GESPREKKEN.

Onze goedaardige begum was aanvankelijk zoo vertoornd over het laatste

bewijs van haar mans dubbelhartigheid en dwaasheid, dat zij Sir Francis

Clavering volstrekt niet in staat wilde stellen om zijn eereschulden af

te doen, maar de verklaring aflegde, dat zij van hem zou scheiden en

hem aan zijn lot, het gevolg van zijn onverbeterlijke zwakheid en

spilzucht, overlaten. Na de gebeurtenissen van dien noodlottigen dag

der wedrennen verkeerde de rampzalige dobbelaar in zulk een

gemoedstoestand, dat hij iedereen trachtte te ontloopen, zoowel zijne

kameraden van de renbaan jegens, wie hij schulden had aangegaan die hij

vreesde niet te zullen kunnen betalen, als zijne vrouw, zijne

bankierster, die zooveel voor hem geleden had, dat hij te recht

twijfelde, of zij nog langer zou dulden, dat hij de hand in hare beurs

stak. Toen Lady Clavering den volgenden morgen vroeg of Sir Francis

thuis was, ontving zij ten antwoord, dat hij den vorigen avond niet was

teruggekomen, maar eene boodschap aan zijn kamerdienaar gezonden had,

met last om aan den brenger zijne kleeren en brieven mee te geven.

Strong begreep, dat hij in den loop van dien dag, of den volgenden, wel

een bezoek of een uitnoodiging van den baronet zou ontvangen, en

werkelijk kreeg hij dan ook een briefje, waarin hij verzocht werd zich

bij zijn radeloozen vriend F. C. in Short’s Hotel te Blackfriars te

vervoegen en naar mijnheer Francis te vragen. Want de baronet was een

heer van zulk een bijzonderen stempel, dat hij liever loog dan de

waarheid sprak, en een strijd tegen de Fortuin altijd aanving met de

vlucht te nemen en zich ergens te verschuilen. De bode van het hotel

des heeren Short, die Clavering’s boodschap op Grosvenor Place bezorgde

en van daar zijn reiszak meebracht, begreep dadelijk wie de eigenaar

van dien zak was, en deelde zijn overtuiging aan den lakei mede,

terwijl deze het ontbijt gereed zette, die het nieuws in de

dienstbodenkamer vertelde, die het verhaalde aan jufvrouw Bonner,

mylady’s huishoudster en vertrouwde kamenier, die het aan mylady

overbracht. Op die wijze wist ieder lid van het huisgezin op Grosvenor

Place, dat Sir Francis zich, onder den naam van Francis, in een

logement op de Blackfriars Road verscholen had. De koetsier van Sir

Francis vertelde het aan de koetsiers van andere heeren, die het

verhaalden aan hunne meesters en in het naburige etablissement van

Tattersall, alwaar men een somber voorgevoel had, dat Sir Francis met

de noorderzon vertrekken zou.

Het aantal brieven aan den baronet Sir Francis Clavering, die in den

loop van den dag den weg naar de tafel in zijne vestibule vonden, was

inderdaad verbazend. De Fransche kok zond zijne rekening bij mylady in;

ook de leveranciers, die mylady’s tafel voorzagen, en de heeren Finer

en Gimcrack, de galanteriehandelaars, en madame Crinoline, de voorname

modemaakster, zonden hunne kleine notaatjes aan mylady, te gelijk met

de afzonderlijke en gansch niet onbeduidende rekeningen van jufvrouw

Amory bij elk dier winkeliers.

Toen Strong des namiddags van den dag na de wedrennen (na in Short’s

Hotel met zijn principaal, dien hij bezig vond met huilen en

curaçao-drinken, een onderhoud te hebben gehad), zich volgens gewoonte

op Grosvenor Place vervoegde om daar de zaken te behandelen, vond hij

al die verdachte documenten in de kamer van den baronet, waarop hij ze

met een bedenkelijk gelaat begon open te breken en in te zien.

Terwijl hij zich hiermede onledig hield, kwam jufvrouw Bonner, mylady’s

kamenier en huishoudster, hem storen. Jufvrouw Bonner, die als een lid

van de familie kon beschouwd worden en voor hare meesteres even

onmisbaar was als de chevalier voor Sir Francis, was in het geschil

tusschen Lady Clavering en haar echtgenoot natuurlijk op de hand der

lady en, volgens plicht, zelfs nog boozer dan deze laatste.

„Als zij mijn raad volgt, zal zij niet betalen,” zeide jufvrouw Bonner.

„Ga maar weer naar Sir Francis, kapitein, – die zich nu in eene gemeene

herberg verschuilt en zijne vrouw niet als man onder de oogen durft

komen! – en zeg hem, dat wij zijne schulden niet langer willen betalen.

Wij hebben hem gemaakt tot wat hij is; – wij hebben hem (en misschien

wel anderen ook) uit de gevangenis verlost, wij hebben telkens zijne

schulden betaald, wij hebben hem eene plaats in het parlement verschaft

en hem een huis in de stad en op het land geschonken, waar de kale

lafaard zijn gezicht niet durft vertoonen! Wij hebben hem het paard

gegeven dat hij berijdt en het eten dat hij krijgt, ja, de kleeren die

hij aanheeft; en nu willen wij hem niets meer geven. Onze fortuin,

zooveel er van overgebleven is, komt ons toe, en wij willen er niets

meer van verspillen aan dien ondankbaren man. Wij zullen hem genoeg

toeleggen om van te leven en hem verder aan zijn lot overlaten, dat

zullen wij; en dat moogt gij hem nu vertellen uit naam van Suze

Bonner.”

Op dit oogenblik liet Suze Bonner’s meesteres, die van de komst van

Strong gehoord had, dezen roepen, waarop de chevalier zich naar mylady

begaf, niet zonder hoop haar handelbaarder te vinden dan jufvrouw

Bonner, hare gemachtigde. Reeds vele malen had hij de zaak van zijn

client bij Lady Clavering bepleit en haar goed hart weten te vermurwen.

