Korten tijd na het bijzondere geluk, hetwelk kolonel Altamont te Epsom
weervaren was, ondernam die heer zijne voorgenomen buitenlandsche reis,
en de dagblad-correspondent, die het nieuws uit de groote wereld
opzamelt en zich naar de London Bridge begeeft om van de voorname lui,
die dit land verlaten, afscheid te nemen, meldde, dat onder de
passagiers, die verleden Zaterdag met de stoomboot Soho naar Antwerpen
vertrokken waren, zich bevonden hadden „Sir Robert Hodge met zijne
gemalin en zijne dochters, de beroemde advocaat Kews met echtgenoote en
dochter, kolonel Altamont, majoor Coddy, enz.” De kolonel reisde met de
staatsie, die een gentleman betaamt, vertoonde zich in een opzichtig
reiscostuum, dronk gedurende den overtocht eene groote hoeveelheid
grog, en was niet zeeziek, gelijk verscheiden andere passagiers. Hij
werd bediend door zijn lijfknecht, den trouwen Ierschen soldaat, die
reeds sinds eenigen tijd hem zelven en kapitein Strong op hunne kamers
in Shepherd’s Inn gediend had.
De chevalier gebruikte een lekker afscheidsdiner te Blackwall met zijn
vriend den kolonel en een paar anderen, die vele toasten op Altamont
instelden, op kosten van dien vrijgevigen heer. „Strong, ouwe jongen,”
zeide des chevaliers waardige kameraad, „als ge wat geld noodig hebt,
dan moet ge er nu bij zijn. Ik ben uw man. Gij zijt een goede kerel en
hebt mij goed behandeld en een bankje van twintig pond meer of minder
kan mij niet schelen.” Doch Strong gaf ten antwoord, dat hij geen geld
noodig had; hij had geld genoeg, – „dat wil zeggen, niet genoeg,
Altamont, om u terug te betalen wat gij mij onlangs geleend hebt, maar
genoeg om het nog eenigen tijd uit te houden,” – en in dier voege
scheidden zij van elkander op vrij hartelijke wijze. Had het bezit van
geld Altamont wezenlijk eerlijker en beminnelijker gemaakt dan hij tot
nog toe geweest was, of was hij alleen daardoor beminnelijk in Strong’s
oogen geworden? Het is wel mogelijk, dat hij wezenlijk verbeterd was en
dat het geld hem beter had gemaakt. Misschien was het de schoonheid van
den rijkdom, die Strong in de oogen blonk en hem ontzag inboezemde,
maar in ieder geval dacht hij bij zich zelven: „Die arme drommel, die
ongelukkige teruggekeerde gedeporteerde, is een tienmaal betere kerel
dan mijn vriend, de baronet, Sir Francis Clavering. Op zijne manier, is
hij moedig en eerlijk. Hij zal een vriend getrouw blijven en een vijand
onder de oogen durven zien. Clavering heeft nooit voor het eene noch
het andere moed gehad. En wat is nu de misdaad, die zoo zwaar op den
armen drommel drukt? Hij is een beetje onbesuisd geweest en heeft den
naam van zijn schoonvader nagemaakt. Menigeen heeft veel erger dingen
gedaan; maar is er desniettemin goed afgekomen, en houdt zijn hoofd
fier omhoog. Dat is het geval met Clavering. Maar neen, die houdt het
hoofd niet omhoog; dat heeft hij zelfs in zijne beste dagen niet
gedaan.” En het berouwde Strong misschien wel, dat hij gelogen en den
milden kolonel verzekerd had geen geld noodig te hebben; maar dat was
dan toch eene leugen aan den eerlijken kant, en de chevalier kon zich
niet vermannen om nu voor de tweede maal iets van zijn gebannen vriend
te leenen. Bovendien, hij kon rondkomen. Clavering had hem wat geld
beloofd; diens beloften waren wel niet veel te vertrouwen, doch de
chevalier was altijd vol hoop en rekende op menige kans om zijn patroon
aan zijn woord te houden en zich eenige van de remises en toevoeren toe
te eigenen, die het zijn voornaamste werk was voor zijn principaal op
te loopen.
Hij had er over gebromd, dat Altamont de kamers in Shepherd’s Inn met
hem moest bewonen; maar hij vond die vertrekken thans somberder zonder
zijn kameraad dan toen deze er nog was De eenzaamheid strookte niet met
zijn gezelligen aard, en bovendien had hij kostbare en weelderige
gewoonten aangenomen, daar hij een knecht ter beschikking had gehad om
zijne boodschappen te doen, zijne kleeren in orde te houden en zijn
maaltijd te bereiden. Het was thans een grootsch en aandoenlijk
tooneel, dezen statigen en voornamen heer zijn eigen laarzen te zien
poetsen, zijn eigen lamscôtelet te zien braden. Wij hebben reeds
vroeger vermeld, dat de chevalier eene vrouw had; eene Spaansche dame
uit Vittoria, die weer naar hare familie was teruggekeerd na eene
echtverbintenis van weinige maanden met den kapitein, dien zij met een
schotel een gat in zijn hoofd had gegooid. De chevalier werd na het
vertrek van zijn vriend den kolonel melancholisch, of was, om zijn
eigen beeldspraak te bezigen, „landerig.” Dergelijke oogenblikken van
neerslachtigheid en tijden van tegenspoed komen aanhoudend in het leven
van helden voor, getuige Marius te Minturnae, Charles Edward in de
Schotsche Hooglanden en Napoleon vóór Elba. Welk groot man is niet
genoodzaakt geweest aan kwade kansen het hoofd te bieden?
Van Clavering was een tijdlang geen ondersteuning te wachten. De vijf
en twintig pond, die de voorbeeldige baronet van mijnheer Altamont
ontvangen had, waren even snel door zijne vingers gedropen als alle
vroegere gelden. Hij was de rivier afgezakt met een uitgezocht
gezelschap van liefhebbers der edele bokskunst, die de politie
misleidden en in het graafschap Essex aan wal stapten, waar zij Billy
Bluck lieten vechten tegen Dick den koetsier, op wien de baronet wedde
en die ook de overhand behield dertien achtereenvolgende malen dat de
bokspartij hernieuwd werd, totdat Billy hem, door een ongelukkigen slag
op de keel, dood ter aarde velde. „Het loopt mij altijd tegen, Strong,”
zeide Sir Francis; „de weddenschappen stonden drie tegen één voor den
koetsier, en ik achtte mij zoo zeker van dertig pond, alsof ik ze reeds
op het zak had. En nu ben ik, voor den duivel, veertien pond aan mijn
knecht Lightfoot schuldig, die hij mij geleend en voor mij betaald
heeft; en hij maant mij er om, die verwenschte, onbeschaamde rekel; en
ik wenschte dat ik maar middel wist om een wisseltje te disconteeren of
mijne vrouw over de brug te doen komen! Ik zal u de helft geven, Ned;
bij mijn ziel en mijn eer, ik zal u de helft geven als gij een
wisseltje van vijftig pond kunt plaatsen.”
