Terwijl Pen aldus in zijn eigen graafschap zijne zelfzuchtige plannen
en parlementaire vooruitzichten trachtte te verwezenlijken, ontving hij
de tijding, dat Lady Rockminster te Baymouth was aangekomen en onze
vriendin Laura had meegebracht. Toen Pen vernam, dat zijne zuster Laura
zich in zijne nabijheid bevond, beving hem een gevoel van schuld. Hij
wenschte wellicht in haar achting hooger te staan dan in die van iemand
anders ter wereld. Zij was hem, als het ware, door zijne moeder
gelegateerd. Hij moest in zekeren zin haar bestuurder en beschermer
zijn. Hoe zou zij het nieuws opnemen, dat hij haar had mee te deelen,
en hoe zou hij haar de plannen uiteenzetten, die hij koesterde? Hij nam
een gevoel bij zich waar, alsof noch hij noch Blanche Laura’s
schitterenden en kalm onderzoekenden blik zou kunnen uithouden, en
alsof hij zijne wereldsche verwachtingen en vooruitzichten niet aan die
reine ziel zou durven bekennen. Zoodra zij te Baymouth was aangekomen,
schreef hij haar een brief vol mooie uitdrukkingen en betuigingen van
genegenheid en met eene goede hoeveelheid luchtigen spot en scherts;
doch onder dat alles kon mijnheer Pen zich niet ontveinzen, dat hij
zeer beducht was voor hetgeen komen zou en dat hij zich als een schelm
en schijnheilige gedroeg.
Hoe kan een eenvoudig landmeisje bij zulk een voorbeeldig gentleman als
mijnheer Pen, vrees en siddering verwekken? Hij gevoelde, dat zijne
wereldsche berekeningen en plannen, zijne satirieke levensbeschouwing
en zijne wereldkennis den toets van hare reinheid niet konden
doorstaan. En hij moest bekennen, dat zijne voornemens van dien aard
waren, dat hij aan dat brave meisje de waarheid niet openbaren kon.
Toen hij van Clavering naar Baymouth reed, gevoelde hij zich zoo
schuldig als een schooljongen die zijne les niet kent en straks
tegenover den gevreesden meester zal staan. Want de waarheid is immers
altijd de meesteres, die de macht bezit en het boek in de hand houdt?
Laura had, onder de hoede van Lady Rockminster, hare welgezinde doch
eenigszins willekeurige en gebiedende beschermster, in het afgeloopen
jaar het een en ander gezien, zich eenige nieuwe bekwaamheden eigen
gemaakt en uit de lessen der wereld veel nut getrokken. Menig meisje,
gewoon aan de al te groote vertroeteling, aan Laura vroeger ten deel
gevallen, zou ongeschikt zijn geworden voor het leven, dat zij thans
moest leiden. Helena aanbad hare beide kinderen en dacht, gelijk
vrouwen, die nooit iets van de wereld gezien hebben, doorgaans doen,
dat het heelal voor hen geschapen was, of eerst na hen in aanmerking
kwam. Zij verzorgde Laura met eene waakzaamheid en eene liefde, die
haar nooit verliet. Had het meisje hoofdpijn, de weduwe was zoo
ontsteld, alsof nooit iemand anders ter wereld hoofdpijn had gehad. Zij
sliep en ontwaakte en leerde en bewoog zich onder haar moeders
liefderijk oppertoezicht, waarvan zij nu beroofd was, evenzeer als van
die teedere vrouw zelve, wier zorgvolle hart niet meer kloppen zou. En
Laura zal ongetwijfeld smartelijke oogenblikken van verdriet en
neerslachtigheid hebben gekend, toen zij zich alleen in de groote
onverschillige wereld bevond. Niemand sloeg acht op hare smart of haar
eenzaamheid. Zij stond in maatschappelijken rang geenszins gelijk met
de dame tot wier gezelschap zij strekte, of met de vrienden en
betrekkingen der heerschzuchtige, doch welgezinde oude douairière. Er
waren er waarschijnlijk wel, die haar geen goed hart toedroegen;
sommigen behandelden haar misschien wel eens met mindere achting; de
bedienden bejegenden haar somtijds en de vrouw des huizes dikwijls met
zekere ruwheid. Laura woonde niet zelden familiebijeenkomsten bij, waar
zij gevoelde dat het vertrouwen en de gemeenzaamheid door haar
aanwezigheid verstoord werd, en hare gevoeligheid werd natuurlijk
gekwetst door de gedachte, dat zij hinder zou geven of ondervinden. Hoe
vele gouvernantes zijn er in de wereld, dacht de opgeruimde Laura –
hoevele dames, die, door de omstandigheden gedwongen, slavinnen en
gezelschapsjufvrouwen van beroep zijn! Hoeveel kwade humeuren en grove
bejegeningen moeten deze niet verduren! Hoe oneindig gelukkiger is mijn
lot bij deze wezenlijk vriendelijke en hartelijke menschen, dan dat van
duizenden meisjes, die in de wereld alleen staan! Met dezen gewilligen
geest schikte zich onze jonge dame in hare nieuwe positie en bood met
een vertrouwelijk lachje aan de Fortuin het hoofd.
