HETWELK MISSCHIEN TOT OPHELDERING VAN HOOFDSTUK LXII KAN STREKKEN.

Het inzicht, dat majoor Pendennis, zoo door middel van Strong als door

eigene persoonlijke bemoeiing als vriend des huizes, in de zaken der

familie Clavering gekregen had, was van dien aard, dat de oude heer

bijna terugkwam van de plannen, die hij eenmaal ten voordeele van zijn

neef beraamd had. Eene vrouw, met twee zulke schoonvaders als de beide

achtenswaardige heeren, die de onschuldige en beklagenswaardige Lady

Clavering in hunne huwelijksondernemingen betrokken hadden, kon Arthur

geen voordeel aanbrengen. En ofschoon de een tot zekere hoogte den

ander onschadelijk maakte en de optreding van Amory of Altamont in het

publiek het sein zou zijn geweest tot zijn onmiddellijke verdwijning en

strenge bestraffing (want de ontvluchte veroordeelde had den beambte,

die met zijne bewaking belast was, overhoop gestoken) en een strop zijn

onvermijdelijk einde zou zijn, indien hij weer in handen van de

Britsche justitie viel, zoo kon echter geen voogd er op gesteld zijn,

voor zijn pupil eene vrouw te kiezen, wier vader op zulk eene wijze uit

den weg moest geruimd worden; en de oude heer was altijd van gedachte

geweest, dat Altamont, met de galg voor oogen, wel zou zorgen niet

herkend te worden; terwijl te gelijker tijd Clavering, die alles zou

verliezen zoodra Amory voor den dag kwam, ingeval men de bedreiging van

de ontdekking boven zijn hoofd hield, de slaaf zou zijn van dengeen,

die zulk een ontzettend geheim kende.

Maar indien de begum Clavering’s schulden nog meermalen betaalde, zou

haar rijkdom geheel aan dezen reddeloozen verkwister verspild worden,

en hare erven, wie dit dan ook waren, zouden niets anders dan eene

ledige kas vinden, terwijl jufvrouw Amory, in plaats van haar gemaal

een goed inkomen en eene plaats in het parlement ten huwelijk te

brengen, hem alleen haar persoon zou kunnen aanbieden, benevens haar

stamboom, met de noodlottige aanteekening: „opgehangen dat er de dood

na volgde” naast den naam van den laatsten mannelijken afstammeling van

haar geslacht.

Er stond echter voor den ouden plannenmaker, toen hij al deze dingen

overdacht, nog een andere weg open, gelijk zal blijken aan den lezer,

die de moeite wil nemen het onderhoud te volgen, dat kort daarop

tusschen majoor Pendennis en den hoogwelgeboren baronet, het

parlementslid voor Clavering, plaats had.

Wanneer een man, die in geldverlegenheid verkeert, uit den kring zijner

gelijken en dagelijksche vrienden verdwijnt, wanneer hij als het ware

wegduikt uit den zwerm vogels, waarmee hij gewoon was uit te vliegen,

dan is het verwonderlijk in welke vreemde en afgelegen hoeken hij weer

boven komt om adem te scheppen. Ik heb het bijgewoond, dat een niet

onaanzienlijk persoon, een slenteraar door Pall Mall en een groot heer

in Rotten Row, uit den kring zijner kameraden in de clubs en parken

verdween en zeer tevreden en genoeglijk teruggevonden werd in eene

restauratie in Billingsgate, waar men voor achttien stuivers eten kan;

een ander zeer geleerd en geestig heer, die uit de handen der

deurwaarders moest trachten te blijven (indien ik zeide, dat hij een

letterkundige was, zouden sommige recensenten beweren, dat ik eene

blaam had willen werpen op de letterkundigen in het algemeen), zond mij

eens zijn adres in een klein kroegje, geheeten „de Vos in ’t Kuiltje,”

aan het eind van een donkeren en spelonkachtigen gang in het Strand.

Iemand, die in dergelijke benarde omstandigheden verkeert, heeft

misschien een huis, maar is er nooit in; hij heeft een adres, waar men

brieven voor hem kan afgeven; doch alleen de dwazen gaan er heen, in de

hoop hem daar in persoon te zullen aantreffen. Slechts weinige zijner

getrouwen weten waar hij te vinden is en bezitten een leiddraad tot

zijne schuilplaats. Zoo was het dan ook onmogelijk Sir Francis

Clavering, na de oneenigheden met zijne vrouw en de daaruit gevolgde

tegenspoeden, thuis te treffen. „Sedert ik hem om mijn achterstallig

loon gevraagd heb, dat veertien pond bedraagt, komt hij ’s nachts pas

ten drie uur thuis, houdt zich des morgens, als ik hem zijn water

breng, alsof hij ligt te slapen en sluipt het huis uit zoodra ik

beneden ben,” deelde mijnheer Lightfoot aan zijn vriend Morgan mede, en

voegde er bij, dat hij naar mylady zou gaan, om haar hofmeester te

worden en jufvrouw Bonner te trouwen. In gelijker voege bleef de

baronet, na zijn geschil met Strong, uit diens nabijheid en nam de

vlucht naar andere schuilhoeken, waar hij buiten het bereik der

verwijten van den chevalier was, – buiten het bereik, zoo mogelijk, van

het geweten, hetwelk zoo menigeen door verandering van tooneel en

andere ijdele listen tracht te misleiden en achter te laten.

