WAARIN DE MAJOOR NOCH ZIJNE BEURS NOCH ZIJN LEVEN AFSTAAT.

Den volgenden morgen vroeg werden Pendennis’ vensterluiken door Morgan

opengezet, die, naar gewoonte, met een ernstig en eerbiedig gezicht

verscheen en de kleeren, de kannen water en de omslachtige

toiletbehoeften van den ouden heer meebracht.

„Zoo! zijt gij het?” riep de oude man van zijn bed. „Ik kan u niet

terugnemen; dat begrijpt ge toch wel.”

„Ik heb niet de minste begeerte om teruggenomen te worden, majoor

Pendennis,” antwoordde mijnheer Morgan met kalme waardigheid, „noch om

u of iemand anders te dienen. Maar daar ik wensch, dat gij op uw gemak

zult zijn zoolang gij u in mijn huis bevindt, ben ik boven gekomen om

het noodige te verrichten.” En nogmaals, en thans voor de laatste maal,

plaatste mijnheer James Morgan de zilveren toiletdoos op tafel en zette

het blinkende scheermes aan.

Na deze diensten bewezen te hebben, richtte hij zich met

onbeschrijfelijke deftigheid tot den majoor en voegde hem toe: „Daar ik

dacht, dat gij waarschijnlijk een fatsoenlijk man zoudt noodig hebben

tot gij met een bediende slagen kunt, heb ik er gisterenavond een

jonkman over gesproken, die nu hier is.”

„Wezenlijk?” riep de krijgsman uit zijne tent.

„Hij heeft bij de eerste familiën gediend en ik kan voor zijne

fatsoenlijkheid instaan.”

„Gij zijt verbazend beleefd,” grinnikte de oude majoor. Om de waarheid

te zeggen, had Morgan, na het gebeurde van den vorigen avond, zich naar

zijne club begeven, en toen hij daar Frosch aantrof, een koerier en

kamerdienaar, die juist van eene buitenlandsche reis met den jongen

Lord Cubley teruggekeerd en voor het oogenblik buiten dienst was, aan

Frosch verteld, dat hij „een verduiveld standje met zijn ouwe had

gehad” en het vak nu geheel liet varen, zoodat Frosch, indien hij een

noodhulpdienst verlangde, dezen waarschijnlijk zou kunnen bekomen door

zich in Bury Street aan te melden.

„Gij zijt zeer beleefd en uw aanbeveling is natuurlijk van veel

gewicht,” zeide de majoor.

Morgan bloosde, want hij gevoelde, dat zijn meester hem voor den gek

hield. „Die man heeft u reeds vroeger bediend, mijnheer,” zeide hij

zeer deftig. „Lord de la Pole, mijnheer, heeft hem aan zijn neef den

jongen Lord Cubley meegegeven en met hem heeft hij buitenslands

gereisd: doch daar Frosch niet wilde meegaan naar Fitzurse Castle,

omdat hij eene zwakke borst heeft en de kille lucht van Schotland niet

verdragen kan, is hij in de gelegenheid al dan niet in uw dienst te

treden, naar uwe verkiezing.”

„Ik zeg nog eens, mijnheer, dat gij uitstekend beleefd zijt,” hernam de

majoor. „Kom binnen, Frosch – gij staat mij nog al aan. Mijnheer

Morgan, zoudt gij de bijzondere goedheid willen hebben –”

„Ik zal hem zeggen wat hij doen moet, mijnheer, en hoe gij het gewoon

zijt. Verkiest gij hier te ontbijten, of in de club, majoor Pendennis?”

„Als gij het mij veroorlooft, zal ik hier ontbijten, en daarna zullen

wij onze kleine rekening vereffenen.”

„Als het u belieft, mijnheer.”

„Wilt ge mij nu het genoegen doen, mijne kamer te verlaten?”

