Toen Pen den volgenden morgen in zijne kamerjapon als gewoonlijk naar
boven ging op Warrington’s kamers om zijn vriend verslag te doen van
het onderhoud, dat hij den vorigen avond met zijn oom had gehad, en op
de gebruikelijke wijze George’s raad en gevoelen te vragen, was vrouw
Flanagan, de schoonmaakster, de eenige persoon, welke hij in die oude,
hem lief geworden kamers aantrof. George had zijn valies gepakt en was
vertrokken. Zijn adres was ten huize van zijn broeder in Suffolk. Op de
tafel lagen pakjes voor de courant en het tijdschrift, aan welke hij
medewerkte, op verzending te wachten.
„Toen ik hier kwam, vond ik den goeden heer aan de tafel zitten
schrijven,” zeide vrouw Flanagan, „en een van zijne kaarsen was in de
pijp gebrand, en hoe hard zijn bed ook is, mijnheer, is hij er den
ganschen nacht niet in geweest.”
George was werkelijk, na in de club vertoefd te hebben totdat het
rumoer hem daar onuitstaanbaar werd, naar huis gegaan, en had den nacht
besteed om eenig werk af te maken waaraan hij bezig was en dat hij met
alle macht trachtte te voltooien. Dat werk was verricht, de nacht was
ongemerkt voorbijgegaan, en het trage licht van den Novembermorgen brak
aan en bescheen den jongen man, terwijl hij aan zijn lessenaar zat. In
de courant van den volgenden dag, of het tijdschrift van het volgende
vierendeeljaars, hebben ongetwijfeld velen onzer de kracht van zijn
genie, het veelzijdige zijner kennis, de scherpte zijner satire, de
diepte van zijn betoog bewonderd. Er was in zijn artikelen geen spoor
van de andere gedachten, die zijn geest vervulden en hem gedurende zijn
arbeid altijd bijbleven; alleen is er wellicht een toon, wat
weemoediger dan gewoonlijk, een hekelgeest, wat bitterder en vlijmender
dan hij later aan den dag legde, in zijne geschriften uit dit tijdperk
zijns levens aan de weinigen, die zijn stijl of zijn naam kenden, in
het oog gevallen. Wij hebben reeds vroeger gezegd hoe belangwekkend de
meeste boeken zijn zouden, indien men daaruit zoowel de gevoelens van
den mensch als de denkbeelden van den schrijver kon leeren kennen –
meer belangwekkend dan opbeurend. Ik houd het er voor, dat Arlekijn’s
gezicht achter het masker altijd ernstig, zoo niet droefgeestig staat,
en voorzeker zal ieder, die van de pen leeft, zich zijn eigen
ervaringen herinneren, indien hij dat verkiest, en zich vele ernstige
uren van eenzaamheid en arbeid voor den geest kunnen brengen. Blijvende
zorg zat naast zijn lessenaar en hield hem gezelschap. Wellicht was de
naaste kamer getuige van koortshitte of ziekte; misschien lag daar een
kind ziek en zat eene verslagene vrouw er bij te bidden; of mogelijk
drukte de smart den schrijver neer en maakte de nevel voor zijn oogen
het papier onzichtbaar terwijl hij schreef en de onverbiddelijke
noodzakelijkheid er de pen overheen deed vliegen. Wie onzer heeft niet
dergelijke avonden en uren beleefd? Maar voor het moedige hart zijn
deze kwellingen, hoe fel ook, te verduren, hoe lang de nacht ook
schijne, eindelijk breekt de morgen aan; de wonden genezen, de koorts
neemt af, de rust vangt aan, en men kan op het geleden leed terugzien
met gewaarwordingen, die niets bitters meer bevatten.
Een paar boeken, die geraadpleegd waren, stukjes van verscheurde
papieren, openstaande laden, pennen en een inktkoker, regels, die nog
half leesbaar op het vloeipapier, een krom geworden pijpje lak, dat in
verscheidene stukken versplinterd en gebroken was – dit waren de
overblijfselen op en bij de tafel, en toen Pen zich op George’s ledigen
stoel liet vallen, merkte hij dat alles, volgens zijne gewoonte, of
ondanks hem zelven op. Er was een open plek in de boekenkast (naast
dien ouden Plato van de academie, met het wapen van het
Bonifacius-Collegie), daar waar Helena’s Bijbel placht te staan. „Dien
heeft hij meegenomen,” dacht Pen. Hij wist nu waarom zijn vriend
vertrokken was. Die goede, goede oude George!