Aldus kostte het den ouden Pendennis, die, ter bereiking van zijne

bijzondere oogmerken, zeer gaarne Pen’s landelijken nabuur en

vertegenwoordiger in het parlement wilde spreken, niet weinig tijd en

moeite eer hij hem tot die vertrouwelijke stemming en dat onderhoud kon

krijgen, noodig voor des majoors bedoelingen. Want sedert de majoor als

vriend des huizes in den arm genomen en van al de huwelijks- en

geldelijke zaken van Clavering ingelicht was, ontweek hem de baronet,

gelijk hij gewoon was zijne procureurs en zijn agenten te ontwijken

wanneer hij hun rekenschap moest afleggen, of eenige zaak met hen

behandelen; nooit hield hij zich stipt aan een afspraak, dan wanneer

hij geld zou opnemen. Eer de majoor derhalve dezen schuwen en

vreesachtigen vogel kon vangen, deed hij meer dan ééne vruchtelooze

poging om hem te grijpen; – den eenen keer was het eene schijnbaar

alleronschuldigste uitnoodiging om te Greenwich in gezelschap van

eenige vrienden te komen dineeren; de baronet nam dit aan, doch begon

lont te ruiken en kwam niet, en liet den majoor (die in inderdaad

voornemens was geweest in zijn eigen persoon al de vrienden voor te

stellen) alleen voor het vischmaal zitten; – bij een andere gelegenheid

vroeg de majoor schriftelijk een onderhoud van tien minuten, waarop de

baronet dadelijk evenzeer schriftelijk antwoordde en de bijeenkomst

bepaalde op den volgenden dag in de club van Bays, ten vier uur precies

(dit laatste woord had hij zorgvuldig onderschrapt); maar ofschoon vier

ure kwam, gelijk het naar den loop van den tijd en het lot wel niet

anders kon, verscheen er geen Clavering. Indien hij twintig pond van

Pendennis had geleend, had hij niet banger kunnen zijn, niet

verlangender om den majoor te ontloopen, en deze laatste ondervond, dat

het heel wat moeielijker is iemand te vinden dan hem te zoeken.

Vóór den afloop van den dag, waarop Strong’s patroon den chevalier zoo

zeer in zijne tegenwoordigheid had gevleid en achter zijn rug

vervloekt, had Sir Francis Clavering, die aan de raadslieden zijner

vrouw zijn woord gegeven en met eede bevestigd had, dat hij geen

wissels meer trekken of accepteeren, maar zich vergenoegen zou met de

toelage, die zijne miskende vrouw hem nog altijd bleef verleenen, weer

middel gevonden om zijn geachten naam op een blad gezegeld papier te

schrijven hetwelk Clavering’s vriend, mijnheer Moss Abrams, meegenomen

had, met belofte het wisseltje te zullen doen disconteeren door iemand,

met wiens vriendschap mijnheer Moss vereerd was. En het toeval wilde,

dat Strong het voorgevallene vernam op de plaats waar het geschrift

opgesteld was, namelijk in de achterkamer van den sigarenwinkel van den

heer Santiago, waar de chevalier gewoon was des avonds een uurtje door

te brengen.

„Hij is weer aan den gang,” zeide de heer Santiago tegen zijn klant.

„Hij is met Moss Abrams hier geweest. Moss stuurde mijn jongen om een

zegeltje uit. Het moet een wissel van vijftig pond geweest zijn. Ik

hoorde den baronet tegen Moss zeggen, dat hij het van twee maanden

geleden moest dateeren. Hij zal het doen voorkomen als een ouden

wissel, dien hij vergeten had, toen hij onlangs met zijne vrouw de

zaken geregeld heeft. Ik geloof, dat zij hem nog wel meer geld zullen

geven, nu hij weer alles afbetaald heeft.” Iemand, die gewoon is zijn

ongelukkigen naam onder acceptatiën op zes maanden te zetten, kan zich

bovendien overtuigd houden, dat zijne zaken bekend gemaakt en besproken

worden en zijne handteekeningen rondgaan onder de allerergste

bedriegers en schelmen van Londen.

De winkel van den heer Santiago lag dicht bij St. James Street, waar

wij de eer hebben gehad onzen vriend majoor Pendennis op zijne kamers

te bezoeken. De majoor wandelde op zijn gemak naar zijne woning, toen

Strong, ziedende van toorn en riekende naar Havana, langs denzelfden

kant hem te gemoet kwam.

„Ik wou, dat die jongelui ik weet niet waar zaten; zij verpesten alles

met hun tabaksrook,” dacht de majoor. „Daar komt een kerel met snorren

en eene sigaar aan. Ieder, die rookt en snorren draagt, is een gemeene

kerel. O, het is mijnheer Strong! Hoe vaart ge, mijnheer Strong?” en de

oude heer stond op het punt zijn huis binnen te gaan en wilde met eene

bevende hand zijn blinkenden huissleutel in het slot der deur steken.

Wij hebben reeds vermeld, dat Strong en Pendennis als vrienden en

raadslieden van de beklagenswaardige familie van den baronet

tegenwoordig waren geweest bij de lange en vervelende twisten en

conferentiën over de betaling der laatste schulden van Sir Francis

Clavering. Strong bleef staan en stak de hand aan zijn

medeonderhandelaar toe, waarop de oude Pendennis hem tamelijk onwillig

een paar vingers reikte.

„Hebt ge goed nieuws?” vroeg majoor Pendennis, den ander nog genadiger

behandelende en zich verwaardigende het woord tot hem te richten, want

de oude Pendennis had zijn gansch leven met zulk goed gezelschap

omgegaan, dat hij in het denkbeeld verkeerde dat hij gewone menschen

bepaaldelijk vereerde door hun toe te spreken. „Nog altijd in de stad,

mijnheer Strong? Hoe vaart ge?”

