WAARIN PENDENNIS ZIJNE REKENING OPMAAKT.

Onze vriend was pas dien dag te Londen aangekomen en wel slechts voor

een kort bezoek, en na eenige zijner medereizigers te hebben

achtergelaten in een hotel, waarheen hij hen uit het westen van

Engeland begeleid had, haastte bij zich naar zijne kamers op Lamb

Court, die zich in zooveel zonlicht bakerde als in dat sombere, doch

niet geheel onherbergzame gebouw verkoos door te dringen. In den Temple

vervangt de vrijheid den zonneschijn, en de Tempeliers grommen wel,

maar maken het zich gemakkelijk. Pen’s bediende berichtte hem, dat

Warrington zich ook weer op de kamers bevond, en natuurlijk begaf

Arthur zich rechtstreeks naar het vertrek van zijn vriend, dat hij als

vanouds, doortrokken vond van tabaksrook, terwijl George weer voor

zijne couranten en tijdschriften zat te werken. Beiden groetten

elkander met die ruwe hartelijkheid, waarmee jonge Engelschen elkander

behandelen en waarbij eene groote mate van warmte en welwillendheid

onder eene harde schors verborgen is. Warrington glimlachte en nam de

pijp uit zijn mond met de woorden: „Zoo, jongetje!” Pen trad

voorwaarts, strekte de hand uit en vroeg: „Hoe gaat het, ouwe jongen?”

Aldus liep de ontmoeting af tusschen twee vrienden, die elkander in

maanden niet gezien hadden. Alphonse en Frédéric zouden in elkanders

armen zijn gevlogen en over elkanders schouders uitgegild hebben: „Ce

bon coeur! ce cher Alphonse!” Max en Wilhelm zouden een half dozijn

kussen, die naar Havana roken, op elkanders snorren gedrukt hebben.

„Zoo, jongetje!” „Hoe gaat het, oude jongen?” is hetgeen twee Britten

tegen elkander zeggen, nadat zij wellicht den vorigen dag elkander het

leven hebben gered. Morgen zullen zij elkander zelfs de hand niet meer

drukken en elkander slechts toeknikken wanneer zij aan het ontbijt

komen. Zij stellen het volste vertrouwen in elkaar en dragen elkander

de grootste achting toe; de een zou zijne beurs ter beschikking van den

ander stellen en, wanneer hij zijn vriend hoorde gispen, in luide

loftuitingen over hem losbarsten; doch zij verlaten elkander met een

bloot „Goedendag!” en zien elkander terug met een eenvoudig „Hoe vaar

je?” en in den tusschentijd schreven zij elkander in het geheel niet.

Merkwaardige terughouding zonderlinge, stoïcijnsche deftigheid der

Engelsche vriendschap! „Ja, wij zijn zoo hartstochtelijk niet als die

verwenschte buitenlanders,” zegt Hardman, die niet alleen geen

vriendschap aan den dag legt, maar die ook zijn leven lang niet gevoeld

heeft.

„In Zwitserland geweest?” vraagt Pen. „Ja,” zegt Warrington, „ik kon

geen tabak vinden die rookbaar was, voordat wij te Straatsburg kwamen,

waar ik wat caporal machtig werd.” Het gemoed van den man is hoogst

waarschijnlijk vervuld met de grootsche tafereelen, die hij gezien

heeft, met de innige aandoeningen, waarmee de groote werken der natuur

het hebben vervuld. Doch zijne geestdrift is te schuchter om zich,

zelfs aan zijn vertrouwdsten vriend, uit te laten, en hij hult haar dus

in eene wolk tabaksrook Hij zal echter openhartiger spreken op avonden

waarop zij vertrouwelijk bij elkander zitten, en met vuur en geestdrift

schrijven over hetgeen hij te schuw is om te vertellen. De denkbeelden

en ervaringen, die hij op zijne reis heeft opgedaan, zullen uit zijne

geschriften blijken, evenals de geleerdheid, die hij nooit in zijn

spreken toont, zijn stijl doet uitblinken door treffende toespelingen

en schitterende toelichtingen, zijn edele welsprekendheid bezielt en

puntigheid bijzet aan zijn geest.