Maar Ned antwoordde stuursch, dat hij zijn woord als gentleman aan Lady
Clavering gegeven had, dat hij zich niet meer leenen zou tot verdere
wisselzaken van haar man (die daartoe ook zijn woord van eer gegeven
had), en de chevalier verklaarde, dat hij althans woord zou houden en
liever zijn gansche leven zijn eigen laarzen zou poetsen dan zijne
belofte ontrouw worden. En wat meer is, hij dreigde dat hij bij het
eerste blijk, dat Sir Francis het aan mylady gegeven woord wilde
breken, haar daarvan zou verwittigen.
Op die mededeeling begon Sir Francis Clavering volgens zijne gewoonte
hevig te tieren en te vloeken. Hij zeide, dat de dood zijn eenige
uitkomst was. Hij bezwoer en smeekte zijn lieven Strong, zijn besten
vriend, zijn goeden ouden Ned, hem niet te verloochenen; doch toen hij
zijn liefsten Ned verlaten had en de trap van Shepherd’s Inn afging,
vloekte en schold hij hem als den gemeensten schurk, verrader, deugniet
en lafaard onder de zon; hij wenschte Ned in het graf en in eene nog
erger plaats, maar aan den anderen kant verlangde hij, dat die gemeene
schelm in het leven zou blijven, totdat Frans Clavering zich op hem had
kunnen wreken.
Op de kamer van Strong ontmoette de baronet een heer, die tegenwoordig,
gelijk wij reeds hebben aangestipt, zeer drukke bezoeken in Shepherd’s
Inn aflegde, namelijk mijnheer Samuel Huxter, van Clavering. Die jonge
heer, die in zijne jeugd in Clavering Park okkernoten gekaapt had en
den baronet met vier paarden door de straten van het landstadje had
zien rijden en met steigerende paarden en gepoeierde lakeien voor de
kerk stilhouden, koesterde een onbeschrijfelijken eerbied voor het
parlementslid zijner stad en was verbazend opgetogen, dat hij kennis
met hem mocht maken. Hij stelde zich zelven, erg blozende en bevende,
aan hem voor als een inboorling van Clavering, – den zoon van mijnheer
Huxter op de markt, – zijn vader had den boschwachter van Sir Francis,
met name Coxwood, behandeld, toen deze door het springen van zijn
geweer drie vingers had verloren; hij was bijzonder vereerd, kennis met
Sir Francis te mogen maken. Deze geheele eigen voorstelling liet Sir
Francis zich zeer minzaam welgevallen. De eerzame Huxter had vervolgens
tegen zijne kameraden in het Bartholomeus-hospitaal den mond vol over
Sir Francis en verzekerde aan Fanny, in de portiersloge, dat er toch
niets boven zoo’n voornaam heer, zoo’n echt oud-Engelsch gentleman uit
den ouden tijd ging! Fanny antwoordde daarop echter, dat zij Sir
Francis een akeligen vent vond, – zij wist niet waarom, – maar zij kon
hem niet uitstaan; zij hield zich overtuigd, dat hij slecht, gemeen en
laag was, zij gevoelde dat hij dit was; en toen Sam daarop hernam, dat
Sir Francis zeer vriendelijk was en op de minzaamste wijze een halven
sovereign van hem geleend had, barstte Fanny in het lachen uit, trok
Sam bij zijn lang haar (dat nog niet van onberispelijke zindelijkheid
was), tikte hem op de kin, noemde hem een malloot, een ouwe malloot, en
zeide, dat Sir Francis altijd geld van iedereen leende, dat ma het hem
tweemaal had geweigerd en dat zij drie maanden had moeten wachten om
zeven shillings terug te krijgen, die hij van ’aar had geleend.
„Gij moet niet zeggen van ’aar, maar van haar,” zeide Huxter, niet om
aanmerking te maken op haar betoog, maar om eene taalfout te
verbeteren.
„Nu dan: van haar, ouwe malloot,” hernam het meisje, en de leerlinge
zette zulk een aardig gezichtje, dat de taalmeester dadelijk tevreden
was gesteld, en met genoegen op staanden voet nog honderd lessen zou
hebben gegeven tegen den prijs, dien hij voor die ééne nam.
Natuurlijk was jufvrouw Bolton er bij, en ik denk dat Fanny en mijnheer
Sam toen op een zeer gemeenzamen en vertrouwelijken voet stonden, en
dat de tijd voor de eerstgenoemde troost had opgeleverd en zekere
smarten gelenigd, die op het oogenblik, wanneer zij zich doen gevoelen,
drommels bitter, maar, evenmin als kiespijn, of eenig ander leed,
eeuwigdurend zijn.
Als ge u neerzet, omringd door eerbied en genegenheid; in uw ouden dag
gelukkig, geëerd en gevleid; als men geduld heeft met uwe zwakheden,
uwe laatste woorden welwillend ter harte neemt, uwe vervelende oude
verhalen voor de honderdste maal met plichtmatig geduld en nimmer
uitblijvende geveinsde lachjes aanhoort; als de vrouwen des huizes
onvermoeid zijn in hare vleierijen, de jonge mannen stil en aandachtig
zoodra gij begint te spreken, de dienstboden vol ontzag; wanneer de
pachters, met de pet in de hand, gereed staan de plaats van mijnheers
paarden in te nemen, als uwe genade verkiest te gaan rijden, – dan
heeft het dikwijls bij u moeten opkomen, o nadenkende Rijkaard! dat al
die eerbied, al dat eerbetoon voor het grootste gedeelte met het bezit
van uw geld wordt overgedragen op uw opvolger, – dat de dienstboden uw
zoon zullen bedienen en uwe pachters hem zullen toejuichen evenals u;
dat de hofmeester hem den (door het liggen verbeterden) wijn zal
brengen, die zich nu in uw kelder bevindt; en dat de zon van voorspoed
en vleierij (even zeker als de morgen na en zonder u aanbreekt) op uw
erfgenaam zal schijnen, wanneer uw nacht gekomen en het licht des
levens voor u uitgebluscht is. De menschen komen zich koesteren in den
gloed der effecten en landerijen, die allerwege van hem uitstraalt; de
eerbied gaat te gelijk met het landgoed over, waarvan hij op zijne
beurt de levenslange huurder wordt met al de voordeelen, de genoegens,
de vereering en de klandizie. Hoe lang wenscht of verwacht gij, dat de
menschen u zullen betreuren? Hoeveel tijd besteedt een mensch aan de
droefenis, eer hij tot het genot overgaat? Een groot man moest zijn
erfgenaam eene plaats bij zijne feesten geven als een levend memento
mori. Indien hij zeer veel aan het leven hecht, moet de aanwezigheid
van den ander hem een aanhoudende prikkel en vermaning zijn. „Maak u
gereed om heen te gaan,” zegt de opvolger tegen uwe genade; „ik wacht;
en ik kan het evengoed besturen als gij.”