„Ik heb slecht nieuws, mijnheer,” gaf Strong ten antwoord, „betreffende

onze vrienden te Tunbridge Wells, en ik zou u daarover wel eens willen

spreken. Clavering is weer op zijn oude wijze aan den gang, majoor

Pendennis.”

„Wezenlijk! Doe mij dan het genoegen boven te komen,” zeide de majoor

met opgewekte belangstelling, waarop beiden binnentraden en zich in de

voorkamer neerzetten. Hier ontboezemde Strong zijne verontwaardiging

aan den majoor en weidde lang en breed over Clavering’s roekeloosheid

en verraderlijkheid uit. „Geen beloften zijn in staat hem te binden,

mijnheer,” sprak hij. „Gij herinnert u nog wel, mijnheer, dat hij, toen

wij met hem en mylady’s procureur die bijeenkomst hadden, niet wilde

volstaan met zijn woord van eer te geven, maar om een Bijbel schelde en

bij ziel en zaligheid zwoer, dat hij geen wissels meer zou afgeven. En

nu heeft hij er heden toch een geteekend, mijnheer, en hij zal er voor

contant geld nog zooveel teekenen als men verkiest, en iedereen

bedriegen, zijne vrouw en zijn kind of zijn ouden vriend, die

honderdmaal voor hem in de bres is gesprongen. Daar is nu nog een

wissel van hem en van mij, die de volgende week vervalt –”

„Ik dacht dat wij alles betaald hadden –”

„Dien niet,” antwoordde Strong met een blos. „Hij verzocht mij er niet

van te spreken, en en ik heb voor dien dienst er de helft van gekregen,

majoor. En nu zal men mij er om gaan aanspreken. Maar ik bekommer mij

om mij zelven niet, want ik ben er gewoon aan. Het is om Lady

Clavering, dat het mij ergert. Het zou schande zijn, indien die

goedhartige vrouw, die hem een dozijn keeren uit de gevangenis verlost

heeft, door zijne lafhartigheid geruïneerd wierd. Wisseljoden, boksers,

schelmen van allerlei aard zetten hem zijn geld af, en hij ontziet zich

niet een eerlijken kerel in den steek te laten. Zoudt ge het kunnen

gelooven, mijnheer, dat hij geld heeft aangenomen van Altamont – gij

weet wel wien ik meen?”

„Wezenlijk? van dien zonderlingen man, die eens dronken aan huis kwam

bij Sir Francis?” vroeg majoor Pendennis met een ondoorgrondelijk

gezicht. „Wie is die Altamont, mijnheer Strong?”

„Ik weet het waarlijk niet, als gij het niet weet,” gaf de chevalier

met een verrasten en wantrouwenden blik ten antwoord.

„Om u de waarheid te zeggen, heb ik er mijn eigen gedachten over,”

zeide de majoor. „Ik vooronderstel – let wel dat ik alleen

vooronderstel – dat er in het leven van onzen vriend Clavering, die,

onder ons gezegd, zulk een rare snaak is als ik er ooit een gekend heb,

zeker eenige onpleizierige geheimen en geschiedenissen bestaan, die hij

niet gaarne zou willen dat bekend wierden, evenmin als iemand onzer het

zou wenschen. Waarschijnlijk weet die kerel, die zich Altamont noemt,

iets ten nadeele van Clavering en heeft hij vat op hem, waardoor hij

hem geld kan afpersen. Ik ken eenige der beste mannen uit de beste

familiën in Engeland, die men op die wijze geld afperst! Maar, mijnheer

Strong, hunne bijzondere zaken gaan mij niet aan, en al ga ik bij

iemand dineeren, dan bespied ik daarom zijne geheimen nog niet en ik

ben ook niet verantwoordelijk voor zijn vroeger leven. Zoo ook, ten

opzichte van onzen vriend Clavering, stel ik het meest belang in hem om

der wille van zijne vrouw en hare dochter, die een allerbekoorlijkst

meisje is; toen mylady het mij vroeg, nam ik inzage van hare zaken en

trachtte die op effen voet te brengen; en dit zal ik, begrijpt ge, naar

mijn best vermogen weer doen, als ik daardoor van nut kan zijn. En

indien ik uitgenoodigd word – weet ge, indien ik uitgenoodigd word –

dan – à propos, mijnheer Strong, wat mijnheer Altamont betreft, wie is

mijnheer Altamont toch? Ik geloof, dat gij met hem bekend zijt. Is hij

in de stad?”

„Ik geloof niet, dat ik verplicht ben te weten waar hij is, majoor

Pendennis,” zeide Strong, opstaande en driftig zijn hoed grijpende,

want des majoors beschermende manieren en koele omzichtigheid

beleedigden den eerzamen heer.

Onmiddellijk verliet Pendennis zijn hoogen toon en sprak met zekere

welwillendheid: „Ah, kapitein Strong, ik zie dat gij ook op uwe woorden

weet te passen, en gij hebt gelijk. De muren hebben ooren, en men weet

niet altijd met wien men spreekt; maar als man van de wereld en oud

soldaat (een oud en verdienstelijk soldaat, naar men mij bericht heeft,

kapitein Strong) weet gij zeer goed, dat men zijn vuur niet nutteloos

moet verspillen; gij kunt uwe gedachten koesteren, en ik kan de zaken

met elkander in verband brengen en de mijne hebben. Maar er zijn vele

dingen, die een mensch niet aangaan en die het dan ook maar best is dat

hij niet weet; – niet waar, kapitein? en die ik, wat mij betreft, ook

niet wensch te weten voordat ik er bij betrokken word; en dat is

waarschijnlijk evenzeer uw stelregel. Wat onzen vriend den baronet

aangaat, geloof ik met u, dat het wenschelijk zou zijn, dat hij in zijn

onvoorzichtige handeling gestuit wierd. Ik keur het in iedereen sterk

af, dat hij zijn woord schendt, of iets doet wat zijne familie verdriet

kan berokkenen, of in eenig opzicht onaangenaam kan wezen. Dit is mijne

rondborstige meening en, naar ik mij overtuigd houd, ook de uwe.”

