Het diner was reeds opgedragen toen Arthur terugkeerde, en Lady
Rockminster begon hem te beknorren, dat hij zoo laat kwam. Maar Laura
bemerkte, toen zij haar neef aanzag, dat zijn gelaat zoo bleek en
ongesteld was, dat zij hare heerschzuchtige beschermster in de rede
viel en met teedere bezorgdheid vroeg wat er gebeurd was, en of Arthur
zich ongesteld gevoelde.
Na een glas sherry gedronken te hebben, antwoordde deze, met een blik
op de bedienden: „Ik heb het wonderbaarlijkste nieuws gehoord, dat men
zich kan voorstellen; ik zal het u later wel meedeelen.” Gedurende het
diner was hij zeer zenuwachtig en onrustig. „Trap zoo niet met de
voeten onder tafel,” zeide Lady Rockminster. „Gij hebt op Fido getrapt
en zijn etensbakje omgeworpen. Gij ziet wel, dat mijnheer Warrington de
voeten stilhoudt.”
Aan het dessert – nadat het geschenen had alsof dit onzalige maal nooit
zou afloopen – zeide Lady Rockminster: „Dit diner is verbazend
vervelend geweest. Ik geloof, dat er iets gebeurd is en dat gij Laura
wilt spreken. Ik ga mijn slaapje doen. Ik weet niet of ik wel thee zal
gebruiken – neen! Goedenavond, mijnheer Warrington. Gij moet weerkomen,
als er geen zaken te bespreken zijn.” En daarbij verliet de oude dame,
haar hoofd in den nek werpende, met groote deftigheid de kamer.
George en de anderen waren met haar opgestaan en Warrington stond op
het punt te vertrekken en nam afscheid van Laura, die er natuurlijk
zeer ontroerd uitzag over haar neef, toen Arthur zeide: „Blijf toch,
George. Gij moet mijn nieuws ook vernemen en mij in dit geval met uw
raad bijstaan. Ik weet bijna niet hoe ik handelen moet.”
„Het is zeker iets betreffende Blanche, Arthur?” zeide Laura, wier hart
klopte en wier wangen bloosden, zooals zij geloofde, dat zij nog nooit
in haar leven gebloosd hadden.
„Ja – en wel de meest vreemde geschiedenis,” antwoordde Pen. „Toen ik u
straks verliet, om mij naar ooms woning te begeven, vond ik zijn knecht
Morgan, die zoo lang in zijn dienst is geweest, aan de deur staan. Hij
verhaalde mij, dat hij dien morgen den dienst van zijn meester verlaten
had, dat mijn oom uit het huis was gegaan en zich naar een hotel had
begeven – dit zelfde hotel waar wij ons thans bevinden. Morgan zeide
vervolgens, dat hij mij iets van groot gewicht had mee te deelen, en
verzocht mij even binnen te komen in dat huis, hetwelk nu zijn eigendom
is. De schelm schijnt heel wat geld overgelegd te hebben, en is nu een
kapitalist, misschien wel een millionair. Ik ging dan binnen, en wat
denkt gij wel dat hij vertelde? Het moet een geheim onder ons blijven,
– indien wij het althans geheim kunnen houden, nu het in de macht is
van dien schavuit. Blanche’s vader is niet dood; hij is weer onder de
levenden verschenen, en Clavering’s huwelijk met de begum is geen
huwelijk.”
„En Blanche is dus waarschijnlijk de erfgename van haar grootvader?”
merkte Warrington op.
„Wel mogelijk, – maar de dochter van welk een vader! Amory is een
ontvlucht misdadiger. Dat weet Clavering, dat weet mijn oom; en met
deze wetenschap, die hij als een zwaard boven Clavering’s hoofd hield,
dwong hem die rampzalige oude man, zijne plaats in het parlement aan
mij af te staan.”
„Blanche weet dat toch immers niet, evenmin als die arme Lady
Clavering?” vroeg Laura.
„Neen,” gaf Pen ten antwoord: „Blanche kent zelfs haar vader levensloop
niet. Zij wist, dat haar vader en hare moeder van elkaar gescheiden
waren, en als kind had zij van Bonner gehoord, dat mijnheer Amory in
Nieuw Zuid-Wallis verdronken was. Doch hij bevond zich daar als
strafgevangene, en niet in de hoedanigheid van scheepskapitein, gelijk
het arme meisje dacht. Lady Clavering heeft mij verhaald, dat zij met
haar man niet gelukkig was en dat hij zeer slechte eigenschappen bezat.