Hebt ge ooit iemand gekend, die de Fortuin aldus te gemoet ging en op
wien die godin niet vriendelijk neerzag? Worden zelfs slechte menschen
niet eindelijk gewonnen door een onverstoorbare goede luim en een rein
en toegenegen hart? Toen de kinderen in het bosch, waarvan de ballade
spreekt, zoo lief en vertrouwelijk opzagen naar de verfoeilijke
schelmen, die hun oom gehuurd had om de kleinen van kant te maken,
weten wij allen, dat een dier schavuiten vermurwd werd en den ander uit
den weg ruimde, daar hij den moed niet bezat om zooveel onschuld en
schoonheid wreed te behandelen. O, zalig degenen, die deze
onverstoorbare goede gedachte van de wereld en dit zoete en opgeruimde
vertrouwen op haar bezitten, en geen kwaad vreezen, omdat zij geen
kwaad denken! Jufvrouw Laura Bell was een van die bevoorrechte wezens,
en droeg buiten het diamanten kruisje van de liefderijke weduwe,
hetwelk Pen, gelijk wij gezien hebben, haar geschonken had, een
flikkerenden en schitterenden kohinoor in haar hart, nog kostbaarder
dan die beroemde steen; want voor den eigenaar is die niet slechts een
schat hier op aarde, maar hij behoudt dat kleinood ook in eene betere
wereld, waar men zegt dat diamanten niets meer waard zijn, en het is en
blijft een talisman tegen het kwade en verlicht de duisternis des
levens, gelijk de vermaarde steen van Copia Hassan.
Dientengevolge was er, eer jufvrouw Bell een jaar ten huize van Lady
Rockminster had vertoefd, geen enkel persoon onder dat dak, wiens
genegenheid zij niet door het gebruik van dien talisman had gewonnen.
Laura had de welwillendheid en vriendelijke gezindheid van iedereen,
van de oude dame tot de geringste persoon in haar dienst, verworven.
Met eene meesteres van zulk een humeur kon men niet verwachten, dat
mylady’s kamenier (die hare mevrouw veertig jaren verdragen had en
gedurende al dien tijd dag en nacht was gehavend, uitgescholden en
beleedigd) zelve een goed humeur zou hebben, en dus was zij in den
beginne boos tegen jufvrouw Laura, gelijk zij het tegen de vijftien
vroegere gezelschapsjufvrouwen van mylady geweest was. Doch toen Laura
te Parijs ziek lag, wilde deze oude vrouw haar oppassen in spijt van
hare meesteres, die bang was de koorts te krijgen, en vocht letterlijk
met Martha van Fairoaks, die nu tot kamenier van jufvrouw Laura
bevorderd was, om de eer van de geneesmiddelen aan de patiënte te mogen
toedienen. Toen zij aan de beterhand was, scheelde het weinig of
Grandjean, de chef, had haar vermoord met de vele lekkernijen, die hij
voor haar gereedmaakte, en toen zij haar eerste stukje kip at, weende
hij van vreugde. De Zwitsersche majordomo der huishouding bezong
jufvrouw Bell’s lof in bijna alle Europeesche talen, die hij alle even
slecht sprak; de koetsier was verheugd haar te mogen rijden; de page
schreide toen hij hoorde dat zij ziek lag; en Calverley en Coldstream
(die twee lakeien, die zoo lang, doorgaans zoo kalm en altijd zoo
moeielijk te roeren waren) braken op de tijding van hare beterschap in
een ongehoorde vroolijkheid los, en maakten den page in een wijnhuis
beschonken, om haar herstel te vieren. Zelfs Lady Diana Pynsent (onze
oude kennis, mijnheer Pynsent, was in den tusschentijd getrouwd), die
een tijdlang veel afkeer van Laura had gekoesterd, geraakte zoo zeer in
geestdrift, dat zij verklaarde, dat zij jufvrouw Bell een heel aardig
meisje vond en dat grootmama eene groote trouvaille in haar had gedaan.
Al die welwillendheid en vriendschap had zich Laura noch door list of
vleierij verworven, maar enkel door de kracht van haar goed humeur en
door de kostbare gave om te behagen en zich behaaglijk te gevoelen.
Bij de twee of drie gelegenheden toen onze jonge vriend Lady
Rockminster had ontmoet, was de oude dame, die niet met hem was
ingenomen, zeer hoog en kortaf tegen hem geweest, en misschien
verwachtte Pen, toen hij te Baymouth kwam, dat hij Laura in mylady’s
huis zou aantreffen in de hoedanigheid van eene geringe
gezelschapsjufvrouw, die niet beter behandeld werd dan hij zelf. Toen
zij hoorde, dat hij er was, kwam zij de trap afsnellen, en ik zou niet
durven verzekeren, dat zij hem niet ten aanschouwe van Calverley en
Coldstream omhelsde, hoewel die heeren het niet ruchtbaar hebben
gemaakt; indien de fractus orbis ware ineengestort, indien Laura, in
plaats van Pen te kussen, hare schaar had uitgetrokken en zijn hoofd
afgeknipt had, zouden Calverley en Coldstream het bedaard hebben
aangezien, zonder te dulden dat een enkel korreltje poeier door het
ongeval van hunne pruiken wierd opgejaagd.
Laura zag er zooveel gezonder en beter uit dan vroeger, dat Pen niet
nalaten kon haar met bewondering te aanschouwen. Uit de oprechte en
vriendelijke oogen, die de zijne ontmoetten, straalde de gezondheid, en
de wang, op welke hij zijn kus drukte, prijkte met den schoonsten blos.
Terwijl hij haar zoo eenvoudig en bevallig, zoo rein en oprecht voor
zich zag, meende hij haar nog nooit in zulk een bloei der schoonheid
gezien te hebben. Waarom merkte hij die schoonheid thans zoo duidelijk
op, en verwonderde hij zich, dat hij die niet vroeger waargenomen had?
