, of waarom ben ik niet minder
eerlijk? Mijn arme oude oom zou geen bedenking gemaakt hebben Blanche’s
fortuin aan te nemen, van waar dat ook afkomstig ware; hij kan de
gemoedsbezwaren, die mij doen weigeren, zelfs niet begrijpen en is
bitter verontwaardigd en bijna verpletterd door dien slag. Ik neem
iedereen tegen mij in. Ik schijn een hulpeloos, zwak, weifelmoedig
wezen, dat nergens tegen opgewassen is. Ik maak mij zelven niet
gelukkig en niemand die met mij in betrekking staat. Welke zijn de
vooruitzichten voor dit arme wufte meisje, dat mijn onbekenden naam zal
aannemen en mijn lot deelen? Ik bezit zelfs geen eerzucht die mij kan
prikkelen, geen genoegzaam gevoel van eigenwaarde om mij, en nog veel
minder haar, over mijn val te troosten. Als ik een boek schreef, dat
twintig drukken beleefde, zou ik zelf de eerste zijn, om met mijne
reputatie den draak te steken. Al maakte ik opgang als advocaat en
verzamelde ik een fortuin door getuigen af te snauwen en getuigenissen
te verdraaien, is dat dan de roem, die mijne vurige begeerte zou
bevredigen, of een beroep, waarin mijn leven welbesteed zou mogen
heeten? Ik wenschte, dat ik die priester daar tegenover mij ware, die
de oogen niet van zijn brevier heeft opgeslagen, behalve in de tunnel
van Reigate, waar hij niet zien kon; of die oude heer naast hem, die
over zijne courant heen hem met boosaardige oogen zit te begluren. De
priester houdt zijn oogen voor de wereld gesloten, maar vestigt al
zijne gedachten op het boek, dat zijn wegwijzer naar eene betere wereld
is. Zijn buurman haat hem als een monster, een tiran, een vervolger, en
stelt zich voor, dat er martelaars verbrand worden, en dat dit bleeke
gelaat het staat te aanschouwen en door de vlammen beschenen wordt.
Deze beiden koesteren geen twijfel, maar stappen, met de vracht hunner
logica op de schouders, recht vooruit.
„Wilt gij het blad niet eens inzien, mijnheer?” vroeg de dikke heer op
dit oogenblik (de courant bevatte juist een gloeiend artikel tegen de
orde, waartoe de zwartgerokte heer, die met hen in het spoorwegrijtuig
zat, behoorde). Pen nam het in dank aan en zette zijne mijmeringen
voort, zonder twee volzinnen van het blad te lezen.
„En zoudt gij, echter het geloof van een dier beiden, met al zijne
gevolgen, willen aannemen?” dacht hij. „Ach, gij moet uw eigen last
dragen, uw eigen geloof vestigen, uw eigen gedachten koesteren en uw
eigen gebed opzeggen. Aan welk sterfelijk oor zou ik alles kunnen
toevertrouwen, als ik dit voornemens was? of wie zou alles kunnen
begrijpen? Wie kan de tekortkomingen van een ander, de gelegenheden,
die hij heeft laten voorbijgaan, opsommen, wie kan de hartstochten
beoordeelen, die de rede overmeesteren, de gebreken, die haar
machteloos maken? – welke mate van waarheid en rechtvaardigheid is in
staat zijn buurmans geest te doorgronden en zich dien duidelijk voor te
stellen? – welk onbekend en vergeten voorval, welke jeugdige schrik,
welke gunst of ongunst der Fortuin kan niet den geheelen loop van een
leven veranderd hebben? Eene zandkorrel kan er een andere richting aan
geven, eveneens als een steen er een einde aan kan maken. Wie is er,
die de omstandigheden, de driften, de verzoekingen kan wegen, die voor
ons te goeder of te kwader rekening zullen geschreven worden,
uitgenomen Eén voor wiens ontzagwekkende wijsheid wij de knie buigen en
van wiens barmhartigheid wij vrijspraak van zonden smeeken? Hiermee is
het uit,” dacht Pen; „heden morgen zal de rekening mijner jeugd
afgesloten worden; een ontmoedigende terugblik, helaas! eene droevige
geschiedenis, waarvan ik menige bladzijde liefst niet zou herlezen!