Zij beloofde mij eenmaal alles te zullen vertellen, en ik herinner mij,
dat zij eens met tranen in de oogen tegen mij zeide, dat het voor eene
vrouw zeer pijnlijk was, te moeten bekennen, dat zij zich verheugde dat
haar man dood was, en dat zij tweemaal in haar leven eene slechte keus
had gedaan. Wat staat er nu te doen? De man kan zich niet vertoonen en
zijne vrouw terugeischen; als hij zich bekend maakt, is het
waarschijnlijk, dat hij ter dood veroordeeld, en althans zeker, dat hij
weer gedeporteerd zal worden. Maar de schelm heeft reeds sinds eenigen
tijd Clavering met die ontdekking gedreigd en hem daarmee van tijd tot
tijd geld afgeperst.”
„Dat is natuurlijk onze vriend kolonel Altamont,” zeide Warrington;
„alles wordt mij nu duidelijk.”
„Als de schelm terugkeert,” ging Arthur voort, „zal Morgan, die zijn
geheim kent, er tot zijn nadeel gebruik van maken, en daar hij het nu
in zijne macht heeft, ons allen geld trachten af te zetten. De verd–
schavuit dacht, dat ik er van wist,” zeide Pen, bleek van
verontwaardiging; „hij vroeg mij of ik hem een jaargeld wilde
verzekeren, om het stil te houden, en bedreigde mij, mij, alsof ik met
het ongeluk dier arme oude begum mijn voordeel deed en dien ellendigen
Clavering eene plaats in het parlement wilde afdwingen. Gerechte hemel
was mijn oom waanzinnig, toen hij zich met zulke kuiperijen inliet?
Verbeeld u eens, Laura, dat de zoon onzer moeder met zulk een verraad
speculeerde!”
„Ik kan mij dat niet voorstellen, lieve Arthur,” zeide Laura, terwijl
zij zijne hand vatte en die kuste.
„Neen,” kwam Warrington hier met zijn zware stem, die een weinig
trilde, tusschen en sloeg den blik met een onbeschrijfelijke
uitdrukking van toegenegenheid en smart op de beide edele en
liefhebbende jongelieden. „Neen. Onze jonge vriend mag aan zulk een
ellendige intrigue geen deel nemen. Arthur Pendennis kan niet trouwen
met een dochter van een misdadiger en in het parlement zitting nemen
als afgevaardigde van de galeien. Gij moet uwe handen van die gansche
zaak wasschen, Pen, en de betrekking afbreken. Gij moet geen uitleg van
het hoe en waarom geven, maar eenvoudig verklaren, dat familieredenen
het huwelijk onmogelijk maken. Het is beter, dat die arme vrouwen u
voor trouweloos houden, dan dat zij de ware toedracht der zaak leeren
kennen. Bovendien kunt gij van dien rekel van een Clavering – ik kan
daarvoor desnoods wel zorgen – gemakkelijk eene verklaring krijgen, dat
de redenen, die gij hem als hoofd der familie hebt blootgelegd, meer
dan voldoende zijn, om de voorgenomen verbintenis onmogelijk te maken.
Gelooft gij dat ook niet, Laura?” vroeg hij; maar bij die woorden
durfde hij haar ternauwernood aanzien. Hij wist, dat hij de flauwe
hoop, die hij wellicht nog koesterde, de laatste plank van de
schipbreuk van zijn geluk, waaraan hij zich nog had vastgeklemd, van
zich stiet en de golven zijner ellende boven zijn hoofd liet
samenvloeien. Pen was, terwijl hij zoo sprak, opgesprongen en zag hem
met belangstelling aan. Hij wendde zijn hoofd af. Hij zag ook Laura
opstaan en zich naar Pen begeven, wiens hand zij andermaal greep en
kuste. „Zij gelooft het ook – God zegene haar!” zeide George.