Hij greep hare blanke, vertrouwelijke hand en kuste die met innigheid;
hij zag haar in de schitterend heldere oogen en las er dien
vriendelijken welkomstgroet in, dien hij altijd zeker was er in te
vinden. Hij gevoelde zich aangedaan en getroffen door haar teederen
toon en haar reinen blik, welks onschuldige uitdrukking hem beschaamd
maakte en ontroerde.
„Wat zijt gij goed voor mij, Laura, mijne zuster!” zeide Pen. „Ik
verdien niet, dat gij – dat gij zoo lief voor mij zijt.”
„Mama heeft u aan mij achtergelaten,” sprak zij, voorovergebogen en
snel met hare lippen zijn voorhoofd rakende. „Gij weet wel, dat gij tot
mij zoudt komen als gij in ongelegenheid waart, of wel het mij zoudt
meedeelen als gij u zeer gelukkig gevoeldet; dat was de afspraak,
Arthur, van verleden jaar, toen wij scheidden. Zijt gij nu zeer
gelukkig, of zit gij in den nood? wat van beide?” en daarbij zag zij
hem met een schalkschen, vriendelijken blik aan. „Verlangt gij naar de
plaats in het parlement? Zijt gij voornemens u daar te onderscheiden?
Wat zal ik ongerust zijn, als gij uw eerste redevoering moet houden!”
„Weet gij dan iets van dat plan ten aanzien van het parlement?” vroeg
Pen.
„Weten! De heele wereld weet het! Ik heb er reeds dikwijls over hooren
spreken. De dokter van Lady Rockminster bracht het vandaag nog op het
tapijt. Ik ben zeker, dat het morgen in het blad van Chatteries zal
staan. Het geheele graafschap spreekt er van, dat Sir Francis
Clavering, van Clavering, zal aftreden ten behoeve van mijnheer Arthur
Pendennis van Fairoaks; en dat de jonge en schoone jufvrouw Blanche
Amory zal –”
„Wat? Dat óók al?” vroeg Pendennis.
„Dat óók, waarde Arthur. Tout se sait, zooals zeker iemand zou zeggen,
van wie ik voornemens ben heel veel te houden, en die ik weet dat zeer
geestig en lief is. Ik heb een brief van Blanche gehad, een
allerliefsten brief. Zij spreekt met zooveel vuur over u, Arthur! Ik
hoop, of liever ik weet, dat zij inderdaad gevoelt wat zij schrijft.
Wanneer moet het plaats hebben, Arthur. Waarom hebt gij er mij niets
van verteld? Ik mag toch immers bij u beiden komen wonen, niet waar?”
„Mijn huis en al wat ik bezit is het uwe, lieve Laura,” gaf Pen ten
antwoord. „Ik had het u niet verteld, omdat – omdat – ik weet eigenlijk
niet waarom; maar voor het oogenblik is er nog niets vast bepaald. Er
zijn geen geloften tusschen ons gewisseld. Maar gelooft gij niet, dat
Blanche gelukkig met mij zou kunnen zijn? Het is geen romaneske liefde,
dat begrijpt gij wel. Ik geloof, dat ik geen hart meer bezit, en dat
heb ik haar verklaard; het is eene heel kalme verbintenis; ik wensch
mijne vrouw aan de eene en mijne zuster aan de andere zijde van mijn
haard te zien; ik wensch het parlement in den tijd van de zittingen
waar te nemen en Fairoaks gedurende de vacantie te bewonen en mijne
Laura altijd bij mij te zien, tot er iemand komt, die het recht heeft
haar weg te voeren.”
Iemand die het recht heeft! Waarom begon Pen, terwijl hij het meisje
aanzag en die woorden langzaam uitsprak, boos en jaloersch te worden op
dien onzichtbaren iemand, die het recht zou hebben haar weg te voeren?
Pen, die nog pas eene minuut geleden bevreesd was hoe zij de tijding
van zijne waarschijnlijke verbintenis met Blanche zou opnemen, gevoelde
zich in zekere mate gekwetst, dat zij het nieuws zoo kalm vernam en
overtuigd was dat hij gelukkig zou zijn.
„Tot er iemand komt,” zeide Laura lachend, „zal ik bij u blijven wonen
en tante Laura heeten, en op de kinderen passen wanneer Blanche in
gezelschap is. Ik heb alles reeds overlegd. Ik ben een uitmuntende
huishoudster. Weet gij wel, dat ik te Parijs met jufvrouw Beck naar de
markt ben geweest, en les bij Monsieur Grandjean heb genomen? En ik heb
mij te Parijs ook eenige lessen in het zingen laten geven, van het geld
dat gij mij, beste jongen, gezonden hebt; ik kan dus nu veel beter
zingen, en ik heb ook leeren dansen, ofschoon niet zoo goed als
Blanche, en wanneer gij minister wordt, moet Blanche mij ten hove
voorstellen,” en daarop maakte zij, met een ondeugende vroolijkheid, de
laatste Parijsche nijging voor hem.
Juist onder die nijging kwam Lady Rockminster binnen en reikte Arthur
een vinger toe, welken hij aannam, en waarover hij heenboog, zoo goed
het ging, wat inderdaad niet best gelukte.
„En dus gaat gij trouwen, mijnheer!” zeide de oude dame.
„Beknor hem maar eens, Lady Rockminster, dat hij er niets van verteld
heeft,” zeide Laura, terwijl zij zich verwijderde, waarop de oude lady
ook dadelijk daartoe overging.
