Het geval wilde, dat een aantal personen, die wij in den loop van dit
verhaal hebben leeren kennen, bij gelegenheid van groote Engelsche
feesten, waarvoor geheel Londen een vrijen dag neemt en zich naar Epsom
begeeft, vergaderd waren om de Derby-wedrennen te zien. In een
gemakkelijk open rijtuig, door twee paarden naar de algemeene
verzamelplaats getrokken, kon men mevrouw Bungay van Paternoster Row
zien, evenals Salomo in al zijne heerlijkheid, met de stille mevrouw
Shandon naast haar, voor wie de vrouw van den uitgever, sedert beider
kennismaking, eene standvastige vriendschap was blijven koesteren.
Bungay, die zich met een rijkelijk ontbijt had gesterkt, liep als een
dolleman rond onder de spellen en in de nabijheid, tot hem het zweet
van de kale kruin droop. Shandon drentelde tusschen de
ververschingstenten en de heidenen rond, en Finucane stond onvermoeid
de beide dames ten dienste, aan wie de heeren van hare kennis, die met
de uitgevers-firma in betrekking stonden, hunne opwachting kwamen
maken.
Onder anderen maakte Archer haar zijn compliment en verhaalde aan
mevrouw Bungay wie er al zoo aanwezig waren. Die daar ginds was de
eerste minister; zijne lordschap had hem zoo even geraden op Borax te
wedden, maar Archer beschouwde Muffineer als het beste paard. Hij wees
der verrukte mevrouw Bungay ontelbare hertogen en groote heeren aan.
„Zie eens, ginds in de groote tribune,” zeide hij; „daar zit de
Chineesche ambassadeur, met de mandarijnen van zijn gevolg.
Fou-choo-foo kwam bij mij met introductiebrieven van mijn boezemvriend,
den gouverneur-generaal van Indië, zoodat ik hem een tijdlang zeer
vriendelijk bejegende, en zijn eetstokjes altijd op mijne tafel lagen
voor het geval dat hij bij mij opliep tegen etenstijd. Maar hij bracht
zijn eigen kok mee, en – zoudt ge het wel willen gelooven mevrouw
Bungay? – op zekeren dag toen ik uit was en de gezant met mijne vrouw
in den tuin aalbessen zat te eten, waar de Chineezen dol op zijn,
maakte zijn schelm van een kok, die het lieve schoothondje van mijne
vrouw zag (wij hadden het van den hertog van Marlborough zelven
gekregen, wiens stamvader in den slag van Malplaquet zijn leven te
danken had aan mevrouw Archer’s oud-overgrootvader), zich van het arme
diertje meester, sneed het den hals af, vilde het en diende het met
vulsel voor, bij den second service.”
„Heere mijn tijd!” zeide mevrouw Bungay.
„Gij kunt u de wanhoop mijner vrouw verbeelden, toen zij vernam wat er
gebeurd was! De keukenmeid kwam gillende naar boven, om ons, juist toen
wij allen van het gerecht gegeten hadden, te vertellen dat zij het vel
van den armen Fido op de plaats gevonden had! Mijne vrouw wilde geen
woord meer tegen den ambassadeur spreken, neen, nooit, en hij is dan
ook niet meer bij ons te dineeren geweest. De lord-mayor, die mij de
eer had bewezen mijn gast te zijn, vond het gerecht zeer lekker, en,
met doperwten gegeten, heeft het ook zeer veel van eendvogel.”
„Och kom, dat meent ge niet!” riep de verbaasde uitgeversvrouw uit.
„Wezenlijk, op mijn woord! Ziet ge die dame in het blauw, die bij den
ambassadeur zit! Dat is Lady Flamingo, die, naar men zegt, met hem gaat
trouwen en met zijn excellentie naar Pekin zal terugkeeren. Zij laat
zich daarom hare voeten nu reeds in elkander persen. Maar zij zal zich
alleen kreupel maken, zonder ooit een Chineeschen voet te krijgen; dat
is zeker! Mijne vrouw heeft den kleinsten voet in gansch Engeland en
draagt schoenen van een kind van zes jaar; maar wat is dat in
vergelijking met den voet eener Chineesche dame, mevrouw Bungay?”
„Van wie is dat rijtuig, waarbij mijnheer Pendennis staat, mijnheer
Archer?” vroeg mevrouw Bungay na een oogenblik. „Straks is hij met
mijnheer Warrington hier geweest. Hij is trotsch in zijne manieren, die
mijnheer Pendennis, maar dat mag ook wel, want naar men mij gezegd
heeft, gaat hij altijd met de groote lui om. Heeft hij een groot
vermogen geërfd, mijnheer Archer? Ik zie, dat hij nog in den rouw is.”
„Achttienhonderd pond ’s jaars in land, en twee en twintig duizend
vijfhonderd in de drie en een half percents; dat is het zoo ongeveer,”
antwoordde mijnheer Archer.
„Heere mijn tijd! Gij weet toch alles, mijnheer Archer,” riep de dame
van Paternoster Row uit.
„Ik weet het, omdat ik werd geraadpleegd over het testament van de arme
mevrouw Pendennis,” hernam Archer. „De majoor, Pendennis’ oom, doet
zelden iets zonder mij; en daar hij misschien wel wat verkwistend zou
zijn, hebben wij het geld vastgezet, zoodat hij er niet mee doen kan
wat hij wil. – Hoe vaart ge, mylord? – Kent ge dien heer, dames? Gij
hebt de redevoering toch wel gelezen, die hij in het parlement houdt;
het is Lord Rochester.”