„Haar vaders schande is Blanche’s schuld niet, lieve Arthur, niet
waar?” zeide Laura, zeer bleek en zeer snel sprekende. „Zoudt gij,
indien gij met haar getrouwd waart, haar verlaten, ofschoon zij geen
kwaad heeft gedaan? Zijt gij niet aan haar verloofd? Zoudt gij nu van
haar willen afzien, omdat tegenspoed haar treft? En zoudt gij haar niet
troosten, nu zij ongelukkig is? Onze moeder zou het doen, als zij nog
hier ware.” En bij die woorden omstrengelde het lieve meisje hem met
haar armen en verborg haar gelaat aan zijne borst.
„Onze moeder is een engel bij God,” snikte Pen. „En gij zijt de liefste
en beste der vrouwen – de liefste, de liefste en de beste! Leer mij
mijn plicht, en bid, gij reine ziel, dat ik dien vervullen moge. God
zegene u, God zegene u, zuster!”
„Amen,” zuchtte Warrington, wiens hoofd op zijne handen rustte. „Zij
heeft gelijk,” sprak hij bij zich zelven. „Dat meisje kan, geloof ik,
geen kwaad doen.” En inderdaad toonde zij een gelaat en een lachje als
een engel. Nog dikwijls na dien dag zag hij dien lach – zag hij het
stralende gelaat, waarmee zij naar Pen opkeek, – en zag hij hoe zij
blozend en lachend hare lokken achterwaarts streek en hem nog altijd
met een teederen blik aanstaarde.
Een oogenblik liet zij haar blanke handje op de tafel rusten en spelen.
„En nu – en nu –,” sprak zij, de beide heeren aanziende.
„En nu dan?” vroeg George.
„Nu zullen wij thee gaan drinken,” antwoordde jufvrouw Laura met dat
zelfde lachje.
Doch eer dit onromantische slot van een vrij sentimenteel tooneel kon
plaats hebben, bracht een bediende de boodschap, dat majoor Pendennis
in het hotel teruggekeerd was en zijn neef verwachtte. Laura sloeg bij
deze tijding niet zonder bezorgdheid een smeekenden blik op Pen, die
scheen te zeggen: „Houd u goed, blijf het rechte pad bewandelen en doe
uw plicht; gedraag u bedaard, doch standvastig tegenover uw oom,” en
nam, met deze waarschuwing als op haar gelaat geteekend, van de beide
heeren afscheid en begaf zich naar hare slaapkamer. Warrington, die
over het geheel niet veel van thee hield, had nu sterk verlangd naar
een kopje. Waarom had de oude Pendennis niet een uur later kunnen thuis
komen? Maar wat kwam het ook op een uur vroeger of later aan? Eindelijk
slaat toch het uur. Het onvermijdelijke oogenblik breekt aan, waarop
men „vaarwel” moet zeggen. Men drukt elkander de hand, de deur wordt
gesloten, de vriend is vertrokken, de korte vreugde voorbij, en men is
alleen. „Uit welk venster onder die vele van het hotel schittert haar
licht?” vraagt hij zich misschien af, terwijl hij de straat opgaat. Hij
stapt naar de rookkamer eener naburige club en zoekt daar zijn gewonen
troost bij eene sigaar. De heeren spreken druk en luid over de
politiek, de balletdanseressen, de wedrennen, de schandelijke willekeur
van het bestuur der club; en hij begeeft zich met het gewijde geheim in
zijn hart te midden van dat rumoer. Spreek maar op, luider dan iemand
anders. Snater maar voort en snijd aardigheden op. Schater het maar uit
en vertel uwe wonderbare geschiedenissen. Het is eene zonderlinge
gewaarwording, wanneer men plaats neemt midden in dien rook en dat
gedruis, en bedenkt, dat iedereen hier in deze omgeving hoogst
waarschijnlijk zijn geheime ego heeft, die eenzaam en afgezonderd in
zijn eigen kluisje zit, verre van de luide pret, waaraan wij anderen
deel nemen!
Arthur voelde, toen hij door de gangen van het hotel ging, dat zijn
bloed begon te koken. Hij gloeide van verontwaardiging bij de gedachte,
dat die oude heer, dien hij binnen weinige oogenblikken zou zien, hem
tot een werktuig en een speelpop gebruikt en zijn eer en goeden naam op
het spel gezet had. De hand van den ouden man was zeer kil en beverig,
toen Arthur haar aanvatte. Hij zat te kuchen, en gromde bij het vuur,
en beklaagde zich, dat Frosch zijne kamerjapon niet bracht en zijne
papieren niet rangschikte, zooals die verd–, onbeschaamde schurk van
een Morgan dat verstond. Kregel en bits klaagde de oude heer over zijn
lot en vervloekte Morgan’s ondankbaarheid.