Dit beproefde hij thans nogmaals. Met sombere kleuren schilderde hij

den toestand af, waarin hij Sir Francis had aangetroffen, zoodat hij

niet wilde instaan voor de gevolgen, als hij de middelen niet kon

verkrijgen om aan zijne verplichtingen te voldoen.

„Zou hij zich van kant maken?” vroeg jufvrouw Bonner lachend. „Zou hij

zich van kant maken? ei! Nu, hij kan niets beter doen dan dood gaan.”

Strong zwoer, dat hij een scheermes op de tafel had zien liggen, maar

daarover begon Lady Clavering op hare beurt met bitterheid te lachen.

„Hij zal zich zelven geen kwaad doen, zoolang een arme vrouw nog een

stuiver bezit waarvan hij haar berooven kan. Zijn leven is veilig,

kapitein, daarop kunt gij u verlaten. Ach, het was wel een ongeluksdag

toen ik hem voor het eerst zag!”

„Hij is erger dan haar eerste man,” riep mylady’s adjudant uit. „Dat

was ten minste een man, dat was hij, – een woeste duivel, maar hij

bezat den moed van een man, – terwijl deze kerel.... wat helpt het, dat

mylady zijne rekeningen betaalt, hare diamanten verkoopt en hem

vergiffenis schenkt? Het volgende jaar maakt hij het weer even erg.

Zoodra hij er kans toe ziet, bedriegt hij en besteelt hij haar, en gaat

met haar geld naar eene bende schelmen en gauwdieven – u bedoel ik

niet, kapitein – gij hebt ons altijd veel vriendschap betoond; wij

wenschten echter u nooit gezien te hebben.”

De chevalier begreep uit hetgeen jufvrouw Bonner zich aangaande de

diamanten had laten ontvallen, dat de zachtmoedige begum zich ten

minste nog ééns zou laten bepraten en er voor zijn principaal nog

altijd hoop bestond.

„Op mijn woord, mevrouw,” zeide hij met oprecht medelijden voor de

beproevingen van Lady Clavering en bewondering voor haar

onuitputtelijke goedhartigheid, en met een betoon van geestdrift,

hetwelk de zaak van zijn nietswaardigen patroon niet weinig

bevoordeelde: „wat gij tegen Clavering zegt, of wat jufvrouw Bonner mij

in het gezicht werpt, is niet meer dan wij beiden verdienen, en de dag,

toen gij ons voor het eerst zaagt, was wel ongelukkig. Hij heeft u

wreedaardig behandeld, en indien gij niet de edelmoedigste en de meest

vergevensgezinde vrouw ter wereld waart, weet ik dat hem geene hoop zou

overblijven. Doch gij kunt den vader van uw zoon niet te schande maken;

gij kunt den kleinen Frans de wereld niet laten ingaan met zulk eene

smet op hem klevende. Zet hem vast; bind hem door welke beloften gij

goedvindt; ik sta er u borg voor, dat hij ze zal doen.”

„En niet houden,” liet jufvrouw Bonner er op volgen.

„En ditmaal houden,” riep Strong uit. „Hij moet ze houden. Als ge eens

hadt kunnen zien, mevrouw, hoe hij schreide! „O, Strong,” zeide hij

tegen mij, „niet voor mij zelven doet het me leed, maar voor mijn

jongen, voor de beste vrouw in Engeland, die ik slecht behandeld heb, –

dat weet ik.” Hij was niet voornemens bij het rennen te wedden,

mevrouw, wezenlijk niet! Hij is er toe verleid, en al de kenners zijn

bij den neus genomen. Hij meende dat hij gerust kon wedden, zonder het

minste gevaar te loopen. Maar het zal hem zijn leven lang eene les

zijn. Een man te zien schreien, – o, dat is verschrikkelijk!”

„Hij geeft er niet veel om, of hij mijne lieve mevrouw aan het schreien

maakt,” zeide jufvrouw Bonner, „die arme ziel! Let maar eens op,

kapitein, of hij er zich veel om bekreunen zal.”

„Als gij een hart in uw lijf hebt, Clavering,” zeide Strong tegen zijn

principaal, toen hij hem dit tooneel verhaalde, „dan moet gij ditmaal

uwe belofte houden, en ik neem den hemel tot getuige, dat, als gij

thans uw gegeven woord verbreekt, ik partij tegen u zal kiezen en alles

vertellen.”

„Hoe? alles?” riep mijnheer Francis uit, toen zijn afgezant hem dat

nieuws bracht in Short’s Hotel, waar Strong den baronet bezig vond met

huilen en curaçao-drinken.

„Bah! Ziet gij mij voor gek aan?” barstte Strong uit. „Denkt gij, Frans

Clavering, dat ik zoo lang in de wereld geleefd heb, zonder mijn oogen

te leeren gebruiken? Gij weet, dat ik maar behoef te spreken, en morgen

zijt gij een bedelaar. En ik ben niet de eenige, die uw geheim kent.”

„Wie kent het dan nog meer?” bracht Clavering met moeite uit.

„De oude Pendennis, als ik mij niet vergis. Hij herkende den man den

eersten avond dat hij hem onder de oogen kreeg, toen hij dronken bij u

aan huis kwam.”

„Weet hij het inderdaad!” schreeuwde Clavering. „Wel verd–! Vermoord

hem!”

„Gij zoudt ons wel allemaal willen vermoorden, niet waar, ouwe jongen?”

zeide Strong spottend en blies eene rookwolk van zijne sigaar weg.