Wat heeft deze toespraak tot een denkbeeldigen lezer met de personen
uit deze geschiedenis te maken? Zouden wij het willen vergoelijken, dat
Pen een witten hoed draagt en dat de rouw over zijne moeder lichter is
geworden? De loop der jaren, de wisseling van het fortuin, de
gebeurtenissen des levens, hoe sterk zij hem mogen bewegen of hoe
krachtig ze hem opwinden, kunnen dat heilige beeld nimmer uit zijn hart
verdrijven, noch die gewijde liefde uit haar heiligdom verbannen.
Indien hij voor het kwade bezwijkt, zullen die dierbare oogen droevig
op hem staren; indien hij goed doet, smart lijdt of de verzoeking
overwint, zal die altijd tegenwoordige liefde, gelijk hij weet, hem
goedkeuring schenken of met hem lijden; als hij valt, zal zij voor hem
pleiten, als hij treurt, hem opbeuren; zij zal bij hem zijn en hem
vergezellen totdat de dood voorbij is en smart en zonde niet meer
bestaan. Zijn dit droomerijen, of zijn het nuttelooze zedepreeken van
een luien romanschrijver? Mag ook niet de man van de wereld wel eens
ernstig en nadenkend zijn? Vraag het aan uw eigen hart en uw eigen
herinnering, broeder en zuster, of wij niet in de dooden leven, en (met
eerbied gezegd) het bestaan van God bewijzen uit de liefde?
Pen en Warrington spraken over deze onderwerpen in latere dagen in
menig plechtig en vriendschappelijk onderhoud, en Pen vereerde zijne
moeder in de herinnering en aanbad haar bijna, gelijk zulk eene heilige
verdiende. Gelukkig degeen, die in zijn leven eenige weinige vrouwen
van dien stempel leert kennen! Het was eene vriendelijke beschikking
van den hemel, dat Hij er ons zoodanige toegezonden, en ons dat
aandoenlijke en indrukwekkende tafereel van onschuld, liefde en
schoonheid te bewonderen gegeven heeft.
Maar daar het zeker is, dat Arthur en Warrington, indien een vreemde,
bij voorbeeld majoor Pendennis, in den loop dezer sentimenteele
gesprekken Pen’s kamer ware binnengekomen, hun onderhoud gestaakt en
een ander onderwerp gekozen zouden hebben, om te spreken over de opera,
of de laatste debatten in het parlement, of het huwelijk van jufvrouw
Jones met kapitein Smith, en zoo meer, – zoo zullen wij ons
voorstellen, dat het publiek op dit oogenblik binnentreedt, aan het
vertrouwelijk onderhoud tusschen den schrijver en den lezer een einde
maakt, en ons verzoekt voort te gaan met onze opmerkingen over deze
wereld, met welke wij beiden voorzeker beter bekend zijn dan met die
andere, waarin wij zoo even een blik hebben geslagen.
In den eersten tijd toen Arthur Pendennis in het bezit van zijn erfdeel
was gekomen, gedroeg hij zich zoo ingetogen en bedaard, dat zijn vriend
Warrington hem prees, ofschoon Arthur’s oom zich eenigszins ergerde,
dat zijn neef de kleingeestigheid had om geen grooter staat te voeren
en geen meer vertoon te maken, nu hij in de heerschappij over zijn
koninkrijk was opgevolgd. Hij had gewenscht, dat Arthur fraaie kamers
zou nemen, en dagelijks met schoone paarden in het park of in een
sierlijk rijtuig door de stad rijden. „Ik ben te onoplettend om zelf te
mennen door Londen.” gaf Arthur lachend ten antwoord; „de omnibussen
zouden mij overrijden, of ik zou met den kop van mijn paard de glazen
der rijtuigen, waarin de dames zaten, verbrijzelen; en gij zoudt toch
niet verlangen, oom, dat ik door mijn knecht gereden werd, gelijk een
apotheker?” Neen, majoor Pendennis wilde, om geen geld ter wereld, dat
zijn neef een apotheker zou schijnen; zoo diep moest de doorluchtige
vertegenwoordiger van het huis Pendennis zich niet vernederen. En toen
Arthur schertsende voortging: „En toch geloof ik, oom, dat vader heel
blij was toen hij voor het eerst een sjeesje kon houden,” kuchte de
oude majoor, en er kwam een blos op zijn gerimpeld gelaat toen hij
antwoordde: „Herinner u, neef, dat Bonaparte zeide: il faut laver son
linge sale en famille. Gij behoeft er niet op te pochen, dat uw vader
een – een geneesheer was. Hij stamde uit een overoud hoewel verachterd
geslacht, en was verplicht het fortuin der familie weer op te richten,
zooals menig man van goede familie vóór hem heeft gedaan. Gij zijt
gelijk aan dien man van wien Sterne spreekt, neef, – den markies, die
zijn degen kwam terugvragen. Uw vader heeft den uwen voor u
teruggekregen. Gij zijt, voor den drommel, een grondbezitter en een
gentleman, neef, – vergeet nooit, dat gij gentleman zijt!”
Maar daarop keerde Arthur het argument, dat hij den ouden heer dikwijls
ten opzichte van hem zelven had hooren bezigen, zeer behendig tegen
zijn oom. „Wie bekommert zich, in de kringen, die ik ten gevolge van
uwe introductie de eer heb te bezoeken, om mijn onbeduidende middelen
of mijn gering aanzien, oom?” vroeg hij. „Het zou dwaas van mij zijn
met de groote lui te willen wedijveren, en al wat zij van ons kunnen
vergen, is, dat wij fatsoenlijk praten en goede manieren hebben.”