„Die verwenschte, onbeschaamde schurk! Hij was gisterenavond dronken en
daagde mij uit om met hem te vechten, Pen; en waarachtig, er kwam een
oogenblik dat ik zoo opgewonden was, dat ik bijna een mes had opgenomen
om hem dood te steken; en die duivelsche schelm heeft, geloof ik, wel
tien duizend pond bij elkander geschraapt; hij verdient gehangen te
worden en dat zal hem ook wel gebeuren; maar, voor den drommel, ik
wenschte dat hij het mijn tijd had uitgehouden. Hij kende al mijne
gewoonten, en waarachtig, zoodra ik schelde, bracht de verwenschte dief
juist wat ik noodig had – heel anders dan die domme Duitsche lummel. En
hoe is het u op het land gegaan? Veel bij Lady Rockminster geweest? Gij
kunt niet beter doen. Zij is nog van de oude school – vieille école,
bonne école, niet waar? Voor den drommel, er worden tegenwoordig geen
heeren en dames meer gevormd, en over vijftig jaar zal men den een niet
van den ander kunnen onderscheiden. Maar het zal mijn tijd wel duren.
Ik zal niet lang meer hier zijn; ik begin heel oud te worden, Pen,
beste jongen; en toen ik vandaag mijne weinige boeken bijeenpakte, was
er een Bijbel onder, die aan mijne moeder toebehoord heeft en dien ik
wenschte, Pen, dat gij bewaren zult. Ik bedacht, dat gij waarschijnlijk
de kist zoudt openen als zij uw eigendom was geworden en de oude knaap
onder de zoden was gelegd, neef,” zeide de majoor, terwijl hij kuchte
en zijn oud hoofd bij het vuur schudde.
Pen gevoelde zijn toorn eenigszins ontwapend door den ouderdom en de
welwillendheid van den majoor, en was een weinig verlegen met den stap,
dien hij op het punt stond te doen. Hij wist, dat, hetgeen hij zeggen
zou, de streelendste verwachtingen van den ouden heer in duigen werpen
en hem vreeselijk grieven en schokken zou.
„Ja, ja, ik ga heen, neef,” zeide de oude; „maar voordat ik het hoofd
neerleg, zou ik nog wel eene redevoering van u in de Times wenschen te
lezen, bijv.: De heer Pendennis zeide: „Met schroom vat ik het woord
op,” enz. Hè, Arthur? Nu, gij ziet er drommels goed en gezond uit,
mijnheer. Ik heb het altijd wel gezegd, dat mijn broeder Jack de
familie weer op de been zou helpen. Gij moet naar het westen van
Engeland gaan en ons oud erfgoed terugkoopen, mijnheer. Nec tenui
pennâ, hè? Wij zullen weer stijgen, mijnheer – de vleugelen weer
ontplooien – en het zou mij, voor den drommel, niet verwonderen, indien
gij nog vóór mijn dood tot baronet verheven wierdt.”
Zijne woorden deden Pen zeer. „En ik zelf,” dacht hij, „moet het
luchtkasteel van dien ouden man in duigen werpen. Maar het moet
gebeuren; daar gaat het! Ik – ik ben naar uwe kamers in Bury Street
geweest, oom, maar ik vond u daar niet,” begon Pen langzaam, „en heb
toen met Morgan gesproken.”
„Wezenlijk?” zeide de oude heer, wiens wangen onwillekeurig begonnen te
gloeien terwijl hij mompelde: „Nu is de kogel door de kerk!”
„Hij vertelde mij eene geschiedenis, die mij ten hoogste verbaasde en
smartte,” vervolgde Pen.
De majoor trachtte een onverschillig gezicht te zetten. „Wat – die
geschiedenis van – van – hoe heet hij ook weer hè?”
„Van jufvrouw Amory’s vader, van Lady Clavering’s eersten man, en wie
en wat die is.”
„Hm! een verduiveld onaangenaam geval!” zeide de oude heer, zich den
neus wrijvende. „Ik heb die – die verwenschte geschiedenis kort geleden
vernomen.”
„Ik wenschte, dat ik ze vroeger of in het geheel niet vernomen had,”
hernam Arthur somber.
