VERZOEKING.

Vanwaar, dat Arthur, die altijd zoozeer op zijn gemak en zoo openhartig

was met Warrington, deze vriend en vertrouwde van al zijne geheimen

niet onderrichtte van de kleine voorvallen, die op de villa nabij

Tunbridge Wells hadden plaats gehad? Hij sprak zonder omwegen over het

weerzien van zijn ouden leermeester Smirke, over diens vrouw, over zijn

Anglo-Normandische kerk en over zijne reis van Clapham naar Rome; maar

als hij over Blanche ondervraagd werd, gaf hij ontwijkende of algemeene

antwoorden; hij verklaarde, dat zij een goedhartig en geestig

schepseltje was en onder goede leiding misschien nog zoo’n slechte

vrouw niet zou zijn, maar dat hij voor het oogenblik geen trouwlustige

plannen koesterde, dat zijne romaneske dagen voorbij waren, dat hij met

zijn tegenwoordigen toestand tevreden was, en meer van dien aard.

In den tusschentijd kwamen er nu en dan op Lamb Court in den Temple

aardige kleine gesatineerde enveloppen, voorzien van een zeer net

geschreven adres en verzegeld met een van die verbazende naamcijfers,

waaruit Warrington, indien hij nieuwsgierigheid genoeg had bezeten om

op de brieven van zijn vriend te letten, of indien dat naamcijfer maar

ontcijferbaar ware geweest, zou gezien hebben, dat mijnheer Pen

briefwisseling voerde met eene jonge dame wier voorletters B. A. waren.

Mijnheer Pen beantwoordde die lieve opstelletjes op zijne beste en

galantste manier, met grappen, stadsnieuwtjes, geestigheden, ja,

waarschijnlijk wel met aardige versjes, in antwoord op de gedichtjes

der muze van Mes Larmes. Wij weten dat Blanche rijmt op „avalanche” en

„revanche”, en een heer van Pen’s vernuft heeft zeker deze gelegenheden

niet laten voorbijgaan, maar het zijne gezegd bij die lieve woordjes.

Wij gelooven dan ook inderdaad, dat die minnedichtjes van Pen, welke

zooveel opgang maakten in de Rozebladeren, dat mooie jaarboekje,

hetwelk onder redactie van Lady Violet Lebas uitkwam en door den

beroemden teekenaar Pinkney met de portretten der voornaamste adellijke

dames opgeluisterd werd, in dit tijdperk des levens van onzen held zijn

vervaardigd en eerst per post aan Blanche waren gezonden, eer zij in

druk verschenen als bloempjes aan Pinkney’s kunstguirlande.

„Versjes zijn heel aardig.” zeide de oude Pendennis, toen hij Pen

eenmaal in de club bezig vond met het opschrijven van een dezer

ongekunstelde ontboezemingen, terwijl hij op zijn diner zat te wachten,

„en het schrijven van brieven is ook goed, als mama het toestaat, en

tusschen zulke oude vrienden, die elkander kennen sedert den tijd dat

zij ten platten lande woonden, mag natuurlijk wel eenige briefwisseling

en meer van dien aard plaats hebben, – maar pas op, Pen, dat gij u niet

vastwerkt, beste jongen. Want wie weet, voor den drommel, wat er

gebeuren kan? Het best is, te zorgen dat er in uwe brieven niets van

belang staat. Ik heb nooit van mijn leven een brief geschreven, die vat

op mij gaf, en toch, voor den drommel, neef, heb ik heel wat

ondervinding van vrouwen gehad.” En daarop verhaalde deze

achtenswaardige heer, die, naarmate hij in jaren vorderde, ook

spraakzamer en vertrouwelijker met zijn neef werd, een aantal treffende

voorbeelden van de slechte gevolgen, welke dit gebrek aan

voorzichtigheid voor verscheidene voorname lui had gehad; – hij

vertelde, hoe de jonge Spoony, door te vurige uitdrukkingen in eenige

verzen aan de weduwe Naylor te bezigen, zich had blootgesteld aan een

bezoek van haar broeder, kolonel Flint, die daarover opheldering kwam

vragen, waardoor Spoony gedwongen was geworden eene vrouw te trouwen,

oud genoeg om zijne moeder te zijn, – dat Hopwood, van de Garde, nadat

het Louisa Salter eindelijk gelukt was den jongen Sir John Bird tot

eene declaratie te brengen, met eenige brieven voor den dag was

gekomen, die jufvrouw S. hem geschreven had, waarop Bird van haar afzag

en later metjufvrouw Stickney van Lyme Regis trouwde, enz. Zoo de

majoor niet veel had gelezen, had hij daarentegen veel opgemerkt en kon

hij zijne betoogen met een aantal voorbeelden toelichten, die hij door

langdurige en zorgvuldige studie van het groote boek der wereldkennis

opgezameld had.