„Lord Takkebos,” riep Finucane van den bok af. „Dat is immers Tom
Staples van den Morning Advertiser, Archer?”
„Zoo?” zeide Archer op de onnoozelste wijze. „Nu, ik ben zeer
bijziende, en ik dacht, op mijn woord, dat het Lord Rochester was. Die
heer met dien dubbelen tooneelkijker” (weer een knikje) „is Lord John
Russell, en die lange man, dien hij bij zich heeft – kent gij hem – is
Sir James Graham.”
„Die kent gij, omdat gij hem in het parlement ziet,” merkte Finucane
aan.
„Ik ken hen, omdat zij zoo vriendelijk zijn mij te veroorloven hen
mijne boezemvrienden te noemen,” ging Archer voort. „Daar hebt ge den
hertog van Hampshire; wat een model van een echt oud Engelsch
gentleman! Hij zal de Derby-wedrennen nooit verzuimen. „Archer,” zeide
hij nog gisteren tegen mij, „ik heb vijf en zestig Derby’s bijgewoond!
toen ik pas zeven jaar was, kwam ik op een bonte hit met mijn vader,
den prins van Wallis en kolonel Hanger voor het eerst op de baan; en ik
heb slechts twee wedrennen sedert verzuimd, den een toen ik te Eton de
mazelen had, en den anderen in het jaar van Waterloo, toen ik met mijn
vriend Wellington in Vlaanderen was.”
„En van wien is dat gele rijtuig, met die paarsche en gele parasols,
waar mijnheer Pendennis en zulk een aantal andere heeren staan te
praten?” vroeg mevrouw Bungay.
„Dat is Lady Clavering van Clavering Park, het landgoed naast dat van
mijn vriend Pendennis. Dat kind op den bok is de jeugdige zoon en
erfgenaam; de kleine schelm is zoo dronken als een tempelier; en de
jonge dame is jufvrouw Amory, Lady Claverings voordochter, een meisje,
dat een buitengewoon goed oog op mijn vriend Pendennis heeft, wiens
genegenheid ik echter meen te weten dat elders gevestigd is. Ge hebt
toch wel van den jongen mijnheer Foker gehoord (van dien grooten
brouwer, Foker, weet u?); die heeft zich opgehangen ten gevolge van
eene vervaarlijke liefde voor jufvrouw Amory, die hem echter afgewezen
had; zijn kamerdienaar sneed hem nog juist bijtijds af en nu reist hij
in het buitenland, onder toezicht van een bewaker.”
„Wat is die jonge heer gelukkig!” zuchtte mevrouw Bungay. „Wie zou
gedacht hebben, toen hij voor een jaar of drie vier zoo stil en
lijdelijk bij ons kwam dineeren, dat hij zulk een voornaam heer zou
worden. Ik heb zelf onlangs gelezen, dat hij aan het hof is voorgesteld
door den markies van Steyne; en bij elke partij van den adel vindt men
zijn naam vermeld, zoo zeker als de zon aan den hemel staat.”
„Ik heb hem veel vooruitgeholpen toen hij voor het eerst te Londen
kwam,” zeide mijnheer Archer, „en zijn oom, majoor Pendennis, deed het
overige. Hola! wel wie had ooit gedacht, dat Cobden hier zou zijn! Ik
moet hem eens spreken. Vaarwel, mevrouw Bungay. Uw dienaar, mevrouw
Shandon.”
Een uur te voren had men aan een ander gedeelte der renbaan een oude
diligence kunnen zien, waarop boven een aantal kale heeren zaten te
stampen en te juichen, toen de paarden, die aan den Derby-wedren, de
groote plechtigheid van den dag, deel namen, over het groene veld
vlogen, onder het getier van de honderdduizenden, vergaderd om dit
treffende schouwspel bij te wonen. Dit voertuig was van Wheeler, den
kastelein uit het Harlequin’s Head, en had een uitgezocht gezelschap
uit Bow Street overgebracht, die een stevig ontbijt in het kastje onder
de bank meevoerden. Toen de paarden als een stormwind voorbijschoten,
riep elk lid van dat uitgezocht gezelschap den naam van het paard of
van de kleuren, die hij meende of hoopte, dat de eerste zouden zijn.
„De Cornet!” „Het is Muffineer!” „Het is die met de blauwe mouwen!”
„Gele pet! gele pet! gele pet!” en meer van dien aard gilden deze
heeren liefhebbers gedurende die heerlijke minuut vol gespannen
verwachting voordat de strijd beslist was; en toen de seinwimpel
geheschen werd en het nommer daarvan verkondigde, dat het vermaarde
paard Podasokus den prijs gewonnen had, sprong een der heeren van het
Harlequin’s Head op het dak der diligence omhoog, alsof hij eene
postduif was, die dadelijk met het nieuws naar Londen of York wilde
vliegen.
Maar zijn opgetogenheid verhief hem niet veel duimen boven zijne
plaats, op welke hij dadelijk weer met zooveel kracht neerkwam, dat de
planken van het wrakke oude rijtuig onder het gewicht zijner blijdschap
kraakten. „Hoera! hoera!” schreeuwde hij uit. „Het is Podasokus!