„En dus gaat gij trouwen, en de plaats van dien deugniet Sir Francis
Clavering in het parlement bekleeden? Ik had gewenscht, dat hij die
plaats aan mijn kleinzoon afgestaan had; waarom gaf hij zijne plaats
niet aan mijn kleinzoon? Ik hoop, dat gij eene flinke som met jufvrouw
Amory zult krijgen; ik zou haar niet zonder een belangrijk kapitaal
willen nemen.”
„Sir Francis Clavering heeft genoeg van het parlementaire leven,” zeide
Pen geprikkeld, „en – en ik zou wel lust hebben die loopbaan te
beproeven. Het overige der geschiedenis is minst genomen voorbarig.”
„Ik verwonder mij, dat gij, terwijl gij Laura thuis hadt, u
verslingeren kondt aan zulk een gemaakt en onnatuurlijk schepsel als
dat,” vervolgde de oude dame.
„Het spijt mij zeer, mevrouw, dat jufvrouw Amory de eer niet heeft, u
te behagen,” zeide Pen met een glimlach.
„Gij wilt eigenlijk zeggen, dat het mij niet aangaat en ik het niet ben
die haar trouwen moet. Neen, dat moet ik ook niet, en daarom ben ik
zeer blij. Dat akelige nufje! Als ik bedenk, dat iemand haar boven
mijne Laura verkiezen kon, dan maak ik mij boos, en dat zeg ik u
ronduit, mijnheer Arthur Pendennis.”
„Het verheugt mij, dat gij Laura met zulk een gunstig oog beschouwt,”
zeide Pen.
„Het verheugt u, en het spijt u. Wat komt het er op aan, mijnheer, of
gij blij of verdrietig zijt? Een jonkman, die aan jufvrouw Amory de
voorkeur geeft boven jufvrouw Bell, heeft geen recht om spijtig of
verheugd te zijn. Een jonkman, die, na mijne Laura gezien te hebben,
zich aan zulk een krom, verwaand schepsel als die kleine Amory verbindt
(want krom is zij, dat verzeker ik u), heeft geen recht, ooit zijn
hoofd weer op te steken. Waar is uw vriend Blauwbaard, die lange man, –
Warrington geloof ik, dat hij heet? Waarom komt hij niet over, om Laura
te trouwen? Wat is de reden, waarom de jongelieden zulk een meisje niet
huwen? Allen trouwen zij tegenwoordig om het geld. Gij zijt allen
egoïsten en lafaards. In mijn tijd gingen wij met elkander op den loop
en sloten dwaze huwelijken. Ik erger mij over de tegenwoordige
jongelui! Toen ik dezen winter te Parijs was, vroeg ik al de drie
attaché’s der Engelsche ambassade, waarom zij niet op jufvrouw Bell
verliefden? Zij begonnen te lachen en zeiden, dat zij geld noodig
hadden. Gij zijt allemaal egoïsten – allemaal lafaards!”
„Ik hoop,” zeide Pen met zekere warmte, „dat gij, alvorens jufvrouw
Bell aan de attaché’s aan te bieden, haar de eer hebt bewezen haar
gevoelen daarover in te winnen?”
„Jufvrouw Bell bezit maar een klein kapitaal. Jufvrouw Bell moet
spoedig trouwen. De een of de ander moet haar aan een man helpen,
mijnheer, en een meisje kan zich zelve niet aanbieden,” zeide de oude
douairière met groote deftigheid. „Laura-lief, ik heb aan uw neef
verklaard, dat al de jongelui egoïsten zijn, en dat er geen greintje
romaneskheid meer onder hen te vinden is. Hij is even slecht als de
rest.”
„Hebt gij Arthur gevraagd waarom hij mij niet wil trouwen?” zeide Laura
met een schalkschen glimlach, toen zij terugkwam, en greep de hand van
haar neef. (Het kan wel zijn, dat zij zich verwijderd had om eenige
sporen van ontroering te verbergen, die zij niet door anderen wilde
opgemerkt hebben). „Hij gaat iemand anders trouwen, en ik neem mij
voor, heel veel van haar te houden, en bij hen te gaan wonen, mits hij
dan maar niet aan ieder ongehuwd heer, die hem komt bezoeken, vraagt
waarom hij mij niet trouwt?”
Daar Pen’s gewetensknaging aldus gestild en zijn verhoor voor Laura
zonder verwijten van hare zijde afgeloopen was, begon hij te gevoelen,
dat plicht en neiging hem aanhoudend naar Baymouth dreven, waar Lady
Rockminster hem meedeelde, dat er altijd eene plaats voor hem aan hare
tafel zou opengehouden worden. „En ik geef u den raad, dikwijls te
komen,” zeide de oude dame, „want Grandjean is een uitmuntende kok, en
de omgang met Laura en mij zal u manieren leeren. Men ziet duidelijk,
dat gij altijd aan u zelven denkt. Bloos en stamel maar niet, – bijna
alle jongelieden denken altijd aan zich zelven. Met mijne zonen en
kleinzonen was dit altijd het geval, totdat ik het hen afleerde. Kom
maar hier; dan zullen wij u leeren, u fatsoenlijk te gedragen. Gij zult
niet behoeven voor te snijden; dat wordt aan het buffet gedaan. Hecker
zal u zooveel wijn schenken als goed voor u is; en op de dagen dat gij
heel gezeglijk en onderhoudend zijt zult gij ook een glaasje champagne
krijgen. Hecker, onthoud wat ik u zeg. Mijnheer Pendennis is mejufvrouw
Laura’s broeder; maak het hem aangenaam, maar zorg, dat hij niet te
veel wijn drinkt, noch mij komt storen als ik mijn middagslaapje doe.