Morgan verwijderde zich. De bovenmatige beleefdheid van zijn gewezen

meester kwetste hem bijna even diep als diens bitterste scheldwoorden

hadden gedaan. En terwijl de oude heer zijn geheimzinnig toilet maakt,

zullen ook wij ons bescheiden verwijderen.

Na het ontbijt hield majoor Pendennis zich, met zijn nieuwen adjudant,

met toebereidselen tot het vertrek bezig. De boedel van den ouden

vrijgezel was niet zeer omslachtig. Hij belastte zich met geen

nuttelooze kleeren. Zijne letterkundige en kunstverzamelingen bestonden

uit een Bijbel (dien van zijne moeder), een reisgids, Pen’s roman

(sierlijk in leder gebonden) en de Depèches van den hertog van

Wellington, benevens eenige prenten, kaarten en portretten van dien

beroemden veldheer, van verschillende vorsten en vorstinnen van dit

land, en van den generaal onder wien majoor Pendennis in Indië gediend

had. Hij kon dus altijd binnen weinige uren marschvaardig zijn, en de

kisten, waarmee hij vijftien jaar geleden zijne goederen naar deze

kamer vervoerd had en die nu op zolder stonden, waren nog altijd ruim

genoeg om zijn geheelen inboedel te bergen. Die kisten bracht het

meisje, dat het huiswerk verrichtte en door hare meesteres Betty, maar

door Morgan Slaafje genoemd werd, uit hare bergplaats te voorschijn en

stofte en reinigde die onder het oog van den verschrikkelijken Morgan.

Hij gedroeg zich bedaard en deftig; vooralsnog had hij tegen jufvrouw

Brixham geen woord verder over zijne bedreigingen van den vorigen avond

gesproken, maar hij zag er wel naar uit alsof hij die zou vervullen, en

sidderend wachtte de arme weduwe haar lot af.

Met zijn rotting in de hand hield de oude Pendennis het toezicht over

het inpakken zijner goederen en voorwerpen door mijnheer Frosch,

terwijl Slaafje de papieren verbrandde, die hij niet wilde bewaren; hij

wierp de deuren en kastjes open, om te zien of alles ledig was; en

thans waren alle kisten en koffers gesloten, met uitzondering van zijn

lessenaar, die gereed stond om de laatste rekeningen van mijnheer

Morgan te ontvangen.

Deze verscheen daarop, bracht zijne boekjes mede, en zeide bij het

binnentreden: „Daar ik u afzonderlijk wensch te spreken, zult gij

misschien wel zoo goed willen zijn, Frosch naar beneden te zenden.”

„Haal als het u belieft een paar vigilanten, Frosch – en blijf beneden

wachten tot ik om u schel,” zeide de majoor. Morgan wachtte tot Frosch

beneden was, keek hem langs de straat na toen hij zijne boodschap ging

doen en bracht zijne boekjes en rekeningen ter tafel, die van zeer

eenvoudigen aard en dus spoedig vereffend waren.

„En thans, mijnheer,” zeide hij, na het wisseltje, dat zijn gewezen

meester hem gaf, op zak gestoken en met mooie krulletters gequiteerd te

hebben, „nu de rekening tusschen ons afgesloten is, mijnheer,”

vervolgde hij, „wil ik eens tot u spreken als de eene man tot den

anderen” (Morgan hoorde gaarne zijn eigen stem en voerde dus, hetzij in

de club, hetzij in de huishoudsterskamer het woord, telkens als er maar

gelegenheid toe was) „en moet ik u zeggen, dat ik van goederhand

ingelicht ben.”

„En mag ik vragen waarover gij ingelicht zijt?” zeide de majoor.

„Het zijn inlichtingen van groot belang, majoor Pendennis, zooals gij

zeer goed weet. Ik weet van een huwelijk, dat geen huwelijk is – van

een baronet, die evenmin getrouwd is als ik, en wiens vrouw met een

ander gehuwd is, gelijk gij evenzeer weet, mijnheer.”