„Zeer zeker,” antwoordde mijnheer Strong droogjes.

„Het verheugt mij, dat ik dit van u mag hooren, en dat een oud

wapenbroeder zoo geheel met mij instemt. Ik ben bijzonder verblijd over

onze gelukkige ontmoeting, die mij de eer van uw bezoek verschaft

heeft. Goedenavond. Ik dank u. Morgan, laat kapitein Strong eens uit.”

Voorafgegaan door Morgan verliet Strong den majoor Pendennis. De

chevalier stond verwonderd over de sluwheid van den ouden heer en de

kamerdienaar was, om de waarheid te zeggen, evenzeer verbaasd over de

terughoudendheid van zijn meester. Want in zijne hoedanigheid van

ervaren knecht zwierf mijnheer Morgan met even weinig gerucht als eene

schaduw door het huis, en had toevallig, gedurende het laatste gedeelte

van het gesprek van zijn meester met diens bezoeker, zeer dicht bij de

deur gestaan en dus een goed gedeelte van het onderhoud der beide

heeren gehoord, veel meer dan hij begrijpen kon.

„Wie is die Altamont? Weet ge iets van hem en Strong?” vroeg mijnheer

Morgan aan mijnheer Lightfoot, bij de eerste geschikte gelegenheid toen

zij elkander in de club zagen.

„Strong is zijn zaakwaarnemer; hij trekt en endosseert de wissels voor

den ouwe en doet zijne boodschappen; en ik denk, dat Altamont ook

daarbij betrokken is,” gaf mijnheer Lightfoot ten antwoord. „Die

wisselzaken, dat weet ge wel, mijnheer Morgan, vereischen altijd twee

of drie personen, om het papier in omloop te brengen. Altamont heeft

bij de wedrennen een goeden slag gedaan en eene groote som gewonnen. Ik

wenschte, dat de ouwe ook ergens wat geld opdeed en mijn loon

betaalde.”

„Denkt gij, dat mylady zijne schulden nog eens zal betalen?” vroeg

Morgan. „Tracht dat eens voor mij te ontdekken, Lightfoot; het zal u

niet tot nadeel zijn, mijn jongen.”

Majoor Pendennis had dikwijls lachend gezegd, dat zijn knecht Morgan

veel rijker was dan hij zelf, en werkelijk had die slimme en bedaarde

dienaar, door herhaalde voorzichtige speculatiën, een aanzienlijk

kapitaal verzameld gedurende de jaren, dat hij bij den majoor in dienst

was geweest, waar hij vele andere aanzienlijke bedienden had leeren

kennen, van welke hij de zaken hunner patroons vernam. Toen mijnheer

Arthur zijne goederen geërfd had, doch niet eerder, had Morgan den

jongen heer verbaasd doen staan door de mededeeling, dat hij een klein

sommetje gelds bezat, een vijftig of een honderd pond, die hij gaarne

goed wilde beleggen: misschien zouden de heeren in den Temple, die

verstand van zaken hadden, een eenvoudig man wel willen helpen, om dat

goed uit te zetten? Morgan zou zich aan mijnheer Arthur zeer verplicht

gevoelen, wezenlijk hoogst dankbaar en verplicht, indien Arthur hem

daartoe den weg wilde wijze. Toen Arthur daarop lachend antwoordde, dat

hij volstrekt geen verstand van geldzaken had en geen middel ter wereld

wist om Morgan te helpen, betuigde deze laatste met de meeste

oprechtheid, dat hij mijnheer Arthur zeer dankbaar, wezenlijk zeer

dankbaar was, terwijl hij verzocht, dat mijnheer, indien hij misschien

eenig geld noodig had voordat zijne renten binnen gekomen waren, zoo

goed zou willen zijn zich te herinneren, dat de oude en trouwe dienaar

van zijn oom eenig geld had, dat hij wilde uitzetten, en hij zou er

wezenlijk trotsch op wezen, indien hij de familie in eenig opzicht van

nut zou kunnen zijn.

De prins van Fairoaks, die vrij goed op zijne zaken paste en geen

contanten noodig had, zou er evenmin ooit aan gedacht hebben om geld

van zijn ooms bediende te leenen als om den zakdoek van dien knecht te

stelen, en stond op het punt Morgan’s aanbod op hoogen toon te

beantwoorden, doch weerhield zich, uithoofde van het kluchtige van het

geval. Morgan een kapitalist! Morgan hem geld ter leen aanbiedende! Het

was om zich dood te lachen. Aan den anderen kant, kon de man geheel

onschuldig zijn en zijn aanbieding alleen uit goedhartigheid gedaan

hebben. Arthur hield dus de spotternij binnen, die op zijne lippen

zweefde, en vergenoegde zich met voor mijnheer Morgan’s vriendelijk

aanbod te bedanken. Hij vertelde het voorgevallene echter aan zijn oom,

dien hij met het bezit van zulk een rijken bediende geluk wenschte.