Wheeler, beste jongen, een souper voor tien personen. Natuurlijk vraag
ik u allen, want het kan mij niet schelen wat het kost.”
Hierop zeiden al de heeren op het rijtuig, al die kale kwasten, die
nagemaakte dandy’s: „Asjeblieft, – wij wenschen u van harte geluk,
kolonel; wij zullen gaarne met u soupeeren,” en de een fluisterde den
ander toe: „De kolonel wint vijftienhonderd pond, en degeen, van wien
hij ze wint, is er goed voor!”
Ieder van de kale heeren en verloopen dandy’s begon zijn buurman met
achterdochtige blikken gade te slaan, uit vrees dat die buurman gebruik
zou maken van de gelegenheid om den kolonel afzonderlijk te spreken en
geld van hem te leenen. En de man, die door Podasokus geld gewonnen
had, kon zich dien ganschen namiddag geen oogenblik afzonderen, zoo
nauwkeurig hielden zijne vrienden hem en elkander in het oog.
Op een ander gedeelte der baan had men een rijtuig kunnen zien, dat
voorzeker minder in het oog loopend, zoo niet nog meer gehavend was dan
de ontredderde koets, die het uitgezochte gezelschap van het
Harlequin’s Head vervoerd had; dit was de vigilante No. 2002, waarmede
een heer en twee dames van de standplaats der vigilantes herwaarts
gereden waren. Eene dier dames, die, op den bok gezeten, zich met hare
mama en beider geleider aan kreeften-salade en bittere ale had te goed
gedaan, zag er zoo frisch en lief uit, dat vele der opzichtige jonge
dandy’s, die bij de renbaan drentelden en zich met het edele balwerpen
vermaakten, of met de prachtig gekleede dames in de fraaie rijtuigen op
den heuvel spraken, zich aan die verlokselen onttrokken om op het
lachende meisje met de rozenwangen op den bok der vigilante een blik te
werpen. De blos van jeugd en vroolijkheid overtoog de wangen van het
kind en dreef over dat blanke gelaat, gelijk de aardige lichte wolkjes
aan den helderen hemel boven hun hoofd. Ook de wang der oudere dame was
rood; maar het was daar eene blijvende roos, die alleen donkerder werd
na elke teug bier en brandewijngrog, tot haar gezicht eindelijk met de
hooggekleurde schaal van den kreeft, dien zij met gretigheid zat te
nuttigen, wedijverde.
De heer, die deze beide dames geleidde, was onuitputtelijk in zijn
oplettendheden, zoowel hier op de renbaan, als hij het was geweest op
de reis herwaarts. Gedurende dien ganschen vroolijken en heerlijken
tocht van Londen, was er geen eind geweest aan zijne grappen.
Onbeschroomd richtte hij het woord zoowel tot ontzagwekkende rijtuigen
vol van de grootste en deftigste officieren der garde, als tot de
geringste ezelskar, waarmede Bob de vuilnisman zijne Molly naar den
wedren reed. Hij had verbazende hoeveelheden aardigheden afgevuurd naar
de ontelbare vensters, die zij voorbijkwamen; naar de reeksen van
giggelende jonge jufvrouwen van de scholen; naar de regimenten
juichende bengels, die achter het hek hunner instituten hoera stonden
te roepen; naar de ramen, waar lachende dienstmeisjes of minnen met
zuigelingen op den arm, of stijve oude jufvrouwen met afkeurende
gezichten uitkeken. En het mooie meisje met dien strooien hoed met
paarsch lint en hare mama, de kreeftenverslindster, waren het eens, dat
niemand in de schaduw van mijnheer Sam kon staan, wanneer hij „op zijn
dreef” was. Hij had het rijtuig volgepropt met voorwerpen, die hij
gewonnen had op de draaiborden hier in den omtrek, en met een
onnoemelijk aantal speldenkussens, houten appelen, tabaksdoozen,
springduiveltjes en kindersoldaatjes. Hij had eene heidin met een bruin
kind op haar arm er bij gehaald, om voor de dames te waarzeggen; en de
eenige wolk, die den zonneschijn van dit gelukkige gezelschapje een
oogenblik verduisterde, vertoonde zich toen de waarzegster aan de jonge
dame toevoegde, dat zij zich in acht moest nemen voor een blond man,
die haar valsch was, dat zij eene zware ziekte had doorgestaan, en dat
zij ondervinden zou dat een donker man haar trouw zou wezen.
Het jonge meisje keek op het vernemen van dit nieuws zeer verslagen,
terwijl hare moeder en de jonkman teekenen van verwondering en
verstandhouding wisselden. Waarschijnlijk had de waarzegster dien dag
hetzelfde reeds bij honderd andere rijtuigen verteld.
Een jeugdig vriend van ons, die onverzeld tusschen de volksmenigte en
de rijtuigen doorwandelde en volgens zijne gewoonte de verschillende
toestanden en karakters, die het levendige tooneel opleverde waarnam,
ontwaarde plotseling de vigilante No. 2002 en het groepje dat buiten op
het rijtuig zat. Toen hij de jonge dame op den bok in het oog kreeg,
ontstelde en verbleekte zij; hare moeder werd rooder dan ooit; de tot
nog toe zoo vroolijke en zegepralende mijnheer Sam zette dadelijk een
barsch en achterdochtig gezicht en liet zijn oogen verbolgen van Fanny
Bolton (die de lezer ongetwijfeld wel in de jonge dame op het rijtuig
herkend zal hebben) naar Arthur Pendennis gaan, die naar haar toekwam.