Pen lachte om die voorbeelden en zeide, met een blosje over de

raadgevingen van zijn oom, dat hij die in gedachte houden en

voorzichtig wezen zou. Misschien sproot zijn blos daaruit voort, dat

hij ze in gedachte had gehouden, dat hij voorzichtig was, dat hij zich,

hetzij onwillekeurig, hetzij uit een gevoel van eerlijkheid, in zijn

geschrijf aan jufvrouw Blanche van alle verklaringen onthouden had, die

hem konden binden. „Herinnert gij u de les niet, oom, die ik in die

zaak met Lady Mirabel – met jufvrouw Fotheringay, gekregen heb? Ik zal

mij niet meer laten vangen,” zeide Arthur, met schijnbare

openhartigheid en onderdanigheid. De oude Pendennis wenschte zich

zelven en zijn neef van harte geluk met de behoedzaamheid en de

vorderingen van dezen laatste en verheugde zich over het juiste

standpunt, dat Arthur als man van de wereld gekozen had.

Ware Warrington geraadpleegd, diens oordeel had ongetwijfeld anders

geluid; voorzeker zou hij verklaard hebben, dat de dwaze brieven van

den knaap beter waren dan de behendige complimenten en sluwe vleierijen

van den man; en dat slechts een schelm, of een lafaard, bedekt en langs

zijpaden en met een veiligen aftochtsweg achter zich er op uittrekt om

de vrouw te verwerven, die hij bemint. Doch Pen sprak over dit

onderwerp niet met Warrington, daar hij zeer goed wist èn dat hij

schuldig was èn in welken zin het vonnis van zijn vriend zou luiden.

Kolonel Altamont was nog slechts sinds weinige weken op zijne

buitenlandsche reis en Sir Francis Clavering had zich ten gevolge

zijner overeenkomst met majoor Pendennis onderwijl naar buiten begeven,

toen de slagen des lots onverwacht en zwaar op den eenigen overgebleven

compagnon der kleine firma in Shepherd’s Inn begonnen neer te dalen.

Toen Strong, bij zijn afscheid van Altamont, in de volheid zijner

beurze en de edelmoedigheid zijns harten het geld had afgewezen, dat

laatstgenoemde hem ter leen aanbood, bracht hij een offer aan zijn

geweten en zijne kieschheid, dat hem later menigmaal berouw en spijt

veroorzaakte, en hij gevoelde (wat hem niet dikwijls in zijn leven

gebeurd was), dat hij in dit geval te kiesch en te schroomvallig was

geweest. Waarom zou iemand, die in verlegenheid verkeerde, een

vriendelijk aanbod van de hand wijzen? Waarom zou een dorstig mensch

eene kan water uit eene welwillende hand weigeren, al was die een

weinig onzindelijk? Strong gevoelde gewetensknagingen, dat hij iets had

afgewezen, hetwelk de ander eerlijk gewonnen en gul aangeboden had; en

hij bedacht met smart, nu het te laat was, dat Altamont’s geld even

veilig in zijn zak zou zijn bewaard geweest als in dien van de

speeltafelhouders te Baden of te Ems, aan wien zijn excellentie

onvermijdelijk zijne winst van de wedrennen verliezen zou. Onder de

winkeliers, de geldschieters en anderen, die in geldelijke betrekking

tot kapitein Strong stonden, liep het praatje, dat zijne compagnieschap

met den baronet ontbonden en het „papier” van den kapitein dus voortaan

waardeloos was. De winkeliers, die hem tot nog toe een onbeperkt

vertrouwen hadden geschonken – want wie was tegen Strong’s prettig

gezicht en ronde manieren bestand? – begonnen thans met beleedigend

wantrouwen hunne rekeningen in te zenden. Er werd zonder ophouden aan

de deur der kamers in Shepherd’s Inn geklopt, en de kleermakers,

laarzenmakers, en koks, die diners geleverd hadden, maakten in persoon,

of vertegenwoordigd door hunne knechts, hunne opwachting bij Strong.

Hierbij kwamen nog een paar personen van minder luidruchtigen, maar

veel slimmer en gevaarlijker aard, – de jonge deurwaardersklerken

namelijk, die rondom de Inn zwierven, of zich met den klerk van den

heer Campion op diens kantoor in de nabijheid in verband stelden en in

hunne onheilspellende portefeuilles dagvaardingen hadden, waarbij

Edward Strong gelast werd op dien en dien dag te verschijnen voor de

rechtbank, ten einde zich te hooren veroordeelen, enz., enz.