Bij die gelegenheid was het, dat de majoor zeide te gelooven, dat

Morgan sinds langen tijd al verduiveld rijk was. Hij had dan ook het

huis in Bury Street gekocht, waarin zijn meester kamers bewoonde; en

door zijne bekendheid met de familie Clavering en ten gevolge van de

inlichtingen, die hij van zijn meester ontvangen had, dat de begum al

de schulden van haar man zou betalen, heel veel geld verdiend door

zooveel acceptatiën van den baronet op te koopen als hij geld bijeen

kon brengen om daaraan te besteden. Van deze operatiën wist de majoor

echter even weinig als de meeste heeren van hunne bedienden weten, die

den ganschen dag in onze tegenwoordigheid doorbrengen en echter

vreemdelingen voor ons zijn; zoo sterk is de gewoonte en zoo

onverbiddelijk de afscheiding tusschen de verschillende standen.

„En dus bood hij u geld ter leen, ei?” zeide de oude Pendennis tegen

zijn neef. „Het is een verduiveld sluwe kerel en een verduiveld rijke

kerel, en menig edelman zou zulk een knecht in zijn dienst willen

hebben, om wat van hem te leenen. En die monsieur Morgan is geen zier

veranderd. Hij doet zijn werk evengoed als te voren, komt altijd

dadelijk als ik schel, en maakt niet de minste drukte op de kamer – hij

is verduiveld sterk aan mij gehecht, die Morgan!”

Op den dag van Strong’s bezoek herinnerde de majoor zich Pen’s verhaal

en bedacht zich dat Morgan hem zou kunnen helpen, waarop hij zijn

knecht over diens rijkdom plaagde op die vrijmoedige en onbeschroomde

wijze, welke van zulk een hooggeplaatst heer tegenover zulk een

verachtelijk wezen te verwachten was.

„Ik hoor, dat gij wat geld te beleggen hebt, Morgan,” zeide de majoor.

„Dat heeft mijnheer Arthur verteld; ik wou dat hij gehangen was,” dacht

de kamerdienaar.

„Ik ben blij, dat mijn dienst zoo voordeelig is,” vervolgde de majoor.

„Gij zijt wel goed, mijnheer; ik heb geen reden om over mijn dienst of

mijn meester te klagen,” antwoordde Morgan onderdanig.

„Nu, gij zijt een goede kerel; ik geloof, dat gij aan mij gehecht zijt,

en het doet mij genoegen, dat het u wel gaat. Ik hoop maar, dat gij

voorzichtig zult wezen en geen herberg of zoo iets opzetten.”

„Eene herberg,” dacht Morgan: „ik in eene herberg! – die ouwe gek! –

Wel verduiveld, als ik tien jaar jonger was, zou ik vóór mijn dood

zitting in het parlement hebben!” „Neen, mijnheer, ik ben u wel

verplicht. Ik denk aan geen herberg, mijnheer. En ik heb mijne geringe

spaarpenningen vrij goed uitgezet, mijnheer.”

„Gij doet ook een weinig aan het geldschieten, hè, Morgan?”

„Ja, mijnheer, een beetje – ik – ik vraag verschooning, mijnheer – zou

ik zoo vrij mogen zijn eene vraag te doen?”

„Spreek op, vriendje,” zeide de oude heer zeer genadig.

„Het is aangaande de wissels van Sir Francis Clavering, mijnheer? Zoudt

gij denken, mijnheer, dat hij er nog langer goed voor was? Zou mylady

ze nogmaals betalen?”

„Wat hebt ge hem ook al geld geleend?”

„Ja, mijnheer, een beetje,” antwoordde Morgan, terwijl hij de oogen

neersloeg. „En ik wil wel bekennen, mijnheer, als u het mij niet

kwalijk neemt, mijnheer, dat nog een beetje meer mij zeer voordeelig

zou zijn, indien het evengoed uitviel als de laatste maal.”

„Wat! Hoeveel hebt gij, voor den drommel, wel aan hem geprofiteerd?”

vroeg de majoor.

„Ik heb er een aardig voordeeltje aan gehad, mijnheer, daar wil ik wel

voor uitkomen, mijnheer. Daar ik zekere inlichtingen gekregen had, en

door uwe vriendelijkheid kennis met de familie had gemaakt, zette ik

den pot op het vuur, mijnheer.”

„Wat deedt gij?”

„Ik belegde mijn geld, mijnheer – ik zamelde alles bijeen wat ik kon,

en leende overal, en kocht de wissels van Sir Francis op; vele droegen

zijn naam en dien van den heer, die daar juist is heengegaan, van

mijnheer Edward Strong, mijnheer; en natuurlijk weet ik, mijnheer, van

het bankroet en het standje, dat op Grosvenor Place plaats had; en daar

ik evengoed geld mag verdienen als ieder ander, zou ik u zeer verplicht

zijn, als gij mij wildet meedeelen, of Lady Clavering nog eens over de

brug zal komen?”

Ofschoon majoor Pendennis even verwonderd stond over hetgeen hij van

zijn knecht hoorde, alsof hij vernomen had dat Morgan een vermomde

markies was, die besloten had zijn masker af te werpen en in het

Hoogerhuis zitting te nemen, en ofschoon hij natuurlijk verontwaardigd

was over de vermetelheid van den kerel, die zich onderstaan had onder

zijn oogen en zonder zijne voorkennis rijk te worden, zoo koesterde hij

echter een aangeboren bewondering voor iedereen, die geld bezat en

fortuin had gemaakt, zoodat hij, toen hij den waren staat van zaken

begon te doorzien, gevoelde, dat hij Morgan eerbied en zelfs wel wat

ontzag toedroeg.

„Nu, Morgan,” zeide hij, „ik zal u maar niet vragen, hoe rijk gij wel

zijt; en hoe rijker, des te beter voor u. Kon ik u inlichtingen

verschaffen, die u van dienst konden zijn, ik zou u spoedig helpen.

