IN HET BUITENLAND.

De achtenswaardige majoor vervulde de belofte, die hij aan Warrington

gedaan had, in dier voege, dat hij zijn eigen geweten bevredigde en de

arme Helena in zooverre omtrent haar zoon geruststelde, dat zij vernam,

dat de betrekking tusschen Arthur en die hartelijke portierster

afgebroken was, zoodat zij niet verder behoefde bang te zijn voor een

ondoordachte liefde of een vernederend huwelijk van Pen’s kant. En

nadat de jonkman hersteld was van den schok, dien zijn ijdelheid

ondergaan had, was het ook hem een pak van het hart, dat jufvrouw Fanny

niet van liefde voor hem zou sterven en dat er van die onzalige en

kortstondige betrekking geen onaangename gevolgen te vreezen waren.

Het gantsche gezelschap kon dus vrijelijk het voorgenomen tochtje naar

het vasteland aanvaarden, en „Arthur Pendennis, rentier, voyageant avec

madame Pendennis et mademoiselle Bell, et George Warrington,

particulier, ágé de 32 ans, taille 6 pieds (anglais), figure ordinaire,

cheveux noirs, barbe idem, etc.,” kregen paspoorten van den consul van

Zijne Majesteit den koning der Belgen te Dover, en staken uit die

havenplaats naar Ostende over, van waar het gezelschap op zijn gemak

verder reisde en op weg naar Brussel en den Rijn, Brugge en Gent

bezocht. Wij zijn niet voornemens dien veelbereisden weg te

beschrijven, noch Laura’s verrukking over die stille en oude steden,

die zij thans voor het eerst zag, of Helena’s verwondering en

nieuwsgierigheid bij het bezoeken der bagijnen-kloosters, of het

gevoel, dat bijna aan ontzetting grensde, waarmee zij de

zwartgesluierde nonnen met opgeheven armen geknield zag voor de

verlichte altaren, en de vreemdsoortige plechtigheden en ceremoniën der

Katholieke Kerk aanschouwde. Barrevoeter monniken op straat, gekroonde

beeldjes van de heiligen en H. Maagden in de kerken, welke het volk

knielende aanbad, naar haar overtuiging in lijnrechten strijd met het

woord, dat geschreven stond; priesters, die met kostbare gewaden

prijkten, of in biechtstoelen verscholen zaten; het spelen in de

schouwburgen en het dansen der bevolking op Zondag, – al deze nieuwe

tafereelen en gewoonten ergerden en verbijsterden de eenvoudige

plattelandsdame, en wanneer de jongelieden des avonds van een

rijtoertje of eene wandeling bij de weduwe en haar aangenomen dochter

terugkwamen, vonden zij hare stichtelijke boeken op tafel, en bij hun

binnentreden hield Laura doorgaans op met het lezen van eenige der

psalmen of van de gewijde bladzijden, die Helena hooger schatte dan

iets anders ter wereld. De jongste gebeurtennissen, waarbij haar zoon

betrokken was geweest, hadden haar zwaar geschokt; met eene groote,

doch verholen bezorgdheid lette Laura op alle bewegingen van hare

dierbaarste vriendin; en onverpoosd en met de meeste teederheid bewees

de arme Pen alle oplettendheden aan zijne moeder, wier gewond hart vol

liefde naar hem smachtte, ofschoon er tusschen hen beiden een geheim

bestond en de moeder eene soort van kwelling, ja bijna woede ondervond

bij de gedachte, dat zij in zekere mate van het bezit van haar zoons

hart ontzet was, of dat daarin schuilhoeken waren, die zij niet moest,

of niet durfde onderzoeken. Een pijnlijk gevoel beving haar, wanneer

zij overdacht, dat die in de gewijde dagen zijner kindsheid anders was

geweest, toen het hart van haar Arthur geen geheimen kende en zij voor

hem alles in alles was: toen hij zijne verwachtingen en genoegens,

zijne kinderlijke verdrietelijkheden, ijdelheden en triomfen voor haar

uitstortte, terwijl zij hem te gemoet snelde en hem teeder omhelsde;