De arme Strong, die geen guinje op zak had, wist zich natuurlijk tegen

dien aanval van schuldeischers nergens beter te beveiligen dan in des

Engelschmans kasteel, waarin hij dan ook de wijk nam en de binnen- en

buitendeur voor den neus van den vijand sloot, terwijl hij zijne

sterkte eerst na het vallen van den avond verliet. De vijand kwam en

rameide en vloekte tegen de buitenwerken, en onder de hand begluurde de

chevalier hen door het gordijntje, dat hij over de opening van zijne

brievenbus gehangen had, en had de treurige zelfvoldoening de lange

gezichten van woedende klerken en brullende schuldeischers te zien, die

met hun hoofd door den muur wilden en weder moesten terugdeinzen. Daar

echter de vijanden van den chevalier niet altijd vóór zijne deur konden

staan, noch op zijne trap overnachten, lieten zij hem tusschenbeide met

rust.

Terwijl Strong aldus door zijne neringdoende vijanden in het nauw werd

gebracht, stond hij niet alleen tegenover hen, maar hij had zich een

paar bondgenooten weten te verzekeren. Zijne vrienden hielden, volgens

afspraak, gemeenschap met hem door middel van bijzondere signalen; op

die wijze bewaarden zij het garnizoen tegen den hongerdood door de

vereischte toevoeren binnen te brengen en schraagden zij den moed van

Strong, dien zij, door hem in zijne schuilplaats te bezoeken en op te

beuren, van de overgave weerhielden. Huxter en jufvrouw Fanny Bolton

waren twee van Ned’s trouwste bondgenooten; wanneer er vijanden rondom

de Inn loerden, hadden Fanny’s zusjes geleerd een bijzonderen kreet aan

te heffen, welken zij met het onschuldigste gezicht op het plein

uitkraaiden; wanneer Fanny en Huxter Strong kwamen bezoeken, zongen zij

met voorbedacht die zelfde tonen vóór zijne deur, waarop de slagboom

dadelijk werd opgeheven, het dappere garnizoen lachend naar buiten

kwam, de mondbehoeften en de kan porter werden binnengebracht en de

belegerde een genoeglijken avond in het gezelschap zijner beproefde

vrienden doorbracht. Sommigen zouden zulk een staat van spanning niet

kunnen uithouden, maar Strong was, gelijk wij reeds zeiden, een dapper

man, die in den oorlog was geweest en in het gevaar nooit den moed

verloor.

Doch onze generaal had zich niet alleen bondgenooten verzekerd, maar

voor iets nog noodzakelijkers in geval van uitersten, namelijk voor den

aftocht, gezorgd. Op vroegere bladzijden hebben wij verhaald, dat de

heeren Costigan en Bows in het huis naast Strong woonden, en dat het

venster van een hunner kamers niet ver verwijderd was van het

keukenvenster op de bovenverdieping van Strong’s verblijf. Eene looden

waterpijp en goot liep langs die beide vensters, en toen Strong op

zekeren dag uit zijn keukenraam keek, zag hij, dat hij zeer gemakkelijk

op het kozijn van zijn buurmans venster kon springen en opklauteren

tegen de pijp, die van het eene huis naar het andere liep. Lachend had

hij zijn kameraad Altamont op dien uitweg gewezen, en beiden waren

overeengekomen, dat het best was er kapitein Costigan niet mede bekend

te maken, daar diens schuldeischers talrijk waren en de kapitein dus

onophoudelijk langs die pijp hunne vertrekken zou binnendringen, als

hij dit redmiddel eenmaal kende.

Doch nu de kwade dagen voor Strong aangebroken waren, maakte deze zelf

van dien weg gebruik, en stond op zekeren middag plotseling met zijn

prettig gezicht voor Bows en Costigan, aan wie hij vertelde, dat de

vijand op zijne trap zat te wachten en hij nu dit middel bedacht had om

hem bij den neus te nemen. Terwijl dus de adjudanten van mijnheer Marks

in den gang van No. 3 stonden te wachten, ging Strong de trap van No. 4

af, dineerde in de Albion Tavern, begaf zich naar den schouwburg en

kwam te middernacht weer thuis, tot verbazing van jufvrouw Bolton en

Fanny, die hem niet hadden zien uitgaan en niet konden begrijpen hoe

het hem gelukt was de reeks van schildwachten te verschalken.

Strong doorstond dat beleg eenige weken met bewonderenswaardige

geestkracht en standvastigheid, gelijk ook alleen van zulk een oud en

dapper soldaat te verwachten was, want de onaangenaamheden en

ontberingen, die hij te doorstaan had, zouden voldoende zijn geweest,

om iemand van alledaagschen moed neerslachtig te maken; maar wat hem

het meest hinderde en ergerde, was de helsche onverschilligheid en

snoode ondankbaarheid van Clavering, dien hij den eenen brief na den

anderen schreef, welken de baronet met geen enkelen regel noch met het

geringste geldsommetje beantwoordde, ofschoon een bankje van vijf pond,

gelijk Strong zeide, op dat tijdstip een schat voor hem zou geweest

zijn.

