Lady Clavering had op eene schilderachtige heidevlakte in de nabijheid
van Tunbridge Wells eene lieve villa gevonden, die zij na hare
huwelijksrampen op het einde van dat ongelukkige Londensche seizoen
betrok. Jufvrouw Amory vergezelde hare moeder natuurlijk, en de jonge
heer Clavering kwam met de vacantie thuis. Met hem te vechten en te
krakeelen was Blanche’s voornaamste bezigheid. Maar dit was slechts
eene huiselijke uitspanning, en de jeugdige schoolknaap was geen vriend
van spelen binnenshuis. Hij kon te Tunbridge cricket spelen en vond er
paarden en een aantal kameraden. Het huis van de goedhartige begum was
bestendig vol met jonge heeren van dertien jaar, die veel te veel
taartjes aten en champagne dronken, die wedrennen op het grasperk
hielden en de liefhebbende moeder telkens deden schrikken, die rookten
en er onpasselijk van werden en de eetzaal onbruikbaar maakten voor
jufvrouw Blanche, die bovendien van het gezelschap van jonge heeren van
dertien jaar niet hield.
Aan dat lieve jeugdige schepseltje was iedere verandering welgevallig,
als het maar verandering was; en een paar weken lang zou zij zelfs
behagen geschept hebben in armoede en een hutje en in een korstje brood
met kaas, en een enkelen nacht misschien in een kerker op brood en
water, en derhalve was de verhuizing naar Tunbridge haar in geenen
deele onwelkom. Zij wandelde in de bosschen en teekende boomen en
boerderijen uit; zij las geregeld Fransche romans; zij reed vrij
dikwijls naar Tunbridge Wells, om elke tooneelvoorstelling of bal, of
goochelavond of concert bij te wonen, dat daar plaats had; zij sliep
veel; des morgens twistte zij met mama en Frans; zij vroeg naar de
dorpsschool en legde daar een bezoek af; eerst liefkoosde zij de
meisjes en plaagde de onderwijzeres, en vervolgens beknorde zij de
meisjes en lachte om de jufvrouw, en natuurlijk kwam zij trouw ter
kerk. Het was een aardig kerkje, eene heerlijke antiquiteit – een klein
Anglo-Normandisch juweeltje, eergisteren gebouwd en versierd met
allerlei geschilderde vensters, gebeeldhouwde heiligenkoppen,
bijbelteksten in vergulde letters en vrije banken. Blanche begon
dadelijk, volgens hoogkerkelijk gebruik, een altaarkleed voor dat
kerkje te werken. Een tijdlang was zij eene heilige in het oog van den
dominé, dien zij geheel verblindde en zoo kunstig vleide en prees en in
de hoogte stak, dat de arme mevrouw Smirke, die haar eerst heel lief
vond, haar vervolgens slechts duldde en eindelijk haast niet meer woord
wilde staan, en bijna dol was van jaloerschheid. Mevrouw Smirke was de
echtgenoote van onzen ouden vriend Smirke, den leermeester van Pen en
den aanbidder van de arme Helena. Hij had zich over haar afwijzing
getroost met eene jonge dame van Clapham, welke zijne moeder voor hem
gezocht had. Na het overlijden van deze laatste, werden de begrippen
van onzen vriend van dag tot dag strenger. Hij sneed den kraag van zijn
rok af en liet zijn haar tot in den hals groeien. Met zelfverloochening
deed hij afstand van de kuif, die hij vroeger droeg, en van den knoop
zijner das, waarop hij tamelijk trotsch was geweest. Hij liep nu geheel
zonder das, vastte elken Vrijdag, las de Roomsche gebeden en gaf te
verstaan dat hij bereid was in de consistoriekamer de biecht af te
nemen. Ofschoon hij het onschuldigste schepsel ter wereld was, werd hij
door Muffin, in de afgescheiden kerk, en door mijnheer Simeon Knight,
in de oude kerk, voor een zwarten en allergevaarlijksten Jezuïet en
papist uitgekreten. Mijnheer Smirke had van het geld, dat zijne moeder
te Clapham hem had nagelaten, zijne Kapel der Ruste gebouwd. Heere!