Ook Arthur keek somber en achterdochtig, toen hij mijnheer Samuel
Huxter in gezelschap van zijn oude bekenden zag; maar zijn achterdocht
ontsproot uit onthutste moraliteit, en was in mijnheer Arthur
natuurlijk zeer loffelijk, evenals de achterdocht van mevrouw Lynx,
wanneer zij mijnheer Brown en mevrouw Jones met elkander ziet praten,
of mevrouw Lamb een paar maal in eene mooie operaloge ontdekt. Er is
misschien geen kwaad in dat gesprek van mijnheer B. met mevrouw J., en
mevrouw Lamb kan misschien heel eerlijk aan hare loge gekomen zijn
(ofschoon iedereen weet, dat zij die niet betalen kan), maar
desniettemin heeft iemand, die een oogje in het zeil houdt, zooals
mevrouw Lynx, het recht om wat voorbarig bevreesd te zijn; en Arthur
was dus zonder twijfel bevoegd om zulk een zuur gezicht te zetten.
Fanny’s hart begon hevig te kloppen; Huxter’s handen, in de zakken
zijner paletot gedompeld, balden zich tot vuisten en legden zich als
het ware in hinderlaag; jufvrouw Bolton begon uit alle macht en met
verbazende radheid te praten, en „Heere, zij was zoo blij dat ze meneer
Pendennis nog eens sprak, en wat zag hij er goed uit, en we spraken net
zooeven nog over meneer P., niet waar, Fanny? en als dit nu de beroemde
Hepsom wedrennen waren, waar zulk een groote roep van uitging, dan kon
het haar niets schelen, voor haar part, indien zij ze nimmer weer zag.
En hoe voer majoor Pendennis, en die vriendelijke meneer Warrington,
die meneer Pendennis’ hartelijke groeten aan Fanny had overgebracht? en
dat zou zij nooit, nooit vergeten; en meneer Warrington was zoo lang,
dat hij zich het hoofd stootte aan den ingang der portierswoning. Weet
ge nog wel, Fanny, hoe meneer Warrington zich het hoofd stootte?”
Ik zou wel eens willen weten hoeveel duizenden gedachten door Fanny’s
brein schoten terwijl jufvrouw Bolton aldus voortratelde, en welke
dierbare oogenblikken, droevige tweestrijden, eenzame smarten en latere
vertroostingen, over welke zij zich schaamde, weer in haar geheugen
oprezen. Welke kwellingen doorstond het arme meisje, toen zij bedacht
dat zij hem zoozeer had liefgehad en hem nu niet meer beminde? Dáár
stond hij, voor wien zij tien maanden geleden had willen sterven,
verwaand en laatdunkend, met een rouwband om zijn witten hoed en zwarte
knoopjes in zijn overhemd, met een anjelier, die een andere hem
waarschijnlijk geschonken had, in zijn knoopsgat; met de engst
sluitende lavendelkleurige handschoenen met zwarte naden en het kleinst
mogelijke wandelstokje. Huxter droeg geen handschoenen, maar groote
rijglaarzen, en rook erg naar tabak; en hij zag er uit – ja, het was
niet te ontkennen alsof een emmer water hem veel goed zou gedaan
hebben. Al die gedachten, en nog duizenden andere, vlogen door Fanny’s
hoofdje terwijl hare moeder zich ontboezemde, en toen het meisje met
een steelschen blik Pendennis opnam – en zij nam hem van top tot teen
op, den kring op zijn blank voorhoofd, dien zijn hoed naliet als hij
dezen oplichtte (zijn heerlijk, heerlijk haar was weer aangegroeid), de
snuisterijen aan zijn horlogeketting, den ring aan zijn vinger onder
zijn handschoen, zijne nette glimmende laarzen, die zoozeer afstaken
bij die van Sam! – en toen hare hand een kleinen schuchteren druk had
gegeven aan de lavendelkleurige glacé-hand die haar werd toegereikt, en
toen hare moeder haar ontboezeming had geëindigd toen, was het eenige
wat Fanny wist te zeggen: „Dit is mijnheer Samuel Huxter, dien ik
geloof dat gij vroeger gekend heb, mijnheer; mijnheer Samuel, gij hebt
mijnheer Pendennis vroeger gekend – en – en zult ge niet iets
gebruiken?”
Hoewel deze weinige woorden, bevende uitgesproken, niet bijzonder veel
beteekenden, vatte Pendennis die echter in zulk een zin op, dat zij een
zwaren last van verdenking van zijne ziel – en misschien van wroeging
van zijn hart – afnamen. De barschheid verdween van het gelaat van den
prins van Fairoaks, en een welwillende glimlach en eene
veelbeteekenende flikkering in zijn oogen luisterden het gezicht van
zijne hoogheid op. „Ik heb grooten dorst,” gaf hij ten antwoord, „en
zal gaarne op uwe gezondheid drinken, Fanny; en ik hoop, dat mijnheer
Huxter het mij zal willen vergeven, dat ik de laatste maal, toen wij
elkander zagen, zeer onbeleefd tegen hem ben geweest, want ik was zoo
ongesteld en mismoedig, dat ik waarlijk bijna niet wist wat ik zeide.”