Doch er waren voor den chevalier betere dagen in aantocht, en te midden

van zijn wanhopigen en radeloozen toestand deed zich de meest

gewenschte hulp voor hem op. „Ja, zonder dezen goeden kerel,” zeide

Strong, „– want ge zijt een goede kerel, Altamont, mijn jongen, en ik

mag dit en dat zijn, als ik u niet mijn leven lang de hand boven het

hoofd houd, – geloof ik, Pendennis, dat het met Ned Strong slecht

afgeloopen zou zijn. Het was reeds de vijfde week dat ik opgesloten

werd gehouden, want ik kon niet altijd langs die waterpijp den hals er

aan wagen en mijn weg door het venster van den armen ouden Cos nemen,

zoodat de moed mij geheel ontzonk, mijnheer, geheel ontzonk, en ik

begon te overleggen hoe een einde aan mijn leven te maken, hetgeen ik

ook de volgende week zou gedaan hebben, toen Altamont plotseling als

uit den hemel kwam vallen!”

„De hemel was juist de plaats niet, Ned,” zeide Altamont; „ik kwam uit

Baden-Baden, waar ik eene verduiveld gelukkige maand had gehad. Dat is

de eenvoudige loop der zaak.”

„Nu, mijnheer, hij voldeed de rekening van Marks, en betaalde al die

andere kerels, die mij op de hielen zaten, – dat deed hij, als een

ferme kerel,” zeide Strong vol geestdrift.

„En het zal mij genoegen doen eene flesch aan het gezelschap te

schenken, of zooveel meer als men verkiest,” zeide Altamont met een

blos. „Hola, Jan, breng eens eene flesch van den besten, – van den

allerbesten, hoor! Dan zullen wij elkanders gezondheid drinken,

mijnheer, en ik hoop, dat ieder goede kerel als Strong een anderen

goeden kerel moge vinden, die hem helpt als hij in den nood zit. Zoo

denk ik er over, mijnheer Pendennis, ofschoon uw naam mij niet

aangenaam in de ooren klinkt.”

„En waarom niet?” vroeg Arthur.

Strong trapte onder tafel den kolonel op den voet, waarop Altamont, in

een min of meer opgewonden toestand, nog een glas vulde, Pen toeknikte,

het glas uitdronk en toen liet volgen, dat hij een gentleman was, en

dit was voldoende, en alle aanwezigen waren ook gentlemen.

De bijeenkomst van al deze gentlemen had te Richmond plaats, waar

Pendennis was gaan dineeren en den chevalier en diens vriend in de

koffiekamer aan tafel vond. De beide laatsten waren buitengewoon

vroolijk, spraakzaam en door den wijn opgewonden, en Strong, die een

uitmuntend verteller was, verhaalde de geschiedenis van zijn eigen

beleg, zijn avonturen en zijn uitreddingen, zeer levendig en luimig en

bootste de gesprekken, die de deurwaarders op zijne trap gehouden

hadden, de aardige seintjes van Fanny, de potsierlijke verbazing van

Costigan toen de chevalier door diens venster binnenkwam, en eindelijk

zijne redding door Altamont, op zulk eene sprekende wijze na, dat zijne

toehoorders aan zijne lippen hingen.

„Wat mij betreft, heeft het niets te beteekenen,” zeide Altamont.

„Zoodra de bemanning van een schip is afgemonsterd, gaan de matrozen

hun geld verteren, weet je. Het zijn eigenlijk die kerels van het zwart

en rood te Baden-Baden, wien er de eer van toekomt. Ik heb daar eene

fiksche som gewonnen, en ben van plan er nog vrij wat meer te winnen,

niet waar, Strong? Ik neem hem mee, want ik heb nu een vast systeem en

zal zijn fortuin maken, dat verzeker ik u. Ik zal uw fortuin ook maken,

als ge er lust in hebt, – voor den drommel, ieders fortuin! Maar,

jongens, één ding beloof ik u, namelijk dat ik ook voor de kleine Fanny

zal spelen. Wat drommel, mijnheer, wat denkt gij wel, dat zij deed? Zij

bezat twee pond, en waarachtig zij ging naar Ned Strong om hem dat

sommetje ter leen aan te bieden, niet waar, Ned? Laten wij eens op hare

gezondheid drinken.”

„Zeer gaarne,” antwoordde Arthur en dronk dien toast uit den grond

zijns harten mee.