De baronet sloeg zich met machtelooze hand tegen het voorhoofd, want

niet onwaarschijnlijk had de ander zijn innerlijken wensch geraden. „O

Strong!” riep hij uit; „als ik er den moed toe had, zou ik een einde

aan mijn leven maken, want ik ben de verd–ste, ellendigste hond in

gansch Engeland. Dat is het wat mij zoo woest en onbesuisd maakt, wat

mij aan den drank brengt.” (en met bevende hand zond hij een glas

curaçao naar binnen), „wat mij doet omgaan met die dieven. Ik weet dat

het dieven zijn, man voor man, verd– dieven! En – en hoe kan ik het

helpen? – en ik wist het niet, dat weet ge – en, bij den hemel, ik ben

onschuldig – en ik wist er, totdat ik dien verwenschten schurk voor het

eerst zag, even weinig van als van het uur van mijn dood – en ik zal

wegloopen, en mij buitenslands begeven, buiten het bereik van die

verwenschte speelholen, en ik zal mij, voor den duivel, in een bosch

verbergen en mij aan een boom ophangen, en – o – ik ben de ellendigste

bedelaar in gansch Engeland!” Aldus gaf het machtelooze ongelukskind

onder tranen, kreten en vloeken lucht aan zijn verdriet, beklaagde zich

over zijn rampzalig lot en drukte in zuchten, wanhoop en godslastering

zijn berouw uit.

Het geliefkoosde spreekwoord, dat des eenen dood des anderen brood is,

werd bewaarheid in het geval van Sir Francis Clavering en een

medebewoner van de kamers van mijnheer Strong in Shepherd’s Inn. Bij

toeval was de man, met wien kolonel Altamont gewed had, er „goed” voor;

en op den afrekeningsdag der wedrennen, toen kapitein Clinker, die

uitgenoodigd was de zaken van Sir Francis Clavering te regelen (want op

raad van majoor Pendennis had Lady Clavering geweigerd den baronet

zijne eigene schulden te laten vereffener), de bankbiljetten aan de

talrijke schuldeischers van den baronet uitbetaalde, op dien zelfden

dag had kolonel Altamont het genoegen de sommen, die hij gewonnen had

door dertig tegen één te wedden op het paard, dat den prijs had

behaald, in bankbiljetten van vijftig pond te ontvangen.

Er waren bij die gelegenheid een aantal van des kolonels vrienden

tegenwoordig, om hem met zijn voorspoed geluk te wenschen; – al de

kameraden van Altamont en de heeren waarmee hij omging in de prettige

gelagkamer van den gastvrijen Wheeler, den kastelein van het

Harlequin’s Head, kwamen het fortuintje van hun vriend bijwonen, en

zouden er, met hunne edele sympathie voor alles wat voordeelig uitviel,

wel in hebben willen deelen. „Nu was er gelegenheid,” gaf Tom Driver

aan den kolonel te verstaan, „om het zilvergaljoen, dat in de Golf van

Mexico gezonken was met 380,000 dollars, behalve de staven edele

metalen en dubloenen, te lichten.” „De aandeelen in de Tredyddlummijnen

stonden nu bijzonder laag en waren voor een appel en een ei te

krijgen,” gaf mijnheer Keightley te kennen; „er had zich nooit eene

betere gelegenheid voorgedaan om aandeelen te koopen”; en Jan Holt

bracht zijn plan om tabak te smokkelen, welks vermetelheid den kolonel

meer aanlachte dan eenige andere der hem voorgestelde speculatiën, weer

op het tapijt. Onder de gasten uit het Harlequin’s Head kende Jakob

Rackstraw een paar paarden, die de kolonel noodzakelijk moest koopen;

Tom Fleet, wiens satiriek blad de Bram slechts tweehonderd pond

kapitaal noodig had om aan dengeen, die dit verschafte, duizend pond ’s

jaars op te brengen, bracht den kolonel aan het verstand, dat hij

daardoor groote macht en invloed zou verwerven, benevens toegang tot de

foyers van al de Londensche schouwburgen; en daarentegen bezwoer de

kleine Moss Abrams den kolonel, niet te luisteren naar die dwaze kerels

met hunne windspeculatiën, maar zijn geld te beleggen in eenige solide

wissels, die Moss voor hem kon koopen en waaraan vijftig percent te

verdienen viel, zoo goed alsof men die in de Bank van Engeland had

staan.

Gezamenlijk en afzonderlijk kwamen deze heeren den kolonel met hunne

verschillende verlokselen aan boord; maar hij bezat geestkracht genoeg

om hun het hoofd te bieden, zijne bankbiljetten in zijn toegeknoopten

rok weg te bergen, met Strong naar huis te gaan, en de buitendeur

hunner kamers te sluiten. De eerlijke Strong had zijn huisgenoot goed

ingelicht omtrent al die kennissen, en ofschoon hij, toen de kolonel

sterk bij hem aandrong, er geen gewetensbezwaar in vond zelf twintig

pond uit diens winst aan te nemen, was hij echter met te veel

vriendschappelijk gevoel vervuld, om hem door anderen te laten

oplichten.

Als Altamont geld had, was hij geen kwade kerel. Hij bestelde eene

sierlijke livrei voor Grady en ontlokte den armen ouden Costigan een

stroom tranen van snel vervliegende dankbaarheid, door hem, na een

lekker diner in de Achterkeuken, een bankbiljet van vijf pond ten

geschenke te geven. Voorts kocht hij een groenen shawl voor jufvrouw

Bolton en een gelen voor Fanny, de fraaiste artikelen van een

„uitverkoop beneden fabrieksprijzen” in een kleerenwinkel van Regent

Street. En korten tijd hierop ontving jufvrouw Amory op haar

verjaardag, die in Juni viel, een pak, dat een ontzaglijk grooten met

koper ingelegden schrijflessenaar bevatte, waarin een stel amethysten

besloten was, de leelijkste die men met oogen zien kon, eene speeldoos,

en twee Jaarboekjes van het jaar te voren, alles vergezeld van een paar

stukken goed voor kleedjes van de ongeloofelijkste kleuren. De sylphide

kon bij de ontvangst dier schatten niet tot bedaren komen van lachen en

verwondering. Nu is het maar al te waar, dat kolonel Altamont omstreeks

dezen tijd een aankoop van sigaren en Fransche zijden stoffen bij

eenige uitdragers in Fleet Street gedaan had; en Strong vond hem in de

zaal der openbare verkoopingen in Cheapside, waar hij wat geld

besteedde aan twee lessenaars, verscheidene paren pleten kandelaars,

een middenstuk voor de tafel en een bagatelle-bord. Het middenstuk

bleef op zijne kamer en prijkte daar bij de feestmalen, die de kolonel

nog al dikwijls gaf. Hij beschouwde het als een waar prachtstuk, totdat

Jan Holt zeide, dat het er uitzag, alsof men het in betaling voor eene

kwade schuld had moeten overnemen, en Jan Holt was een man die het wel

weten moest.