Pendennis doorzag oogenblikkelijk alles. „Ha! dit is dan de sleutel van

uw gedrag. Gij hebt zeker aan de deur staan luisteren, mijnheer,” zeide

de majoor, zeer uit de hoogte; „ik vergat naar het sleutelgat te kijken

in die herberg; anders had ik wel kunnen vermoeden wie er achter

stond.”

„Ik mag toch zeker wel mijne bedoelingen hebben, gelijk gij de uwe?”

antwoordde Morgan. „Ik mag evengoed als iemand anders berichten

inwinnen, en mij daarnaar regelen en er partij van trekken? Een arme

knecht mag immers toch ook wel eens een buitenkansje hebben, evenals

een gentleman? Trek maar zulk een voornaam gezicht niet, mijnheer, en

tracht niet tegen mij den aristocraat te spelen. Dat is met mij

altemaal verloren moeite. Ik ben een Engelschman, dat ben ik, evengoed

als gij.”

„Waar wilt gij voor den duivel heen? Ik zou wel willen weten in welk

opzicht het geheim, dat gij ontdekt hebt, mij aangaat,” zeide majoor

Pendennis met groote majesteit.

„In welk opzicht het mij aangaat! Men zou zeggen! Wat houden wij ons

onnoozel! In welk opzicht gaat het onzen neef misschien aan? en zijne

plaats in het parlement? en de medeplichtigheid aan bigamie? Wat gaat u

dit alles aan? Zoudt gij de eenige man zijn, die een geheim bezat en er

gebruik van maakte? Waarom zouden wij niet deelen, majoor Pendennis? Ik

heb het ook ontdekt. Luister eens! ik wil niet onredelijk zijn. Beloon

mij goed en ik houd het voor mij. Laat Arthur zijn lidmaatschap en

zijne rijke vrouw hebben, als gij dat goedvindt; ik heb geen lust haar

te trouwen. Doch ik wil mijn deel; zoo zeker als mijn naam James Morgan

is. En als ik het niet krijg –”

„En als gij het niet krijgt, mijnheer, – wat dan?” vroeg majoor

Pendennis.

„Als ik het niet krijg, dan klap ik en vertel alles. Ik zal Clavering

te gronde richten en hem met zijne vrouw wegens dubbel huwelijk te

recht doen staan, – dat zal ik doen, zoo waarlijk helpe mij – ! Ik werp

het huwelijk van den jongen windbuil in duigen, en stel u en hem ten

toon, dat gij van dit geheim gebruik hebt gemaakt, om Sir Francis eene

plaats in het parlement en zijne vrouw een fortuin te ontfutselen.”

„Mijnheer Pendennis weet even weinig van deze zaak als een pasgeboren

kind.” riep de majoor met ontzetting uit, „evenmin als Lady Clavering

en jufvrouw Amory.”

„Maak dat de poes wijs, majoor,” antwoordde de knecht; „die vlieger

gaat bij mij niet op.”

„Twijfelt gij aan mijn woord, fielt?”

„Geen schelden, als het u belieft. Het is mij glad onverschillig, of

gij al dan niet de waarheid spreekt. Ik zeg u, dat ik mij voorgenomen

heb, majoor, dat dit geval mij een aardige lijfrente zal opbrengen,

want ik heb u allen in de knip en zal niet zoo dwaas zijn u te laten

ontsnappen. Het komt mij voor, dat gij onder elkander gemakkelijk

vijfhonderd pond ’s jaars kunt bijeenbrengen. Pas mij het eerste

kwartaal op staanden voet neer en ik ben stom als een visch. Geef mij

maar een papiertje voor honderd vijf en twintig pond; uw bankiersboek

ligt daar nog op uw lessenaar.”