Maar wie is niet moede geworden of gevallen, wie is zonder wonden uit
dien strijd gekomen?” Het hoofd van den jongeling zonk op zijne borst,
en hij stortte zijn hart ootmoedig en verslagen voor dien Troon uit, op
welken wijsheid en liefde en barmhartigheid voor allen zetelen, en
legde er zijne bekentenis af. „Wat komt er roem of armoede op aan!”
dacht hij. „Moge ik, indien ik die vrouw huw, welke ik gekozen heb, de
kracht en den wil hebben om haar trouw te zijn en haar gelukkig te
maken. Indien ik kinderen krijg, moge God mij leeren naar waarheid in
hun midden te handelen en te spreken, en hun een eerlijken naam na te
laten. Luister zal er bij mijn huwelijk niet zijn. Verdient mijn leven
dien ook wel? Ik vang een nieuw tijdperk aan; de hemel geve, dat het
beter moge zijn dan het afgeloopene!”
De trein hield te Tunbridge stil, terwijl Arthur zich met deze
overdenkingen bezig hield. Hij gaf de courant aan zijn reisgenoot
terug, van wien hij afscheid nam, terwijl de vreemde geestelijke in den
tegenoverliggenden hoek nog altijd de oogen op zijn boek gevestigd
hield. Pen sprong vervolgens met zijn valies in de hand het rijtuig
uit, vast besloten zijne Fortuin onder de oogen te zien.
Eene vigilante bracht hem snel van het station naar Lady Clavering’s
huis, en onder het rijden ontwierp Pen eene kleine toespraak aan
Blanche, eene rede zoo deugdzaam, oprecht en welwillend als ooit iemand
van zijn karakter en in zijn omstandigheden zou hebben kunnen houden.
Zij was in hoofdzaak van den volgenden inhoud: „Blanche, ik kan uit uw
laatsten brief niet opmaken wat gij bedoelt, en of mijn oprecht en
eerlijk voorstel door u aangenomen wordt of niet. Ik houd het er voor,
dat gij de reden kent, die mij van de wereldsche voordeelen doet
afzien, welke eene verbintenis met u mij zou opleveren, en die ik
geloof niet te kunnen aannemen zonder mij te onteeren. Indien gij aan
mijne genegenheid twijfelt, sta ik gereed die te bewijzen. Laat Smirke
ontboden worden en ons hier op staanden voet in den echt verbinden, en
dan neem ik mij van ganscher harte voor, mijne gelofte te houden en u
mijn leven lang lief te hebben en een trouw en liefhebbend echtgenoot
voor u te zijn.”
Arthur steeg uit het rijtuig en ging naar de huisdeur, waar hij een
bediende ontmoette, dien hij niet kende. Deze man scheen verwonderd
over de verschijning van den heer met het valies en maakte geene
beweging om hem dit af te nemen. „Mylady is niet thuis, mijnheer,”
zeide de knecht.
„Ik ben mijnheer Pendennis,” antwoordde Arthur. „Waar is Lightfoot?”
„Lightfoot is weg.” hernam de man. „Mylady is uit, en ik had order –”
„Ik hoor de stem van jufvrouw Amory in de zaal,” zeide Arthur. „Daar,
bezorg dat valies ergens, als het u belieft,” en den knecht
voorbijgaande, stapte hij rechtdoor naar het genoemde vertrek, waaruit,
toen hij de deur opende, het liefelijk geluid eener melodieuse stem
naar buiten drong.
Onze kleine sirene zat uit alle macht en met al hare tooverkunstjes aan
de piano te zingen. De jonge heer Clavering lag, ongevoelig voor de
muziek, op de sofa te slapen; doch in Blanche’s nabijheid zat een heer,
in verrukking verzonken over haar zang, die van een hartstochtelijk en
weemoedig karakter was.
Toen de deur openging, sprong die heer met een „hola!” op; de zangeres
staakte hare muziek met een klein gilletje; Frans Clavering werd op de
sofa wakker, en Arthur trad vooruit met de woorden: „Hoe? Foker hier?