Er werd menig diner op de kamers gegeven, waaraan Sir Francis Clavering

zich aanhoudend verwaardigde deel te nemen. Zijn eigen huis was

gesloten; de opvolger van Mirobolant, die zijne rekeningen zoo

voorbarig had ingezonden, was door de verontwaardigde Lady Clavering

weggezonden; de weelde in huis werd zeer besnoeid en verminderd. Een

der groote lakeien was ontslagen, waarop de andere zijn dienst had

opgezegd, daar hij niet verkoos te blijven zonder zijn kameraad, of in

eene familie waar slechts één knecht werd gehouden. De begum had

algemeene en strenge bezuinigingen in hare huishouding ingevoerd, ten

gevolge van de buitensporigheden, waaraan haar nietswaardige echtgenoot

zich had schuldig gemaakt. Deze hervormingen werden vlug en met vaste

hand doorgezet door den majoor, als raadsman van mylady, door Strong

uit naam van den armen Clavering, door den zaakwaarnemer der lady, en

door de eerzame begum zelve. Na de schulden van den baronet betaald te

hebben, wier regeling heel wat opspraak onder het publiek verwekte en

den baronet nog dieper in de schatting der wereld deed dalen dan reeds

te voren het geval was geweest, vertrok Lady Clavering in grooten toorn

van Londen naar Tunbridge-Wells, zonder haar snooden gemaal te willen

zien, met wien niemand medelijden had. Clavering, die volstrekt geen

lust had om zijne te recht verontwaardigde vrouw onder de oogen te

komen, bleef bedaard in Londen, en sloop het Lagerhuis in en uit, van

waar hij met kapitein Raff en den heer Marker ging biljarten en sigaren

rooken; hij verscheen in de huizen waar boksers, liefhebbers van jacht

of wedrennen enz. bijeenkwamen, of men zag hem nabij Lincoln’s Inn en

het kantoor zijner procureurs drentelen, waar de patroons hem uren

lieten wachten en de klerken elkander knipoogjes gaven terwijl hij op

het kantoor zat. Geen wonder dat hij met genoegen de diners in

Shepherd’s Inn bijwoonde, en daaronder zeer gelaten was; wat zeg ik, –

gelaten? hij was nergens zoo gelukkig als daar; hij gevoelde zich

ongelukkig onder zijne gelijken, die hem verachtten, maar hier was hij

de hoofdpersoon aan tafel, waar men aanhoudend „Ja, Sir Francis”, en

„Neen, Sir Francis” tegen hem zeide, en waar hij zijne flauwe grappen

vertelde en met bevende stem zijn eentonige Fransche liedjes zong,

nadat Strong zijne vroolijke refreinen opgedreund en de brave Costigan

zijn Iersche balladen voorgedragen had. Zoo’n gezellig huishouden als

dat van Strong, met Grady’s Iersche schotels en de door den chevalier

aangemaakte punch na het diner, zou een genoegen zijn geweest voor

menig beter man dan Clavering, die bang was voor de eenzaamheid van

zijn groot huis, waar hij alleen bediend werd door de oude vrouw, die

het bewaarde, en door zijn kamerdienaar, die hem bespotte.

„Ja, voor den duivel,” zeide hij tegen zijne vrienden in Shepherd’s

Inn; „ik zou mijn knecht wegjagen, als ik hem niet twee jaar loon

schuldig was, dien schavuit, en ik kan er mijne vrouw niet om vragen.

Hij brengt mij des morgens mijne thee koud, met een verd– tinnen

lepeltje, want hij zegt, dat mijne vrouw al het zilver naar den bankier

gezonden heeft, omdat het bij mij niet veilig was. Is het niet hard,

dat zij mij zelfs geen theelepeltje toevertrouwt? is dat niet

onbetamelijk, Altamont? Ge weet, mijne vrouw is van lagen stand dat wil

zeggen – ik vraag verschooning – hm – dat wil zeggen, het is barbaarsch

van haar, dat zij mij zoo weinig vertrouwen schenkt. Zelfs de bedienden

beginnen te lachen – die verwenschte schavuiten! Ik zal hun de

beenderen in hunne groote luie lichamen stuk slaan; ik mag verd– wezen

als ik het niet doe! Zij komen niet als ik schel; en – en mijn knecht

was gisterenavond in den Vauxhall met een van mijne fijne overhemden en

mijn fluweelen vest aan – ik weet dat het van mij was, – die

verwenschte onbeschaamde schelm – en hij bleef dansen in mijn bijzijn!

Hij zal nog eens aan de galg komen – hij verdient opgehangen te worden,

en dat verdienen al die helsche schavuiten van knechts.”

Hij was tegenwoordig zeer voorkomend jegens Altamont; hij luisterde

naar de pochende verhalen van den kolonel, wanneer Altamont beschreef

hoe, toen hij eens van Nieuw Zeeland (waar hij op de walvischvangst was

geweest) en naar het vaderland wilde terugkeeren, hij genoodzaakt was

geweest met zijne kameraden bij nacht naar boord te sluipen, om, voor

den drommel, aan hunne vrouwen te ontsnappen, – en hoe die arme

schepsels, toen zij zagen dat het schip onder zeil ging, zich in hare

kanoe’s wierpen en het als bezetenen naroeiden; hoe hij eenmaal drie

maanden lang in de wildernissen van Nieuw-Zuid-Wallis verdwaald was

geweest, toen hij zich voor handelszaken in dat land bevond; hoe hij

Bonaparte op St Helena had gezien, en met de overige officieren van den

Oostindievaarder, waarop hij stuurman was, aan hem was voorgesteld. Al

deze verhalen (en onder het drinken vertelde Altamont veel, waarbij

hij, wij moeten het bekennen, heel wat loog en zwetste) hoorde Sir

Francis thans met groote oplettendheid aan, terwijl hij steeds aan

tafel met Altamont klonk en hem met de meeste onderscheiding

behandelde.