Vervolgens begon mijnheer Altamont met de grootste vlugheid en de

meeste uitvoerigheid zijn stelsel uiteen te zetten. Hij beweerde dat

het, met bedaardheid toegepast, onfeilbaar was. Hij had het van een

kameraad te Baden geleerd, die er wel is waar mee verloren had, maar

alleen omdat hij geen kapitaal genoeg bezat; had hij het nog ééne

wenteling van het rad kunnen volhouden, hij zou al zijn geld hebben

teruggekregen. Die liefhebber zou nu met verscheidene kameraden geld

bijeenbrengen en het geluk nog eens beproeven. Hij zelf, Altamont, zou

elken duit, dien hij bezat, in die zaak steken, en was nu teruggekomen

om zijn geld los te maken en kapitein Strong af te halen. Strong zou

voor hem spelen, want hij kon Strong en diens bedaardheid beter

vertrouwen dan zijn eigene, en veel beter dan Bloundell Bloundell, of

dien Italiaan, die borg wilde blijven voor den goeden uitslag. Onder

het ledigen zijner flesch, beschreef de kolonel al zijne plannen en

vooruitzichten tot in de kleinste bijzonderheden aan Pen, die met

belangstelling naar deze verhalen en bekentenissen van zijn vermetelen

doch goedhartigen tafelvriend luisterde.

„Kort geleden ben ik met dien zonderlingen Altamont in gezelschap

geweest,” zeide Pen een paar dagen later tegen zijn oom.

„Altamont? Welke Altamont? Zoo heet Lord Westport’s zoon,” antwoordde

de majoor.

„Neen, neen; die kerel, die op zekeren dag dronken bij de Clavering’s

binnenkwam, toen wij daar aten,” hernam de neef lachend; „hij zeide,

dat de naam Pendennis hem niet beviel, ofschoon hij mij de eer bewees,

mij voor een fatsoenlijk man te houden.”

„Ik geef u mijn woord, dat ik niemand van den naam van Altamont ken,”

zeide de ondoorgrondelijke majoor, „en wat uwe kennismaking betreft,

geloof ik, Arthur, dat, hoe minder gij u met hem inlaat, hoe beter.”

Arthur moest nogmaals lachen en antwoordde: „Hij wil ons land verlaten

en zijn fortuin gaan maken door middel van een speelsysteem. Hij is

compagnon van mijn lieven academievriend Bloundell, en neemt Strong als

adjudant mee. Ik wilde wel eens weten, wat de band is, die den

chevalier met Clavering verbindt.”

„Ik zou denken, – let wel, Pen, ik zou denken (doch natuurlijk is het

slechts een onderstelling) dat er in Clavering’s vroeger leven iets is

voorgevallen, hetgeen aan die menschen, en eenige anderen, zekere macht

over hem geeft; en indien er zulk een geheim bestaat, hetgeen, mijn

beste jongen, ons niet aangaat, dan is dit eene les, dat een man het

rechte pad door het leven moet bewandelen en zich in niemands macht

stellen.”

„Nu, het komt mij voor, oom, dat ook gij zekeren invloed op Clavering

bezit; waarom zou hij mij anders zijne plaats in het parlement

afstaan?”

„Clavering acht zich niet geschikt voor het parlementaire leven,” gaf

de majoor ten antwoord. „En dat is hij ook niet. Wat zou hem beletten

u, of ieder ander op zijn zetel te plaatsen, als hij dat verkiest?

Denkt gij, dat het gouvernement of de oppositie eenig bezwaar zou

maken, om de beschikking over die plaats aan te nemen, als hij hun die

aanbood? Waarom zoudt gij schroomvalliger zijn dan de voornaamste en

achtenswaardigste mannen, mannen van de hoogste geboorte en het meeste

aanzien in het land, voor den drommel?” De majoor beantwoordde de

meeste opmerkingen van Pen in dezen zin en Pen vereenigde zich met die

antwoorden van zijn oom, niet zoozeer omdat hij ze geloofde, maar omdat

hij ze wilde gelooven. Wij doen het een of ander – wien onzer is dit

niet gebeurd? – niet omdat „iedereen het doet”, maar omdat het ons

behaagt; en onze instemming bewijst, helaas! niet, dat iedereen gelijk

heeft, maar dat wij en al onze medemenschen zwakke schepselen zijn.

Mijnheer Pen verzuimde niet, bij zijn eerstvolgend bezoek te Tunbridge,

jufvrouw Blanche te doen lachen over de door hem te Richmond vernomen

historie van de belegering van den chevalier en het ontzet, dat deze

aan den dapperen Altamont te danken had gehad. En nadat hij dit verhaal

op zijne gewone satirieke wijze had gedaan, vermeldde hij, met lof en

aandoening, hoe edelmoedig de kleine Fanny zich jegens den chevalier

had gedragen en hoeveel geestdrift Altamont daardoor voor haar had

opgevat.