De oudste geeft een vluchtig verslag van de plaatsen, die hij op zijne

reis bezocht heeft. Hij heeft Zwitserland, Noord-Italië en Tirol

gezien, en is over Weenen, Dresden en den Rijn huiswaarts gekeerd. Hij

spreekt over die plaatsen met eene gesmoorde, onwillige stem, alsof hij

er liever in het geheel geen gewag van maakte en het zien daarvan hem

zeer onaangenaam had aangedaan. Nadat de oudste van beiden op die

bedrukte wijze eene schets van zijne reis heeft gegeven, begint de

jongste te spreken. Hij heeft op het land vertoefd – zich geweldig

verveeld – toebereidselen gemaakt voor de verkiezing – alles ging heel

saai toe – hij is hier voor een paar dagen en gaat naar – naar de

omstreken van Tunbridge Wells, naar eenige vrienden – dat zal ook heel

saai wezen.

„En hoe staat het met de plaats in het parlement, Pen? Hebt gij alles

in orde?” vraagt Warrington.

„Alles in orde,” geeft Pen ten antwoord; „zoodra het parlement

bijeenkomt en eene nieuwe verkiezing kan worden uitgeschreven, legt

Clavering zijn mandaat neer en treed ik in zijne plaats op.”

„En onder welk vaandel zult gij strijden?” vroeg Warrington. „Zullen

wij ons doen kennen als een conservatief liberaal, of als een

ministerieel, of als een onafhankelijke?”

„Hm! Er bestaat tegenwoordig eigenlijk geen politiek meer; of liever,

allen hebben nagenoeg dezelfde politiek. Ik bezit geen landerijen

genoeg om een protectionist te zijn, en ik geloof ook, dat ik, al bezat

ik al het land van het gansche graafschap, er geen zou kunnen zijn. Ik

zal doorgaans het gouvernement ondersteunen en in sommige quaestiën,

die ik gedurende de vacantie bestudeerd heb, verder gaan dan de

regeering. Grinnik maar niet, oude cyniker; ik heb inderdaad de

parlementsstukken doorgelezen, en mij voorgenomen, bij de vraagstukken

over den publieken gezondheidstoestand en over de kolonisatie, goed

beslagen ten ijs te komen.”

„Wij behouden ons voor, desnoods tegen het gouvernement te stemmen,

ofschoon wij het over het algemeen gunstig gezind zijn. Wij zijn echter

vrienden van het volk avant tout. Wij houden voordrachten in de

leeszaal te Clavering en drukken knappe werklieden hartelijk de hand.

Wij zijn van oordeel, dat het stemrecht aanzienlijk moet uitgebreid

worden, maar te gelijker tijd zien wij er geen bezwaar in een postje

aan te nemen, zoodra de Kamer eenige puntige redevoeringen van ons

aangehoord en de regeering onze talenten opgemerkt heeft.”

„Ik ben geen Mozes,” zeide Pen, als naar gewoonte op eenigszins

weemoedigen toon. „Ik heb geen wetten uit den hemel ontvangen, om die

van den berg aan het volk te verkondigen. Ik behoor in het geheel niet

tot de bergpartij, noch werp mij op tot een leider en hervormer der

menschheid. Daarvoor is mijn geloof niet sterk, en mijne ijdelheid of

schijnheiligheid niet groot genoeg. Ik zal geen onwaarheden vertellen,

dat beloof ik u, George, en met geen meerdere leugens instemmen dan

onvermijdelijk en algemeen aangenomen zijn, als muntstukken, die niet

afgeschaft kunnen worden zonder ze alle buiten cours te brengen. Laat

mij ten minste voordeel trekken van mijne twijfelzucht. Als ik bespeur,

dat ik in het parlement iets goeds weet te zeggen, dan zal ik het

zeggen; wordt er een goede maatregel voorgesteld, ik zal dien

ondersteunen; komt er eene goede betrekking voor, ik zal ze aannemen en

mij over mijn geluk verblijden. Maar ik zal evenmin de grooten als het

volk vleien; en nu weet gij ongeveer zooveel van mijne politiek als ik

zelf. Welke roeping heb ik, om een Whig te zijn? De beginselen der

Whig’s zijn geen goddelijke instelling. Waarom zou ik niet stemmen met

de liberale conservatieven? Deze hebben voor de natie gedaan hetgeen de

Whig’s nooit zonder hunne hulp zouden hebben kunnen tot stand brengen.