„Maar desniettemin, mijnheer, zou ik zorgen lid te worden van een paar
betere clubs,” hernam zijn oom; „ik zou nu en dan eens een diner geven
en mijne vrienden met zorg kiezen; en ik zou van dien akeligen zolder
in den Temple af komen, mijnheer.” Daarop gaf Arthur van zijn kant wat
toe, door naar de tweede verdieping in Lamb Court af te dalen, ofschoon
Warrington zijn oude vertrekken bleef bewonen, en de beiden vrienden
vast besloten waren niet van elkander te scheiden. Houd die
vriendschapsbanden uwer jeugd zorgvuldig in stand, waarde lezer; het is
alleen in dien edelaardigen leeftijd, dat zij aangeknoopt worden. Hoe
geheel anders is de vriendschap van latere jaren! en wat is de druk van
uw eigen hand minder krachtig nadat zij gedurende twintig jaren omgangs
met de wereld geschud is en duizend even onverschillige handen heeft
gedrukt en losgelaten! Evenals gij, na uw twintigste jaar, er zelden in
zult slagen uw mond een andere taal te leeren spreken, zoo begint het
hart zeer spoedig te weigeren eene nieuwe vriendschap te sluiten: het
wordt te hard, om indruk op zich te laten maken.
Pen dan bezat vele kennissen, en daar hij van vroolijken en
inschikkelijken aard was, kreeg hij er nog dagelijks nieuwe bij; maar
hij vond geen vriend meer gelijk Warrington: en beiden waren bijna even
veel in elkanders gezelschap als de Tempelridders; zij reden op een
zelfde paard (want dat van Pen stond ter beschikking van Warrington) en
hadden hunne kamers en hun bediende gemeen.
Mijnheer Warrington had kennis gemaakt met Pen’s vrienden in Grosvenor
Place gedurende hun laatste rampspoedige seizoen in Londen, en was even
weinig als het groote publiek over Sir Francis Clavering en de dochter
van mylady gesticht. „Ten aanzien van die menschen heeft de wereld
gelijk,” zeide George. „De jonge heeren lachen en spreken bij en over
die dames met de meeste vrijmoedigheid. Dat meisje gaat om met
menschen, die zij niet moest kennen, en spreekt met mannen, met welke
geen meisje zich behoorde op te houden. Hebt gij die twee losbollen,
die onlangs in het park over Lady Clavering’s rijtuig heen leunden, wel
onder jufvrouw Blanche’s hoed zien gluren? Geen goede moeder zou
veroorloven dat hare dochter die twee mannen kende, noch hen in haar
huis toelaten.”
„De begum is de onschuldigste en goedhartigste ziel die er leeft,” viel
Pen hem in de rede. „Zij heeft nooit iets kwaads van kapitein Blackball
gehoord en het verslag van dat proces, waarin Charley Lovelace eene rol
gespeeld heeft, nooit gelezen. Denkt gij, dat fatsoenlijke dames de
chronique scandaleuse zoo goed lezen en zich herinneren als gij, oude
knorrepot?”
„Zoudt gij goedvinden, dat Laura Bell die kerels kende?” vroeg
Warrington, terwijl hij een weinigje bloosde. „Zoudt gij dulden, dat de
vrouw, die gij liefhadt, door hun gezelschap beleedigd wierd? Ik
twijfel er niet aan, dat die arme begum onkundig is van hunne
levensgeschiedenis; ik geloof dat zij nog zeer vele betere dingen ook
niet weet. Het komt mij voor, Pen, dat uw eerzame begum geen lady is.
Het is buiten twijfel hare schuld niet, dat zij de opvoeding eener dame
niet gehad en de fijne beschaving eener dame niet geleerd heeft.”
„Zij is even fatsoenlijk als Lady Portsea, die jan en alleman op hare
bals ontvangt, en even beschaafd als mevrouw Bull, die zeer plat
spreekt en een half dozijn hertogen bij zich aan het diner ziet,” gaf
Pen vrij bits ten antwoord. „Waarom zouden gij en ik nuffiger zijn dan
de geheele wereld? Waarom zouden wij de zonden der vaderen aan dit
welwillende schepsel, dat niemand kwaad doet, bezoeken? Zij heeft noch
u noch eenig ander sterveling iets anders dan vriendschap bewezen. Zij
doet haar best, zooveel in haar vermogen staat. Zij geeft zich niet uit
voor iets meer dan zij is. Zij verschaft u de beste diners, die zij
koopen kan, en het beste gezelschap, dat zij krijgen kan. Zij betaalt
de schulden van haar schavuit van een echtgenoot. Zij bederft haar
zoon, gelijk de deugdzaamste moeder in Engeland. Haar oordeel over
letterkundige zaken, dat beken ik, heeft niet veel te beteekenen; en ik
ben zeker, dat zij nooit een regel van Wordsworth gelezen en nooit in
haar leven van Tennyson gehoord heeft.”
„Dat heeft vrouw Flanagan de waschvrouw ook niet,” bromde Pen’s Mentor,
„en Betty de werkmeid evenmin, en het zal niet in mij opkomen, haar dat
kwalijk te nemen. Maar een man van fijn gevoel kiest dezulken niet tot
zijne vriendinnen; een gentleman kiest ze niet tot zijne gezellinnen,
en indien hij het doet, berouwt het hem in later tijd bitter. Zoudt
gij, die voor een man van de wereld en een wijsgeer wilt doorgaan, mij
diets willen maken, dat het verzwelgen van drie services en het
dineeren op zilver het doel des levens is? Durft gij u zelven bekennen,
dat goede wijn het toppunt uwer eerzucht is, en dat gij met iedereen
wilt dineeren, onverschillig wien, indien gij maar van een vetten os te
eten krijgt? Gij noemt mij cyniek, – doch wat is het een monsterachtig
cynicisme, hetwelk gij en de overige mannen van de wereld verkondigt.
Ik zou liever rauwe rapen eten en in de woestenij gaan leven, of een
wildeman worden, dan mij tot dit peil van beschaving te verlagen, en te
bekennen, dat een Fransche kok het hoogste is waarvoor men leven kan.”
„Omdat gij van rauwe biefstuk en daarna van een pijpje houdt,” viel Pen
uit, „neemt gij eene meerderheid aan boven menschen, die een fijneren
smaak bezitten en zich niet schamen over de wereld in welke wij leven.
Wie is er, die bijzondere bewondering, achting, vriendschap of
dankbaarheid aan den dag legt, zelfs voor de menschen welke men iederen
dag ontmoet? Indien A. mij ten zijnent noodigt en mij het beste voorzet
wat hij bezit, neem ik zijne goede gaven aan voor hetgeen zij waard
zijn en voor niets meer. Ik beweer niet, dat ik het hem terug zal
betalen in vriendschap, maar wel in de conventioneele munt der
maatschappij. Als wij van elkander gaan, scheiden wij zonder smart.