Pen hield de hand voor zijn oogen. „O,” dacht hij, „hoeveel wijzer,
beter, edelmoediger is hij dan ik! Waar kan men nóg zulk een vriend of
zulk een manhaftig hart aantreffen? Waar zal ik ooit zulk een oprechte
stem en zulk een vriendelijken lach hooren? Waar zal ik ooit zulk een
echt gentleman aanschouwen? Geen wonder, dat zij hem liefhad! God
zegen’ hem. Wat was ik in vergelijking met hem? Wat kon zij anders doen
dan hem liefhebben? Tot onzen laatsten dag zullen wij broeders voor
haar zijn, daar het lot bepaald heeft, dat wij niet méér kunnen wezen.
Wij zullen hare ridders zijn, om haar te dienen en te beschermen; en
als wij oud zijn geworden, zullen wij haar verhalen hoe innig wij haar
hebben liefgehad. O goede, goede oude George!”
Toen Pen naar beneden ging om zijn eigen kamers weer op te zoeken, viel
zijn oog op de brievenbus aan zijne buitendeur, waarop hij vroeger niet
gelet had en in welke hij nu een briefje van George’s welbekende hand
vond, geadresseerd aan den weledelgeboren heer A. P., hetgeen George
vermoedelijk vóór zijn vertrek in Pen’s bus gestoken had:
„Waarde Pen, op het oogenblik van uw ontbijt zal ik reeds halverwege
naar huis zijn. Ik ben voornemens den Kersttijd in Norfolk, of elders
door te brengen.
„Ik heb mijn eigen inzichten omtrent den afloop der zaak, die wij
gisteren in J– Street bespraken, en acht dus mijn bijzijn de trop.
„Breng mijne beste heilwenschen en mijn afscheidsgroet aan uwe nicht
over.
„Vale. G. W.”
En aldus was George vertrokken, en vrouw Flanagan, de schoonmaakster,
voerde het gebied over zijne ledige kamers.
Pen moest natuurlijk zijn oom, den dag na het gesprek dat hij met den
ouden heer had gehad, gaan opzoeken, en daar hij niet bij hem
toegelaten werd, sprak het van zelf, dat hij zich naar de vertrekken
van Lady Rockminster begaf, die dadelijk naar Blauwbaard vroeg en
verlangde dat hij zou komen dineeren.
„Blauwbaard is weg,” zeide Pen, en bij die woorden haalde hij dat
snippertje papier van George te voorschijn en overhandigde het aan
Laura, die het inzag, doch het, zonder Pen aan te zien, teruggaf en
zich verwijderde. Pen begon dadelijk eene welsprekende lofrede op zijn
goeden ouden George tegen Lady Rockminster te houden, die verbaasd
stond over zijne geestdrift. Zij had hem nog nooit met zooveel warmte
iemand hooren prijzen, en verklaarde hem dus met hare gewone
rondborstigheid, dat zij niet gedacht had, dat het in zijn aard lag
zooveel om iemand anders dan hem zelven te geven.
Eens toen mijnheer Pendennis, op eene zijner talrijke wandelingen naar
het hotel waar Laura woonde en waar zijn plicht hem dagelijks bij zijn
oom riep, Waterloo-Place overging, zag hij uit den gerenommeerden
winkel der heeren Gimcrack een oud vriend komen, die door een
onderdanigen winkelbediende, met verscheidene pakjes in de hand, naar
zijn rijtuig gevolgd werd. De heer was in den zwaarsten rouw, en de
brougham, de koetsier en het paard waren evenzeer in den rouw.
De equipage en haar eigenaar, het kleine heertje, waren toonbeelden van
eene smart, die door rijkdom getemperd en door de gemakkelijkste veeren
en de weekste kussens verzacht werd.
„Hoe? Foker! Hoe gaat het, Foker?” riep Pen uit – de lezer heeft
ongetwijfeld Arthur’s ouden schoolkameraad ook herkend – en reikte
zijne hand aan den erfgenaam van nu wijlen den diep betreurden heer
John Henry Foker, den bezitter van Logwood en andere buitenplaatsen,
den voornaamsten deelhebber in de groote brouwerij van Foker en Co., en
den hoofdeigenaar van Foker’s Bier.