En bij die woorden werd de lavendelkleurige glacé handschoen ten teeken
van vriendschap aan Huxter toegestoken.
De onzindelijke vuist in den zak van den jongen chirurgijn was nu
genoodzaakt zich te openen en ontwapend uit hare hinderlaag te
voorschijn te komen. De arme kerel voelde hoe zijne hand gloeide, toen
hij haar in die van Pen legde, en hoe vuil zij was, want zij liet
donkere plekken op Pen’s handschoenen na; hij zag ze, en gaarne zou hij
zijne vuist weer gebald en in het opgeruimde gelaat van den ander
geplant hebben, om hier op deze zelfde plek, met Fanny en gansch
Engeland tot toeschouwers, te zien wie van beiden de sterkste was –
hij, Sam Huxter van het Bartholomeus-Hospitaal, of die grinnikende
kwast.
Met onverstoorbare gelijkmoedigheid nam Pen een glas aan – het was hem
onverschillig wat het bevatte; het was hem maar te doen, om op de
gezondheid der dames te drinken; en hij schonk het vol met lauw bier,
hetgeen hij voor heerlijk verklaarde en waarmee hij op den
hartelijksten toon op het welzijn van het gezelschap dronk.
Terwijl hij nu op eene bevallige wijze stond te drinken en te praten,
ging eene jonge dame in een duivenkleurig gewaad met weerschijn, eene
witte parasol met paarsche voering, en de alleraardigste duivenkleurige
laarsjes die ooit gezien zijn, Pen voorbij aan den arm van een rijzig
heer met een krijgshaftigen knevel.
De jonge dame kneep haar vuistje samen en sloeg ter zijde een
ondeugenden blik op Pen, toen zij hem voorbijging. De heer met de
knevels barstte in een gullen lach uit. Hij had den hoed afgenomen voor
de dames in de vigilante No. 2002. Men had eens moeten zien, met welke
oogen Fanny Bolton de duivenkleurige jonge dame nazag. Zoodra Huxter op
de richting van die oogen lette, staakten zij het nakijken van de
duivenkleurige nimf, en keken zij met de argelooste en vroolijkste
uitdrukking in Sam Huxter’s oogen.
„Wat een lief meisje!” zeide Fanny. „Wat een beelderig kleedje! Hebt
gij wel gezien, mijnheer Sam, welke kleine handjes zij heeft?”
„Dat was kapitein Strong, zeide jufvrouw Bolton; „maar ik zou wel eens
willen weten, wie dat meisje is?”
„Een buurmeisje van mij op het land – jufvrouw Amory,” zeide Arthur,
„de dochter van Lady Clavering. Gij hebt Sir Francis dikwijls in
Shepherd’s Inn gezien, jufvrouw Bolton.”
En terwijl hij dit zeide, bouwde Fanny een volslagen roman in drie
deelen op liefde, trouweloosheid, eene prachtige trouwpartij in de
St.-Georgekerk in Hanover Square, een meisje met een gebroken hart, –
en Sam Huxter was de held niet van die geschiedenis, de arme Sam, die
in den tusschentijd eene ijselijk stinkende Cuba-sigaar te voorschijn
had gehaald en deze onder Fanny’s neusje rookte.
Nadat die verwenschte kwast van een Pendennis het gezelschap ontmoet en
weer verlaten had, was de zon minder helder voor Sam Huxter, de lucht
minder blauw, de spellen hadden hunne bekoorlijkheid voor hem verloren,
het bitterbier was warm en ondrinkbaar, de wereld had een ander
voorkomen gekregen. Hij had wat erwten en een tinnen blaaspijp in het
kastje der vigilante tot uitspanning op de terugreis meegenomen; doch
hij haalde die niet te voorschijn, en vergat geheel, dat hij er zich
van voorzien had, totdat een andere snaak, op hun terugweg, eene volle
lading erwten tegen Sam’s bedroefd gelaat schoot, eene begroeting, die
hem, na eenige vloeken van verbazing, in een woesten en sardonischen
lach deed uitbarsten.
Maar Fanny was op die geheele terugreis betooverend. Zij sprak vleiend
en innemend, met een glimlachje op de lippen. Zij schoot in de
alleraardigste lachjes; zij was vol bewondering over alles: zij haalde
dat hondje van een springduiveltje voor den dag, en was er Sam zóó
dankbaar voor! En toen zij thuis kwamen en mijnheer Huxter, nog altijd
met een donker gezicht, op koele wijze afscheid van haar nam, barstte
zij in tranen uit en verklaarde dat hij een, ondeugend norsch mensch
was.
En daarop klemde de jeugdige chirurgijn met bijna even groote
ontroering als die van Fanny, het meisje in zijn armen; hij zwoer, dat
zij een engel en hij zelf een jaloersche rekel was; hij bekende, dat
hij haar onwaardig was en geen recht had Pendennis een kwaad hart toe
te dragen, en hij verzocht en bezwoer haar, hem nog ééns te zeggen, dat
zij –.