„Het is in orde,” dacht de oude heer en gevoelde zich zeer verlicht.
„Waarachtig, ik had het geheel en al voor u willen verbergen – en voor
die beide arme vrouwen, die aan de gansche zaak zoo onschuldig zijn als
pasgeboren kinderen.”
„Gij hebt gelijk. Er bestaat geen reden, waarom die beide vrouwen het
zouden vernemen, en ik zal het haar nooit vertellen – ofschoon die
schurk van een Morgan het misschien wel doen zal,” zeide Arthur somber.
„Hij schijnt voornemens met zijn geheim te speculeeren, en heeft mij
reeds eene schikking voorgesteld. Ik wenschte, dat ik die zaak vroeger
geweten had, oom. Het is voor mij geen aangename gedachte, dat ik
verloofd ben met de dochter van een veroordeeld misdadiger.”
„Dat is juist de reden, waarom ik er u niet over gesproken heb, beste
jongen. Doch jufvrouw Amory is niet de dochter van een misdadiger,
begrijpt ge? maar de dochter van Lady Clavering met een bruidschat van
vijftig of zestig duizend pond; en haar stiefvader, een baronet, een
landedelman van aanzien, keurt het huwelijk goed en staat zijn
lidmaatschap van het parlement aan zijn schoonzoon af. Wat zou
eenvoudiger kunnen zijn?”
„Is het waar, mijnheer?”
„Waarachtig is het waar; natuurlijk is het waar. Amory is dood. Ik
verzeker u, dat hij dood is. Bij het eerste teeken van leven, dat hij
geeft, is hij een lijk. Hij kan zich niet vertoonen. Wij hebben hem in
de klem, net als dien kerel in dat tooneelstuk – de Criticus, hé? – een
verduiveld aardig stuk, die Criticus. Te drommel, neef, ik herinner
mij, toen ik aan de Kaap was –”
De spraakzaamheid van den ouden heer en zijne begeerte om Arthur naar
de Kaap te verplaatsen vloeide misschien voort uit zijn wensch om het
onderwerp te ontwijken, dat zijn neef het naast aan het hart lag; doch
Arthur kon zich niet bedwingen en viel hem in de rede met de woorden:
„Indien gij mij deze geschiedenis eerder verteld hadt, geloof ik dat
gij mij en u zelven veel verdriet en teleurstelling zoudt bespaard
hebben, en ik niet gebonden zou zijn aan een engagement, waarvan ik mij
niet met eere kan losmaken.”
„Neen, wij hebben u vastgezet – en een man, die genoodzaakt is eene
plaats in het parlement en een mooi meisje met een paar duizend pond ’s
jaars te aanvaarden, is er niet slecht aan toe, dat verzeker ik u,”
zeide de oude man.
„Maar, gerechte hemel!” riep Arthur uit, „zijt gij dan blind? Kunt gij
niet zien?”
„Wat zien, jonge heer?” vroeg de ander.
„Kunt gij niet inzien, dat ik, liever dan partij te trekken van dat
geheim van Amory, mijn schoonvader op de galeien zou gaan vergezellen?”
hernam Arthur. „Kunt gij niet inzien, dat ik evengoed het zilverwerk
van Clavering’s tafel zou kunnen stelen als eene plaats in het
parlement van hem aan te nemen tot loon voor mijn stilzwijgen? Kunt gij
niet inzien, dat gij mij de dochter van een misdadiger tot vrouw
gegeven, mij tot armoede en schande gedoemd, mijne loopbaan bedorven
hebt, die – die, zonder uwe tusschenkomst, zoo geheel anders had kunnen
zijn? Ziet gij niet in, dat wij een eerloos spel hebben gespeeld, maar
dat anderen ons de loef hebben afgestoken; en dat, toen ik aanbood dat
arme meisje te trouwen, omdat zij geld had en mij in de wereld kon
vooruithelpen, ik mij verlaagde en mijn eer schandvlekte?”
„Wat bedoelt gij in ’s hemels naam met dat alles, mijnheer?” riep de
oude man uit.
„Ik bedoel, dat er eene mate van laagheid is, die ik niet kan
overschrijden,” gaf Arthur ten antwoord. „Ik kan er geen anderen naam
aan geven, al doet het mij leed indien het u grieft. Ik heb reeds
maanden lang gevoeld, dat ik mij in deze zaak slecht, inhalig en
wereldsch gedragen heb. Het is nu ten laatste mijn verdiend loon, dat
ik, na mij voor geld en eene plaats in het parlement verkocht te
hebben, beide verlies.”