Hoe gaat het, Foker?” Toen hij zijn blik op de piano liet vallen, zag
hij dáárop, naast jufvrouw Amory, juist zulk een purper marokijnen
doosje staan als hij drie dagen geleden in Henry’s hand had gezien,
toen de erfgenaam van Logwood uit een juwelierswinkel op Waterloo Place
kwam. Het stond open en daarbinnen kronkelde zich, rondom een wit
satijnen kussentje, o zulk een prachtige armband in de gedaante van
eene slang, met een schitterenden robijnen kop en een diamanten staart!
„Hoe gaat het. Pendennis?” vroeg Foker. Blanche trok aanhoudend de
schouders op en neer en gaf teekenen van nieuwsgierigheid en
ontroering. Zij wierp haar zakdoek over den armband en trad toen
vooruit om Pen eene hand, die sterk beefde, toe te reiken.
„Hoe vaart mijne liefste Laura?” vroeg zij. Het gelaat, dat Foker in
zijn diepen rouw vertoonde – dat erg ontstelde en zoo verlegen gelaat,
moet de lezer zelf zich in zijne verbeelding trachten af te schilderen,
en evenzeer dat van den jongen heer Frans Clavering, die, na een
uiterst veelbeteekenenden blik op de drie belangwekkende personen,
slechts tijd had om schielijk uit te roepen: „Dat zal een ongemakkelijk
standje geven!” en zich giggelend uit de voeten maakte.
Pen had zich tot op dat oogenblik ingehouden; doch toen hij Foker bleef
aanzien, die tot achter de ooren bloosde, schoot hij in zulk een
woesten en luiden lach, dat hij er Blanche meer schrik mee aanjoeg dan
hij door de ernstigste houding zou gedaan hebben.
„En dus was dit het geheim? Bloos maar niet en wend u niet af, Foker,
mijn beste jongen. Wel man, gij zijt een toonbeeld van getrouwheid. Zou
ik mij tusschen Blanche en zulk eene standvastigheid, tusschen jufvrouw
Amory en vijftien duizend pond ’s jaars kunnen plaatsen?”
„Dat is het niet, mijnheer Pendennis,” zeide Blanche met groote
deftigheid. „Geld, rang, goud is het niet, dat invloed op mij heeft;
maar het is inderdaad standvastigheid, getrouwheid, een geheel en
oprecht liefhebbend hart, hetwelk ik op prijs stel – ja, op prijs
stel!” En bij die woorden wilde zij haar zakdoek gaan halen, maar
herinnerde zich wat daaronder lag en bleef stilstaan. „Ik ontken niet,
ik ontveins niet – mijn leven is boven veinzerij verheven – dat mijn
hart voor dengeen, aan wien ik het schenk, geheel moet blootliggen, –
dat ik eenmaal meende u te beminnen, – ja, meende dat ik ook door u
bemind werd. Dat erken ik. Wat klemde ik mij vast aan die gedachte! Wat
streed en bad en smachtte ik, om dat te gelooven. Maar uw dagelijksch
gedrag, uw eigen koele, hardvochtige, onvriendelijke woorden hebben mij
de oogen geopend. Gij hebt het hart van een arm meisje tot uw speelbal
gebruikt! Gij hebt mij minachtend het woord teruggeworpen, dat ik u
verpand had! Ik heb alles, alles verhaald aan – mijnheer Foker.”
„Dat hebt gij,” zeide mijnheer Foker, met oogen waarin men zijne
toewijding en overtuiging lezen kon.
„Hoe? alles?” vroeg Pen, met een veelbeteekenenden blik op Blanche. „Ik
ben het zeker, die de schuld draag? Welnu, Blanche, dat zij zoo. Ik zal
van uw vonnis niet in beroep komen, maar het stilzwijgend dragen. De
hemel is mij tot getuige, dat ik hier kwam met geheel andere
verwachtingen en met een hart, dat oprecht en vriendelijk gezind was.
Ik wensch, dat gij zoo gelukkig moogt zijn met een ander, als het, op
mijn woord, mijn wensch was u te maken; en ik hoop, dat mijn brave oude
vriend hier eene vrouw zal hebben, zooals zijne rechtschapenheid,
standvastigheid en verliefdheid die verdienen. Inderdaad, zij verdienen
de achting van elke vrouw – zelfs van jufvrouw Blanche Amory. Geef mij
de hand, Henry, en kijk mij zoo schuins niet aan! Heeft iemand u
verteld, dat ik valsch en hardvochtig was?”
