Er is, gelijk de lezer zal opmerken, bijna een jaar heengegaan over
eene gebeurtenis, die wij slechts weinige bladzijden geleden beschreven
hebben. Arthur staat op het punt om zijn zwarten rok met een blauwen te
verwisselen. Hij heeft in zijn persoon nog andere meer verblijdende en
opmerkelijke veranderingen ondergaan. Hij heeft zijne pruik ter zijde
gelegd en zijn haar, ofschoon wat dunner dan vroeger, is weer voor het
publiek zichtbaar. Hij heeft de eer gehad ten hove te verschijnen in de
uniform van tweeden luitenant van het Claveringsche eskadron der –shire
schutterij te paard, waarbij hij aan den koning werd voorgesteld door
den markies van Steyne.
Arthur’s oom had sterk, en als het ware met tranen in de oogen, op het
doen van dien stap aangedrongen. De majoor had er niet van willen
hooren, dat er nog een jaar zou voorbijgaan, eer zijn neef die voor
ieder gentleman zoo noodzakelijke plechtigheid doorgestaan had. De oude
heer oordeelde nu ook, dat zijn neef in eene voornamer club dan het
Megatherium lid moest zijn, en had overal in de groote wereld zijne
spijt te kennen gegeven, dat de erfenis van den jonkman niet zoo
voordeelig was uitgevallen als hij reden had gehad te verwachten en nog
beneden de vijftienhonderd pond ’s jaars bleef.
Dit was de som, waarop Pen’s fortuin door de wereld geschat werd, – de
som, krachtens welke zijn uitgevers veel meer eerbied voor hem begonnen
te koesteren dan vroeger, en zelfs mama’s hem gansch niet ongenegen
waren. Want, zoo de mooie dochters natuurlijk heeren van heel wat
grooter fortuin moesten trouwen, was hij toch zeer geschikt voor de
leelijke, en terwijl de geestige en bekoorlijke Myra bestemd is een
graaf aan te klampen, moet de arme kleine Beatrice, die een scheeven
schouder heeft, voor haar leven aan een of anderen sukkel gekoppeld
worden, en waarom zou dan mijnheer Pendennis haar steun niet zijn? Den
allereersten winter nadat Pen het fortuin zijner moeder verkregen had,
zorgde mevrouw Hawxby, dat bare Beatrice het biljartspel van hem
leerde, en door niemand anders dan hem in den hittenwagen gereden werd,
omdat hij aan de letterkunde deed en hare Beatrice ook, en zij
verklaarde, dat de jonkman, op aanhitsing van zijn verfoeielijken ouden
oom, op de schandelijkste wijze met het hart van hare Beatrice gespeeld
had. Het ware van de zaak is, dat de oude heer, die wist welk karakter
mevrouw Hawxby had en welke snoode lagen zij aan argelooze jonge heeren
legde, naar de bedoelde buitenplaats overgekomen was en Arthur buiten
bereik van hare hinderlagen, doch niet van hare tong weggevoerd had. De
oude Pendennis, had gewenscht, dat zijn neef een gedeelte van den
Kersttijd te Clavering had doorgebracht, waarheen de familie
teruggekeerd was; doch daartoe bezat Arthur den moed niet. Clavering
lag te dicht bij het oude lieve Fairoaks, en daaraan waren te vele
droevige herinneringen voor den jonkman verbonden.
Ook wij hadden de Clavering’s uit het gezicht verloren totdat zij bij
de wedrennen te Epsom weder te voorschijn kwamen en moeten nu een kort
verslag doen, hoe het hun in den tusschentijd gegaan was. Gedurende het
afgeloopen jaar heeft de wereld geen enkel lid van de familie Clavering
met bijzondere toegenegenheid behandeld. Lady Clavering, eene der
goedhartigste vrouwen die ooit aan een goed diner eer bewezen, of
fouten tegen de taal heeft gemaakt, zag haar eetlust en haar
opgeruimdheid op eene zware proef stellen door familierampen en twisten
van zulk een aard, dat de meesterstukken van den besten Franschen kok
onsmakelijk en de zachtst gevulde sofa-kussens hard werden. „Ik zou
liever, Strong, eene raap voor dessert hebben dan die ananas en al die
muscadel-druiven van Clavering,” zegt de arme Lady Clavering, een blik
op haar eettafel slaande, terwijl zij hare grieven aan haar trouwen
vriend ontboezemt, „indien ik maar een weinigje rust had onder het
eten. O, hoeveel gelukkiger was ik in mijn weduwstaat, eer al dat geld
mij ten deel viel!”