Wie zijn het, die hen beiden hebben bekeerd? De radicalen en de natie

als geheel. Ik geloof, dat de Morning Post dikwijls gelijk en Punch

dikwijls ongelijk heeft. Ik beweer niet, dat ik eene roeping heb, maar

ik maak gebruik van de gelegenheid. Parlons d’autre chose.”

„Wat u, na de eerzucht, het naast aan het hart ligt, is waarschijnlijk

de liefde?” zeide Warrington. „Hoe is het met onze jeugdige minnarijen

gegaan? Hebben wij besloten van levenswijze te veranderen en onze

kamers op te zeggen? Gaat gij van mij scheiden, Arthur, en eene vrouw

nemen?”

„Waarschijnlijk. Zij is zeer goedhartig en levendig. Zij zingt, en

heeft niets tegen het rooken. Zij zal een aardig fortuintje hebben – ik

weet nog niet hoeveel – maar mijn oom verwacht alles van de mildheid

der begum en zegt, dat zij diep in de beurs zal tasten. En ik geloof,

dat Blanche verduiveld veel van mij houd,” zeide Arthur met een zucht.

„Hetgeen wil zeggen, dat wij ons hare liefkoozingen en haar geld laten

welgevallen.”

„Hebben wij niet reeds vroeger gezegd, dat het leven eene minnelijke

schikking was?” merkte Pendennis aan. „Mij zal het hart niet om haar

breken. Ik heb haar vrij rondborstig verklaard wat mijne gevoelens

waren en – en – ik heb mij met haar geëngageerd. En sedert ik haar het

laatst gezien heb, en inzonderheid de beide laatste maanden, die ik op

het land heb doorgebracht, geloof ik dat zij meer en meer van mij is

gaan houden. Dit schijnt wel te blijken uit hare brieven aan mij en

vooral aan Laura. De mijne zijn hoogst eenvoudig geweest; gij begrijpt,

dat er niets van verrukking of beloften in voorkwam, maar dat ik de

zaak als een affaire faite beschouwde, en geen bijzondere begeerte aan

den dag legde om de voltrekking er van te bespoedigen of uit te

stellen.”

„En Laura? hoe gaat het haar?” vroeg Warrington heel ongedwongen.

„Laura, George,” zeide Pen, zijn vriend in de oogen ziende, – „bij den

hemel, Laura is het beste, edelste en liefste meisje onder de zon.”

Zijne stem begon zelve bij die woorden te haperen; het was alsof hij ze

ternauwernood kon uitbrengen; en hij strekte zijne hand naar zijn

metgezel uit, die ze aannam en hem toeknikte.

„Hebt ge dat nu pas ontdekt, jongetje?” zeide Warrington na een

oogenblik zwijgens.

„Wie is er, die niet te laat heeft geleerd, George?” riep Arthur op

zijne driftige wijze uit en vond woorden en aandoeningen onder het

verder spreken. „Wiens leven is niet eene teleurstelling? Wie is er,

die zijn hart geheel onverminkt in het graf meeneemt? Ik heb nog nooit

iemand gezien, die volmaakt gelukkig was. Wie heeft zich niet ten koste

van den eenen of anderen dierbaren schat uit de handen van het Noodlot

moeten loskoopen? Gelukkig indien wij, na onze boete betaald te hebben,

met rust worden gelaten en de tiran ons niet meer komt opzoeken. Neem

eens aan, dat ik ontdekt had dat ik den kostbaarsten prijs ter wereld

had verloren, nu die niet meer de mijne kan zijn, – dat ik jaren lang

een engel onder mijne tent had geherbergd en die heb laten heengaan, –

ben ik dan de eenige, och, beste vriend, ben ik de eenige, die dat

gedaan heeft? En zoudt gij denken, dat mijn lot gemakkelijker te dragen

is omdat ik beken, dat ik het verdien? Zij heeft ons verlaten. Gods

zegen over haar! Zij had kunnen blijven en ik heb haar laten gaan; het

is als met Ondine, niet waar, George?”

„Eenmaal is zij in deze kamer geweest,” zeide George.