Wanneer wij elkander weer ontmoeten, zijn wij matig verheugd elkander
weer te zien. Indien ik enkel met mijne vrienden moest omgaan, zou uw
zwarte snuit, ouwe George, het eenige gezicht wezen, dat ik zien zou.
„Gij zijt de waardige pupil van uw oom en spreekt als een wereldling,”
zeide Warrington min of meer weemoedig.
„En waarom niet?” vroeg Pendennis, „waarom zou ik niet meedoen met de
wereld, op welke ik rondwandel, en geen vrede hebben met de inrichting
der maatschappij in en door welke wij leven? Ik ben ouder dan gij,
George, ondanks uwe grijzende bakkebaarden, en heb veel meer van de
wereld gezien dan gij hier op uw zolder, waar gij met uwe boeken, uwe
mijmeringen en uwe denkbeelden van een een-en-twintigjarig jongeling
ingemetseld hebt gezeten. Ik zeg nogmaals, dat ik de wereld neem gelijk
zij is, en, daar ik tot haar behoor, mij niet over haar zal schamen.
Ben ik geroepen of sterk genoeg om de wereld, als zij in de war is,
weer in orde te brengen?”
„Neen, waarlijk, ik geloof niet dat een van beide het geval met u is,”
bromde Pen’s vriend.
„Al betwijfel ik, of ik beter ben dan mijn naaste,” ging Arthur voort,
„al erken ik, dat ik niets beter ben, zoo twijfel ik evenzeer of hij
beter is dan ik. Ik zie, dat menschen, die met voornemens van een
algeheele hervorming de wereld intraden en, reeds voordat hunne baarden
uitgebot waren, zich grootsche plannen voor de herschepping der
menschheid hadden voorgesteld, hunne ontwerpen na eenige jaren van
vruchteloos gepraat en van ijdele pogingen om hunne medemenschen te
leiden, opgeven, en, wanneer zij bevonden hebben, dat de menschen niet
meer naar hen willen luisteren (gelijk zij dan ook nooit waard waren
dat men naar hen luisterde), stilletjes weer in den grooten hoop
wegzinken en erkennen dat hunne oogmerken onbereikbaar waren, of
dankbaar zijn dat die nooit in toepassing zijn gebracht. De vurigste
hervormers bedaren en schikken zich eindelijk in de dingen gelijk zij
zijn; de luidste schreeuwende radicale redenaars worden stomme,
onderworpen ambtenaren, de gloeiendste liberalen worden alledaagsche
conservatieven wanneer zij buiten het bewind zijn, of onuitstaanbare
tirannen of despoten zoodra zij de teugels der regeering in handen
hebben. Let maar een op Thiers en Guizot, wanneer zij òf in de
oppositie zijn, òf op het kussen zitten! Let maar op de Whig’s wanneer
zij het volkophitsen, en op de Whig’s wanneer zij het bewind voeren!
Zoudt gij willen beweren, dat die mannen zich verraderlijk gedragen,
zooals de radicalen bazelen, die op hunne beurt eveneens zouden
handelen, indien hunne beurt ooit kwam? Neen, zij plooien zich slechts
naar omstandigheden, die sterker zijn dan zij, – zij streven naar
hervorming, gelijk de wereld daarnaar streeft, maar met den stap, die
aan de wereld eigen is (en de bewegingen van zulk een ontzaglijk
lichaam als de wereld moeten noodwendig langzaam zijn); zij laten het
eene plan varen als onuitvoerbaar, uithoofde van de oppositie, – het
andere als ontijdig, omdat het strijdt met de inzichten der
meerderheid! zij zijn genoodzaakt zoowel de nadeelen en de bezwaren te
berekenen, als aan hervorming en vooruitgang te denken, en ten slotte
zien zij zich gedwongen te wijken, te wachten en te modderen.”
„Zijn excellentie de heer Arthur Pendennis zou niet beter kunnen
spreken, niet méér over zich zelven voldaan kunnen zijn, indien hij
kanselier der schatkist ware,” zeide Warrington.
„Over mij zelven voldaan? Waarom dat?” ging Pen voort. „Het schijnt mij
toe, dat mijne twijfelzucht eerbiediger en bescheidener is dan het
revolutionaire vuur van andere menschen. Menig patriot van achttien
jaar, menig redenaar in eene volksclub zou morgen de bisschoppen uit
het Hoogerhuis willen verdrijven en de lords na de bisschoppen, om
eindelijk, na de pairs en de rechterlijke macht, den troon in den
Theems te werpen. Is zulk een man bescheidener dan ik, die deze
instellingen aanneem gelijk ik ze vind, en die afwacht dat de tijd en
de waarheid ze zullen ontwikkelen, versterken of (zoo gij wilt)
vernietigen? Een academisch onderwijzer of een gouverneur van een
adellijk jong heer, die op een fraaien dag te voorschijn komt als de
hoogeerwaarde heer bisschop in een zijden gewaad en met een
breedgeranden hoed en die dan een zalvenden toon tegen mij aanneemt, is
nog altijd dezelfde man dien wij ons uit Oxbridge herinneren, toen hij
de voorname jongelui naar de oogen keek, of de arme groenen in de
collegezaal kwelde. Een erfelijk wetgever, die zijn tijd met
stalknechts en oplichters en danseressen doorbrengt en gerechtigd is
mij en zijn andere meerderen te regeeren, omdat zijn grootvader
gelukkig in de fondsen gespeculeerd, of eene kolen- of tinmijn op zijne
goederen gevonden heeft, of omdat zijn domme voorvader toevallig het
bevel voerde over tien duizend manschappen even dapper als hij zelf,
die twaalf duizend Franschen of vijftig duizend Indianen versloegen, –
zulk een man boezemt mij niet meer eerbied in dan de verbitterdste
democraat voor hem kan koesteren. Doch zooals hij is, maakt hij een
deel uit van de oude maatschappij tot welke wij behooren; en ik
onderwerp mij met kalmte aan zijne lordschap, die aan alle diners de
plaats boven ons inneemt, en daar zijn tijd verbeidt. Ik verlang zijn
hoofd niet onder de guillotine af te houwen, noch hem op straat met
modder te werpen. Wanneer men zulk een man eene schandvlek van zijn
stand noemt, en den eeretitel van sieraad van zijn stand schenkt aan
een ander, die vriendelijk en zachtzinnig, beschaafd en edelmoedig is,
die zijn rijkdom bezigt om al wat goed en weldadig is, al wat tot de
verfijning en veraangenaming des levens kan bijdragen, op de