„Laat hem maar begaan, ik weet waar hij heen wil,” zeide Altamont

lachend tegen Strong, die hem raad wilde geven, „en laat mij ook maar

begaan; ik weet zeer goed wat ik zeg. Ik was officier aan boord van een

Oostindievaarder, dat was ik; ik heb handel gedreven op

Nieuw-Zuid-Wallis, dat heb ik gedaan, met een schip, dat mijn eigendom

was, maar hetwelk ik verloren heb. Ik ben officier van den nabob

geworden, dat ben ik; doch ik heb met mijn vorstelijken meester

oneenigheid gehad, Strong, dat is waar! Wie wint of verliest iets bij

hetgeen ik vertel? of wie weet wat van mij? Die andere knaap is dood;

hij is in de wildernis doodgeschoten en te Sydney heeft men zijn lijk

herkend. Als ik vooronderstelde dat iemand zou klappen, geloof ik, dat

ik hem den hals zou omdraaien. Ik heb dat wel meer gedaan, Strong; –ik

heb u verteld hoe ik met den opzichter heb afgerekend, voordat ik mij

uit de voeten maakte – doch in een eerlijk gevecht, bedoel ik – in een

eerlijk gevecht; of liever, hij was er het best aan toe. Hij had zijn

geweer en bajonet, en ik slechts eene bijl. Er waren er wel vijftig die

het aanzagen, – ja, en zij juichten mij toe, toen ik het deed, – en ik

zou het andermaal doen, daar kunt gij staat op maken. Ik ben voor

niemand bang; en het zou den man, die iets van mij verklapte, het leven

kosten. Dat is mijn stelregel; geef mij nu de cognac nog eens aan. Gij

zoudt toch de man niet zijn, om iemand te verraden? Ik ken u. Gij zit

een brave kerel, en zult een vriend bijstaan, en gij hebt al den dood

onder de oogen gezien, als een man. Maar wat dien bangen gluiper

betreft, – dien akeligen leugenaar, dien bedrieger, dien kruipenden

hond van een Clavering, – die in mijne schoenen staat – in mijne

schoenen – laat hij naar den duivel loopen! Ik zal hem noodzaken mijne

laarzen uit te trekken en ze te poetsen, dat zal ik. Ha, ha!” Bij deze

woorden barstte hij in een woesten lach uit, waarop Strong opstond en

de flesch wegzette. De ander bleef voortlachen, maar nu op eene

vroolijke wijze. „Gij hebt gelijk, ouwejongen,” zeide hij; „gij houdt

altijd uwe hersens bij elkander, dat is waar – en als ik te veel zou

gaan praten – ik bedoel als ik zou gaan klappen, dan geef ik u verlof,

ja verzoek en gelast ik u, de flesch weg te zetten.”

„Neem een raad van mij aan, Altamont,” zeide Strong ernstig, „en zie

wel toe hoe gij met dien man omgaat. Zorg, dat hij er niet te veel

belang bij krijge, u uit den weg te ruimen, want wie weet waartoe hij

in staat is?”

Zeer spoedig deed zich het geval voor, waarnaar Altamont met een cyniek

genot reeds had uitgezien. Op zekeren dag, toen Strong eene boodschap

voor zijn patroon was gaan doen, kwam Sir Francis op de kamers en vond

daar den afgezant van den nabob alleen. Hij verwenschte de wereld in

het algemeen, omdat zij hardvochtig en onvriendelijk jegens hem was;

hij verwenschte zijne vrouw, omdat zij hem niet genoeg geld gaf; hij

verwenschte Strong, omdat hij ondankbaar was – honderden ponden had hij

Strong gegeven; hij was zijn boezemvriend geweest en had hem, bij den

hemel, uit de gevangenis verlost, – en nu trok de kapitein partij voor

mylady tegen hem en steunde haar in hare vervloekt onaangename

handelwijze jegens hem. „Zij hebben samengespannen om mij zonder een

duit te laten zitten, Altamont,” zeide de baronet; „zij geven mij niet

zooveel zakgeld al Frans op school heeft.”

„Waarom gaat gij niet naar Richmond om wat van hem te leenen,

Clavering?” viel Altamont hier met een woesten lach in. „Hij zou het

toch niet kunnen aanzien, dat zijn arme oude bedelaar van een vader

zonder zakgeld liep, niet waar?”

„Ik verzeker u, dat ik genoodzaakt ben geweest mij jammerlijk te

vernederen,” ging Clavering voort. „Zie eens, mijnheer; kijk deze

beleenbriefjes eens aan! Verbeeld u een lid van het parlement en een

oud-Engelsch baronet, voor den drommel, verplicht om eene pendule en

een ingelegden inktkoker in den lommerd te brengen, en een pressepapier

met een gouden eendekop, die mijne vrouw zeker vijf pond gekost heeft,

en waarvoor men mij niet meer dan vijftien en een halven shilling wilde

geven! O mijnheer, armoede is voor iemand van mijne levenswijze iets

heel vernederends; ik heb er tranen om gestort, mijnheer, tranen; en

die verwenschte knecht van mij – ik wou dat ik hem zag hangen! – had de

verd– onbeschaamdheid mij te dreigen, dat hij het aan mylady zou

vertellen; alsof de voorwerpen in mijn eigen huis, niet mijn eigendom

waren, die ik kan verkoopen of behouden, of het venster uitwerpen als

ik het verkies, – die verwenschte schavuit!”

„Huil maar een beetje; geneer je voor mij niet; het zal je goeddoen,

Clavering,” zeide de ander. „Wel, ouwe jongen, wat hield ik je eenmaal

voor een gelukkigen kerel, en wat zijt ge in wezenlijkheid een

ongelukkig sujet.”