Gij zijt egoïstisch, en ik ben voornemens u daarvan te genezen. Gij
kunt hier komen dineeren als gij nergens elders genoodigd zijt, en als
het regent, doet gij het best met in het hotel te overnachten.” Wanneer
de goede dame maar heerschen kon over allen, die haar omringden, was
zij niet ongemakkelijk, en al de slaven en onderdanen van haar kleine
hof beefden voor haar, maar hadden haar te gelijk lief.
Zij zag niet veel, noch zeer schitterend gezelschap. De dokter was
natuurlijk een bestendig en trouw bezoeker. Op hare partijen ontving de
oude dame den dominé en diens hulpprediker en bij plechtige
gelegenheden ook de vrouw en de dochters van den dominé, alsmede eenige
der badgasten van Baymouth; doch meestal was het gezelschap slechts
klein, en dronk mijnheer Arthur zijn wijn in eenzaamheid, wanneer Lady
Rockminster zich verwijderd had om haar dutje te gaan doen en zich na
het diner door Laura in slaap te doen zingen en spelen.
„Moet ik niet blij wezen,” sprak het goedhartig meisje, „indien ik haar
met mijne muziek een oogenblikje rust kan bezorgen, dat ik daardoor van
dienst kan zijn? Lady Rockminster slaapt ’s nachts zeer weinig, en ik
was gewoon haar ’s avonds voor te lezen, tot ik te Parijs ziek werd, en
sedert dien tijd wil zij er niet meer van hooren, dat ik laat zou
opblijven.”
„Waarom hebt gij mij niet geschreven toen gij ziek waart?” vroeg Pen
blozende.
„Waarin hadt gij mij van nut kunnen zijn? Ik had Martha tot mijn
oppassing, en elken dag den dokter. Gij hebt het te druk, om aan
vrouwen te schrijven of te denken. Gij hebt uwe boeken en nieuwsbladen,
uwe politiek en uwe spoorwegen om u bezig te houden. Ik heb geschreven
zoodra ik weer beter was.”
Pen zag haar aan en bloosde weer, bij de herinnering, dat hij,
gedurende hare gansche ziekte, haar geen enkele maal geschreven en
ternauwernood aan haar gedacht had.
Uit hoofde van de familiebetrekking had Pen de vrijheid aanhoudend met
zijne nicht te gaan wandelen en rijden, en in den loop van die
uitstapjes en ritjes had hij de beste gelegenheid om de beminnelijke
oprechtheid van haar karakter en de trouw, de eenvoudigheid en de
minzaamheid van haar rein en vlekkeloos hart te leeren waardeeren.
Tijdens het leven hunner moeder hadden zij nooit zoo vrij en hartelijk
gesproken als thans. Ten gevolge van de begeerte der arme Helena, om
eene verbintenis tusschen hare beide kinderen tot stand te brengen, had
Laura zekere terughouding jegens Pen in acht genomen waarvoor, nu, in
de veranderde omstandigheden, geen noodzakelijkheid meer bestond. Hij
was met een ander meisje verloofd, en Laura werd nu dadelijk zijne
zuster, – die de bedenkingen, welke zij tegen zijne keuze mocht hebben,
verborg of uit haar hart verbande. Zij trachtte de toekomst met
opgeruimdheid te gemoet te zien en koesterde de beste wenschen voor
zijn voorspoed, terwijl zij zich voornam alles te doen wat de
genegenheid vermocht, om haar moeders troetelkind gelukkig te maken.
Dikwijls spraken zij over hunne ontslapen moeder. En uit de duizend
verhalen, die Laura deed, vernam Arthur hoe onvermoeid en alles
omvattend die stille moederlijke toewijding was geweest, die hem in
zijn bijzijn of afzijn door het leven gevolgd en pas met den laatsten
ademtocht der lief hebbende moeder opgehouden had. Op zekeren dag zagen
de bewoners van Clavering een jongen een paar rijpaarden bij het
kerkhof vasthouden, en het gerucht verspreidde zich door het plaatsje,
dat Pen en Laura te zamen Helena’s graf hadden bezocht. Arthur had er
zich een paar maal heen begeven, sedert hij ten platten lande
vertoefde; maar het aanschouwen van den gewijden lijksteen verschafte
hem geen troost. Welk recht op deze heilige plek had een schuldig man,
die eene slechte daad verrichtte, een bloot speculant, die trouw en eer
tegen een fortuin en eene wereldsche loopbaan verruilde, en die
bekende, dat zijn leven niets anders dan eene smadelijke nederlaag was?
Wat baatte het hem in de wereld, in welke hij leefde, dat anderen niet
beter waren dan hij zelf? Arthur en Laura reden de poort van Fairoaks
voorbij, waar hij de boerenkinderen, die op het gras en op het terras
speelden, de hand drukte, terwijl Laura onafgewend staarde naar den
muur van het huis en het klimop boven den ingang en de magnolia, die
tot aan haar venster groeide. „Mijnheer Pendennis is vandaag met eene
dame voorbijgereden,” vertelde een der jongens aan zijne moeder, „en
heeft stilgehouden, om met ons te spreken. Hij vroeg om een takje
kamperfoelie van de poort, en gaf het aan de dame. Ik kon niet zien of
zij mooi was, want haar sluier hing neer. Zij reed op een paard van
Cramp te Baymouth.”
Terwijl zij de duinen tusschen het ouderlijk huis en Baymouth
overtrokken, sprak Pen niet veel, hoewel zij dicht naast elkander
reden. Hij overdacht welk eene begoocheling het leven toch is en hoe de
menschen het geluk weigeren wanneer zij het zouden kunnen genieten; of,
wanneer zij het bezitten, het van zich stooten; of het, met open oogen,
tegen wat verachtelijk geld of nietswaardige eer verruilen. En daarop
volgde de gedachte, wat het er voor het korte levensbestek op aankwam?