„Hoe bedoelt gij, dat gij beide verliest?” gilde de oude heer. „Wie
duivel zou u uw fortuin of uwe plaats in het parlement kunnen ontnemen?
Bij den Hemel! Clavering moet ze u beide geven. Gij zult tachtig
duizend pond tot den laatsten duit toe hebben.”
„Ik zal mijn woord aan jufvrouw Amory houden, mijnheer,” zeide Arthur.
„En, voor den drommel, haar ouders zullen het hunne aan u houden.”
„Neen, dat verhoede God!” antwoordde Arthur. „Ik heb gezondigd, maar
met ’s hemels hulp zal ik niet verder zondigen. Ik zal Clavering
ontslaan van de verbintenis, die hij, zonder mijn medeweten, heeft
aangegaan. Ik zal met Blanche geen ander geld nemen, dan hetgeen haar
in den aanvang toegekend was, en ik zal trachten haar gelukkig te
maken. Gij hebt dit gedaan, mijnheer; gij hebt dit over mijn hoofd
gebracht. Maar gij wist niet beter, en ik vergeef –”
„Arthur – in Gods naam – in naam van uw vader, die, bij den hemel, de
hoogmoedigste man ter aarde was en altijd de eer der familie ter harte
nam – in mijn eigen naam – om den wille van een arm, verbrijzeld oud
man, die u altijd zoo teer heeft liefgehad – smeek ik u, die kans niet
weg te werpen. Ik smeek, ik bid, ik bezweer u, lieve, lieve jongen,
werp deze kans niet weg! Uwe toekomst staat daarbij op het spel. Gij
zult zeker vooruitkomen. Gij zult zeker baronet worden; het geldt hier
drie duizend pond ’s jaars. Verduiveld – dáár – op mijne knieën bezweer
ik u, doe dat niet.”
En de oude man zonk werkelijk op de knieën, greep een van Arthur’s
handen en zag met een jammerenden blik naar hem op. Het was pijnlijk
die sidderende handen, dat gerimpelde en trillende gelaat, die
schreiende en trekkende oogen te zien en die haperende stem te hooren.
„Ach, oom,” riep Arthur steunende, „gij hebt mij verdriet genoeg
berokkend; bespaar mij dit tooneel. Gij hebt gewenscht, dat ik Blanche
zou trouwen; ik zal haar trouwen. Om Gods wil, oom, sta op; dit kan ik
niet aanzien.”
„Wilt gij zeggen, dat gij haar als bedelares zult nemen, en zelf
bedelaar zijn?” vroeg de oude heer, terwijl hij opstond en in eene
hevige hoestbui schoot.
„Ik beschouw haar als een meisje, dat door een grooten rampspoed is
getroffen en aan hetwelk ik verloofd ben. Zij heeft geen schuld aan dat
ongeluk, en daar ik haar mijn woord gegeven had toen zij in voorspoed
verkeerde, zal ik het niet terugnemen nu zij arm is. Ik zal Clavering’s
plaats in het parlement niet innemen, tenzij hij mij die later uit
eigen beweging overdraagt. Ik wil geen stuiver méér hebben dan haar
oorspronkelijk fortuin.”
„Wees zoo goed te schellen,” zeide de oude heer. „Ik heb mijn best
gedaan en gezegd wat ik te zeggen had; en ik word verduiveld oud. En –
en – het komt er niet op aan. En – en Shakespeare had gelijk – en
kardinaal Wolsey – waarachtig – „had ik mijn God maar gediend gelijk ik
u gediend heb” – ja, bij den hemel, op mijne knieën voor mijn eigen
neef – het had niet zoo behoeven te zijn. Goedenavond, mijnheer; gij
behoeft u de moeite niet te geven mij andermaal te bezoeken.”
Arthur greep de hand van den ouden man, die deze hem liet behouden; zij
was geheel lijdelijk en klam. Hij zag er zeer verouderd uit, en het was
alsof de strijd en de nederlaag hem geheel verbrijzeld hadden.
Den volgenden dag hield hij het bed en wilde zijn neef niet ontvangen.