„En dit ligt er ook nog, schelm,” riep de oude heer uit. In den

lessenaar namelijk, waarop de knecht wees, lag een klein pistool met

dubbelen loop, dat aan Pendennis’ ouden chef, den Indischen

opperbevelhebber, toebehoord en hem gedurende menigen veldtocht

vergezeld had. „Als gij nog een woord spreekt, schurk, schiet ik u als

een dollen hond neer. Wacht – bij den hemel, ik zal het nu maar

dadelijk doen! Zoudt gij mij durven aanranden? Zoudt gij, leugenachtige

lafaard, een oud man willen slaan? Kniel neer en doe uw gebed,

mijnheer, want bij God, gij zult sterven!”

De majoor keek met woedende blikken zijne tegenpartij aan, die hem een

oogenblik ontzet aanzag en toen onder het geroep van: „Moord!” naar het

open venster sprong, onder hetwelk juist een agent van politie heen en

weer liep. „Moord! Diender!” bulderde mijnheer Morgan.

Tot zijne verbazing schoof majoor Pendennis de tafel op zijde, ging

naar het andere raam, dat ook openstond, en wenkte den agent. „Kom eens

boven, agent,” riep hij en plaatste zich vervolgens voor de deur.

„Ellendige huichelaar,” voegde hij Morgan toe: „dit pistool is in geen

vijftien jaar geladen geweest, zooals gij zeer wel hadt kunnen weten,

als gij niet zulk een lafaard waart. De politieagent komt daar aan, en

ik zal hem naar boven laten gaan om uwe koffers te doorzoeken, want ik

heb reden om u voor een dief te houden, mijnheer. Ik weet, dat gij een

dief zijt, en ik zal zweren, dat de voorwerpen mij toebehooren.”

„Gij hebt ze mij gegeven – gij hebt ze mij gegeven!” riep Morgan.

De majoor begon te lachen en zeide: „Wij zullen zien,” en de schuldige

knecht herinnerde zich eenige fraaie overhemden met linnen borsten,

zekeren rotting met een gouden knop en een tooneelkijker, dien hij

vergeten had weer naar beneden te brengen, en dien hij zich had

toegeëigend met en benevens zekere kleedingstukken van zijn meester,

die de oude dandy niet meer gebruikte en waarnaar hij ook niet vroeg.

Diender X. trad binnen, gevolgd door de ontstelde jufvrouw Brixham en

hare dienstmeid, die aan de deur had gestaan en deze slechts met moeite

had kunnen sluiten voor den neus der straatslijpers, die gaarne wilden

zien wat er gaande was. De majoor nam dadelijk het woord op.

„Ik heb dezen dronken schelm uit mijn dienst moeten ontslaan,” zeide

hij. „Gisterenavond en heden morgen heeft hij mij beleedigd en

aangerand. Ik ben een oud man en heb een pistool opgenomen. Gij ziet,

dat het niet geladen is, en deze lafaard schreeuwde voordat hij

geslagen werd. Het verheugt mij, dat gij gekomen zijt. Ik beschuldigde

hem, dat hij zich goederen van mij toegeëigend heeft, en wilde zijne

koffers en zijne kamer doorzoeken.”

„Den fluweelen mantel hebt gij in drie jaar niet gedragen, en de vesten

ook niet, en ik dacht, dat ik de hemden wel hebben mocht, en – en ik

kan zweren, dat ik den tooneelkijker weer wilde terugbrengen,”

schreeuwde Morgan, van woede en vrees krimpende.

„De man erkent, dat hij een dief is,” zeide de majoor kalm. „Hij is

vele jaren in mijn dienst geweest en ik heb hem op de vriendelijkste en

vertrouwelijkste wijze behandeld. Wij zullen naar boven gaan, om zijne

koffers na te zien.”

Mijnheer Morgan bewaarde dingen in die koffers, welke hij liefst aan

het algemeen oog wilde onttrekken. Morgan, de geldschieter, leverde

zoowel goederen als geld aan zijne klanten. Hij voorzag jonge

verkwisters van snuifdoozen, spelden, juweelen, prenten en sigaren, en

die sigaren, juweelen en prenten waren van zeer dubbelzinnige

hoedanigheid. Hunne overbrenging op een politiebureau, de bekendwording

van zijne geheime zaken en de vertooning der goederen van den majoor,

die hij eer tot zich genomen dan wel gestolen had, zou niet hebben

bijgedragen tot verhooging van mijnheer Morgan’s reputatie. Hij was dus

het beklagenswaardigste toonbeeld van ontzetting en teleurstelling.