„Het is schande, dat zij mij zoo behandelen, niet waar?” vervolgde

Clavering, want ofschoon de baronet gewoonlijk stilzwijgend en

lusteloos was, kon hij over zijn eigen ongelukken een uur achtereen

jammeren. „En – en, bij den hemel, mijnheer, ik heb niet eens geld

genoeg om zelfs de vigilante te betalen, die aan de deur op mij staat

te wachten; jufvrouw Bolton, de portierster, heeft mij reeds drie

shillings geleend, en ik zou haar niet gaarne om meer vragen; ik heb er

dien verd– ouden Costigan, dien verwenschten ouden kalen Ierschen

schelm om gevraagd, en die bedelaar was geen shilling rijk; en Campion

is uit de stad, anders zou hij wel een wisseltje van mij aannemen.”

„Ik dacht, dat gij op uw woord van eer aan uwe vrouw beloofd hadt, dat

gij uw naam niet meer onder wissels zoudt zetten,” zeide Altamont, aan

zijne sigaar trekkende.

„Waarom laat zij mij dan zonder zakgeld? Voor den duivel, ik moet geld

hebben!” riep de baronet uit. „O Am– O Altamont, ik ben de

beklagenswaardigste bedelaar die er loopt.”

„Gij zoudt zeker wel gaarne willen, dat iemand u een bankje van twintig

pond leende?” vroeg de ander.

„Ik zou u voor eeuwig dankbaar zijn als gij dat wildet doen, – voor

eeuwig dierbaarste vriend,” riep Clavering uit.

„Hoeveel zoudt ge er voor geven? Zoudt ge een wissel op zes maanden

voor vijftig pond willen teekenen, wanneer ge de helft in geld en de

andere helft in zilverwerk ontvingt?” vroeg Altamont.

„Ja, dat zou ik, zoo waarlijk helpe mij –, en stipt op den dag

betalen,” kreet Clavering. „Ik zal den wissel betaalbaar stellen bij

mijn bankier. Ik zal alles doen wat gij verkiest.”

„Nu, ik wilde u maar wat plagen. Ik zal u twintig pond geven.”

„Gij hebt vijf en twintig gezegd,” viel Clavering hem in de rede;

„beste vriend, gij hebt vijf en twintig gezegd, en ik zal u eeuwig

verplicht zijn. Ik wil het niet present hebben, – enkel maar ter leen,

en ik zal het u over zes maanden terugbetalen. Ik zweer u, dat ik dat

doen zal.”

„Nu, nu, daar is het geld, Sir Francis Clavering. Ik ben geen kwade

kerel. Als ik geld op zak heb, voor den drommel, dan verteer ik het als

een heer. Daar zijn vijf en twintig pond voor u. Verlies ze nu niet in

de speelhellen. Ga naar Clavering Park, dan kunt ge er ik weet niet

hoelang van leven. Gij hebt geen vleesch van den slachter noodig; er

zullen op uw landgoed zeker wel varkens zijn; en gij kunt elken dag,

tot het wild zich vertoont, konijnen schieten voor uw diner. Bovendien

zullen de buren u van tijd tot tijd ten eten vragen, want gij zijt toch

een wezenlijke baronet, al kost het u ook moeite uit de handen der

justitie te blijven. En gij hebt den troost, dat ik voor langen tijd u

van den hals zal zijn – misschien wel voor een paar jaar – als ik niet

speel, en ik ben ook voornemens dat verwenschte rouge et noir niet meer

aan te raken. Tegen dien tijd zal mylady – in mijn tijd placht ik Jimmy

tegen haar te zeggen – wel weer bijgedraaid zijn; en dan zult gij zeker

mij wel te hulp komen en u mild betoonen jegens uw boezemvriend.”

Op dit oogenblik kwam Strong terug en de baronet stelde, nu hij het

geld was machtig geworden, niet veel belang in de voortzetting van het

gesprek. Hij verliet dus Shepherd’s Inn, keerde naar huis terug, en

veegde zijn knecht op eene zoo ongemeen heftige en brutale wijze den

mantel uit, dat de man er uit opmaakte, dat zijn meester nog meer van

het meubilair verpand had, of in ieder geval in het bezit van wat

gereed geld was gekomen.

„En echter heb ik in huis rondgekeken, Morgan, zonder te kunnen

ontdekken, dat hij iets meer weggenomen heeft,” zeide Sir Francis’

knecht tegen den kamerdienaar van majoor Pendennis, toen zij elkander

kort daarna in hunne club spraken. „Mylady heeft vóór haar vertrek

bijna al de buffetten afgesloten; de schilderijen en spiegels kon hij

niet in eene vigilante wegvoeren, en de haardstellen zou hij toch niet

verpanden – zoo gemeen is hij nog niet. Maar hij heeft op de een of

andere wijze geld weten te bekomen, want hij is verduiveld onbeschoft

zoodra hij bij kas is. Eenige avonden geleden zag ik hem in den

Vauxhall, waar ik met de meisjes van Lady Hemly Babewood polkeerde (het

is daar een heel pleizierig huis en het zijn er alle buitengewoon

aardige meisjes, behalve de huishoudster, en die behoort tot de

methodisten) – ik was dan aan het polkeeren – gij zijt een veel te ouwe

vogel om te polkeeren, mijnheer Morgan – en dit gaat op uwe gezondheid

– en ik had bij toeval wat van Clavering’s kleeren aan, en dat zag hij

ook, maar hij durfde er geen woord van zeggen.”

„Hoe staat het met het huis in St. John’s Wood?” vroeg mijnheer Morgan.

„Daar is gerechtelijke verkooping. Alles wordt verkocht: de paarden, de

piano, het rijtuig, in één woord alles. Mevrouw Montague Rivers is weg

naar Boulogne. Zij is weg, Morgan. Ik voor mij geloof, dat zij zelve

den gerechtelijken verkoop uitgelokt heeft en van hem af wilde zijn.”

„Speelt hij veel?” vroeg Morgan.