Jufvrouw Blanche was een beetje jaloersch en gevoelde vrij wat spanning

en nieuwsgierigheid ten aanzien van Fanny. Men kan wel aannemen, dat

onze held, onder de vele vertrouwelijke praatjes, die hij met jufvrouw

Amory gedurende hunne heerlijke ritjes op het land en hunne liefelijke

avondwandelingen hield, niet zal hebben nagelaten haar eene voor hem

zelven zoo gewichtige en waarschijnlijk ook voor haar zoo

belangwekkende geschiedenis als die van de liefde en het leed der arme

Ariadne in Shepherd’s Inn mee te deelen. Om hem recht te laten

weervaren, moeten wij erkennen, dat hij de rol, die hij zelf in dat

drama vervuld had, met gepaste zedigheid beschreef, daar de moraal, die

hij uit deze historie wenschte te trekken, met zijn gewonen satirieken

geest strookte, namelijk dat de vrouwen haar eerste liefde even

gemakkelijk te boven komen als de mannen (want in hunne vertrouwelijke

gesprekken plaagde de schoone Blanche mijnheer Pen onophoudelijk over

zijne geduchte nederlaag bij zijn eigene maagdelijke liefde tot

jufvrouw Fotheringay) en, wanneer nommer één van de baan is, zich

zonder veel bedenking aan nommer twee overgeven. En de arme kleine

Fanny moest het voorbeeld zijn, om die theorie toe te lichten. Welke

smart zij doorstaan en overwonnen had, welke bittere rampen eener

hopelooze liefde zij had verduurd, hoeveel tijd er noodig was geweest

om de wonden van dit teere, bloedende hartje te heelen, wist mijnheer

Pen niet, of verkoos hij misschien niet te weten; want hij koesterde

een bescheiden twijfel omtrent zijne gaven als hartenveroveraar, en

wilde ongaarne gelooven, dat hij in dat hart in het bijzonder eenige

betreurenswaardige verwoestingen had aangericht, ofschoon het voorbeeld

en het argument, dat hij in dit geval bezigde, tegen hem getuigde; want

indien jufvrouw Fanny, gelijk hij zeide, thans verliefd was op haar

medischen aanbidder, die noch voorkomen, noch manieren, noch geest,

noch iets anders dan liefde en getrouwheid tot zijn aanbeveling had,

moest zij dan niet, bij den eersten aanval der liefdekwaal, ernstig en

zwaar geleden hebben om der wille van een man, die ongetwijfeld een

aantal dier in het oog loopende bekoorlijkheden bezat, welke mijnheer

Huxter miste?

„Ondeugend, akelig schepsel!” zeide jufvrouw Blanche, „ik geloof dat

het u ergert, dat Fanny u heeft durven vergeten, en dat gij werkelijk

op mijnheer Huxter jaloersch zijt.” Misschien trof jufvrouw Amory den

spijker wel op den kop, daar er zijns ondanks een blos op zijne wang

begon te komen (een van die oorvegen, welke men telkens van de

ijdelheid ontvangt), een bewijs dat Pen zich boos maakte bij de

gedachte, dat hij door zulk een mededinger verdrongen was. Door zulk

een kerel, zonder eenige denkbare goede eigenschap! O, mijnheer

Pendennis! (ofschoon deze opmerking niet toepasselijk is op zulk een

uitstekend jongmensch als gij zijt) indien de natuur niet aan ieder

geslacht een steun geschonken had in de lichtgeloovigheid van het

andere, waardoor men voortreffelijkheden ziet waar er geene bestaan,

waardoor men sierlijkheid ontdekt in ezelsooren, geest in ezelskoppen

en muziek in het ezelbalken, dan zou er op verre na zooveel trouwen en

ten huwelijk geven niet geweest zijn als nu het geval is en ook

vereischt wordt voor de behoorlijke voortplanting en instandhouding van

het edele ras, waartoe wij gerekend worden!

„Jaloersch of niet – en ik wil het niet tegenspreken, Blanche –,” zeide

Pen, „ik had wel gewenscht, dat Fanny beter af ware gekomen dan op die

wijze. Ik houd er niet van, dat geschiedenissen op die koele wijze

afloopen en dat wij, als wij aan het einde der liefdeshistorie van een

mooi meisje komen, zulk eene figuur als dien Huxter op de laatste

bladzijde van den roman ontmoeten. Is het gansche leven dan slechts een

compromis, schoone dame, en is eene lafhartige overgave het einde van

den liefdestrijd? Moet het zoeken naar den Minnegod, dien mijn arme

kleine Psyche in de duisternis najaagde, – den god, waarnaar hare ziel

smachtte, den god met de rozenwangen en de regenboogkleurige

vleugeltjes, – uitloopen op Huxter, riekende naar tabak en likpotten?

Ik wenschte, ofschoon ik het in het leven niet zie gebeuren, dat de

menschen op Jenny en Jessamy, of op mylord en Lady Clementina in de

verhalen en deftige romans geleken en, als de trouwplechtigheid

voltrokken wordt, ja, als het ware op het oogenblik dat de predikant de

inzegening uitspreekt, te gelijk mooi en braaf wierden, om daarna voor

altijd gelukkig en goed te zijn.”