„Hij zou mij te gronde richten? Ei?” dacht de majoor. „Ik zal hem

verbrijzelen en voorgoed met hem afrekenen.”

Doch hier bedacht hij zich even. Hij zag jufvrouw Brixham’s ontstelde

gezicht en overwoog tevens, dat die man, als hij tot het uiterste

gebracht en in de gevangenis geworpen werd, zaken kon openbaren, die

het beter was geheim te houden, zoodat het raadzaam was een kerel, die

niets ontzag, niet te hard aan te tasten.

„Wacht eens, agent,” zeide hij. „Ik zal nog even met dezen mensch

spreken.”

„Levert gij mijnheer Morgan aan mij over?” vroeg de politieagent.

„Ik heb nog geene bepaalde beschuldiging tegen hem ingebracht,”

antwoordde de majoor, met een veelbeteekenenden blik op zijn knecht.

„Ik dank u, mijnheer,” fluisterde Morgan zeer zacht.

„Wilt ge even naar buiten gaan, agent, en daar wachten? – Nu, Morgan,

gij hebt een spelletje met mij gespeeld, en zijt er niet goed

afgekomen, vriendje. Neen, voor den drommel, gij zijt er niet goed

afgekomen, ofschoon gij veel op mij vóór hadt; en nu moet gij ook

betalen, schelm.”

„Ja, mijnheer,” zeide de man.

„Ik heb eerst verleden week de zaken leeren kennen, die gij drijft,

schurk. De jonge De Boots, van het Blauwe regiment, herkende u als den

man, die in de kazerne zaken is komen doen, een derde in geld, een

derde in Eau de Cologne en een derde in Fransche prenten, verwenschte

schijnheilige oude zondaar! Ik had niets gemist noch mij bekommerd om

hetgeen gij tot u genomen hadt, aap; ik schoot maar in den wilde, maar

ik raakte toch – ik raakte het wit, voor den drommel. Verduiveld,

mijnheer, ik ben een oude vos!”

„Wat wilt gij van mij, mijnheer?”

„Dat zal ik u zeggen. Ik vooronderstel, dat gij uwe papieren in dat

groote zakboek bij u draagt; is het zoo niet? Wilt gij het stuk van

jufvrouw Brixham verbranden?”

„Mijnheer, ik ben niet voornemens mijn eigendom te vernietigen,”

snauwde Morgan.

„Vijf jaar geleden hebt gij haar zestig pond geleend. Zij en die arme

duivel van een klerk, haar zoon, hebben u sedert dien tijd elk jaar

vijftig pond betaald; en gij hebt nog een akte van overdracht van hare

meubelen en een acceptatie van honderd vijftig pond van haar gekregen.

Dat heeft zij mij gisterenavond verteld. Bij den hemel, mijnheer, gij

hebt die arme vrouw genoeg uitgezogen.”

„Ik geef het niet over,” zeide Morgan. „Als ik het doe, mag ik –”

„Agent!” riep de majoor.

„Gij zult het stuk hebben,” zeide Morgan. „Gij zult toch geen geld van

mij eischen, – gij, een gentleman?”

„Ik zal u over eenige oogenblikken noodig hebben,” zeide de majoor

tegen X., die binnenkwam, maar zich daarop weer verwijderde.