De familie Clavering was inderdaad op eene verkeerde wijze in de wereld
opgetreden, en had noch genoegen, noch aanzien, noch dank geoogst voor
de gastvrijheid die zij bewees, noch zich op denzelfden
vriendschappelijken voet zien behandelen door de menschen, die zij
onthaald hadden. Het was twijfelachtig of zij eenigen opgang gemaakt
hadden gedurende hun eerste Londensche seizoen, en hun latere val was
onmiskenbaar. „Geen mensch bezat geduld genoeg, om Sir Francis
Clavering uit te staan,” zeide de wereld. „Hij was al te gemeen
vervelend, en laag. Men kon niet zeggen waarin het gelegen was, maar er
was iets terugstootends in dat huis en al wat er toe behoorde. Wie was
die begum, met haar geld en zonder hare h’s, en waar kwam zij vandaan?
Wat een onverdraaglijke nuf was hare dochter, met hare Fransche
manieren en hare in het oog loopende gemaaktheid, het was in het geheel
geen gezelschap voor fatsoenlijke Engelsche meisjes. En welke
zonderlinge menschen behoorden er tot hunne omgeving! Sir Francis
Clavering was een dobbelaar, die openlijk met oplichters en losbollen
omging. Hely Clinker, die met hem in hetzelfde regiment gediend had,
zeide, dat hij niet alleen een valsche speler, maar bovendien een
lafaard was. Welke reden kon Lady Rockminster hebben, om zich die
familie aan te trekken?” Maar na het eerste seizoen liet Lady
Rockminster, die zich Lady Clavering aangetrokken had, haar weder
varen; de groote dames wilden hare dochters niet naar de partijen, die
de Claverings’s gaven, meenemen; de jonge heeren, die daar verschenen,
gedroegen zich met de onbeschaamdste vrijheid en de meest minachtende
familiariteit; en de arme Lady Clavering moest zelve bekennen, dat zij
genoodzaakt was het „canaille” te ontvangen, omdat de grooten niet
komen wilden.
De arme goede lady droeg aan het „canaille” volstrekt geen kwaad hart
toe; zij was van nature in het geheel niet trotsch en koesterde geen
denkbeeld hoegenaamd, dat zij beter dan haar naaste was; maar zij had
blindelings de voorschriften gevolgd, die haar bij haar intrede in de
wereld door hare maatschappelijke petemoei gegeven waren: zij wilde
gaarne degenen kennen, die zij vraagde. Het „canaille” was inderdaad
veel pleizieriger dan de zoogenaamde „groote wereld”; maar gelijk wij
hiervoren reeds zeiden, dat het gemakkelijk valt eene geliefde te
verlaten, hoewel het omgekeerd zeer pijnlijk is door haar verlaten te
worden, zoo kan men de wereld laten varen zonder noemenswaardige smart,
ja zelfs met een gevoel van verlichting bij het scheiden; terwijl,
indien de wereld van ons afziet, de vernedering en de pijn zwaar te
dragen zijn.
Wij hebben echter één jongmensch uit de voorname wereld genoemd van
wien men mocht verwachten, dat hij onder al die trouweloozen getrouw
zou zijn, en de weledelgeboren heer Henry Foker was inderdaad die man.
Maar hij had de zaak niet voorzichtig aangelegd, en de ongelukkige
liefde, die hij aanvankelijk aan Pen had geopenbaard, werd door de
gansche stad bekend en bespot, en kwam zijne zwakke maar liefhebbende
moeder ter oore, terwijl zij ook eindelijk ter kennis van den
kaalhoofdigen en onbuigzamen Foker senior werd gebracht.