„Ik houd u voor een, –” begon Foker in zijne gramschap, maar Blanche
stuitte hem.
„Geen woord, Henry! – Laten wij elkander vergiffenis schenken.”
„Gij zijt een engel; bij den hemel, gij zijt een engel!” zeide Foker,
waarop Blanche als een engel haar oogen naar de kamerkroon opsloeg.
„In weerwil van het gebeurde en om den wille van het gebeurde, moet ik
Arthur altijd als een broeder beschouwen,” ging de engel voort; „wij
hebben elkander vele jaren gekend, dezelfde beemden betreden, te zamen
dezelfde bloemen geplukt. Arthur! Henry! Ik bezweer u, geeft elkander
de hand en zijt vrienden! Vergeeft elkander! – Ik vergeef u, Arthur,
van ganscher harte. Zou ik dat niet doen, nu gij mij zoo gelukkig
maakt?”
„Er is slechts één van ons drieën, dien ik beklaag, Blanche,” zeide
Arthur ernstig, „en ik zeg nogmaals, dat ik hoop, dat gij dezen goeden,
braven en loyalen jongen gelukkig zult maken.”
„Gelukkig! O hemel!” zeide Henry. Meer kon hij niet uitbrengen. Zijn
geluk straalde hem uit de oogen. „Zij weet niet – zij kan niet weten
hoeveel ik van haar houd, en – en wie ben ik? een ellendig ventje, en
zij neemt zich mijner aan, en zegt, dat zij zal trachten mij l-l-lief
te hebben! Zooveel zaligheid ben ik niet waardig. Geef mij uwe hand,
ouwe jongen, daar zij u uw hardvochtig gedrag vergeeft en zegt, dat zij
u nog liefheeft. Ik heet u welkom, want ik heb iedereen lief, die haar
liefheeft. Bij den hemel, indien zij mij beval den grond te kussen, ik
zou het doen. Zeg maar, dat ik den grond moet kussen! Ik smeek u,
beveel het mij maar. O, ik heb u zoo lief Gij ziet hoe lief ik u heb!”
Blanche sloeg andermaal een engelenblik omhoog. Haar teedere boezem
zwoegde. Zij strekte eene hand uit, als om Henry te zegenen, en
veroorloofde hem toen, als eene vorstin, die te kussen. Vervolgens nam
zij haar zakdoek op en hield dien voor haar oogen, terwijl de andere
blanke hand aan den armen Henry werd overgelaten, die ze schreiende
drukte.
„Het moet een schelm zijn, die zulk een aanminnig schepseltje
misleidt,” zeide Pen.
Blanche legde den zakdoek neer, en plaatste hand No. 2 zachtkens op
Foker’s hoofd, dat over hand No. 1 gebogen was, die hij weenend kuste.
„Malle jongen!” sprak zij. „Hij zal bemind worden zooals hij het
verdient; wie zou zulk een onnoozel ventje niet liefhebben?”
Op dit oogenblik kwam Frans Clavering het sentimenteele trio storen.
„Zeg eens, Pendennis!”
„Wel, Frans?”
„De koetsier wil zijn geld hebben en wegrijden. Hij heeft een glas bier
gehad.”
„Ik ga weer met hem mee,” zeide Pen „Vaarwel, Blanche. God zegen je,
Foker, ouwe vriend! Gij zult mij toestemmen, dat geen van u beiden
bijzonder op mijn gezelschap gesteld is.” Inderdaad haakte Arthur zelf
naar een onverwijld vertrek.
„Wacht eens, ik moet u nog even spreken. Een enkel woordje onder vier
oogen, als het u belieft,” zeide Blanche. „Gij vertrouwt ons toch te
zamen wel, niet waar, Henry?” De toon, waarop zij dien naam Henry
uitsprak, en die vertrouwelijke toespraak vervulde Foker met
verrukking. „U vertrouwen!” zeide hij. „O, wie zou u niet vertrouwen!
Ga mee, Frans, beste jongen.”
„Laten wij eene sigaar opsteken,” zeide Frans, toen zij in de vestibule
waren.
„Zij heeft het niet gaarne,” zeide Foker nederig.