Een klein handje, overtrokken met een handschoen van het diepste
gitzwart en afgezet met een sneeuwwit manchet ter breedte van een
drietal duimen, werd uitgestoken om Arthur’s begroeting te
beantwoorden. Het andere kleine handje hield een marokijnen doosje
vast, hetgeen zeker een of andere kostbaarheid bevatte, die mijnheer
Foker zoo even in den winkel der heeren Gimcrack gekocht had. Pen’s
scherpe oogen en satirieke aard deden hem dadelijk begrijpen op welke
boodschap mijnheer Foker uit was geweest, en hij herinnerde zich, dat
Horatius van een erfgenaam spreekt, die den wijn schonk, welken zijn
vader zorgvuldig bewaard had, en dat het menschelijk karakter tamelijk
hetzelfde is in Regent Street en op de Via Sacra.
„Le roi est mort. Vive le roi!” zeide Arthur.
„Ah!” antwoordde de ander. „Ja. Dank je – zeer verplicht. Hoe vaar je,
Pen? – Weinig tijd – goedendag!” en daarop sprong hij in den zwarten
brougham en zette zich, als eene kleine zwarte zorg, achter den zwarten
koetsier. Hij had gebloosd toen hij Pen in het oog kreeg en nog andere
teekenen van schuldbesef en ontroering gegeven. Pen schreef dit echter
toe aan het nieuwe van zijn tegenwoordigen toestand en begon er op
zijne gewone spottende wijze bespiegelingen over te maken.
„Ja, dat is de loop der wereld,” dacht Pen. „Het graf is boven Hendrik
IV gesloten en Hendrik V regeert in zijne plaats. De oude ministers in
de brouwerij knielen met hunne boeken voor hem neer; de
brouwersknechts, zijn onderdanen, werpen hunne roode mutsen in de lucht
en roepen hoera. Welk eerbiedig ontzag en sympathie leggen de bankiers
en de zaakwaarnemers aan den dag! Er stond tusschen die beiden een te
groot belang op het spel, dan dat zij elkander hartelijk konden
liefhebben. Zoolang de een den ander een inkomen van twintig duizend
pond ’s jaars onthoudt, moet de jongere altijd naar de kroon hunkeren,
en die begeerte moet den wensch naar bezitneming baren. Goddank, Laura,
dat er tusschen mij en onze lieve moeder geene gedachte aan geld
bestond.”
„Dat had ook nooit het geval kunnen zijn! Gij zoudt het verfoeid
hebben!” riep Laura uit. „Waarom stelt gij u zelfzuchtiger voor dan gij
zijt, Pen, en wilt gij doen gelooven, dat gij zelfs een oogenblik zulk
– zulk eene ijselijke laagheid begaan zoudt hebben? Gij doet mij om u
blozen, Arthur; gij doet mij –” Haar oogen voltooiden den volzin en zij
moest ze met haar zakdoek afwisschen.
„Er zijn sommige waarheden, die de vrouwen nooit willen erkennen,”
zeide Pen, „en voor welke uwe zedigheid altijd terugdeinst. Ik zeg
niet, dat ik die gewaarwording ooit ondervonden heb; maar het verheugt
mij, dat ik nooit in de verzoeking ben geweest. Welk kwaad ligt er in
die bekentenis van zwakheid?”
„Wij hebben allen leeren bidden, verlost te worden van het kwade,
Arthur,” zeide Laura op zachten toon. „Ik ben blij dat gij bewaard zijt
gebleven voor die groote misdaad, en de mogelijkheid alleen spijt mij,
dat gij er toe hadt kunnen vervallen. Maar neen – dat zou nooit gebeurd
zijn, en gij kunt het zelf niet gelooven. Gij handelt altijd edelmoedig
en vriendelijk en veracht alle laagheden. Gij neemt Blanche zonder geld
en zonder u te laten omkoopen. Ja, daarvoor dank ik den Hemel, lieve
broeder. Gij hadt u niet kunnen verkoopen; ik wist, dat gij het niet
kondt, toen de zaak geopenbaard werd, en gij hebt het ook niet gedaan.
Dank zij gebracht – dáár waar hij behoort. Waarom laat gij u door die
akelige twijfelzucht vervolgen, Arthur? Waarom betwijfelt en bespot gij
uw eigen hart – ieders hart? O, indien gij eens wist hoeveel verdriet
gij mij veroorzaakt – hoe ik ’s nachts wakker lig en over die harde
woorden peins, lieve broeder, die ik wenschte dat gij niet gesproken,
niet gedacht hadt!”