„En zijt gij niet voornemens goed en gelukkig te zijn, Monsieur le

Misanthrope, – en zijt gij zoo ontevreden met uw lot, en zal uw

huwelijk een compromis zijn?” vroeg de schrijfster van Mes Larmes met

eene betooverende moue, „en is uwe Psyche een leelijk, gemeen meisje?

Ondeugend, satiriek schepsel, ik kan u niet uitstaan! Gij steelt de

harten van jonge meisjes, speelt er mee en werpt ze verachtelijk weg.

Gij vraagt om liefde en vertrapt die! Gij – gij maakt mij aan het

schreien, dat doet gij, Arthur, en – och neen, laat dat! – ik wil niet

op die manier getroost worden – en ik ben overtuigd dat Fanny volkomen

gelijk had, toen zij van zulk een schepsel zonder hart afzag.”

„Ik zal het weer niet tegenspreken,” zeide Pen, terwijl hij Blanche

zeer somber aanzag en de poging om haar te vertroosten niet herhaalde,

die haar de lieftallige waarschuwing, „och neen, laat dat!” ontlokt

had. „Ik geloof niet, dat ik veel bezit van hetgeen de menschen hart

noemen; maar ik maak er ook geen aanspraak op. Op mijn achttiende jaar

ontstak ik mijne lamp en toog uit om Cupido te zoeken. En wat ontdekte

ik op mijne liefdereis? een alledaagsche danseres. Ik heb mij vergist,

zooals ieder, of bijna ieder doet; doch het is gelukkiger zich vóór dan

na het huwelijk te vergissen.”

„Merci du choix, monsieur!” zeide de sylphide met eene nijging.

„Zie, kleine Blanche,” zeide Pen, hare handgrijpende, met eene stem vol

weemoedige vriendelijkheid, „ik verlaag mij ten minste tot geen

vleierijen.”

„Juist het tegendeel,” zeide jufvrouw Blanche.

„En vertel u geen dwaze onwaarheden, zooals alledaagsche mannen doen.

Waarom zouden gij en ik met onze ondervinding romaneskheid trachten

voor te wenden en liefde te veinzen? Ik geloof niet, dat jufvrouw

Blanche Amory de schoonste der schoonen, noch de grootste dichteres,

noch de uitstekendste musicienne is, evenmin als ik geloof, dat gij de

rijzigste vrouw zijt van de gansche wereld, gelijk de reuzin, die wij

gisteren afgebeeld zagen, toen wij de kermis over reden. Maar zoo ik u

niet als heldin beschouw, stel ik ook uw onderdanigsten dienaar niet

als held voor. En ik vind, dat gij – nu dan, dat gij er zeer goed

uitziet.”

„Merci!” zeide jufvrouw Blanche met eene tweede nijging.

„Ik geloof, dat gij heerlijk zingt. Ik weet, dat gij verstandig zijt.

Ik hoop en geloof, dat gij een goed hart en een gezelligen aard bezit.”

„En derhalve, mits ik u eene zekere som gelds en eene plaats in het

parlement aanbreng, wilt gij u wel verwaardigen mij tot uwe Sultane te

verheffen, zeide Blanche. „Que d’honneur! Wij plachten uwe hoogheid den

prins van Fairoaks te noemen. Welk een eer, te mogen denken dat ik tot

den troon verheven zal worden en den sultan eene plaats in het

parlement als geschenk mag aanbieden! Het verheugt mij, dat ik

verstandig ben en zoo spelen en zingen kan, dat het uwe goedkeuring

wegdraagt; mijne liedjes zullen mylord’s ledigen tijd korten!”

„En indien er dieven rondom het huis zwerven,” zeide Pen, de

vergelijking met bijtenden spot voortzettende, „veertig lastige dieven

in de gedaante van dreigende zorgen en vijanden, die in hinderlaag

liggen, en hartstochten, die onder de wapenen staan, dan zal mijne

Morgiana met eene tamboerijn voor mij dansen en de schelmen en dieven

met een lachje verslaan. Dat zal zij immers?” Maar Pen zag er uit alsof

hij niet geloofde, dat zij het doen zou. „Och, Blanche,” ging hij na

een oogenblik stilzwijgens voort, „wees niet boos; trek het u niet aan,

dat ik zoo rond voor de waarheid uitkom. Voelt gij niet, dat ik u

altijd bij uw woord neem? Gij zegt, dat gij eene slavin zult zijn en

dansen, en ik zeg: dans! Gij zegt, dat ik u neem met hetgeen gij

aanbrengt, en ik herhaal: „Ik neem u met hetgeen gij aanbrengt.” Waarom

zouden wij bij de noodzakelijke misleidingen en huichelarijen des

levens er nog nuttelooze en onnoodige bijvoegen? Indien ik mij u

aanbied, omdat ik geloof dat wij een goeden kans hebben om samen

gelukkig te zijn en ik met uw behulp voor ons beiden een goeden stand

en een niet onaanzienlijken naam kan verwerven, waarom zoudt gij dan

van mij eischen, dat ik eene verrukking zou voorwenden en eene

romaneskheid veinzen, waaraan wij geen van beiden gelooven? Wenscht

gij, dat ik zou komen vrijen in het costuum van een prins uit een

tooverballet, gehuurd bij een costumier, om u complimentjes op te

disschen gelijk een Sir Charles Grandison? Zoudt gij willen, dat ik

verzen maakte, zooals in de dagen toen wij – toen wij kinderen waren?