Dat zij wat? Het laatste gedeelte der vraag en het antwoord werden
uitgesproken door lippen, die zoo dicht bij elkander waren, dat geen
der omstanders er iets van kon hooren. Jufvrouw Bolton zeide alleen:
„Kom, kom, mijnheer H., geen gekheid, als het u belieft. Ik vind dat
gij u heel onaangenaam gedragen en Fanny wreedaardig behandeld hebt,
dat is waar!”
Toen Arthur de vigilante No. 2002 verliet, ging hij zijn compliment
maken bij het rijtuig, waarin de duivenkleurig gekleede schrijfster van
Mes Larmes thans weer plaats had genomen naast hare mama. De
onvermoeibare oude majoor Pendennis wijdde zijne diensten aan Lady
Clavering en zat op de achterbank van het rijtuig, terwijl de jonge
veelbelovende erfgenaam van het huis Clavering, onder toezicht van
kapitein Strong, den bok in bezit had genomen.
Een aantal dandy’s en heeren van zekere soort (militairen en fatterige
jonge ambtenaren, van die personen, die meer ophebben met heeren dan
met dames) hadden zich rondom het rijtuig geschaard, terwijl het op den
heuvel stond, een paar woorden met Lady Clavering gewisseld en met
jufvrouw Amory een praatje gemaakt (of „gekletst”, zooals de elegantste
dier heeren hun gesprek noemden). Zij hadden schertsend met haar willen
wedden, en praatten zeer vrij en met veelbeteekenende zinspelingen over
allerlei onderwerpen. Zij wezen haar aan wie al zoo bij de wedrennen
tegenwoordig waren, en dat waren niet altijd personen, die eene jonge
dame behoorde te kennen.
Toen Pen bij Lady Clavering’s rijtuig kwam, moest hij door een aantal
dezer jonge fatten, die hun hof aan jufvrouw Amory maakten,
heendringen, om even dicht bij haar te komen, daar zij hem met een
aantal lieve wenken tot zich riep.
„Je l’ai vue,” sprak zij: „elle a de bien beaux yeux; vous êtes un
monstre!”
„Waarom een monster?” vroeg Pen lachend. „Honi soit qui mal y pense.
Mijne jonge vriendin daar ginds is zoo goed beschermd als eenige jonge
dame in de gansche Christenheid het kan. Zij heeft hare mama aan den
eenen en haar aanstaande aan den anderen kant. Welk leed zou tusschen
die beiden een meisje kunnen treffen?”
„Men weet niet wat er al gebeuren kan,” zeide jufvrouw Blanche in het
Fransch, „wanneer een meisje er toe genegen is en vervolgd wordt door
een ondeugend monster zooals gij. Verbeeld u, majoor, dat ik,
voorbijkomende, monsieur uw neef bij eene vigilante aantrof, waarin
twee dames zaten, en een man – o zoo’n kluchtigen man! – en die
kreeften aten, en lachten, lachten!”
„Ik heb niet kunnen merken, dat de man lachte,” zeide Pen. „En wat de
kreeften betreft, het was alsof hij mij zelven na die kreeften wel had
willen opeten. Hij gaf mij de hand en kneep mij zoo sterk, dat de mijne
bont en blauw werd onder den handschoen. Het is een jonge chirurgijn,
uit Clavering afkomstig. Herinnert ge u daar niet de Gouden vijzel en
stamper in de High Street?”
„Als hij over u praktizeert wanneer gij ziek zijt,” hernam jufvrouw
Amory, „zal hij u vermoorden. En dat zal ook uw verdiende loon zijn,
want gij zijt een monster.”
Dat herhaalde gebruik van het woord „monster” kwetste Pen’s ooren. „Zij
spreekt veel te lichtvaardig over deze zaken,” dacht hij. „Indien ik
een monster ware geweest, gelijk zij het noemt, zou zij mij op juist
dezelfde wijze ontvangen hebben. Geen Engelsche dame behoorde aldus te
spreken of te denken. Laura zou zich althans, Goddank, zóó niet
uitlaten,” en bij die gedachte betrok zijn eigen gelaat.
„Waaraan denkt gij? Wilt gij boos op mij worden?” vroeg Blanche.
„Majoor, bestraf uw méchanten neef eens. Hij amuseert mij in het geheel
niet. Hij is even bête als kapitein Crackenbury.”
„Wat zegt gij van mij, jufvrouw Amory?” vroeg de garde-officier met een
grijns. „Als het wat goeds is, zeg het dan in het Engelsch, want ik
versta geen Fransch als het zoo verduiveld snel gesproken wordt.”
„Het is niets goeds, Crack,” zeide diens vriend kapitein Clinker. „Kom,
laten wij heengaan en het spel niet bederven. Men zegt, dat Pendennis
een oogje op haar heeft.”
„Ik heb gehoord, dat hij een verduiveld knappe kerel is,” zuchtte
kapitein Crackenbury. „Lady Violet Lebas zegt, dat hij een verduiveld
knappe kerel is. Hij heeft een werk, of een gedicht of zoo iets
geschreven; en hij schrijft die verduiveld mooie dingen in de – in de
couranten, weet je. Wat drommel Clinker, ik wenschte, dat ik een knappe
kerel was!”
„Daar helpt geen wenschen meer aan, Crack, beste jongen,” zeide de
ander. „Ik kan geen mooi boek schrijven, maar ik geloof, dat ik een
vrij goed boek met weddenschappen bij de wedrennen vullen kan. Wat is
die Clavering een ezel! En die begum! ik houd wel van die oude begum!