„Neen, waarde heer,” vervolgde de oude gentleman; ik wensch geen

verdere geldzaken met u te hebben; maar wij zullen een klein papiertje

opstellen, dat gij de goedheid zult hebben te teekenen. Neen, wacht! –

gij moet het zelf schrijven; gij zijt in den laatsten tijd ontzaglijk

vooruitgegaan in de schrijfkunst en hebt nu eene zeer goede hand. Ga

zitten, en schrijf, als het u belieft – daar, aan die tafel – zoo –

laat eens zien – wij moeten er den juisten datum bij zetten. Schrijf:

„Bury Street, St. James, 21 October 18–.”

En Morgan schreef, gelijk hem bevolen was en hetgeen de onbarmhartige

oude majoor hem verder voorzeide:

„Ik ondergeteekende, James Morgan, die doodarm ben gekomen in den

dienst van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis, van Bury Street in

St. James’s, majoor in harer majesteits dienst, beken, dat ik vijftien

jaren lang een ruim loon en kostgeld van mijn meester ontvangen heb. –

Hiertegen zult gij wel niets in te brengen hebben,” zeide de majoor.

„Ontvangen heb,” schreef Morgan.

„Gedurende welken tijd ik, door mijn eigen beleid en spaarzaamheid,”

dicteerde de ander voort, „genoeg geld heb weten bijeen te brengen, om

het huis te koopen, waarin mijn meester woont, en bovendien nog nadere

spaarpenningen over te leggen. Onder andere personen, van welke ik geld

ontvangen heb mag ik mijne tegenwoordige huurster, jufvrouw Brixham,

noemen, die, voor zestig pond, welke ik haar vijf jaar geleden geleend

heb, mij de som van tweehonderd vijftig pond sterling heeft

terugbetaald en mij bovendien een acceptatie van honderd twintig pond

gegeven, die ik haar op verlangen van mijn gewezen meester majoor

Arthur Pendennis teruggeef, terwijl ik te gelijk hare meubelen, van

welke ik een akte van overdracht bezat, van het verband onthef. – Hebt

gij dat geschreven?”

„Ik geloof dat ik jou, als dat pistool geladen was, voor den kop zou

schieten,” zeide Morgan.

„Neen, dat zoudt gij niet. Gij stelt veel te veel prijs op uw eigen

kostbaar leven, vriendje,” antwoordde de majoor. „Laten wij voortgaan

en een nieuwen zin beginnen.

„„En daar ik mijn meesters welwillendheid vergolden heb door goederen

van hem te stelen, die ik beken, dat boven op mijne kamer in mijne

koffers liggen, en lasteringen ten opzichte van hem en andere geachte

familiën heb verspreid, betuig ik bij deze, uit erkentelijkheid voor

zijne goedertierenheid jegens mij, mijn leedwezen, dat ik die leugens

verspreid en zijne goederen gestolen heb, en verklaar ik, dat ik geen

geloof verdien en dat ik hoop – ja, voor den drommel, dat moet er in –

„dat ik hoop mij in het vervolg te beteren.” Onderteeken dat nu, James

Morgan.””

„Ik mag verd– worden als ik dat onderteeken,” zeide Morgan.

„Goede vriend, dat zal u toch weervaren, of gij het teekent of niet,”

zeide de oude heer, zeer opgetogen over zijn eigen geestigheid. „Ik

beloof u, ik zal dat stuk niet gebruiken dan wanneer ik, dat begrijpt

ge, daartoe genoodzaakt word. Ik houd mij overtuigd, dat jufvrouw

Brixham en onze vriend de diender tot getuigen zullen willen strekken,

zonder het te lezen; en ik zal de oude jufvrouw haar acceptatie

teruggeven en er bijvoegen, hetgeen gij bevestigen zult, dat ge quitte

met elkander zijt. Ik zie daar, dat Frosch met de vigilante voor mijne

koffers teruggekomen is: ik zal naar een logement gaan. – Kom maar

binnen, agent; ik heb met mijnheer Morgan onzen kleinen twist geschikt.

Als jufvrouw Brixham dit papier wilde teekenen, en gij, agent, dit ook

wildet doen, zou ik u beiden zeer verplicht zijn. Jufvrouw Brixham, gij

zijt niets meer schuldig aan uw achtenswaardigen huisheer, mijnheer

Morgan. Ik wensch u toe, dat gij veel pleizier van hem moogt hebben.