„Kost ik u veel gedachten en tranen, Laura?” vroeg Arthur. Een
stralende blik, vol van de onschuldigste liefde, was haar antwoord. Een
lachje van hemelsche reinheid, een uitdrukking van onuitsprekelijke
teederheid, sympathie en gevoel verhelderde haar gelaat, en al die
kenteekenen van genegenheid en schuldeloosheid zag en vereerde Arthur
in haar, gelijk men die bespiedt bij een kind, en zooals men meent, dat
men ze in een engel zou waarnemen.
„Ik – ik weet niet wat ik gedaan heb,” zeide hij eenvoudig, „om zooveel
toegenegenheid van twee zulke vrouwen te verdienen. Het is iets, dat
gelijkt op onverdienden lof, Laura, – of op te veel voorspoed, die ons
schrik aanjaagt, – of op een hoogen post, waarvoor men zich niet
berekend gevoelt. Ach, zuster, wat zijn wij zwak en bedorven, en wat
heeft daarentegen de hemel ulieden rein gemaakt en vervuld met liefde
en waarheid! Ik geloof, dat er voor sommigen onder u geen val bestaan
heeft,” vervolgde hij, terwijl hij het bekoorlijke meisje met een bijna
vaderlijken blik van bewondering aanzag. „Van nature hebt gij
vriendelijke gedachten en verricht gij goede daden. Dat zijn de
bloemen, meisje-lief, die u tooien.”
„En wat verder, mijnheer?” vroeg Laura. „Ik zie een spottenden trek op
uw gezicht verschijnen. Wat beteekent die? Waarom komt die nu weer alle
goede gedachten verdrijven?”
„Een spottenden trek? Wezenlijk? Nu, ik dacht zoo, mijne waardste, dat
de natuur zeer juist gehandeld heeft door u zoo goed en zoo liefderijk
te maken; maar –”
„Maar wat? Wat beteekent dat ondeugende Maar? en waarom brengt gij het
altijd te pas?”
„Maar komt onzes ondanks bij ons op. Maar vloeit voort uit overdenking.
Maar is de geleigeest, met welken de twijfelaar een verdrag heeft
aangegaan; en indien hij dit vergeet en zich aan zalige mijmeringen
overgeeft of luchtkasteelen bouwt, of bij voorbeeld naar liefelijke
muziek of naar den toon der kerkklok luistert, klopt Maar aan de deur
en zegt: „Hier ben ik, meester. Gij zijt mijn meester, maar ik ben de
uwe. Waar gij ook heengaat, ik vergezel u overal. Ik zal u in het oor
fluisteren, wanneer gij in de kerk geknield ligt. Ik zal aan uw
bruidsbed staan. Ik zal mij aan uwe tafel zetten bij uwe kinderen. Ik
zal achter de gordijnen van uw doodsbed staan. Dat is Maar,” zeide Pen.
„Pen, gij maakt mij bang,” riep Laura uit.
„Wil ik u eens vertellen, wat Maar zoo even tegen mij sprak, toen ik u
aanzag? Maar zeide: „indien dat meisje evenzeer haar verstand als haar
liefderijk hart raadpleegde, zou zij u niet meer liefhebben. Indien zij
u in uwe kleuren kende – indien zij wist, gelijk gij zelf het weet,
welk een slecht en zelfzuchtig wezen gij zijt, zou zij zich van u
moeten verwijderen en u geene liefde of sympathie meer kunnen
toedragen.” „Heb ik niet naar waarheid gezegd,” liet hij er met
teederheid op volgen, dat sommigen uwer geen deel schijnen te hebben
aan den val? De liefde kent gij, maar de kennisse des kwaads is u
onthouden.”
„Waarover praten die jongelui toch?” vroeg Lady Rockminster, die op dit
oogenblik de kamer binnentrad, na in de verborgenheid harer eigene
vertrekken en met bijstand van hare kamenier die ingewikkelde
toilet-plechtigheden verricht te hebben, zonder welke de
achtenswaardige oude dame zich nooit in het publiek vertoonde.
„Mijnheer Pendennis, gij komt hier te veel.”
„Het is hier zoo aangenaam,” antwoordde Arthur, „en wij spraken juist,
toen gij binnenkwaamt, over mijn vriend Foker, dien ik zoo even ontmoet
heb, en die, gelijk gij weet, in zijn vaders rijk is opgevolgd.”