Doch openhartig gesproken: indien Lady Clavering mij vraagt of zij

verder de schulden van Sir Francis moet betalen, zal ik haar raden het

niet te doen, ofschoon ik vrees dat zij het wèl zal doen; en meer weet

ik er niet van. En dus hebt gij gemerkt, dat Sir Francis zijn – hè –

zijn roekeloozen en onvoorzichtigen weg weer opnieuw bewandelt?”

„Hij is weer aan den gang, mijnheer; ik kan het hem niet beletten. Hij

kan het niet laten.”

„Mijnheer Strong zeide mij, dat zekere heer Moss Abrams de houder van

een van Sir Francis Clavering’s wissels was. Weet gij iets van dien

heer Abrams, of van het bedrag van den wissel?”

„Ik weet niets van den wissel, mijnheer, maar ik ken Abrams zeer goed.”

„Ik wenschte, Morgan, dat gij dit eens voor mij kondt ontdekken, en ook

waar ik Sir Francis Clavering zou kunnen spreken.”

En daarop zeide Morgan: „Ja wel, mijnheer, ik zal het doen, mijnheer,”

en verliet de kamer, gelijk hij die binnengetreden was, op zijne gewone

eerbiedige, sluipende en onderdanige wijze, terwijl hij den majoor in

mijmering en verwondering over hetgeen hij zoo pas gehoord had,

verzonken liet.

Den volgenden morgen gaf de knecht aan den majoor kennis, dat hij

mijnheer Abrams had gesproken, en deelde hen mede hoe groot de wissel

was, welke die heer wilde negotieeren, en dat de baronet stellig dien

middag ten één uur in de achterkamer van „Fortuna’s rad” zou te vinden

zijn.

Ditmaal hield Sir Francis Clavering zich trouw aan zijn afspraak, en

toen hij ten één uur in de achterkamer van genoemde herberg zat,

omringd door zandbakjes, matten stoelen, mooie prenten van boksers,

renpaarden en hardloopers, en bedolven in de tabakslucht van den

vorigen avond, die nog in het vertrek was blijven hangen, – terwijl,

zeggen wij, deze afstammeling van een oud geslacht op die verrukkelijke

plaats zat, met een oud en zwaar met bier bevlekt nommer van Bell’s

Life in London in de hand, trad de wellevende majoor Pendennis de kamer

binnen.

„Zoo! ben je daar, ouwe jongen?” vroeg de baronet, in de meening dat

het mijnheer Moss Abrams was, die het geld kwam brengen.

„Hoe maakt ge het, Sir Francis Clavering? Ik moest u noodzakelijk

spreken en ben u dus hierheen gevolgd,” antwoordde de majoor, op wiens

verschijning de ander een zeer lang gezicht zette.

Nu de majoor zijne tegenpartij tegenover zich had, besloot hij een

krachtigen en onverwachten aanval op hem te doen en opende dus dadelijk

het vuur. „Ik weet voor welken allergemeensten kerel gij mij aanzaagt,

Clavering,” ging hij daarom voort, „en om welke reden gij u hier

bevindt.”

„Dat gaat u niet aan, niet waar?” vroeg de baronet met een onthutsten

en smeekenden blik. „Waarom gaat gij mijne gangen na; waarom matigt gij

u gezag aan en bemoeit gij u met mijne zaken, majoor Pendennis? Ik heb

u nooit benadeeld, niet waar? Ik heb nooit geld van u geleend. En ik

verkies niet op die manier bespied en onder de plak gehouden te worden.

Ik verkies het niet, en ik zal het niet dulden. Laat Lady Clavering,

als zij mij eenig voorstel te doen heeft, het mij langs den

behoorlijken weg en door tusschenkomst van de zaakwaarnemers doen

toekomen. Ik heb met u liever niet te maken.”

„Ik kom niet vanwege Lady Clavering,” zeide de majoor, „maar uit eigen

beweging, Clavering, om u te waarschuwen en pogingen te doen, om u van

den ondergang te redden. Het is pas eene maand geleden, dat gij

gezworen hebt en uw eed op den Bijbel wildet herhalen, dat gij geen

andere wissels meer teekenen, maar u met de toelage, welke Lady

Clavering u verleent, vergenoegen zoudt. Al uwe schulden zijn betaald

onder die voorwaarde, en die hebt gij geschonden; die mijnheer Abrams

heeft een wissel van zestig pond van u in handen.”

„Het is een oude wissel; ik zweer u plechtig dat het een oude wissel

is,” bracht de baronet krijschend uit.

„Gij hebt hem gisteren pas getrokken, maar hem opzettelijk van drie

maanden geleden gedateerd. Waarachtig, Clavering, ik walg van uwe

leugens; ik kan het niet laten u dit te verklaren. Ik kan u, voor den

drommel, niet uitstaan; gij bedriegt iedereen, en u zelven daarbij. Ik

heb nog al veel in de wereld gezien, maar nooit uw gelijken in

draaierijen. Ik geloof, dat gij altijd liever eene leugen vertelt dan

ooit de waarheid te spreken.”

„Zijt gij hier gekomen, gij ouwe schelm, om mij te sarren om u – u aan

te vliegen en – en u de oude hersens in te slaan?” riep de baronet met

een blik van den doodelijksten haat op den majoor.

„Hoe, mijnheer!” schreeuwde de oude majoor, terwijl hij opsprong en

zijn rotting greep, en daarbij zoo woedend keek, dat de baronet

onmiddellijk van toon veranderde.