heere! wat zou zij wel gezegd hebben, als zij eene tafel een altaar had
hooren noemen! als zij er kaarsen op gezien had! als zij brieven
ontvangen had, gedagteekend van het feest van Sint Dinges, of van Sint
Die- en Die! Al die dingen bracht de jonge geestelijke van Clapham in
practijk, en zijne getrouwe vrouw ging daarin met hem mee. Maar toen
Blanche een onderhoud van bijna twee uren met mijnheer Smirke in de
consistoriekamer had, liep Belinda het grasperkje op en neer, waar tot
nog toe slechts twee grafzerkjes lagen, en zou gewenscht hebben dat er
nog een derde lag, ware het niet te vreezen geweest, dat hij dan
waarschijnlijk zijne hand aan dat schepsel zou aanbieden, hetwelke hem
in minder dan veertien dagen betooverd had. Neen, zij zou de plaats
ruimen, zij zou in een klooster gaan, de gelofte afleggen en hem
verlaten. In zulk een slechten reuk stond Smirke bij zijne vrouw en
zijne buren; deze laatsten hielden het er voor, dat hij in
rechtstreeksche briefwisseling met den bisschop van Rome stond; de
eerste betreurde afdwalingen, die in haar oog nog hatelijker en
noodlottiger waren, en echter had onze vriend niet het minste kwaad ter
wereld in den zin. De post bracht hem nooit een brief van den paus, en
zeker is het, dat hij Blanche wel in den beginne als het vroomste,
begaafdste, rechtzinnigste en innemendste meisje beschouwde, dat hij
ooit ontmoet had, terwijl hare manier van zingen in de kerk hem geheel
wegsleepte; – maar na eenigen tijd begon jufvrouw Amory hem te
vervelen; hare manieren en lieftalligheden stonden, waardoor dan ook,
hem tegen; vervolgens begon hij aan jufvrouw Amory te twijfelen;
eindelijk verwekte zij een opschudding op de school, maakte zich boos
en tikte de kinderen op de vingers. Blanche wekte eerst bewondering en
bracht later tegenzin bij vele mannen teweeg. Zij trachtte hun te
behagen, spreidde al hare bekoorlijkheden op eenmaal ten toon, en
overlaadde hen met hare liefste lachjes, vleierijen, aardigheden en
lonkjes. Maar weldra begonnen zij haar te vervelen en verveelden haar
tevens die kunstgrepen om hen te behagen, en daar zij nooit iets om hen
gegeven had, liet zij hen varen; en zoo begon zij ook de mannen te
vervelen, die zich van hun kant terugtrokken. Het was een zalige avond
voor Belinda toen Blanche heenging, en haar man meteen blosje en een
zuchtje bekende, „dat hij zich in haar bedrogen had; hij had gemeend,
dat zij met vele kostbare begaafdheden was toegerust, en nu vreesde
hij, dat dit alles maar klatergoud was; hij dacht, dat zij rechtzinnig
was, en hij vreesde nu dat zij den godsdienst slechts tot een
tijdverdrijf had gebezigd; in ieder geval had zij zich boos gemaakt
tegen de onderwijzeres en Polly Rucker barbaarsch op de kneukels
geslagen.” Belinda vloog in zijn armen en er was geen sprake meer van
graf of sluier. Teeder kuste hij haar op het voorhoofd. „Er is niemand
u gelijk, mijne Belinda,” zeide hij, terwijl hij zijne mooie oogen naar
de zoldering opsloeg, „gij gezegende onder de vrouwen!” En wat Blanche
betrof, zoodra Smirke en Belinda buiten haar gezicht waren, dacht zij
aan beiden geen oogenblik meer en bekommerde zich in het minst niet
over hen.
Maar tot dit punt van onverschilligheid was het met jufvrouw Blanche of
den eenvoudigen dominé nog niet gekomen, toen Arthur naar Tunbridge
Wells overkwam, om eenige dagen bij de begum door te brengen. Smirke
beschouwde haar nog als een engelin en een wonder onder de vrouwen.
Zulk een toppunt van volmaaktheid had hij nog nooit gezien, en als zij
op de zomeravonden muziek maakte, zat hij, in bewondering opgetogen en
zijne thee en boterhammen vergetende, met open mond naar haar te
luisteren. Hoe wegslepend hij ook had gehoord dat de muziek in de opera
was – hij had maar eens eene voorstelling van dien aard bijgewoond
(waarvan hij slechts blozende en zuchtende sprak – het was op dien
avond toen hij Helena en haar zoon naar den schouwburg te Chatteries
vergezeld had) – zoo kon hij zich toch niets liefelijker, niets
hemelscher, zou hij bijna gezegd hebben, dan jufvrouw Amory’s muziek
voorstellen. Zij was een hoogbegaafd wezen; zij had een
allerverhevenste ziel; zij bezat alleropmerkelijkste talenten en, voor
zoover men oordeelen kon, een engelachtig humeur, enz., enz. In dezen
geest liet Smirke, die toen op het toppunt van opgewondenheid en
bewondering voor Blanche stond, zich tegen Arthur over haar uit.