Toen de heer Foker deze onaangename tijding vernam, viel er tusschen
hem en zijn zoon een hevig en verdrietig tooneel voor, hetgeen daarmee
eindigde, dat het arme heertje voor den tijd van een jaar uit Engeland
verbannen werd, met stellig bevel om daarna terug te keeren en zijne
nicht te trouwen, of zich met driehonderd pond ’s jaars te vergenoegen
en nooit meer een oog op zijn vader of op de brouwerij te slaan.
Mijnheer Henry Foker vertrok dus en voerde die smart en zorg mee, die
aan de strengste grenskantoren tolvrij doorgaat en, luidens het
spreekwoord, den balling overal vergezelt; en met dat rouwfloers voor
zijn oogen, scheen zelfs de Parijsche boulevard hem somber toe en de
hemel van Italië zwart.
Voor Sir Francis Clavering was dit jaar allerongelukkigst. De
gebeurtenissen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, zetten de
kroon op de rampen van dien jaarkring. Het was het jaar des Heeren,
toen – onze lezers, die aan de wedrennen deel nemen, zullen het zich
wel herinneren – het paard van Lord Harrowhill, die een klassiek jong
edelman was en zijn ros dus een naam uit de Ilias gegeven had, – toen
Podasokus den Derby-prijs won, tot ontzetting van de ingewijden, die
den naam van het winnende paard op de wonderlijkste wijzen uitspraken,
en gewed hadden op Borax, die bij den wedren geheel achteraangebleven
was. Sir Francis Clavering, die met verscheidene der grootste schurken
van de renbaan bekend was en natuurlijk berichten had, die hij goed
vertrouwen kon, had zwaar gewed tegen het winnende paard en vóór het
paard hetgeen men onderstelde dat den prijs zou wegdragen, en de
uitkomst zijner berekeningen was, gelijk zijn zoon zeer juist aan de
arme Lady Clavering had opgegeven, dat hij de ronde som van zeven
duizend pond verloren had.
Het was een zware slag voor de lady, die reeds vele malen de schulden
van haar man vereffend had; die even dikwijls eeden en beloften van hem
had ontvangen, dat hij zich verbeteren zou; die zijne geldschieters en
paardenkoopers had betaald; die zijne huizen in de stad en op het land
had gemeubeld, en die nu weer op staanden voet werd aangezocht om die
ontzaglijke som, de straf voor de spilzucht van haar lafhartigen
echtgenoot, te betalen.
Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de oude Pendennis de raadsman der
familie Clavering was geworden en, in zijne hoedanigheid van vriend des
huizes, elk vertrek daarvan gezien had, tot zelfs dat akelige
kabinetje, hetgeen wij allen hebben en waarin, volgens het spreekwoord,
het geraamte, dat de familie beangstigt, opgesloten is. Van de
geldzaken van den baronet wist de majoor echter niets, omdat Clavering
zelf er niets van wist en ze onder zulk een onoverkomelijken hoop van
leugens voor zich zelven en anderen verborg, dat geen raadsman of
rechtsgeleerde een juist inzicht in zijne zaken kon krijgen. Ten
aanzien van Lady Clavering wist de majoor echter meer; en toen dat
onzalige geval bij de wedrennen had plaats gehad, besloot hij zich nu
volkomen en grondig met al hare middelen, van welken aard ook, bekend
te maken. Hij werd dan nu in de bijzonderheden ingelicht van de groote
en talrijke opofferingen, die de weduwe Amory zich voor haar
tegenwoordigen echtgenoot getroost had.