voorkomendste en hulpvaardigste wijze te ondersteunen, – dan wordt in
beide gevallen het nut en de wenschelijkheid van den stand zelven niet
ter sprake gebracht. Hij bestaat onder ons als een bestanddeel onzer
volkszeden, als de afgod van velen onder ons, als een werk der eeuwen
en het zinnebeeld van een zeer ingewikkelden voormaligen toestand, –
daar staan mylord de bisschop en mylord de erfelijke wetgever, beiden
des transactions, zooals de Franschen zeggen; zij vertegenwoordigen in
hunne hedendaagsche gedaante geharnaste baronnen en kampvaardige
aanvoerders (van welke hunne erfelijke lordschappen voor het meerendeel
niet afstammen), en priesters, die voorgaven in het bezit te zijn van
de volstrekte waarheid en van eene macht, die op goddelijke wijze op
hen overgedragen was, welke absolute waarheid onze voorouders op den
mutserd verbrandden en daar loochenden, en welke goddelijke, erfelijke
macht nog altijd gedrukt staat – en naar verkiezing geloofd, of niet
geloofd kan worden. Van dit alles zeg ik, dat ik er in berust, omdat
het bestaat, en meer niet. Indien men zegt, dat deze instellingen, die
in het leven getreden waren eer de boekdrukkunst uitgevonden, of de
kracht van den stoom ontdekt was; toen de gedachte als een kind
behandeld, bang gemaakt en afgestraft werd en de waarheid door haar
opzieners werd gesmoord, onderdrukt en geblinddoekt en hare stem niet
mocht verheffen, niet mocht opzien en zich niet in het openbaar
vertoonen mocht; voordat de menschen met elkander mochten vergaderen,
of handelen, of spreken; – ik herhaal, indien iemand zegt (en
verscheidene trouwhartige zielen doen dat,) dat die inrichtingen
bestemd zijn om eeuwig te duren, en, ofschoon zij aanhoudend veranderd
en gewijzigd zijn, nu niet meer aan ontwikkeling of verval zijn
onderworpen, dan lach ik en laat dien man praten. Maar ik wensch, dat
men die meeningen eerbiedige, evenals ik het voor mijn eigen gevoelens
verlang; en indien die instellingen moeten uitsterven, dan zou ik
liever zien, dat zij een voegzamen en natuurlijken, dan een
plotselingen en gewelddadigen dood ondergingen.”
„Gij zoudt aan Jupiter geofferd hebben,” zeide Warrington, „indien gij
tijdens de vervolging der Christenen geleefd hadt.”
„Misschien wel,” zeide Pen met zekere droefgeestigheid. „Misschien ben
ik een bloodaard, misschien wankelt mijn geloof; maar dit gaat mij
zelven aan. Wat ik hier zeggen wilde, is, dat ik een afkeer van
vervolging heb. Zoodra men een geloof of een leerstuk als de volstrekte
waarheid voorstelt, vloeit daar logisch vervolging uit voort, en
verbrandt Dominicus een jood, of Calvijn een Ariaan, of Nero een
Christen, of Elizabeth of Maria een papist of een protestant; of haar
vader verbrandt van beide soorten, naar de ingeving van zijne luim en
niet alleen zonder het minste gewetensbezwaar, maar zelfs met de innige
overtuiging van zijn plicht vervuld te hebben. Maakt men een leerstuk
tot de volstrekte waarheid, dan wordt het aandoen of ondergaan van den
dood gemakkelijk en noodzakelijk, en zijn de soldaten van Mohammed, die
met den kreet: „Het paradijs! het paradijs!” op de lippen, onder de
lanssteken der Christenen sterven, niet meer of minder prijzenswaardig
dan wanneer die zelfde mannen eene stad vol joden uitmoorden, of de
hoofden van alle gevangenen afhouwen, die niet erkennen willen dat er
slechts één profeet van God is geweest.”
„Slechts kort geleden, jonge heer,” zeide Warrington, nadat hij de
ontboezemingen van zijn vriend zonder goed- of afkeuring had
aangehoord, want hij helde tot beide over, „hebt gij mij gevraagd,
waarom ik mij buiten den strijd des levens hield, en den zwaren arbeid
mijner medemenschen aanzag, zonder zelf eenig deel aan het gevecht te
nemen? Wel, erkent gij niet zelf, bij deze belijdenis van twijfel aan
alles, een bloot dilettant en een onverschillig toeschouwer te zijn!
Gij zijt zes en twintig jaar oud en zoo blasé als een losbol van
zestig. Gij hoopt niet veel, gij bekommert u niet om veel, gij gelooft
niet veel. Gij twijfelt evenzeer aan anderen als aan u zelven. De
wereld zou onuitstaanbaar zijn, indien zij bestond uit zulke
onverschilligen als gij; en ik zou liever in eene wildernis met apen
leven en mij hun gesnater getroosten, dan in eene maatschappij van
menschen, die alles loochenden.
„Indien de wereld uit St. Bernards of St. Dominicus’en bestond, zou zij
even akelig zijn,” merkte Pen aan, „en na eenige dozijnen jaren zelfs
geheel uitsterven. Zoudt gij willen, dat ieder man zijn hoofd kaal
schoor, dat iedere vrouw in een klooster ging, en dat zij de
voorschriften van het kluizenaarsleven in den volsten omvang opvolgden?
Zoudt gij willen, dat elke straat van elke stad der wereld van psalmen
weergalmde? Zoudt gij willen, dat alle vogelen des wouds op éénen toon
zongen en een zelfde gevederte hadden? Gij noemt mij een twijfelaar,
omdat ik aanneem hetgeen bestaat; en als ik dat aanneem, hetzij een
sijsje of een leeuwerik, een priester of een dominé, kortom een der
onnoemelijk vele verscheidenheden onder de schepselen van God (wiens
blooten naam ik met eerbied uitspreek en nooit zonder een heilig ontzag
op de lippen neem), dan zeg ik, dat de studie en het inzicht van die
verscheidenheid onder de menschen inzonderheid onzen eerbied en onze
bewondering verhoogt voor den Schepper, den Beheerscher en den Ordenaar
van al deze zoo verschillende en toch zoo overeenstemmende gemoederen,
die in eene gemeenschappelijke aanbidding samenstemmen en elk, volgens
zijn ontwikkeling en zijne middelen, om tot het Goddelijke middelpunt
van alles te naderen, Hem lof en eere toebrengen; en wel (om het beeld
van den vogel nog eens te gebruiken) ieder op den hem aangeboren toon.”