Het leven van de besten en braafsten onder ons wordt verteerd met
ijdele wenschen en eindigt in teleurstelling, gelijk het geval is
geweest met de lieve vrouw, die in haar graf daar ginds sluimert. Zij
had evenzeer haar eerzuchtige bedoelingen als Cesar, en stierf zonder
de vurige begeerte van haar gansche leven verwezenlijkt te zien. De
grafzerk overdekt al onze hoop en onze nagedachtenis. In onze
woonplaats kent men ons niet meer. „De kinderen van andere menschen
spelen op het gras,” barstte hij eensklaps met luider stemme uit, „waar
gij en ik plachten te spelen, Laura. En gij ziet hoe hoog die magnolia,
welke ik geplant heb, sedert onzen tijd opgegroeid is. Ik ben een paar
van die hutten langs gegaan, waar mijne moeder bezoeken aflegde. Zij is
weinig meer dan een jaar van ons heengegaan, en de menschen, aan welke
zij hare weldaden besteedde, bekommeren zich weinig meer om haar dood
dan om dien van koningin Anna. Wij zijn allen zelfzuchtig; de wereld is
zelfzuchtig en er bestaan maar weinig uitzonderingen zooals gij, mijne
waardste, die door goede daden in eene booze wereld uitblinken en de
duisternis daardoor nog dieper maken.”
„Ik hoor u niet gaarne op die wijze spreken, Arthur,” zeide Laura
terwijl zij de oogen neersloeg en haar hoofd over het takje
kamperfoelie op hare borst boog. „Toen gij dien kleinen jongen verzocht
mij dit te geven, waart gij niet zelfzuchtig.”
„Ik offerde veel op, om het voor u te krijgen!” zeide hij spottend.
„Uw hart was toch vriendelijk en liefderijk gezind toen gij het deedt.
Men kan niet meer dan liefde en vriendelijkheid verlangen, en al denkt
gij nederig over u zelven, Arthur, wordt daardoor die liefde en
vriendelijkheid niet verminderd, – niet waar? Ik heb mij dikwijls
verbeeld, dat onze dierbare moeder u thuis bedierf, door u zoo steeds
naar de oogen te zien; en dat hare te groote teederheid – indien gij
zijt wat gij zegt te zijn, want ik spreek het woord ongaarne uit –
heeft medegewerkt om u dat te maken. En wat de wereld betreft in welke
de mannen uitgaan, ik vooronderstel, dat die niet anders dan
zelfzuchtig wezen kan. Gij moet voor u zelven strijden en zelf zien
vooruit te komen en een naam te maken. Mama en uw oom moedigden beiden
die eerzucht bij u aan. Indien het eene ijdele zaak is, waarom staat
gij er dan naar? Ik verbeeld me, dat zulk een knap man als gij,
voornemens is zeer nuttig te zijn voor zijn vaderland, door plaats te
nemen in het parlement; anders zoudt ge er niet naar verlangen. Wat
zijt gij voornemens te doen, als gij zitting hebt in het Lagerhuis?”
„Vrouwen hebben geen verstand van de politiek, mijne waardste,” zeide
Pen, met zich zelven onder het spreken den gek scherende.
„Maar waarom helpt gij ons dan niet aan dat verstand? Ik heb nooit
kunnen begrijpen waarom mijnheer Pynsent er zoo gaarne in wilde zijn.
Hij is niet knap –”
„Zeker is hij geen genie, die Pynsent,” zeide Pen.
„Lady Diana zegt, dat hij den ganschen dag in commissiën zit, dat hij
dan weer den ganschen avond naar het parlement gaat; dat hij altijd
stemt zooals hem voorgeschreven wordt; dat hij er nooit zijn mond
opendoet; dat hij nooit iets anders dan een ondergeschikt ambt zal
vervullen, en dat hij, zooals zijne grootmoeder van hem zegt, een dor
routinemensch is. Zijt gij voornemens die zelfde loopbaan te volgen,
Arthur? Wat voor bekoorlijks toch is daaraan, dat gij er zoo begeerig
naar zijt? Ik zou liever zien, dat gij thuis bleeft om boeken te
schrijven – goede boeken, lieve boeken, met zachte en liefelijke
denkbeelden, zooals gij er hebt, lieve Arthur, en die de menschen met
genoegen zouden lezen. En indien gij geen roem behaalt, wat dan? Gij
bekent, dat het ijdelheid is en dat gij, zonder dat, zeer gelukkig kunt
leven. Ik moet mij niet aanmatigen raad te geven; maar ik houd u aan uw
eigen woord wat de wereld betreft; en daar gij bekent, dat zij boos is
en u verveelt, vraag ik u waarom gij haar niet verlaat?”
„En wat zoudt gij dan willen dat ik deed?” vroeg Arthur.
„Ik zou willen, dat gij met uwe vrouw op Fairoaks gingt wonen, om daar
te studeeren en zooveel mogelijk goeds te doen. Ik zou willen, Arthur,
dat uw eigen kinderen daar op het grasperk speelden, en dat wij nog
eens te zamen in de kerk onzer moeder mochten bidden, waarde broeder.
Zoo de wereld eene verzoeking is, hebben wij immers leeren bidden niet
daarin geleid te worden?”
„Zoudt gij denken, dat Blanche eene goede vrouw voor een onbeduidend
landjonker zou zijn? of dat ik bijzonder geschikt zou wezen voor die
loopbaan, Laura?” vroeg Pen. „Vergeet niet, dat de verzoeking zoowel
langs de heggen als door de straten sluipt, en dat lediggang de
grootste van alle verleiders is.”