Hij ontveinsde zijn gevoelen niet (waardoor hij niet weinig in de gunst
van jufvrouw Blanche was gestegen), dat de dochter van Lady Clavering
hard behandeld was, ten voordeele van haar zoon uit haar tweede
huwelijk, en gaf in zijne gesprekken met mylady duidelijk te kennen,
dat er, naar zijn gevoelen, voor Blanche gunstiger beschikkingen
moesten gemaakt worden. Gelijk wij hebben meegedeeld, had hij der
weduwe reeds te verstaan gegeven, dat hij al de bijzonderheden van hare
vroegere ongelukkige geschiedenis kende, daar hij in Indië was op het
tijdstip toen toen de smartelijke voorvallen hadden plaats gehad, die
met hare scheiding van haar echtgenoot eindigden. Hij kon haar opgeven
in welk nommer van het nieuwsblad van Calcutta het verslag van Amory’s
proces stond, en hij verklaarde aan de begum (voor welke
inschikkelijkheid zij niet weinig dankbaar was), dat, ofschoon hij
alles wist van den rampspoed, die haar getroffen had, hij dit altijd
voor zich had gehouden en de bestendige vriend van hare familie was
geweest.
„Natuurlijk heb ik daarbij mijn eigen belang op het oog gehad, waarde
Lady Clavering,” zeide hij. „Wij worden allen door eigenbelang geleid,
en het mijne (ik wil het u niet verbergen) strekte, om een huwelijk
tusschen mijn neef en uwe dochter tot stand te brengen.” En hierop
zeide Lady Clavering, misschien wel eenigszins verwonderd, dat indien
de majoor hare familie tot eene verbintenis met de zijne uitkoos, zij
daartoe zeer gaarne hare „toestemming” zou geven.
„Maar, waarde mevrouw,” liet hij er rondborstig op volgen, „mijn jongen
bezit slechts vijfhonderd pond ’s jaars, en eene vrouw met tien duizend
pond tot gansche fortuin zou zijn omstandigheden niet noemenswaardig
verbeteren. Hij kan, met uw verlof, eene betere partij doen, want hij
is een verstandig en voorzichtig jongmensch, die thans zijne wilde
haver heeft uitgezaaid, die zeer veel talent en eerzucht bezit, en die,
als hij trouwt, daardoor tot een beter standpunt in de wereld wil
geraken. Indien gij en Sir Francis het verkozen (en Sir Francis, dat
verzeker ik u op mijn woord, zal u niets weigeren), zoudt gij Arthur op
weg kunnen helpen om het in de wereld zeer ver te brengen en te toonen
wat hij kan. Wat heeft Clavering aan dat lidmaatschap van het
parlement, waar hij zich ternauwernood vertoont of den mond opendoet?
Ik heb van heeren, die mijn jongen te Oxbridge hebben gehoord,
vernomen, dat hij daar een uitstekend redenaar was. Zet maar ééns zijn
voet in den stijgbeugel en help hem te paard, en ik houd mij overtuigd,
mevrouw, dat hij geen achterblijver zal wezen. Ik heb den knaap op den
tand gevoeld en geloof dat ik hem vrij goed ken. Hij is een te
gemakkelijke, zorgelooze en loszinnige kerel om een sukkeldrafje aan te
nemen en, evenals de rechtsgeleerden, eerst op het laatst van zijn
leven het gewenschte doel te bereiken! Maar help hem een handje en
verschaf hem goede vrienden en de gewenschte gelegenheid, en ik geef u
mijn woord, dat hij een naam zal maken waarop zijne zonen trotsch
zullen mogen zijn. Ik zie voor iemand als hij is, geen ander middel om
het tot iets te brengen dan het aangaan van een verstandig huwelijk, –
niet met een ongelukkige erfdochter, waarmee hij zijn leven lang op een
ellendige vijftienhonderd pond ’s jaars zou moeten blijven teren, –
maar met iemand, die hij in de wereld kan vooruithelpen en die het hèm
kan doen en aan welke hij een goeden naam en eene goede plaats in de
maatschappij kan verschaffen, in ruil voor de voordeelen die zij hem
aanbrengt. Het zou voor u beter zijn een geachten schoonzoon te
bezitten, dan uw echtgenoot in het parlement te laten blijven, waar hij
evenmin zich zelven als iemand anders tot nut is. Dit, ik herhaal het,
zijn de redenen waarom ik mij uwe belangen heb aangetrokken en u iets
voorstel wat ik geloof dat tot wederzijdsch voordeel zou kunnen
strekken.”