„Zoodat, Arthur, het loflied van een heilige, of de ode van een
dichter, of het liedje van een dief in Newgate, in het oog uwer
wijsbegeerte alle nagenoeg op hetzelfde neerkomen,” zeide George.
„Zelfs die spot zou weerlegd kunnen worden, indien hij iets ter zake
deed,” antwoordde Pendennis, „maar dat doet hij niet. Ik zou u kunnen
antwoorden, dat de meest wijze en verhevenste van alle leermeesters die
wij ooit gekend hebben, de onvermoeide Versterker en Vertrooster, zelfs
den beklagenswaardigen moordenaar aan het kruis eene barmhartige
verhooring en eene vaste hoop toezeide. Lofzangen van heiligen! oden
van dichters! Wie zijn wij, dat wij de kansen en gelegenheden, de
middelen om goed of kwaad te doen, of zelfs te beoordeelen, die aan de
menschen geschonken zijn, zouden kennen, en een regel zouden stellen om
hun straffen of belooningen toe te deelen? Wij zijn even voorbarig en
onnadenkend in het beoordeelen van de zedelijkheid der menschen als van
hun verstand. Wij bewonderen den een als een groot wijsgeer en
verklaren den ander voor een domkop, zonder te weten hoeveel waarheid
er bij ieder hunner huist, of zeker te wezen dat de waarheid ergens te
vinden is. Wij zingen een Te Deum voor dezen held, die een slag heeft
gewonnen, en een De Profundis voor dien andere, die uit zijne
gevangenis gebroken, maar door de dienders weer bij den kraag gevat is.
Onze maatstaf van belooningen en straffen is zeer partijdig en
onvolledig, bespottelijk onevenredig en ten eenemale wereldsch, en wij
zouden dien ook in de wereld hier namaals wenschen toegepast te zien.
Wij trachten de menschen ook in die aanstaande en ontzagwekkende wereld
te vervolgen en hun onze machtelooze en partijdige vonnissen van
veroordeeling of vrijspraak na te zenden. Wij nemen onze nietswaardige
maatstokjes op, om die aan den onmetelijken hemel te leggen, alsof,
wanneer wij daarmede in vergelijking treden, de geest van Newton, of
Pascal, of Shakespeare verhevener ware dan de mijne; alsof de straal,
die van de zon uitgaat, spoediger tot mij kwame, dan tot den man die
mijne laarzen poetst. Bij die hoogte vergeleken, zijn de grootste en de
kleinste onder ons zoo gering en zoo jammerlijk onbeduidend, dat wij er
maar geen berekening van moeten maken en het belachelijk is, het
verschil na te rekenen.”
„Op dit punt gaat uw betoog mank, Arthur,” zeide de ander, die nu beter
in zijn humeur kwam: „indien wij zelfs met onze gewone rekenkunst bijna
tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen evenzeer als deelen, moet
de Groote Rekenaar op allen acht slaan, en tegenover Zijn oneindigheid
is het kleine niet klein en het groote niet groot.”
„Ik trek die berekeningen niet in twijfel,” hernam Arthur: „alleen zeg
ik maar, dat de uwe onvolledig en voorbarig zijn, en daardoor valsch in
de gevolgen, zoodat de fout, bij elken stap verder, grooter wordt. Ik
veroordeel den man niet, die Socrates vermoordde, of over Galileo het
vonnis uitsprak. Ik zeg alleen, dat Galileo veroordeeld en Socrates
vermoord is.”
„En echter hebt gij slechts een oogenblik geleden gezegd, dat men in
het bestaande en, naar ik dus vooronderstel, ook in alle andere
tirannieën moet berusten.”
„Neen, maar ik heb gezegd, dat, indien ik door een tegenstander
bedreigd word, van wien ik mij zonder bloedstorting of geweld ontdoen
kan, ik hem liever door talmen en uithongeren dan door vechten tot de
overgave wil dwingen. Fabius bestreed Hannibal op sceptische wijze. Wie
was zijn Romeinsche medeveldheer, van wien wij als jongens in
Plutarchus lazen, die met het talmen van den ander spotte, diens moed
in twijfel trok, den vijand aantastte en, gelijk hij verdiende,
geslagen werd?”
In deze beschouwingen en ontboezemingen van Arthur zal de lezer
wellicht toespelingen zien op vraagstukken, die zonder twijfel hem zelf
hebben beziggehouden en verontrust, en die hij op geheel andere wijze
beantwoord heeft dan door de slotsommen, waartoe onze jeugdige vriend
geraakt was. Wij staan niet in voor de juistheid zijner meeningen, die
de lezer zich gelieve te herinneren dat in dramatischen vorm gegoten
zijn, daar de schrijver hiervoor evenmin verantwoordelijk is als voor
de meeningen, die de andere personen dezer geschiedenis uiten. Wij
hebben ons alleen ten doel gesteld de voortgaande ontwikkeling te
volgen in het gemoed van een wereldsch en zelfzuchtig, maar niet
onedel, gevoelloos noch waarheidschuwend man. En men zal zien, dat het
beklagenswaardige standpunt, waartoe zijne logica hem tot dusverre
gebracht heeft, dat is van een algemeen scepticisme en van spottende
berusting in de wereld gelijk zij is; of, indien men het liever zoo
noemen wil, een geloof, getemperd door twijfel aan al het bestaande. De
smaak en de gewoonte van zoodanig iemand beletten hem een luidruchtig
demagoog te zijn, en zijne liefde tot de waarheid en zijn afkeer van
huichelarij weerhouden hem van het opperen van de dwaze stellingen,
waarmee vele opgewonden hervormers dadelijk gereed staan, en nog veel
meer van het uiten van rechtstreeksche onwaarheden in het aanvoeren van
bewijsgronden of het weerleggen van zijne tegenstanders; want hij zou
liever sterven dan daarvan gebruik maken. De aard van onzen vriend
maakte hem onbekwaam om zekere soorten van leugens te vertellen, en
evenmin bezat hij kracht genoeg om anders dan met een beleefd, doch
ongeloovig glimlachje tegen zekere andere te protesteeren, daar het
zijn stelregel was, dat hij alle wetten moest gehoorzamen, zoolang zij
niet waren ingetrokken.