Dat zal ik doen, als gij het verkiest, om ze daarna aan Bacon en Bungay

te verkoopen. Moet ik mijn prinsesje bonbons te eten geven?”

„Mais j’adore les bonbons, moi,” zeide de kleine Sylphide met een

kluchtig pruilend gezichtje.

„Ik kan er bij Fortnum en Mason een hoed vol koopen voor een guinje. En

het kindje zal zijne bonbons hebben, zijne hondjes van bruidsuikertjes,

dat zal het,” zeide Pen met een bitteren glimlach. „Nu, lieve, liefste

kleine Blanche, schrei niet. Droog uwe mooie oogjes af, dat kan ik niet

aanzien;” en daarop bood hij haar die vertroosting aan, welke door de

omstandigheden vereischt en door de tranen, de echte tranen van spijt,

die nu aan de vertoornde oogen der schrijfster van Mes Larmes

ontsprongen, gevorderd werd.

De spottende en sarcastische toon van Pendennis verschrikte en

overblufte het meisje. „Ik – ik wil uw troost niet! Nie – niemand heeft

nog ooit te vo – te voren zoo tegen mij gesproken,” snikte zij op de

ongekunsteldste wijze.

„Niemand?” kreet Pen, in een woesten lach uitbarstende, waarop Blanche

een der echtste blosjes kreeg, die zich ooit op hare wang vertoond

hadden, en uitriep: „O, Arthur, vous êtes un homme terrible!” De wufte

kleine coquette, die gedurende de laatste twaalf jaren haars levens de

verliefde gespeeld had, was verbijsterd, onthutst en in het nauw

gedreven en toch mishaagde het haar niet, dat zij eindelijk haar

meester vond.

„Zeg eens, Arthur,” sprak zij, na een oogenblik van pauze in deze

vreemdsoortige minnarij, „waarom geeft Sir Francis Clavering zijne

plaats in het parlement op?”

„En kom maar ter zake, – waarom staat bij die aan mij af?” vroeg

Arthur, die nu op zijne beurt bloosde.

„Gij drijft altijd den spot met mij, mijnheer,” hernam zij. „Als het

lidmaatschap van het parlement ergens toe dient, waarom legt Sir

Francis het dan neer?”

„Mijn oom heeft hem daartoe overgehaald. Hij zeide altijd, dat er voor

u niet toereikend gezorgd was. Bij de – de familietwisten is er, toen

uwe mama zijne schulden met zoo milde hand vereffende, waarschijnlijk

bepaald, dat gij – ik bedoel, dat ik – dat wil zeggen, op mijn woord ik

weet niet waarom hij aftreedt,” zeide Pen met een tamelijk gedwongen

lach. „Gij ziet, Blanche, dat gij en ik twee zoete kindertjes moeten

zijn, dat dit huwelijk voor ons beraamd is door onze mama’s en ooms en

dat wij moeten gehoorzamen, gelijk een zoeten jongen en een zoet meisje

betaamt.”

Toen Pen dus weer naar Londen ging, zond hij Blanche eene doos bonbons,

van welke elk stukje in Fransche deviezen van den teedersten aard

gewikkeld was, en daarenboven vaardigde hij eenige gedichten van zijn

eigen maaksel naar haar af, die even ongekunsteld en oprecht gemeend

waren; geen wonder dus, dat hij niet aan Warrington vertelde welke

gesprekken hij met jufvrouw Amory had gehad, zoo teer waren zij geweest

en natuurlijk van zulk een vertrouwelijken aard.

Doch zoo Arthur Pendennis, de zoon der weduwe, het voornemen koesterde

om afvallig te worden, gelijk menig beter en slechter man vóór hem

gedaan heeft, en zich te verkoopen, wij weten wel aan wien, zoo wendde

de renegaat ten minste niet voor, dat hij de nieuwe leer geloofde, die

hij gereed stond te omhelzen. En indien slechts ieder man en iedere

vrouw in dit koninkrijk, die zich verkocht heeft voor geld of rang,

gelijk mijnheer Pendennis op het punt stond te doen, een exemplaar van

zijne Gedenkschriften wilde koopen, hoeveel duizenden ponden boeken

zouden de uitgevers Bradbury en Evans af te leveren hebben!

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 132 / 155 题