„Niet sedert de boel in duigen is gevallen. Toen uw ouwe en de

procureurs en mylady die geweldige ruzie met hem hadden, viel hij op de

knieën (zooals mylady aan jufvrouw Bonner heeft verteld, die het mij

weer heeft overgebracht) en zwoer dat hij nooit meer eene kaart of een

dobbelsteen zou aanraken, noch zijn naam op een stuk papier zou zetten,

en mylady stond op het punt om hem de banknoten te geven om de schuld,

die hij bij de wedrennen gemaakt had, af te doen; maar uw ouwe zeide

(dat wil zeggen hij schreef het op een papiertje en schoof dit over de

tafel naar de procureurs en mylady), dat het beter was, dat iemand

anders de uitbetaling deed, want dat hij wat van het geld zou

achterhouden. Het is een leepe ouwe vogel, jou ouwe!”

Die uitdrukking van „ouwe vogel”, door den jongen heer zou lichtvaardig

op hem zelven en zijn meester toegepast, mishaagde mijnheer Morgan in

de hoogste mate. Toen mijnheer Lightfoot die ergerlijke woorden voor de

eerste maal gebruikte, bleek de boosheid van zijn kameraad slechts uit

een zwijgend wenkbrauwfronsen; maar bij de tweede overtreding nam

Morgan, die op sierlijke wijze eene sigaar rookte, welke hij op de punt

van zijn pennemes gestoken had, die sigaar uit zijn mond en begon zijn

jongen vriend te berispen.

„Wees zoo goed, Lightfoot, majoor Pendennis geen ouwe vogel te noemen,

en mij evenmin dien naam te geven. Dergelijke woorden worden in

fatsoenlijk gezelschap niet gebruikt, en wij hebben zoowel hier als in

het buitenland in de eerste kringen verkeerd. Wij hebben met de eerste

staatslieden van Europa op den vertrouwelijksten voet gestaan. Als wij

buitenslands zijn, dineeren wij altijd bij prins Metternich en Louis

Philippe. Wij komen hier in de eerste huizen, de allereerste, dat

verzeker ik u. Wij gaan uit rijden met Lord John Russell en met

burggraaf Palmerston, die aan het hoofd van het departement van

buitenlandsche zaken staat. Wij dineeren bij den graaf van Burgrave en

worden door den markies van Steyne over alles geraadpleegd. Wij

behooren dus wel het een en ander te weten, mijnheer Lightfoot. Gij

zijt een jongmensch, ik ben een ouwe vogel, zooals gij het noemt. Wij

hebben beiden de wereld gezien, en wij weten beiden, dat alles niet

afhangt van geld, noch van een baronetstitel, noch van een huis in de

stad en een landgoed, noch van een miserabele vijf of zes duizend pond

’s jaars.”

„Het zijn er tien, mijnheer Morgan!” riep mijnheer Lightfoot met groote

levendigheid uit.

„Die kunnen er geweest zijn, mijnheer,” antwoordde Morgan met kalme

gestrengheid; „die kunnen er geweest zijn, mijnheer Lightfoot; maar

thans zijn er geen zes meer, mijnheer, en misschien geen vijf. Er is

drommels diep in het kapitaal gehakt, mijnheer, door de verwenschte

verkwisting van uw meester met zijn dobbelen en zijne

schuldbekentenissen en zijn huisje in Regents Park en zijne vele

euveldaden. Het is een slecht mensch, mijnheer Lightfoot, – een slecht

mensch, mijnheer, gelijk gij ook wel weet. En het is het geld niet,

mijnheer – in elk geval zulk geld niet, dat van een Calcuttaasch

procureur komt en zeker wel aan de arme hongerlijdende zwarten

afgeperst is – dat aan een persoon aanzien in de maatschappij

verschaft, zooals gij zeer goed weet. Wij hebben geen geld, maar wij

komen overal; er is geene huishoudsterskamer van eenig belang in deze

stad, mijnheer, waar James Morgan niet welkom is. En ik ben het

geweest, Lightfoot, die u den toegang tot deze club heb verschaft,

gelijk u bekend is, al ben ik maar een ouwe kraai, en zonder mijne

ondersteuning zouden zij u gedeballoteerd hebben, zoo waar ik leef!”

„Ik weet het best, mijnheer Morgan,” zeide de ander met de meeste

onderdanigheid.

„Welnu, mijnheer, noem mij dan niet meer ouwe kraai. Het staat niet

fatsoenlijk, Frederik Lightfoot; ik heb u gekend toen gij als jongen

den kost verdiendet met de portieren der vigilantes te openen en toen

uw vader in moeielijkheden zat, en ik was het, die u de betrekking

bezorgde toen die Franschman heenging. En al zijt gij voornemens met

jufvrouw Bonner te trouwen, die wel een paar duizend pond kan hebben

overgespaard (dat zal zij wel in de vijf en twintig jaar, dat zij de

vertrouwde kamenier van Lady Clavering is geweest), zoo moet gij echter

altijd in gedachte houden, mijnheer, wie u dien dienst bezorgd heeft,

en wie het is, die weet wat gij te voren waart, mijnheer; en dus past

het u niet, Frederik Lightfoot, mij een ouwe kraai te noemen.”

„Ik vraag u vergiffenis, mijnheer Morgan – ik kan toch niet méér doen

dan schuld bekennen. Mag ik u een glaasje aanbieden en op uwe

gezondheid drinken, mijnheer?”

„Gij weet, dat ik geen sterken drank gebruik, Lightfoot,” gaf Morgan

bevredigd ten antwoord. „En dus gaat gij met jufvrouw Bonner trouwen,

inderdaad?”

„Zij is oud, maar twee duizend pond is geen onbelangrijke som –

begrijpt ge, mijnheer Morgan? Wij kunnen het Wapen van Clavering voor

eene kleinigheid krijgen, en dat zal geen slechte speculatie zijn

wanneer de spoorweg door Clavering loopt. En als wij er gevestigd zijn,

hopen wij, mijnheer Morgan, dat gij er ons eens zult komen opzoeken.”

„Het is eene doodsche plaats, zonder goed gezelschap,” zeide mijnheer

Morgan. „Ik ken ze zeer goed. In den tijd van mevrouw Pendennis

plachten wij geregeld daarheen te gaan, en de buitenlucht frischte mij

geheel op na de vermoeienissen van het Londensche leven.”

„De spoorweg zal mijnheer Arthur’s eigendommen in waarde doen stijgen,”

merkte Lightfoot aan. „Hoeveel zoudt gij wel denken, mijnheer, dat zij

jaarlijks opbrengen?”