„Gij weet, dat ik Arthur tegenwoordig bijna als een lid van de familie
beschouw,” antwoordde de goedhartige begum; „hij komt en gaat naar
goedvinden, en hoe meer ik aan zijne lieve moeder denk, des te meer zie
ik in, dat weinige menschen zoo goed zijn en niemand is zoo goed voor
mij. Ik heb geschreid toen ik haar overlijden vernam, en ik zou zelfs
over haar in den rouw zijn gegaan, als het zwart mij niet zoo slecht
stond. Ik weet wel wie zijne moeder wenschte dat hij trouwen zou. Laura
namelijk, waarmee de oude Lady Rockminster zooveel opheeft. En geen
wonder, want Laura is een liever meisje dan mijne dochter. Ik ken ze
allebei; en mijne Betsy – ik meen Blanche – doet mij niet veel pleizier
aan, majoor! Pen moest Laura maar trouwen.”
„Trouwen op vijfhonderd pond ’s jaars! Goede lieve mevrouw, dat kunt ge
niet meenen!” zeide majoor Pendennis. „Overleg maar eens wat ik u
gezegd heb. Doe ten opzichte van uwe zaken niets met uw ongelukkigen
man zonder mij te raadplegen, en herinner u, dat de oude Pendennis
altijd uw vriend is.”
Sedert eenigen tijd had Pen’s oom zich in denzelfden geest tegen
jufvrouw Amory uitgelaten. Hij had haar aandacht gevestigd op de
aanbevelenswaardige zijde van het huwelijk, dat hem zoozeer ter harte
ging, en achtte zich verplicht er bij te voegen, dat weinig, neen
niets, zoo goed was om op te trouwen als wederkeerig belang. „Let maar
eens op die huwelijken uit liefde, mijn schatje. De lieden, die enkel
uit liefde trouwen, staan bekend wegens het oneenige leven dat zij
later leiden, en een meisje, dat met Jan naar Gretna Green vlucht,
neemt altijd in het vervolg met Piet de vlucht naar Zwitserland. Het
voorname punt bij een huwelijk is, dat de beide partijen overeenkomen
elkander zooveel mogelijk van nut te zijn. De dame brengt de middelen
aan en de heer doet ze vruchten dragen. De vrouw van mijn jongen
verschaft hem het paard, en Pen neemt daarmede deel aan den wedren en
wint den prijs. Dat is wat ik een verstandig huwelijk noem. Zulk een
paar heeft wat te behandelen als zij bij elkander zitten. Al hadden zij
Cupido zelf om mee te praten – gesteld dat Blanche en Pen Cupido en
Psyche waren – dan zouden zij al na weinige avonden beginnen te geeuwen
wanneer, zij geen andere onderwerpen dan sentimentaliteiten hadden.”
Jufvrouw Amory van haar kant was vrij wel met Pen tevreden, zoolang zij
niemand beters had. Hoeveel andere jonge dames gelijken haar wel? en
hoeveel huwelijken uit liefde houden het tot het eind vol? en hoeveel
sentimenteele firma’s gaan niet ten slotte bankroet? en hoeveel
gloeiend liefdevuur verflauwt niet tot ergerlijke onverschilligheid of
dooft niet geheel en al uit?
Volgens zijne gewoonte, prentte de majoor deze levensbeschouwingen en
wijsgeerige opvattingen voortdurend aan Pen in, wiens doorzicht hem in
staat stelde het voor en tegen van menig vraagstuk te zien; en terwijl
hij begreep, dat een sentimenteel leven verre boven de bevatting van
den braven majoor ging, kon hij het practische leven ook zeer goed
begrijpen, en er zich in werkelijkheid of althans volgens zijne
meening, naar schikken. Vandaar, dat de raadgevingen van zijn oom
gedurende het voorjaar, dat op zijn moeders dood volgde, zeer veel
invloed op hem hadden en hij in Lady Clavering’s huis als het ware zijn
hoofdkwartier had opgeslagen; hij was in zekeren zin door jufvrouw
Amory aangenomen zonder haar verklaarde minnaar te zijn en werd
toegelaten zonder met haar geëngageerd te wezen. De jongelui waren
uiterst vertrouwelijk, zonder bijzonder sentimenteel te zijn, en kwamen
met elkander in gezelschap of scheidden met de meeste kalmte. „En dat
ben ik nu,” dacht Pendennis, „die acht jaar geleden smoorlijk verliefd
was, en nog verleden jaar in mijne koortsvlagen om Briseïs riep!”