Het weerzien der beide oude bekenden was zeer hartelijk geweest. Arthur
hield van iedereen, die van zijne moeder gehouden had, en Smirke kon
met ongeveinsd gevoel en aandoening over haar spreken. Zij hadden
elkander honderd dingen te vertellen, die hun reeds in hun leven
overkomen waren. „Arthur zou wel opmerken,” zeide Smirke, „dat zijne –
zijne begrippen over kerkelijke zaken sedert hun vriendschappelijken
omgang eene hoogere vlucht genomen hadden.” Mevrouw Smirke, eene dame
van voorbeeldigen levenswandel, bevorderde die naar vermogen. Hij had
zijn kerkje gebouwd na het afsterven zijner moeder, die hem genoegzame
middelen had nagelaten. Ofschoon hij zelf, als het ware, in een
klooster leefde, was Arthur’s reputatie toch tot hem doorgedrongen. Hij
zeide dit alles op zijn vriendelijksten en weemoedigsten toon; daarbij
sloeg hij de oogen neer en liet zijn blond hoofd op zijde hangen.
Arthur vermaakte zich onbeschrijfelijk met hem, met zijne manieren,
zijn eigenaardigheden en zijn onnoozelheid, met zijne witte das en zijn
lang haar, met zijne wezenlijke goedheid, zachtmoedigheid en
vriendschappelijkheid. En zijne loftuitingen over Blanche behaagden en
verrasten onzen vriend niet weinig en waren oorzaak, dat hij haar met
bijzonder gunstige oogen aanzag.
Blanche was inderdaad zeer verheugd Arthur te zien, gelijk men zich
verblijdt over de aankomst van een onderhoudend man op het land, die
het laatste nieuws en de laatste anekdotes uit de hoofdstad meebrengt,
die beter kan praten dan de meeste landbewoners en ten minste die
liefelijke Londensche brabbeltaal kan spreken, die voor de bewoners der
hoofdstad zoo aangenaam en onmisbaar is, en door personen, die buiten
de wereld leven, zoo weinig verstaan wordt. Den eersten dag van Pen’s
overkomst hield hij Blanche na het diner uren lang aan het lachen. Zij
zong hare liedjes met dubbele opgewektheid. Zij keef niet met hare
moeder, maar vertroetelde en kuste haar, tot verbazing van de eerzame
begum. Toen het tijd werd om zich ter rust te begeven, riep zij met een
allerliefst spijtig gezichje: „Déjà!” Zij was wezenlijk wanhopig, dat
zij reeds naar bed moest gaan, en klemde Arthur’s hand op de innigste
wijze in de hare, terwijl hij van zijn kant aan dat lieve handje een
zeer hartelijken druk gaf. Onze jonge heer was van zulk eene natuur,
dat oogen, die slechts middelmatig schitterden, hem spoedig van zijn
stuk brachten.
„Zij is aanmerkelijk verbeterd,” dacht Pen, in de stilte van den nacht
naar buiten ziende: „aanmerkelijk. Ik vooronderstel, dat de begum er
niets tegen zal hebben, dat ik uit het open venster rook. Het is een
opgeruimde, goede oude vrouw, en Blanche is ontzaglijk verbeterd! Haar
omgang met hare moeder heden avond beviel mij zeer. Wat lachte zij
aardig om dien mallen hokkeling van een jongen, dien men niet moest
toestaan zich te bedrinken. Zij zong die versjes alleraardigst, en het
waren ook verduiveld aardige versjes, ofschoon ik misschien de laatste
ben, die dat moest zeggen.” En daarop neuriede hij een wijsje, dat
Blanche op eenige zijner eigen verzen gemaakt had. „O, wat een
heerlijke nacht! Wat is eene sigaar bij avond toch aangenaam! Wat ziet
dat Saksische kerkje er in het maanlicht lief uit! Wat zou die ouwe
Warrington nu wel op het oogenblik doen? Ja, het is een verduiveld
aardig kopje, zooals oom zegt.”
„O, hoe hemelsch!” liet zich thans eene stem uit een met clematis
begroeid venster hooren – eene meisjesstem: het was die der schrijfster
van Mes Larmes.
Hier barstte Pen in het lachen uit. „Vertel niet, dat ik gerookt heb,”
zeide hij, zich uit zijn eigen venster vooroverbuigende.