„Iets minder dan vijftienhonderd pond, mijnheer,” gaf Morgan ten

antwoord, waarop de ander, die de uitgebreidheid der landerijen van den

armen Arthur kende, zijne tong tegen de wang duwde, maar wijselijk het

stilzwijgen bewaarde.

„Is zijn knecht een aardig mensch, mijnheer Morgan?” hervatte

Lightfoot.

„Pidgeon is nog niet aan goed gezelschap gewend; maar hij is nog jong,

hij bezit goeden aanleg en heeft vrij veel gelezen, en ik geloof, dat

hij zeer goed zal voldoen,” gaf Morgan ten antwoord. „Hij zou voor onze

betrekkingen niet passen, Lightfoot, – hij heeft de wereld nog niet

gezien.”

Toen de halve flesch sherry, die mijnheer Lightfoot, na mijnheer

Morgan’s verklaring dat hij geen sterken drank gebruikte, besteld had,

door de beide heeren gedronken was, waarbij zij den wijn tegen het

licht hielden en met hunne lippen smakten en er knipoogjes tegen

maakten, en den kastelein over de qualiteit plaagden, op de wijze van

doorknede kenners, was Morgan’s gestoorde kalmte geheel hersteld en

geraakte hij in eene stemming om zijn jongen vriend met de meeste

welwillendheid te behandelen.

„Wat denkt gij van jufvrouw Amory, Lightfoot – vertel het mij eens in

vertrouwen. Zoudt gij gelooven, dat wij verstandig zouden handelen – ge

begrijpt mij wel – indien wij jufvrouw A. tot mevrouw A. P. maakten,

comprenez vous?”

„Zij ligt altijd met hare mama overhoop,” zeide mijnheer Lightfoot.

„Bonner is meer dan opgewassen tegen de oude dame, en behandelt Sir

Francis als – als dit overschotje, dat ik in den aschbak werp. Maar zij

durft geen woord tegen jufvrouw Amory zeggen, en dat durft niemand van

ons. Wanneer er een bezoeker komt, dan lacht zij en kijkt zij zoo

smachtend, dat men haar zijn zondagsgeld te bewaren zou geven; en

nauwelijks heeft hij zijne hielen gelicht, of zij gaat als eene kleine

duivelin te werk en zegt dingen, die een mensch dol maken. Als mijnheer

Arthur komt, dan is het: „Och, laten wij dat heerlijke liedje nog eens

zingen!” of: „Kom, schrijf die lieve versjes eens in mijn album,”

ofschoon zij pas een oogenblik te voren hare moeder geplaagd, of hare

kamenier speldeprikken gegeven heeft. Zij steekt haar werkelijk met

spelden en knijpt haar. Marie Ann liet mij zien, dat een harer armen

bont en blauw was, en ik herinner mij nog, dat jufvrouw Bonner, die zoo

jaloersch op mij is als een oude kat, haar een oorveeg gaf, omdat zij

mij haar arm toonde. En dan moest ge het juffertje eens aan de

ontbijttafel zien, als er geen vreemden bij zijn! Zij zou de menschen

wel willen wijs maken, dat zij nooit eet; maar o, ge moest het eens

zien! Marie Ann moet haar poddingen en crêmes op hare slaapkamer

brengen, en de kok is de eenige man in huis, dien zij beleefd

behandelt. Bonner zegt, dat, toen zij het tweede seizoen in Londen

waren, mijnheer Soppington hare hand wilde vragen en ook werkelijk op

zekeren dag kwam om het te doen, maar hij zag haar een boek in het vuur

werpen en hare moeder zoo erg uitschelden, dat hij ongemerkt de deur

weer uitging, zooals hij gekomen was; en heel spoedig daarop vernamen

wij, dat hij jufvrouw Rider getrouwd had. O, het is een echte feeks,

die kleine Blanche, dat is mijn opienje over haar, mijnheer Morgan.”

„Ompinie, niet opienje, Lightfoot, beste jongen,” zeide mijnheer Morgan

met vaderlijke goedheid, en vroeg toen zich zelven met een zucht af,

waarom ter wereld zijn ouwe toch begeerde, dat mijnheer Arthur zulk een

meisje zou huwen? Het vertrouwelijk gesprek der beide heeren werd

daarop gestoord door het binnenkomen van andere heeren, die leden der

club waren; de nieuwtjes uit de voorname wereld, de politiek, het

smousjassen en andere vermaken kwamen nu te berde en het onderhoud werd

algemeen.

De Gentleman’s Club vergaderde in eene vrije kamer der herberg the

Wheel of Fortune, in een gezellig zijstraatje van de groote straten van

Mayfair, en werd door eenige der meest voorname „heeren” bezocht.

Hunner meesters zaken, schulden, intrigues en avonturen, de goede en

slechte hoedanigheden hunner meesteressen en hare geschillen met haar

echtgenooten, kortom alle familiegeheimen werden hier met volkomen

vrijmoedigheid en vertrouwelijkheid besproken; en wanneer een „heer.”

in een nieuwen dienst zou gaan, kon hij hier alle vereischte

inlichtingen krijgen over de familie, waarvan hij lid zou worden. Men

kan wel begrijpen, dat er in dezen fijnen kring geene livreien werden

toegelaten; en de gepoeierde hoofden der langste Londensche lakeien

zouden zich tevergeefs gebogen hebben, om toegang tot de Gentleman’s

Club te verzoeken. Deze uitgebannen reuzen in livrei gebruikten hun

bier in een andere kamer van the Wheel of Fortune en konden evenmin lid

van deze club worden, als een winkelier uit de Pall Mall, of een

procureur uit Lincoln’s Inn, lid der clubs van Bays of Spratt. Alleen

dan ook omdat het gesprek, hetwelk wij hebben mogen afluisteren, een

zeker licht over de personen en de gebeurtenissen van ons verhaal

verspreidt, hebben wij het gewaagd den lezer in zulk voornaam

gezelschap binnen te leiden.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 124 / 155 题