Laat Frosch binnenkomen en het overige van den boedel bijeenpakken.”

Onder het kalme toezicht van mijnheer Morgan droeg Frosch, door Slaafje

bijgestaan, de koffers van majoor Pendennis naar de rijtuigen, die

stonden te wachten; en jufvrouw Brixham kwam, toen haar vervolger niet

in de nabijheid was, nogmaals binnen en bad ’s hemels zegen af op den

majoor, haar redder en te gelijk den stilsten en vriendelijksten van

alle heeren op kamers. Na haar een vinger gereikt te hebben, voor

welken de nederige vrouw eene nijging maakte en boven welken zij eene

met tranen afgewisselde toespraak wilde houden, sneed de majoor die

afscheidsrede af en verliet het huis, om zich naar het hotel in Jermyn

Street te begeven, dat niet ver van Morgan’s woning lag.

De laatstgenoemde keek onderwijl het venster uit en zond zijn

vertrekkenden huisgenoot alles behalve zegenbeden na; doch de

onversaagde oude heer was voor Morgan niet bang en wierp hem een blik

van de grootste verachting en spotzucht toe, terwijl hij, op zijn

rotting steunende, wegstrompelde.

Majoor Pendennis had zijne woning in Bury Street nog slechts weinige

uren verlaten en mijnheer Morgan genoot zijn otium op deftige wijze en

bekeek den avondmist onder het rooken eener sigaar op zijne stoep, toen

de weledelgeboren heer Arthur Pendennis, de held dezer geschiedenis,

zich aan die welbekende deur vertoonde.

„Oom is zeker uit, Morgan?” vroeg hij aan den knecht, daar hij zeer

goed wist, dat het rooken in de nabijheid van den majoor met verraad

gelijk stond.

„Majoor Pendennis is uit, mijnheer,” antwoordde Morgan met eene statige

buiging, maar zonder het sierlijke mutsje aan te raken, dat hij ophad.

„Majoor Pendennis heeft vandaag dit huis verlaten, mijnheer, en ik heb

de eer niet meer in zijn dienst te zijn, mijnheer.”

„Wezenlijk? En waar is hij dan nu?”

„Ik geloof, dat hij voor het oogenblik kamers genomen heeft in het

hotel van Cox in Jermyn Street,” zeide mijnheer Morgan en liet er, na

een oogenblik zwijgens, op volgen: „Blijft gij eenigen tijd in de stad,

mijnheer? Woont gij nog in den Temple? Ik zou gaarne de eer hebben u

daar een bezoek te brengen, en ik zou u zeer dankbaar zijn indien gij

mij een kwartiertje te woord wildet staan.”

„Wenscht gij, dat oom u weer zou terugnemen?” vroeg Arthur op den man

af, maar alleen uit goedhartigheid.

„Neen, dat verlang ik in het geheel niet; ik zou hem liever –,” en bij

die woorden keek de man hem eenige oogenblikken woest aan, doch hield

zich in. „Neen, mijnheer, ik dank u,” zeide hij op zachter toon; „ik

wenschte u alleen te spreken over zekere zaken, die u betreffen, en

misschien zoudt gij mij het genoegen willen doen van binnen te komen.”

„Als het niet te lang duurt, wil ik u wel aanhooren, Morgan,” zeide

Arthur en dacht bij zich zelven: „Ik denk, dat de kerel zich in mijne

gunst wil aanbevelen,” waarop hij het huis binnentrad. Er stond reeds

een papier voor het venster aan de straat, met het bericht dat er

kamers te huur waren, en na mijnheer Pendennis in de eetkamer gelaten

en hem een stoel aangeboden te hebben, nam Morgan er zelf een en begon

hem zekere zaken mede te deelen, die de lezer reeds vernomen heeft.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 140 / 155 题