„Wat zegt mijnheer – mijnheer Warrington er van?” vroeg Laura, wier
wang gekleurd werd door een blos, waarvan Pen den gloed zag, hoewel
Laura haar sluier liet vallen om dien te verbergen.
Een tijdlang reed Pen stilzwijgend aan Laura’s zijde voort. Door de
vermelding van George’s naam was hij in het verledene teruggevoerd en
herinnerde hij zich de gedachten weer, die hij eenmaal ten opzichte van
George en Laura had gekoesterd. Waarom ontroerden hem die weer
opkomende gedachten, terwijl hij toch wist, dat hunne verbintenis
onmogelijk was? Waarom was hij er nieuwsgierig naar, of Laura,
gedurende den tijd hunner kennismaking, genegenheid voor Warrington
gekoesterd had? George had van dien tijd af tot op het tegenwoordige
oogenblik nooit op zijne geschiedenis gezinspeeld, en thans schoot het
Arthur ook te binnen, dat George sedert dien tijd Laura’s naam bijna
geen enkele maal op de lippen had genomen.
Eindelijk naderde hij zeer dicht tot haar en sprak: „Zeg mij eens iets,
Laura?”
Zij sloeg den sluier weer op en zag hem aan. „Wat dan, Arthur?” vroeg
zij, ofschoon zij het, naar het beven harer stem te oordeelen, zeer
goed kon gissen.
„Zeg mij eens: zoudt gij, als George dat ongeluk niet had gehad –
ofschoon ik er hem voor of na dien dag nooit over heb hooren spreken –
zoudt gij hem hebben toegestaan, wat gij mij hebt geweigerd?”
„Ja, Pen,” gaf zij ten antwoord en barstte in tranen uit.
„Hij was u meer waardig dan ik,” kermde de arme Arthur met
onbeschrijfelijke smart. „Ik ben niets dan een ongelukkig egoïst, en
George is beter, edeler en trouwhartiger dan ik. God zegene hem!”
„Ja, Pen,” hernam Laura en reikte haar neef de hand toe, waarop hij
zijn arm om haar middel sloeg en zij een oogenblik op zijn schouder lag
te snikken.
Het lieve meisje had een geheim gehad en het nu geopenbaard. Tijdens de
laatste reis der weduwe van Fairoaks en toen zij zich met hare moeder
naar Arthur’s ziekbed spoedde, had zij een andere verklaring afgelegd,
en eerst toen Warrington zijn eigene geschiedenis verteld en zijn eigen
hopeloos leven beschreven had, ontdekte zij welk eene verandering hare
gevoelens ondergaan hadden en met welke teedere sympathie, eerbied,
genoegen en bewondering zij begonnen was den vriend van haar neef te
beschouwen. Vóór het oogenblik dat zij inzag, dat zekere plannen, over
welke zij wellicht gemijmerd had, onmogelijk te verwezenlijken waren en
dat Warrington misschien in haar hart gelezen en zijn treurig verhaal
medegedeeld had om haar te waarschuwen, had zij zich zelve niet
afgevraagd of het mogelijk was, dat hare genegenheid wijziging kon
ondergaan, zoodat zij onthutst en verschrikt stond toen zij de waarheid
ontdekte. Hoe had zij die aan Helena kunnen mededeelen en hare schande
bekennen? De arme Laura gevoelde zich tegenover hare vriendin schuldig
aan het geheim, dat zij haar niet durfde toevertrouwen, het was haar
alsof zij zich afschuwelijk trouweloos jegens Pen gedragen had, door
hem die liefde te ontnemen, die het hem zelfs de moeite niet waard was
te aanvaarden; en ook ten aanzien van Warrington gevoelde zij zich
beschaamd en vol berouw, bij de gedachte, dat zij hem wellicht door
overmaat van sympathie aangemoedigd, of hem de voorkeur getoond had,
die zij ten zijnen opzichte begon te koesteren.
De ramp, die Laura uit hare woning verdreef, en de smart en
zielskwellingen, die de dood harer moeder haar veroorzaakte, liet haar
weinig tijd voor meer zelfzuchtige gedachten, en toen zij eindelijk dat
zware verdriet te boven kwam, was de kleinere wond bijna geheeld.
Slechts een kort oogenblik had zij eenige hoop op Warrington
gekoesterd. De bewondering en de eerbied, die zij hem toedroeg, bleven
even sterk als ooit bij haar; doch het teedere gevoel, hetwelk zij wist
dat zij voor hem had opgevat, was tot zulk eene kalme berusting
teruggebracht, dat het als het ware dood was en voorbij. Het
nablijvende gevoel was verootmoediging en berouw. „O, wat was ik slecht
en hoogmoedig tegenover Arthur,” dacht zij; „wat was ik vol van
zelfvertrouwen, maar ontbloot van vergevensgezindheid! Nooit heb ik uit
den grond mijns harten vergiffenis geschonken aan dat arme meisje, dat
zooveel van hem hield, of aan hem, omdat hij hare liefde aanmoedigde;
en ik ben nog veel schuldiger geweest dan zij, dat arme, eenvoudige
schepseltje! Ik, die beweerde één man lief te hebben, luisterde maar al
te gretig naar een anderen, en terwijl ik zelve wispelturig was en
ontrouw, kon ik die verandering in Arthur’s gevoelens niet vergeven.”
En het arme meisje, dat zich zoo vernederde en hare zwakheid erkende,
zocht sterkte en troost op de wijze zooals zij gewoon was die te
zoeken.