„Hij heeft een belangrijk vermogen gekregen: vijftien duizend pond ’s
jaars. Hij is een neef van mij, een zeer aardig jongmensch. Hij moet
mij eens komen bezoeken,” zeide Lady Rockminster, met een blik op
Laura.
„Hij is sinds vele jaren geëngageerd met zijne nicht, Lady –”
„Lady Anna is een ondeugend klein nest,” zeide Lady Rockminster met
groote deftigheid, „en ik kan haar niet meer uitstaan. Zij heeft alle
maatschappelijke vormen met voeten getreden, haar vaders hart gebroken
en vijftien duizend pond ’s jaars weggeworpen.”
„Weggeworpen?” vroeg Pen. „Wat is er dan gebeurd?”
„Over een paar dagen zal de gansche stad er den mond vol van hebben, en
ik behoef het dus niet langer geheim te houden,” zeide Lady
Rockminster, die een dozijn brieven over de zaak had geschreven en
ontvangen. „Ik kreeg gisteren een brief van mijne dochter, die te
Drummington logeerde tot al de gasten genoodzaakt waren te vertrekken,
uit hoofde van het verschrikkelijke ongeluk, dat daar gebeurd is. Toen
mijnheer Foker uit Nizza was teruggekomen en de lijkplechtigheden waren
afgeloopen, wierp Lady Anna zich voor haar vader op de knieën,
verklaarde hem, dat zij haar neef nooit zou kunnen trouwen, dat zij
liefde voor een ander had opgevat en dat zij liever wilde sterven dan
haar engagement nakomen. De arme Lord Rosherville, wiens financiën
vreeselijk verward zijn, zette den staat zijner zaken aan zijne dochter
uiteen en toonde haar aan hoe noodzakelijk het was, dat de aangegane
verbintenis wierd nagekomen. Kortom, wij onderstelden allen, dat zij
naar rede geluisterd had en de wenschen van hare familie zou opvolgen.
Maar wat gebeurde er? Verleden Donderdag ging zij na het ontbijt met
hare kamenier uit, en liet zich, in de kerk van Drummington Park zelf,
met mijnheer Hobson, den eigen huispredikant van haar vader en
onderwijzer van haar broeder, een roodharig weduwnaar met twee
kinderen, in het huwelijk verbinden. Die arme goede Rosherville weet
geen raad; hij zou gaarne zien, dat Henry Foker nu Alice of Barbara
trouwde; maar Alice is door de pokken geschonden en Babara is tien jaar
ouder dan hij. En nu de jongen zijn eigen meester is, zal hij
natuurlijk zelf willen kiezen. Het is een zeer zware slag voor Lady
Agnes, en zij is dan ook ontroostbaar. Het huis in Grosvenor Street is
haar voor haar leven vermaakt en zij heeft haar weduwgeld, dat vrij
aanzienlijk is. Hebt gij haar niet ontmoet? O ja, zij dineerde op
zekeren dag bij Lady Clavering – het was de eerste maal dat ik u zag en
ik hield u toen voor een zeer onaangenaam jongmensch. Maar wij hebben u
beschaafd, – niet waar, Laura? Waar is Blauwbaard? Laat hem hier komen.
Die akelige Grindley, de tandmeester, houdt mij nog eene week in de
stad.”
Naar het laatste gedeelte van mylady’s rede luisterde Arthur niet. Hij
overdacht voor wie Foker die kleinoodiën kon gekocht hebben, die hij
van den juwelier meenam? Waarom scheen Henry hem te willen ontwijken?
Zou hij misschien nog altijd de liefde koesteren, die hem zoozeer
vervuld en anderhalf jaar geleden uit het land verdreven had? Och kom!
Die armbanden en geschenken zouden wel bestemd zijn voor eenige
vriendinnen uit de opera en den Franschen schouwburg. Geruchten uit
Napels en Rome, van die geruchten zooals er naar de rookzalen der clubs
overwaaien, hadden gemeld, dat de jonge heer afleiding had gevonden en
dat hij, in zijne deugdzame liefde gedwarsboomd, weer tot zijn oude
vriendinnen en vermaken was teruggekeerd, – niet de eenige man, of
vrouw, die door de maatschappij in het kwade gestort, of van het goede
teruggehouden wordt; niet het eenige slachtoffer van de egoïstische en
booze wetten der wereld.