„Kom, gekheid! zij kan er wel tegen Pendennis rookte hier altijd,”
zeide de rondborstige jonge heer.
„Ik heb maar een enkel woord te zeggen,” voegde Blanche met groote
kalmte aan Pen toe, zoodra zij alleen waren. „Gij hebt mij nooit
bemind, mijnheer Pendennis.”
„Ik heb u gezegd in hoeverre,” zeide Arthur. „Ik heb u nooit misleid.”
„Nu zult gij zeker wel dadelijk terugkeeren en Laura trouwen?”
vervolgde Blanche.
„Is het dit, wat gij te zeggen hadt?” vroeg Pen.
„Ik weet zeker, dat gij nog dezen zelfden avond naar haar toe gaat. Dat
kunt gij niet tegenspreken. Gij hebt nooit iets om mij gegeven.”
„Et vous?”
„Et moi, c’est different. Ik ben reeds vroeg bedorven. Ik kan niet
buiten de wereld, niet buiten opwekking leven. Het zou vroeger mogelijk
geweest zijn, maar thans is het te laat. Indien ik geen aandoeningen
kan genieten, moet ik in de wereld genieten. Gij wildet mij noch het
eene, noch het andere schenken. Gij zijt blasé ten aanzien van alles,
zelfs van de eerzucht. Er lag eene loopbaan voor u open, en gij hebt
die niet willen betreden. Gij ziet er van af – waarom? – om eene
bêtise, een dwaas gemoedsbezwaar. Waarom wildet gij die plaats in het
parlement niet hebben, maar liever den puritein uithangen? Waarom
weigerdet gij wat mij rechtmatig – entendez-vouz? rechtmatig –
toekomt?”
„Gij weet dus alles?” vroeg Pen.
„Pas sedert eene maand. Maar ik heb het vermoed sedert dat geval te
Baymouth – n’importe sedert wanneer. Het is zoogoed alsof hij nooit
bestaan had, en nog kunt gij een aanzienlijke plaats in de wereld
verkrijgen. Waarom zoudt gij geen zitting nemen in het parlement, van
uwe talenten partij trekken, en aan u zelven en uwe vrouw eene plaats
in de maatschappij verschaffen? Ik neem celui-là. Il est bon. Il est
riche. Il est – vous le connaissez autant que moi enfin. Denkt gij, dat
ik niet liever un homme qui fera parler de moi zou hebben? Als het
geheim uitlekt, ben ik riche à millions. Wat verandert dit aan mij? Het
is mijne schuld niet. Het zal nooit uitkomen.”
„Gij zult Henry toch alles vertellen, niet waar?”
„Je comprends. Vous refusez,” zeide Blanche gramstorig. „Ik zal het
Henry ter gelegener tijd vertellen, als wij getrouwd zijn. Gij zult mij
toch immers niet verraden? Gij, die het geheim van een hulpeloos meisje
in uwe macht hebt, zult u niet tegen mij keeren en er gebruik van
maken? S’il me plaît de le cacher, mon secret, pourquoi le donnerai-je?
Je l’aime, mon pauvre père, voyez-vous. Ik zou liever met dien man, dan
met ulieden, flauwe intriganten der groote wereld, leven. Ik heb
behoefte aan aandoeningen – il m’en donne. Il m’écrit. Il écrit très
bien, voyez-vous – comme un pirate – comme un Bohémien, – comme un
homme. Ware dat niet het geval geweest, ik zou tegen mijne moeder
gezegd hebben: Ma mère! quittons ce lâche mari, cette lâche société –
retournons à mon père.”
„De zeeschuimer zou u even spoedig als al de overigen verveeld hebben,”
zeide Pen.
„Eh! Il me faut des émotions,” zeide Blanche. Pen had, in al de jaren
zijner bekendheid met haar, nooit zooveel gezien en geweten als hij nu
zag en vernam, ofschoon, hij meer zag dan er in werkelijkheid bestond.
Want deze jonge dame was niet bij machte eenige aandoening werkelijk te
ondervinden, maar had eene voorgewende geestdrift, een voorgewenden
haat, eene voorgewende liefde, een voorgewend verdriet, die allen voor
een oogenblik allerhevigst gloeiden en flikkerden, maar spoedig
verflauwden en voor eene volgende geveinsde aandoening plaats maakten.