Hij zag haar daar – hij hoorde hare lieve, zachte stem – hij zag haar

zoeten glimlach en die oogen, welke zoo vriendelijk straalden – haar

gelaat, dat hij zich met zooveel aandoening herinnerde, waaraan hij in

zoovele doorwaakte nachtelijke uren gedacht had, dat hij altijd had

gezegend en bemind, en dat nu verdwenen was! Een glas, waarin een

ruiker gestaan, een Bijbel met een woordje van Helena’s hand er in, –

dit was alles wat hem van dien korten bloeitijd zijns levens overbleef.

Men zegge, dat het een droom was en dat die vervliegt: de herinnering

aan een droom is beter dan het nutteloos ontwaken uit eene stomme

verdooving.

De beide vrienden zaten eene wijle zwijgend bij elkander, ieder met

zijn eigen gedachten bezig en bewust van die van den ander. Pen verbrak

de stilte eindelijk door te verklaren, dat hij zijn oom moest gaan

bezoeken, om den ouden heer verslag te doen van den stand der zaak. De

majoor had in eene zeer kwade luim geschreven. Hij gevoelde, dat hij

oud begon te worden. „Ik zou, voordat ik aftreed, u gaarne opgenomen

zien in het parlement en op uw gemak gevestigd in een deftig huis en

met een erfgenaam van den familienaam. Laat mij dit alles beleven,”

schreef de majoor, „en dan zal de oude Arthur Pendennis gaarne plaats

maken voor het jongere geslacht; hij heeft lang genoeg het plaveisel

van Pall Mall bewandeld.”

„Er klopt toch een liefderijk hart in de borst van dien ouden heiden,”

zeide Warrington. „Hij stelt nog belang in iemand anders dan zich

zelven, ten minste in een ander deel van hem zelven dan het deel, dat

achter de knoopen van zijn eigen rok zit, – in u namelijk en uw

geslacht. Hij zou het nakroost der Pendennis’en willen zien

vermeerderen en toenemen en hoopt dat zij het land zullen beërven. De

oude patriarch zegent u uit het groote venster der club van Bays en zal

begraven worden onder de zerken der St.-Jameskerk, in het gezicht van

Piccadilly en van de standplaats der vigilantes, en van de rijtuigen,

die naar de receptie ten hove gaan. Het is een stichtelijk uiteinde!”

„Het nieuwe bloed, dat ik in de familie breng,” zeide Pen peinzende,

„is min of meer bezoedeld. Indien ik had mogen kiezen, geloof ik, dat

mijn schoonvader Amory niet de man zou geweest zijn, dien ik tot

stamvader voor mijn geslacht zou begeerd hebben, noch mijn vrouws

grootvader Snell, noch onze oostersche voorouders. A propos, wie was

die Amory? Hij moet stuurman op een Oostindievaarder zijn geweest.

Blanche heeft eenige verzen op hem geschreven, waarin zij spreekt van

den storm, de hemelhooge golven, het graf des zeemans, haar roemrijken

vader en meer van dien aard. Amory verdronk tijdens hij het bevel

voerde over een Indisch schip, dat tusschen Calcutta en Sidney voer.

Amory en de begum leefden niet gelukkig met elkander. Die goede oude

dame is niet voorspoedig geweest in de keus harer mannen, want, onder

ons, ik durf zeggen, dat geen verachtelijker voorwerp dan die baronet

Sir Francis Clavering, van Clavering Park, ooit –” „Ooit wetten hielp

maken voor zijn land,” viel Warrington hem hier in de rede, hetgeen Pen

min of meer deed blozen.

„A propos,” zeide Warrington, „te Baden trof ik onzen vriend den

chevalier Strong in groote pracht en met zijne ridderorden op de borst

aan. Hij verhaalde mij, dat hij twist had gehad met Clavering, over

wien hij bijna even ongunstig scheen te denken als gij; kortom, ik meen

mij te herinneren, hoewel ik er niet voor wil instaan, dat hij mij als

zijn gevoelen te kennen gaf, dat Clavering een eervergeten schurk was.

Die Blondell, die u te Oxbridge leerde kaartspelen, bevond zich in

gezelschap van Strong, en het kwam mij voor, dat zijne kostbare

talenten zich ondertusschen nog meer ontwikkeld hadden en hem een nog

uitgeleerder schelm hadden doen worden dan hij reeds in zijn

studententijd was. Maar de koning daar ter plaatse was de vermaarde

kolonel Altamont, die allen overschaduwde, partijen aan al de

aanwezigen gaf en, naar men zeide, de bank deed springen.”