En echter was het nog altijd dezelfde Pendennis, voor wien de tijd,
gelijk voor ons allen, de gewone gevolgen en vertroostingen, en de
gewone ontwikkeling had meegebracht. Wanneer wij zeggen, dat een man of
eene vrouw niet meer zóó zijn als wij ons hen uit onze jeugd
herinneren, en wij bij onze vrienden veranderingen waarnemen
(natuurlijk om die te betreuren), dan nemen wij misschien niet genoeg
in aanmerking, dat de omstandigheden sommige sluimerende gebreken of
deugden alleen te voorschijn, maar niet in het leven roepen. De
zelfzuchtige kalmte en onverschilligheid, die men heden aan den dag
legt, nu men in het bezit is, zijn slechts gevolgen van den
zelfzuchtigen ijver waarmee men gisteren naar dat bezit streefde; – de
minachting en lusteloosheid, die uitroept „ijdelheid der ijdelheden,”
is slechts de afmatting van een verflauwden smaak, die verzadigd is van
vermaak; de overmoed van den gelukkigen parvenu is slechts de
noodwendige voortzetting der loopbaan van den behoeftigen sukkelaar; de
veranderingen van ons gemoed zijn, evenals onze grijze haren of
rimpels, niets anders dan de vervulling der wet van den aanwas en het
verval des lichaams; wat nu sneeuwwit is, was eenmaal glanzig zwart;
wat heden trage zwaarlijvigheid is, was slechts weinige jaren geleden
levende en frissche gezondheid; die kalme, welwillende, onderworpene en
teleurgestelde berusting was voor weinige jaren brandende en hevige
eerzucht, en is slechts na menigen strijd en nederlaag tot lijdzame
rust gekomen. Welzalig degeen, die zijne teleurstelling zoo dapper
doorstaat en zijn gebroken zwaard met een onversaagd en nederig hart
aan het Fatum, dat de overwinning behaalt, overgeeft! O welwillende
lezer, die dit boek misschien opgenomen hebt om u een oogenblik te
ontspannen, en het weer neerlegt om u aan ernstige gedachten over te
geven! Zijt gij niet met ontzetting vervuld als gij overdenkt dat gij,
die geslaagd zijt, of wel uw ondernemingen hebt zien mislukken, die
misschien een aanzienlijken rang bekleedt, of wel eene hopelooze en
onbekende plaats (aan u zelven alleen bekend) inneemt onder de
duizenden, die van zooveel tegenspoed, geluk, misdaad of berouw kunnen
getuigen; gij, die wellicht hebt liefgehad en koel zijt geworden, die,
wie weet hoe dikwijls, geweend en wederom gelachen hebt, – wanneer gij
overdenkt, herzeg ik, dat gij dezelfde zijt, dien gij u uit den tijd
der kindsheid herinnert, voordat de levensreis een aanvang nam? Zij is
voorspoedig geweest en gij loopt de haven binnen, terwijl de bemanning
hoera roept en de kanonnen het saluut losbranden, en de gelukkige
kapitein zijn groet brengt, zonder dat iemand weet van de zorg, die
onder de ster op zijne borst huisvest; – of gij hebt schipbreuk geleden
en zijt hopeloos, op een enkele plank vastgebonden, de zee ingedreven;
de wegzinkende schepeling en de gelukkig geslaagde man denken
waarschijnlijk ieder aan hun ouderlijk huis en herinneren zich den tijd
toen zij kinderen waren; doch gij gevoelt u alleen, terwijl gij op de
plank drijft, die geene redding aanbiedt, en buiten het gezicht van
allen wegzinkt, evenals gij u alleen gevoelt te midden der menigte die
u toejuicht.