Daar eene goede zaak, als zij gebeuren moet, niet te spoedig verricht
kan worden, was Laura zeer begeerig, dat Pen’s huwelijksplannen zoo
snel mogelijk ten uitvoer zouden gebracht worden, en zette zij hem met
eene bijna koortsachtige gejaagdheid tot het bespoedigen zijner
maatregelen aan. Waarom kon zij geen geduld hebben? Pen kon met
onverstoorbare bedaardheid wachten; maar Laura wilde van geen uitstel
hooren. Zij schreef aan Pen; zij bezwoer hem; zij stelde alle middelen
in het werk om de zaak te bevorderen. Zij scheen niet tot rust te
kunnen geraken, voordat Arthur’s geluk bevestigd was.
Zij bood zelve aan, om bij die liefste Blanche te Tunbridge te komen
logeeren, wanneer Lady Rockminster haar voorgenomen bezoek bij het
regeerende huis Rockminster zou gaan afleggen; en ofschoon de oude
douairière knorde en gelastte en kommandeerde, bleef Laura doof en
onverzettelijk; zij moest naar Tunbridge en zij zou naar Tunbridge; en
het meisje, hetwelk anders geen eigen wil scheen te hebben en zich met
een lachje naar ieders luimen en grillen voegde, legde in dit geval de
zelfzuchtigste en hardnekkigste eigenzinnigheid aan den dag. De
douairière moest zich zelve maar verplegen als zij de rheumatiek had;
zij moest zich zelve maar in slaap lezen, als zij hare kamenier niet
wilde aanhooren, die eene krijschende stem had en op de sentimenteele
gedeelten der romans volstrekt geen nadruk legde. Laura moest weg en
naar hare nieuwe zuster. Met vele complimenten aan de lieve Lady
Clavering, stelde zij voor in de volgende week eenige dagen bij de
liefste Blanche te komen doorbrengen.
De liefste Blanche antwoordde dadelijk op No. 1 van de liefste Laura,
dat zij hare zuster met het grootste genoegen zou afwachten. Wat zou
dat heerlijk zijn, haar oude duetten nog eens te zingen en over het
gras en door de in najaarsdos gehulde bosschen van Penshurst en
Southborough te wandelen! Blanche telde de uren, die er nog verloopen
moesten, alvorens zij hare dierbare vriendin zou omhelzen.
Laura, No. 2, verklaarde zich opgetogen over het hartelijke antwoord
van hare liefste Blanche. Zij hoopte, dat beider vriendschap nooit zou
verflauwen; dat haar vertrouwelijke omgang met de jaren zou toenemen;
dat zij geen geheimen voor elkander zouden hebben; en dat het beider
levensdoel zou zijn, zekeren persoon gelukkig te maken.
Blanche, No. 2, volgde twee dagen later. „Hoe spijtig! Hun huis was
zeer klein en de beide beschikbare slaapkamers waren nu in gebruik
genomen door die nare mevrouw Planter en hare dochter, die goedgevonden
hadden ziek te worden (zij werden op buitenplaatsen altijd ziek), en nu
in eenige dagen niet konden of wilden vervoerd worden.”
Laura, No. 3. „Het was inderdaad allerspijtigst. Laura had gehoopt,
Vrijdag een van hare liefste Blanche’s lieve liedjes te hooren; maar
zij kon zich het wachten nu beter getroosten, daar Lady Rockminster
eenigszins ongesteld was en gaarne door haar verpleegd werd. De arme
majoor Pendennis lag in hetzelfde hotel ook ziek – te ziek zelfs om
Arthur te ontvangen, die onvermoeid was in het vernemen naar den
toestand van zijn oom. Arthur’s hart was vervuld met teedere en
liefderijke gevoelens. Zij had Arthur haar gansche leven gekend. Zij
durfde borg blijven,” – ja, zelfs in cursief durfde zij dat – „voor
zijne vriendelijkheid, goedheid en zachtheid.”
Blanche, No. 3. „Wat beteekent die allervreemdste, allerongewoonste
brief van A. P.? Weet liefste Laura daarvan iets? Wat is er gebeurd?
Welk mysterie ligt er onder zijne beangstigende geheimzinnigheid
verborgen?”
Blanche, No. 3, verzoekt opheldering, en wij kunnen die niet beter
geven dan door den vreemden en geheimzinnigen brief van Arthur
Pendennis zelf mede te deelen.