„O, ga maar voort! Ik vind het heerlijk,” riep de dame van Mes Larmes.
„O, wat een hemelsche nacht! Hemelsche, hemelsche maan! Maar ik moet
mijn venster sluiten en niet met u praten, vanwege les moeurs. Wat zijn
die toch kluchtig, les moeurs. Adieu.” En Pen begon den „goeden nacht
aan Don Basile” te zingen.
Den volgenden dag wandelden zij lachend en snappend, als het
vroolijkste paar bekenden dat men zien kon, door het veld. Zij spraken
over de dagen hunner jeugd en Blanche was alleraardigst sentimenteel.
Zij babbelden over Laura, die allerliefste Laura, die Blanche als eene
zuster bemind had; gevoelde zij zich gelukkig bij die oude Lady
Rockminster? Zou zij niet te Tunbridge bij hen willen komen logeeren?
O, wat zouden zij samen heerlijke wandelingen doen! Wat zouden zij
liederen zingen – die oude, oude liederen! Laura bezat eene heerlijke
stem. Wist Arthur – zij kon hem niet anders dan Arthur noemen – wist
Arthur, nu hij zulk een groot man was geworden en zulk een succès had
verworven, nog wel welke liederen zij zongen in die gelukkige vroegere
dagen? enz., enz.
En den daaropvolgenden dag, door een lief uitstapje in het bosch naar
Penshurst en de bezichtiging van dat mooie park met het heerenhuis
verlevendigd, had het gesprek met den dominé plaats, waarvan wij reeds
melding hebben gemaakt, en hetgeen onzen vriend heel veel te denken
gaf.
„Is zij wezenlijk zoo voortreffelijk geworden?” vroeg hij zich af. „Is
zij nu ernstig en godsdienstig? Bemoeit zij zich met de school en
bezoekt zij de armen? Is zij jegens hare moeder en haar broeder zoo
vriendelijk? Ja, ik ben er van overtuigd, want ik heb dat zelf gezien.”
En toen Pen met zijn gewezen leermeester diens kleine gemeente
doorwandelde en zijne school bezocht, zag hij met onuitsprekelijk
genoegen, dat Blanche de kinderen zat te onderwijzen, en daarbij stelde
hij zich voor, hoe geduldig en goedhartig en onschuldig, hoe wezenlijk
eenvoudig en onbedorven zij was.
„En houdt gij inderdaad van het verblijf op het land?” vroeg hij haar,
toen hij met haar wandelde.
„Ik zou wenschen, die akelige stad nooit weer te zien. O, Arthur – ik
wil zeggen mijnheer – nu, Arthur dan – de goede gedachten ontkiemen bij
den mensch in deze liefelijke bosschen en in deze kalme eenzaamheid,
gelijk die bloemen, die gij wel weet, dat in Londen niet willen
bloeien. De tuinier komt eenmaal ’s weeks de bloemen op ons balkon
vernieuwen. Ik geloof, dat ik Londen niet meer in het gezicht zal
kunnen zien – in dat leelijke, berookte, ijzeren gezicht. Maar och!”
„Waarom die zucht, Blanche?”
„Och, dat komt er niet op aan.”
„Ja, het komt er voor mij wel op aan. Vertel mij alles, alles!”
„Ik wenschte, dat gij niet waart overgekomen,” en er verscheen eene
tweede uitgave van Mes Soupirs.
„Hebt gij dan niet gaarne, dat ik hier ben, Blanche?”
„Ik heb niet gaarne, dat gij weggaat. Ik geloof niet, dat het hier heel
genoeglijk zal zijn als gij weg zijt, en dit is de reden waarom ik
wenschte, dat gij niet gekomen waart.”
Bij deze woorden werden Mes Soupirs ter zijde gelegd en Mes Larmes voor
den dag gebracht.
Ach, welk antwoord volgt er op deze, wanneer zij zich in de oogen eener
jonge vrouw vertoonen? Welk middel wordt er aangewend, om ze weg te
wisschen? Wat gebeurde er? O, tortelduifjes en rozen! o, dauwdroppels
en wilde bloemen! o, golvende boschjes en balsemgeurende zomerluchtjes!
Hier had men twee afgesloofde Londensche pretmakers, die zich zelven
voor een oogenblik bij den neus namen en meenden dat zij op elkander
verliefd waren, gelijk Phillis en Corydon!
Wanneer men aan het leven op het land en de wandelingen in de boschjes
denkt, verwondert men zich, dat er nog één man bestaat, die ongetrouwd
is gebleven.