Zij kan tegen tien van de soort harer dochter opwegen. Wat was die oude
vrouw blij toen zij wat in de loterij won!”
„Clavering is er toch goed voor, dat hij betalen zal, hoop ik?” zeide
Crackenbury.
„Dat wil ik ook hopen,” antwoordde zijn vriend, waarop beiden zich
verwijderden, om de volksvermaken weer te gaan bijwonen.
Voordat de genoegens van den dag ten einde liepen, kwamen nog vele
andere heeren van Lady Clavering’s kennis bij haar rijtuig en maakten
een praatje met het gezelschap. De achtenswaardige dame was zeer
vroolijk en opgeruimd, lachte en snapte als naar gewoonte en bood al
hare vrienden ververschingen aan, totdat hare goed gevulde manden en
flesschen geledigd en hare bedienden en postiljons zoo opgewonden
waren, als bedienden en postiljons dit op den dag der wedrennen
doorgaans zijn.
Het viel den majoor in het oog, dat sommige der heeren, die bij het
rijtuig gekomen waren, de eigenares daarvan met vrij zonderlinge en
veelbeteekenende blikken aanzagen. „Wat houdt zij er zich bedaard
onder!” fluisterde er een tegen een ander. „De begum bulkt van het
geld,” gaf de vriend ten antwoord. „Wááronder houdt zij zich zoo
bedaard?” dacht de oude Pendennis. „Heeft haar man weer geld verloren?”
Lady Clavering had hem verteld, dat zij zich dien morgen zoo gelukkig
had gevoeld, want dat Sir Francis haar beloofd had niet te zullen
wedden.
De heer Welbore, de buurman der Clavering’s op het land, werd, toen hij
het rijtuig voorbijging, door de begum aangeroepen, die hem schertsend
verweet dat hij haar niet wilde kennen. „Waarom was hij niet vroeger
gekomen? Waarom was hij het ontbijt niet komen gebruiken?” Mylady was
zeer opgetogen en vertelde hem, gelijk zij ieder ander gedaan had, dat
zij in eene loterij vijf pond had gewonnen.
Toen zij den heer Welbore dat nieuws meedeelde, keek hij zoo vreemd op
en te gelijk zoo bedenkelijk, dat majoor Pendennis een akelig
voorgevoel kreeg. Hij zou eens gaan kijken naar de paarden, zeide de
majoor, en naar die schelmen van postiljons, die zoo lang talmden met
te komen. Toen hij weer bij het rijtuig terugkwam, vertoonde zijn
gewoonlijk zoo goedaardig en glimlachend gelaat eene zekere verdrietige
uitdrukking. „Wat deert u?” vroeg de meewarige begum, waarop de majoor
antwoordde, dat de vermoeienis en de zonneschijn hem hoofdpijn hadden
bezorgd. Het rijtuig keerde nu en sloeg den weg naar Londen in, en het
was waarlijk niet de minst schitterende equipage in dien langen en
schilderachtigen optocht. De beschonken koetsiers vlogen als dol over
het grasland, onder de kreten van verbazing der voetgangers, het
ironisch gejuich uit de ezelwagens en karren, en de luide vloeken der
bestuurders van de rijtuigen, tegen welke de onbesuisde postiljons
aanbonsden. De opgeruimde begum scheen het genoegen in persoon, terwijl
zij in de prachtige kussens achteroverlag; en de lieftallige sylphide
glimlachte met een elegante lusteloosheid. Menig eerzaam burger, die er
met zijn gezin eens een vrijen dag van genomen had en nu in een gering
rijtuig zat gepakt, menige schrale dandy, die op zijn afgemat huurpaard
weer naar huis sukkelde, bewonderde die schitterende equipage en stelde
zich zonder twijfel voor, hoe gelukkig die groote lui toch moesten
zijn. Strong zat nog altijd op den bok en riep den postiljons en de
volksmassa met eene gebiedende stem toe. De jonge heer Frans was binnen
het rijtuig geplaatst en zat daar naast den majoor den invloed van het
aanhoudend eten en van den champagne, waarvan hij ruim zijn deel
genoten had, uit te slapen.
De majoor ging onderwijl bij zich zelven de nieuwstijding na, die hem
zoo bedrukt had gemaakt. „Indien Sir Francis Clavering op dien voet
voortgaat,” dacht Pendennis senior, „zal die kleine dronken schavuit
een even kale heer worden als zijn vader en grootvader vóór hem waren.
Het fortuin der begum kan dergelijke aderlatingen niet doorstaan;
niemands fortuin is daartegen bestand; en zij heeft zijne schulden
reeds een half dozijn maal betaald. Nog eenige jaren wedrennen en nog
eenige slagen gelijk deze laatste, en zij is geruïneerd.”
„Zouden wij geene wedrennen te Clavering kunnen invoeren, mama?” vroeg
jufvrouw Amory. „Ja, wij moeten ze daar weer doen herleven. In den
ouden tijd, den goeden ouden tijd, werden daar wedrennen gehouden. Ge
weet, het is eene nationale uitspanning, en wij zouden te Clavering een
bal kunnen hebben, en ook aan de boeren zou in het park gelegenheid
kunnen gegeven worden, om de dansen en landelijke vermaken te genieten.
O, wat zou dat heerlijk zijn!”