„Neen, neen,” hernam Clavering, met eene klagende stem. „Ik vraag

verschooning. Ik had mij niet boos willen maken of u iets onaangenaams

zeggen, majoor Pendennis, maar gij valt mij ook zoo verduiveld bar op

het lijf. Wat wilt gij eigenlijk van mij hebben? Waarom vervolgt gij

mij zoo? Wilt gij óók geld van mij hebben? Gij weet, bij den hemel, dat

ik geen duit bezit,” en aldus ging Clavering, volgens zijne gewoonte,

van vloeken tot huilen over.

Majoor Pendennis begreep aan Clavering’s toon, dat deze wist, dat de

majoor zijn geheim kende.

„Ik breng van iemand eene boodschap, en ik heb jegens u niets anders in

den zin,” hervatte Pendennis, „dan eene poging te doen, indien het nog

niet te laat is, om u en uwe familie van den geheelen ondergang ten

gevolge van uw verwenscht roekeloos gedrag, te redden. Ik kende uw

geheim –”

„Ik was er geheel onkundig van, toen ik met haar trouwde; ik kan er een

eed op doen, dat ik er niets van wist voordat die verd– schurk

terugkwam en het mij zelf vertelde; en het is het verdriet daarover,

Pendennis, dat mij zoo roekeloos maakt, dat is wezenlijk waar!” riep de

baronet handenwringende uit.

„Ik kende uw geheim van het oogenblik af, dat ik Amory dronken in de

eetzaal op Grosvenor Place zag komen. Ik vergeet nimmer een gezicht,

dat ik eenmaal aanschouwd heb. Ik herinner mij dien kerel te Sydney als

strafgevangene gezien te hebben, en hij heeft mij ook herkend. Ik weet

van zijn proces, van den datum van zijn huwelijk en van zijn gewaanden

dood in de wildernis. Ik kan er op zweren, dat hij die persoon is. En

ik weet dus, dat gij evenmin wettig met Lady Clavering getrouwd zijt

als ik. Ik heb uw geheim goed bewaard, want ik heb er aan geen

sterveling iets van gezegd, – aan uwe vrouw niet en aan u zelven niet,

tot op dit oogenblik.”

„Die arme Lady Clavering, het zou haar vreeselijk schokken,” snikte Sir

Francis, „en mijne schuld is het niet; dat weet gij wel, majoor.”

„Liever dan u te laten voortgaan met haar te ruïneeren, zal ik het aan

haar, en bovendien aan de gansche wereld, vertellen; dit zweer ik u,

dat ik zal doen, tenzij ik tot eene schikking met u komen en uwe

helsche dwaasheid breidelen kan. Gij hebt door spelen en schuldenmaken

en uitspattingen van allerlei aard, de helft van het fortuin uwer vrouw

en van hare wettige erfgenamen – let wel, van hare wettige erfgenamen –

opgemaakt. Hierbij moet het blijven. Gij kunt niet met elkander leven.

Gij zijt niet geschikt om in zulk een groot huis als Clavering te

wonen, en eer wij drie jaar verder zijn, zoudt gij geen duit meer

bezitten. Ik heb overlegd wat er gedaan moet worden. Gij zult

zeshonderd pond ’s jaars ontvangen, u buitenslands begeven en van dat

inkomen leven. Gij moet uw ontslag als lid van het parlement nemen, en

trachten rond te komen zoo goed gij kunt. Als gij dit afslaat, geef ik

u mijn woord, dat ik morgen den waren toestand van zaken zal bekend

maken; ik zal zweren, dat het Amory is, zoodra hij herkend is, zal hij

teruggebracht worden naar het land van waar hij gekomen is, zoodat de

weduwe te gelijk van u en van hem ontslagen zal zijn. Uw zoontje

verliest dan alle aanspraak op Snell’s nalatenschap, en deze gaat over

op de dochter uwer vrouw. Heb ik de zaak niet vrij duidelijk

uiteengezet?”

„Zoo wreedaardig zoudt gij toch jegens dien armen jongen niet zijn,

Pendennis, niet waar?” vroeg de vader op klagenden toon. „Och, denk

toch aan hem! Het is zoo’n aardige jongen, ofschoon hij verduiveld

ondeugend is, dat moet ik bekennen, – verduiveld ondeugend.”

„Gij zijt het, die wreedaardig jegens hem handelt,” zeide de oude

zedemeester. „Wel, mijnheer, gij zult u zelven onvermijdelijk binnen

drie jaren ruïneeren!”

„Ja maar, weet je, misschien zal ik zoo’n verduivelden tegenspoed niet

meer hebben; de kans moet keeren, en ik zal mij, bij den hemel,

verbeteren, dat zal ik. En als gij de zaak bekend maakt, zou het mijne

vrouw zoo schokken; – gij weet best, dat het haar vreeselijk zou

aandoen.”

„Ja, de scheiding van u zou haar zeker bitter vallen,” hernam de oude

majoor spottend. „Maar gij weet, dat zij niet langer met u leven wil.”

„Maar waarom kan mylady niet buitenslands, of te Bath of te Tunbridge,

of de hemel weet waar gaan wonen, en ik hier blijven?” ging Clavering

voort. „Ik ben liever hier dan in het buitenland, en ik blijf gaarne in

het parlement. Lid van het parlement te zijn, kan zoo voordeelig wezen.