Zij had geen kwaad gedaan, maar er zijn menschen, die wegens den
geringsten misstap evenzeer lijden, als anderen, wier krachtig geweten
zich onder misdaden van de grootste zwaarte kan staande houden, en de
arme Laura vond goed, zich te verbeelden, dat zij in deze kiesche
omstandigheden als eene groote misdadigster gehandeld had. Zij maakte
zich diets, dat zij jegens Pen een groot onrecht had bedreven door hem
die liefde te onttrekken, welke zij, onder vier oogen met hare moeder,
hem toegewijd had; dat zij ondankbaar was geweest jegens haar
overledene weldoenster door ooit aan een ander te denken of hare
gelofte te willen schenden; en dat, wanneer zij haar eigene enorme
misdaden in aanmerking nam, zij zeer zachtmoedig moest zijn in haar
oordeel over anderen, die waarschijnlijk in veel grooter verzoeking
verkeerden en wier beweegredenen zij niet begrijpen kon.
Een jaar geleden zou Laura met verontwaardiging vernomen hebben, dat
Arthur voornemens was Blanche te trouwen, en haar fiere geest zou in
opstand zijn gekomen bij de gedachte, dat hij, om wereldsche belangen,
zich tot zulk een onwaardige zou neerbuigen. Thans, nu haar bericht
werd, dat zoo iets tot de mogelijkheden behoorde (zij vernam het van de
oude Lady Rockminster, wier mededeelingen altijd recht op den man af
geschiedden en zoo onverwacht kwamen als een slag in het aangezicht),
sidderde het vernederde meisje wel een weinig bij dien schok, maar zij
droeg hem kalm en met wanhopige berusting. „Hij heeft het recht om te
trouwen; hij weet veel meer van de wereld dan ik,” overlegde zij bij
zich zelve. „Blanche is wellicht zoo wuft niet meer als zij scheen, en
op welken grond zou ik haar mogen vonnissen? Het zal zeker heel goed
zijn, dat Arthur lid wordt van het parlement en zich onderscheidt, en
mijn plicht is het, alles wat ik vermag, te doen om hem en Blanche bij
te staan en zijn huis tot een gelukkig huis te maken. Ik zal voorzeker
wel bij hen mogen wonen. Als ik peettante word over een van hunne
kinderen, zal ik het mijne drie duizend pond vermaken!” En dadelijk
daarop begon zij te bedenken wat zij Blanche uit haar kleinen schat zou
geven en hoe zij het best hare genegenheid zou kunnen winnen. Terstond
schreef zij haar een vriendelijken brief, waarin natuurlijk geen
melding werd gemaakt van de ontworpen plannen, maar waarin Laura aan
den ouden tijd herinnerde en hare goede gezindheid betuigde; en daarop
ontving zij een onverwijld antwoord van Blanche, waarin geen enkele
lettergreep van een huwelijk gerept werd, doch mijnheer Pendennis werd
twee of driemaal genoemd, en zij zouden altijd zijn de liefste Laura en
de liefste Blanche, hartelijk liefhebbende zusters, enz.
Toen Pen en Laura, na de bekentenis van deze laaste, weer thuis kwamen
(het hart van het meisje klopte, toen Pen zoo oprecht zijn eigene
minderheid verklaarde en zoo edelmoedig zijne genegenheid voor
Warrington betuigde, wat de tranen, die zij op zijn schouder weende,
dubbel bitter maakte), toen lag er in de vestibule een klein dun
briefje op jufvrouw Bell te wachten; zij beefde alsof zij zich schuld
bewust was toen zij het lak verbrak, en Pen bloosde toen hij het
herkende, want hij zag dadelijk dat het van Blanche kwam.
Laura deed het haastig open en liet er snel haar oogen over gaan,
terwijl Pen de zijne op de blozende Laura liet rusten.
„Zij schrijft uit Londen,” zeide Laura. „Zij is daar met de oude
Bonner, Lady Clavering’s kamenier geweest. Bonner gaat met Lightfoot
den bottelier trouwen. Waar denkt ge, dat Blanche geweest is?” riep zij
levendig uit.
„Naar Parijs, naar Schotland, naar het Casino?”
„Naar Shepherd’s Inn, om Fanny te bezoeken; maar Fanny was niet thuis
en Blanche wil een geschenk voor haar achterlaten. Is dat niet
vriendelijk van haar bedacht?” En bij die woorden reikte zij het
briefje aan Pen over, die het volgende las:
„Ik zag Madame mère, die den vloer schrobde en mij aankeek met oogen
alsof zij mij ook wilde schrobben; doch la belle Fanny was niet au
logis, en daar ik vernam, dat zij zich op de kamers van kapitein Strong
bevond, klom ik met Bonner au troisième, om die beroemde schoonheid te
zien. Weer eene teleurstelling; alleen de chevalier Strong en een
vriend waren op die kamer, en wij moesten dus na al die moeite heengaan
zonder de betooverende Fanny gezien te hebben.
„Je l’envois mille et mille baisers. Wanneer zal er toch een einde aan
die akelige bemoeiingen met de kiezers komen? Men draagt tegenwoordig
lange mouwen enz., enz., enz.”
Na het diner zat de dokter de Times te lezen. „Een jongmensch, dien ik
acht of negen jaar geleden, toen hij zich hier bevond, behandelde,
heeft een mooi fortuin geërfd,” zeide hij. „Ik zie hier, dat de heer
John Henry Foker, van Logwood Hall, den 15den van verleden maand te Pau
in de Pyreneën overleden is.”