„Het zou eene heele pret zijn,” antwoordde mama, „niet waar, majoor?”
„Wedrennen zijn een zeer kostbaar genoegen, waarde mevrouw,” gaf majoor
Pendennis met zulk een droevig gelaat ten antwoord, dat de begum hem er
mee plaagde en hem lachend vroeg, of hij misschien geld bij de
wedrennen verloren had.
Na omtrent anderhalf uur geslapen te hebben, begon de stamhouder van
het huis Clavering teekenen van ontwaken te geven, want hij sloeg zijne
jeugdige armpjes in des majoors gezicht en schopte zijne zuster, die
aan de overzijde zat, tegen de knieën. Toen de lieve jongen weer geheel
tot zich zelven was gekomen, ving hij een levendig gesprek aan.
„Zeg eens, ma,” begon hij, „dezen keer heb ik het toch gedaan?”
„Wat hebt gij gedaan, Frans-lief?” vroeg mama.
„Hoeveel is zeventien halve kronen? Twee pond en eene halve kroon, niet
waar? Ik heb Borax in onze loterij getrokken, maar Podasokus en
Man-milliner van Leggat junior voor twee confituurtaartjes en eene
flesch gemberbier gekocht.”
„Ondeugende kleine dobbelaar! Durft gij al zoo vroeg beginnen?” kreet
jufvrouw Amory.
„Hou jij je mond maar, asjeblieft! Ik heb uw permissie niet noodig!”
antwoordde haar broeder. „Zeg eens, ma....”
„Wat dan, Frans-lief?”
„Gij zult mij toch wel wat zakgeld geven, als ik weer naar school ga?”
zeide de knaap en barstte in lachen uit. „Wil ik u nu eens een nieuwtje
vertellen?”
De begum gaf haar verlangen te kennen, om dat nieuwtje te hooren,
waarop de zoon en erfgenaam van het huis Clavering vervolgde:
„Toen ik met Strong na den wedren achter de groote tribune stond en met
Leggat junior praatte, die daar met zijn ouwe was, zag ik pa, die er
uitzag alsof hij iedereen wou opeten. En hoor nu eens, ma: Leggat
junior vertelde mij, dat hij zijn ouwe had hooren zeggen, dat pa zeven
duizend pond had verloren door te wedden op het paard, dat men dacht
dat den prijs zou behalen. Nu, als ik meerderjarig ben, zal ik nooit op
zoo’n paard wedden. Neen, neen, ik mag – wezen als ik het doe. Kom,
Strong, schei er uit!”
„Kapitein Strong! kapitein Strong! Is dat waar?” riep de
beklagenswaardige begum uit. „Heeft Sir Francis weer gewed? Hij had mij
beloofd, dat hij het niet doen zou. Hij had mij zijn woord van eer
verpand, dat hij er zich van zou onthouden!”
Strong had van den bok af het slot der mededeeling van den jongen heer
Clavering gehoord en tevergeefs getracht diens mond te snoeren.
„Ik vrees dat het maar al te waar is, mevrouw,” gaf hij, zich
omkeerende, ten antwoord. „Het verlies grieft mij even sterk als u. Hij
had het mij evenzeer als u beloofd; maar het spel is hem altijd te
machtig; hij kan er zich niet van onthouden.”
Op deze smartelijke tijding barstte Lady Clavering in tranen los en
beklaagde haar rampzalig lot zoo bitter als de ongelukkigste vrouw ter
wereld had kunnen doen. Zij verklaarde, dat zij van dien ondankbaren
man wilde scheiden en geen zijner schulden meer zou betalen. Onder een
stroom van tranen en met de grootste radheid van tong verhaalde zij
eene reeks van maar al te ware geschiedenissen, waaruit bleek hoezeer
haar man haar misleid, maar hoe onophoudelijk zij hem uit de klem
geholpen had, en onder deze treurige omstandigheden, terwijl de
veelbelovende jonge heer aan de twee guinjes dacht, die hij gewonnen
had, en de majoor in zijn geschokt gemoed overwoog of het niet raadzaam
ware zekere plannen, die hij gevormd had, te laten varen, hield het
prachtige rijtuig eindelijk voor het huis der begum op Grosvenor Place
stil, terwijl de leegloopers en de straatjongens, die als naar gewoonte
samengeschoold waren om den afloop van den Derby-dag te zien, een
gejuich deden opgaan toen het rijtuig stilstond en de gelukkige
menschen benijdden, die er uit stapten.
„En voor den zoon van dien man is het, dat ik tot eene bedelares word
gemaakt!” zeide Blanche, die van verontwaardiging trilde, toen zij aan
den arm van den majoor de trap opging, – „voor dien bedrieger, dien
bandiet, dien leugenaar, dien roover!”
„Bedaar, lieve jufvrouw Blanche,” zeide de oude heer; „ik smeek u, wees
bedaard. Gij zijt hard en zeer onrechtvaardig behandeld. Maar bedenk,
dat ik altijd uw vriend ben geweest, en vertrouw op een oud man, die
trachten zal u van dienst te zijn.”
En toen de jonge dame en de stamhouder van het veelbelovende huis
Clavering zich ter rust hadden begeven, bleven de drie overige
deelnemers aan het uitstapje naar Epsom nog een tijdlang onder
gewichtige beraadslagingen bijeen.