Er zijn nog slechts weinige plaatsen gelijk de mijne over; en als ik

die verkocht aan het ministerie, twijfel ik niet of men zou mij tot

gouverneur van een eiland benoemen, of mij iets verduiveld goeds geven;

want ge weet, dat ik een man van drommels aanzienlijke geboorte ben en

een titel heb – en zoo meer, majoor Pendennis. Wel, ziet gij dat niet

in? Gelooft gij niet, dat zij mij iets zeer aannemelijks zouden geven,

als ik mijne kans goed waarnam? En dan, weet ge, zou ik geld overleggen

en mij buiten die verwenschte speelholen en het rouge et noir houden –

en – en ik zou dus, met uw welnemen, het parlement liefst niet

verlaten.” Want het was voor onzen weifelmoedigen baronet niets

ongewoons het eene oogenblik iemand te haten en het hoofd te bieden,

het volgende in zijne tegenwoordigheid te schreien, en ten laatste

volkomen vertrouwelijk en vriendschappelijk met hem om te gaan.

„Wat uwe plaats in het parlement betreft,” zeide de majoor met een

blosje op de wang en eene zekere ontroering, welke de baronet niet

opmerkte, „die moet gij afstaan, Sir Francis Clavering, aan – aan mij.”

„Hoe, wilt gij lid van het Lagerhuis worden, majoor Pendennis?”

„Neen, ik niet; maar mijn neef Arthur is een zeer talentvol jonkman en

zou daar een goed figuur maken: toen er twee leden voor Clavering

werden afgevaardigd, had zijn vader er licht één van kunnen zijn, en –

en ik zou gaarne zien, dat Arthur er zitting nam,” besloot de majoor.

„Wel verduiveld! weet die het ook al!” riep Clavering uit.

„Niemand buiten deze kamer weet er iets van,” antwoordde Pendennis, „en

als gij mij die gunst wilt bewijzen, houd ik mijn mond. Zoo niet, dan

zal ik, als man van mijn woord, doen wat ik gezegd heb.”

„Zeg eens, majoor,” zeide Sir Francis met een buitengewoon nederig

lachje: „zoudt ge mij niet, als een goede kerel, mijn eerste kwartaal

vooruit kunnen bezorgen? Gij kunt alles met Lady Clavering doen wat gij

wilt, en ik zal, dat zweer ik u, dien wissel van Abrams terugnemen. Die

verwenschte kleine schelm zal mij, dat weet ik, met deze zaak

bedriegen; hij bedriegt mij altijd: en als gij dit voor mij kondt

uitwerken, majoor, zou ik eens zien.”

„En ik geloof, dat het beste voor u zou zijn in September naar

Clavering te gaan om te jagen, en mijn neef mee te nemen, om hem bij de

kiezers bekend te maken. Ja, dat zal inderdaad de beste tijd zijn. En

dan zullen wij de zaak van dat voorschot wel in orde trachten te

brengen.” (Dat kan Arthur wel leenen, dacht de oude Pendennis. Wat

drommel, eene plaats in het parlement is wel honderd vijftig pond

waard.) „En gij zult natuurlijk wel in gedachte houden, Clavering, dat

mijn neef niets van deze zaak weet. Gij geeft uw wensch te kennen om af

te treden hij is een inboorling van Clavering en een goed

vertegenwoordiger voor die plaats: gij stelt hem voor en uwe kiezers

stemmen voor hem. Begrepen?”

„Wanneer zoudt gij mij honderd vijftig pond kunnen bezorgen, majoor?

Wanneer zal ik bij u komen? Zijt gij van avond of morgenochtend thuis?

Wilt gij niets gebruiken? Zij hebben aan het buffet verduiveld goed

bitter; ik neem dikwijls een bittertje, want dat knapt een mensch

heelemaal op.”

De majoor wilde echter geen verversching gebruiken, maar stond op en

nam afscheid van den baronet, die hem tot aan de deur van de herberg

uitgeleide deed, en toen naar het buffet ging, waar hij bij de

kasteleines een bittertje dronk; en daar er juist een heer binnentrad,

die in betrekking stond tot het boksersvak en in „Fortuna’s rad” in den

kost was, ontstond er tusschen hem en Sir Francis Clavering en den

kastelein een gesprek over het boksen en andere vermaken; en eindelijk

verscheen mijnheer Moss Abrams met het bedrag van des baronets wissel,

waarvan hij zijn eigen aanzienlijk commissieloon had afgetrokken,

waarna Sir Francis uit het overschot een diner te Greenwich aan zijn

achtbaren vriend gaf en den avond verder vroolijk in den Vauxhall

doorbracht.

Onderwijl had majoor Pendennis eene vigilante in Piccadilly genomen en

zich naar Lamb Court in den Temple laten rijden, waar hij spoedig met

zijn neef in druk gesprek gewikkeld was.

Na dat onderhoud scheidden zij op zeer vriendschappelijken voet van

elkander en het was ten gevolge van dit gesprek, hetwelk niet in

schrift bewaard is gebleven, maar waarvan de lezer desniettemin de

strekking zeer wel zal kunnen gissen, dat Arthur zich uitliet op de

wijze als wij in zijn onderhoud met Warrington, in het vorige hoofdstuk

vermeld, gehoord hebben.

Wanneer iemand gedrongen wordt iets te doen, dat hem zelven behaagt,

kan hij honderderlei vernuftige redenen vinden, om zijn zin te volgen;

en Arthur overlegde onophoudelijk bij zich zelven, dat hij gaarne in

het parlement zou zijn, dat hij zoo trachten zich daar te

onderscheiden, en dat het er niet op aankwam bij welke partij hij zich

voegde, daar er bij elke partij waarheid en onwaarheid werd

aangetroffen. Op deze en andere punten meende hij, dat hij zijn geweten

wel zou kunnen gerust stellen, en dat de Sadduceesche leer toch een

makkelijk en vroolijk geloof was.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 128 / 155 题