„Mijn oom weet het een en ander betreffende dien kerel en Clavering

ook. Er is iets met hem, dat niet recht in den haak is. Maar kom aan,

ik moet als getrouwe neef naar Bury Street.” En bij die woorden zijn

hoed opnemende, maakte zich Pen gereed om heen te gaan.

„Ik wil ook wel eens wandelen,” zeide Warrington en beiden gingen dus

de trap af, doch vertoefden een oogenblik op Pen’s kamers, die nu,

gelijk wij den lezer hebben meegedeeld, eene verdieping lager waren.

Hier begon Pen zich met Eau de Cologne te besprenkelen en zorgvuldig

zijn haar en zijne bakkebaarden met dat reukwater te bevochtigen.

„Wat is er gaande? Gij hebt toch niet gerookt. Heeft mijne pijp u

verpest?” bromde Warrington.

„Ik moet dames gaan bezoeken,” antwoordde Pen. „Ik – ik moet met haar

dineeren. Zij reizen hier door en houden zich in een hotel in Jermyn

Street op.”

Warrington keek met welwillende belangstelling den jongen dandy aan,

die zich in een volmaakten Adonis herschiep en ten slotte met een

prachtig overhemd en das, nieuwe handschoenen en glimmende laarzen

verscheen. George had een paar zware halve laarzen aan, terwijl zijn

oud overhemd aan de borst gescheurd, en aan het halsboord, hetwelk zijn

borstelige baard had doen slijten, uitgerafeld was.

„Wel, jongetje,” zeide hij eenvoudig, „ik weet niet hoe het komt, maar

ik mag u wel wat fatterig zien. Als ik met u ga, is het mij alsof ik

eene roos in mijn knoopsgat droeg. En echter zijt gij altijd minzaam

jegens mij. Ik geloof niet, dat er een jonkman in den Temple is, die

zich zoo goed kleedt als gij, en ik heb niet kunnen bemerken, dat gij u

ooit geschaamd hebt met mij over straat te gaan.”

„Neem geen loopje met mij, George,” zeide Pen.

„Zeg eens, Pen,” hernam de ander op droevigen toon, „als gij – als gij

aan Laura schrijft, doe mij dan het genoegen haar uit mijn naam Gods

besten zegen toe te wenschen.”

Eerst bloosde Pen, vervolgens zag hij Warrington aan en eindelijk –

eindelijk barstte hij in een onweerhoudbaren lach uit.

„Ik ga met haar dineeren,” gaf hij ten antwoord. „Ik heb haar en Lady

Rockminster vandaag van buiten naar de stad begeleid – wij deden er

twee dagen over – gisterennacht sliepen wij te Bath. Kom mee, George,

en ga er ook dineeren. Ik mag vragen wien ik wil, en de oude dame

spreekt altijd over u.”

Maar George wees dit van de hand. Hij moest nog een artikel schrijven.

Hij aarzelde echter en, zonderling! eindelijk gaf hij zijne toestemming

om mee te gaan. Zij spraken af, dat zij met hun beiden de dames zouden

gaan bezoeken, en daarop sloegen zij zeer opgeruimd den weg naar het

hotel in Jermyn Street in. Wederom straalde dat dierbare gelaat hem te

gemoet, wederom sprak die lieftallige stem hem toe en drukte die

teedere hand de zijne ten welkomstgroet.

Er zou nog een half uur vóór het diner verloopen. „Nu kunt gij uw oom

nog opzoeken, mijnheer Pendennis,” zeide de oude Lady Rockminster.

„Maar breng hem niet mee te dineeren, want zijn oude geschiedenissen

zijn onverdraaglijk, en ik moet met mijnheer Warrington spreken; ik

weet zeker, dat hij ons zal vermaken. Uwe verhalen hebben wij allemaal

gehoord. Wij zijn twee volle dagen in elkanders gezelschap geweest en

zullen alzoo wel genoeg van elkander hebben.”

En dus aan de bevelen van mylady gehoorzamende, ging Arthur naar

beneden en begaf zich naar de woonplaats van zijn oom.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 142 / 155 题