En waartoe wordt een man door dit inschikkelijke en sceptische leven
gebracht? Onze vriend Arthur was een Sadduceër. De Dooper mocht in de
wildernis de armen aanroepen, die met alle macht en kracht naar de
donderende toespraken van den prediker en zijne verkondiging van toorn,
of wee, of verlossing luisterden; maar onze vriend de Sadduceër zou
schouderophalend en glimlachend zijne ranke ezelin van de volksmenigte
afwenden en huiswaarts keeren, om onder het lommer op zijn terras na te
denken over den prediker en diens gehoor, en zijne boekrol van Plato
ter hand te nemen, of zijn onderhoudend Grieksch liederenboek, dat van
honig en Hybla en nimfen en fonteinen en liefde beuzelde. Waartoe,
vragen wij dus, leidt dit scepticisme? Het leidt den mensch tot eene
schandelijke eenzaamheid en zelfzucht – des te schandelijker omdat zij
zoo tevreden is, zoo zonder geweten, zoo onbewolkt. Het geweten wat is
het geweten? Waarom zou men zich om wroeging bekreunen? Wat is algemeen
of bijzonder geloof? Altemaal verdichtselen, in een oceaan van
overleveringen gedompeld. Wanneer gij, Arthur, de leugens der wereld
ziende en herkennende – gelijk gij ze met eene maar al te noodlottige
duidelijkheid zien kunt, – u daaraan zonder eenig ander protest dan een
lachje onderwerpt; indien gij, zelf aan zinnelijk genoegen overgegeven,
de gansche rampzalige wereld kermende langs u heen laat trekken zonder
er door geroerd te zijn; indien er voor de waarheid gestreden wordt en
alle mannen van eer gewapend op het slagveld staan geschaard aan de
eene of de andere zijde, en gij alleen over uw balkon uwe pijp ligt te
rooken, ver van alle gedruis en gevaar, – dan zou het beter zijn, dat
gij gestorven waart, of nooit bestaan hadt, dan zulk een aan het genot
verslaafd lafaard te wezen.
„De waarheid, beste vriend!” zeide Arthur met onverstoorbare kalmte:
„waar is de waarheid? Toon mij die eens aan. Dat is hier de vraag. Ik
zie de waarheid aan beide zijden: ik zie haar aan de conservatieve
zijde van het parlement, en onder de radicalen, en zelfs op de
ministerieele zetels. Ik zie haar in dien man, die, volgens de
voorschriften der wetten, aanbidt en daarvoor beloond wordt met een
zijden gewaad en vijf duizend pond ’s jaars, in dien man, die, door de
onbarmhartige logica van zijn geloof onweerstaanbaar voortgedreven, van
alles afstand doet, van vrienden, van roem, van de dierbaarste banden,
van het eerzuchtigste streven, van den eerbied van een gansch leger van
kerkelijke personen en den erkenden rang van aanvoerder, en door de
waarheid gedreven, overloopt naar den vijand, in wiens gelederen hij
voortaan als gewoon en onbekend soldaat zal dienen. Ik zie de waarheid
in dien man, gelijk ik haar zie in zijn broeder, wiens logica hem tot
eene geheel verschillende slotsom brengt en die, na zijn gansch leven
besteed te hebben aan ijdele pogingen om een boek, dat voor geen
overeenstemming vatbaar is, met zich zelven in overeenstemming te
brengen, het eindelijk wanhopig neersmijt en met tranen in de oogen en
de handen omhoog geheven verklaart, dat hij er zich niet mee vereenigen
kan en er afstand van doet. Indien de waarheid bij deze allen berust,
waarom zou ik dan partij kiezen voor een van hen? Sommigen gevoelen
zich geroepen om te preeken: laat hen dan preeken. Onder die preekers
zijn er mijns inziens wat te veel, die zich verbeelden dat zij de gave
ontvangen hebben. Maar wij kunnen niet allen dominé’s zijn in de kerk;
dat is duidelijk. Sommigen moeten stilzitten en luisteren, en dutten
misschien in. Hebben wij niet ieder onze plichten? De oudste
weeshuisjongen trapt het orgel, de meester ranselt de andere jongens op
de orgelgalerij, de koster zegt Amen voor den lessenaar, en de kerkbode
met zijn staf doet de deur open voor zijn weleerwaarde, die in
ruischende zijde naar den kansel treedt. Ik zal de jongens niet
ranselen, noch altijd Amen zeggen, noch als kampioen der kerk optreden
onder de gedaante van den kerkbode met zijn staf, maar ik zal in de
kerk mijn hoed afnemen en daar ook bidden en den dominé de hand geven
als hij daar buiten over het gras stapt. Ik weet immers, dat zijn
aanwezigheid aldaar een compromis is en dat het eigenlijk eene rijkswet
is die voor mij staat? Dat de kerk, waarin hij optreedt, voor een ander
soort van eeredienst gebouwd was? Dat de methodistische kapel in de
nabijheid is, en dat Bunyan de ketellapper daar ginds op het weiland
over de verdoemenis staat te redekavelen? Ja, ik ben een Sadduceër, en
neem de dingen zooals ik ze vind, en de wereld en de wetten der wereld
voor hetgeen zij zijn, en gelijk ik voornemens ben eene vrouw te nemen
indien ik er eene vind, – niet om smoorlijk op haar verliefd te zijn en
als een dwaas aan hare voeten te liggen, – niet om haar te vereeren als
een engel, of te verwachten dat zij er een zijn zal, – maar om
welwillend en beleefd jegens haar te zijn en daartegen welwillendheid
en een aangenamen omgang van haar te genieten. En zoo gij dus ooit
verneemt, George, dat ik getrouwd ben, verlaat er u dan maar op, dat
het geen romaneske liefde van mijn kant zal zijn; en als gij eens van
een goed baantje hoort, dat de regeering te begeven heeft, dan heb ik,
voor zoover ik weet, geen bijzondere bedenkingen, die mij zouden
beletten van uw aanbod gebruik te maken.”
„O schelm van een Pen! ik weet wat gij zeggen wilt,” barstte Warrington
hier los. „Dat is nu de zin van uw scepticismus, uw quietismus en uw
atheismus, jongetje! Gij wilt u zelven verkoopen. De hemel sta u bij!
Gij wilt een koop sluiten, die u zal verlagen en voor uw leven
ongelukkig maken, en alle praten daarover is nutteloos. Indien gij uw
zin op iets gezet hebt, kan de duivel het u niet beletten.”
„Integendeel, hij is op mijne hand; vindt ge het ook niet, George?”
zeide Pen lachend. „Wat zijn dat lekkere sigaren! Ga mee dineeren in de
club; de chef is weer in de stad en zal wel wat lekkers voor mij
klaarmaken. Niet? gaat ge niet mee? Wees niet boos ouwe jongen, ik ga
morgen naar – naar buiten!”