toen hare woning nog zijn nest was; en voordat het lot, de zelfzucht en

de natuur hem hadden doen uitvliegen op weerbarstige vleugelen, om zijn

eigen weg te kiezen, zijn eigen zang te kweelen en zich zelven eene

woonstede en eene gezellin te zoeken. Eens zeide Laura, die deze

verterende smart en deze folterende spijt bij Helena had waargenomen,

tegen hare vriendin: „Indien Pen mij had liefgehad op de wijze zooals

gij het wenschtet, zou ik hem hebben gewonnen; maar ik zou u hebben

verloren, mama, dit weet ik zeker; en ik wenschte gaarne, dat gij mij

het meest liefhebt. De mannen, geloof ik, weten niet wat het is, lief

te hebben zooals wij,” en met een zucht stemde Helena met dit gedeelte

der rede van de jonge dame in, ofschoon zij protesteerde tegen het

eerste gedeelte. Ik, voor mij, houd het er voor, dat jufvrouw Laura in

beide opzichten gelijk had, en dat inzonderheid de laatste bewering

maar al te waar is: de liefde duurt bij ons een uur, maar bij eene

vrouw dag en nacht door. Damon heeft te denken aan de belastingen, de

preek, de parade, de kleermakersrekeningen, zijne plichten als

volksvertegenwoordiger en de drommel weet wat nog meer: Delia heeft aan

Damon te denken – Damon is de eik (of de boonenstaak), die rechtop

staat, en Delia is de klimop, of de kamperfoelie, die hem met haar

armen omstrengelt. Is het niet waar, Delia? Ligt het niet in uwe

natuur, aan zijne voeten te kruipen en die te kussen, u rondom zijn

stam te winden en daar te blijven hangen? en is het niet in de natuur

van Damon, als een Brit daar te staan met de handen in zijn broekzak,

terwijl het aardig en minnende woekerplantje hem omarmt?

De oude Pendennis had onze vrienden slechts tot aan den waterkant

vergezeld, hen aan boord van de boot verlaten en het opperbestuur van

de kleine expeditie aan Warrington opgedragen. Hij zelf was verplicht

een kort bezoek ten huize van een groot man, een zijner vrienden, af te

leggen, waarna hij voornemens was zich op de Duitsche badplaats,

waarheen het gezelschap trok, bij zijne schoonzuster te voegen. De

majoor was, voor zich, van oordeel, dat zijne langdurige bemoeienissen

met zijne zieke familie hem aanspraak hadden gegeven op eene kleine

ontspanning, – en ofschoon de beste patrijzen reeds geveld waren, kon

men te Stillbrook, welks hoogadellijke eigenaar daar nog vertoefde,

toch nog eenige fazanten schieten. De oude Pendennis begaf zich dus

naar dat gastvrij verblijf en vermaakte zich daar uitermate. Er waren

er een prins van den bloede, eenige aanzienlijke vreemdelingen, eenige

beroemde staatslieden en eenige zeer onderhoudende heeren ten bezoek;

het deed den ouden majoor goed, zijn naam in den Morning Post onder de

voorname gasten vermeld te zien, welke de markies van Steyne op zijn

landgoed Stillbrook onthaalde. Hij maakte zich op eene buitenplaats

zeer nuttig en aangenaam. De jongelui hield hij op de jachtpartijen, of

in de rookzaal, waar zij met en om hem lachten, met kluchtige anekdotes

en dubbelzinnige geschiedenissen bezig. Des morgens maakte hij zijn

opwachting bij de dames in de voor haar bestemde vertrekken. De nieuw

aangekomenen leidde hij het park en de tuinen rond; hij maakte hen met

den omtrek bekend en toonde hun de plaatsen, van waar men het beste

gezicht op het huis en het schoonste uitzicht over het meer had. Hij

liet de boomen zien, die geveld moesten worden, en wees hoe de oude weg

liep voordat de nieuwe brug gebouwd en de heuvel geslecht was; hij

toonde de plaats in het bosch, waar de oude Lord Lynx, Sir Phelim

O’Neal op zijne knieën voor mylady vond, enz.; hij noemde de portiers

en tuinlieden bij den naam; hij wist hoeveel bedienden er in de kamer

der huishoudster zaten en hoeveel er in de dienstbodenkamer dineerden;

voor iedereen en over alles had hij een woordje, en ook wel een

weinigje tegen iedereen. Hij was, met één woord, onbetaalbaar op het

land, en verdiende en genoot zijne vacantie na zijn arbeid ten volle.

Wellicht was het den majoor ook niet onaangenaam, dat hij, terwijl hij

zich aldus naar verdienste met zijne vrienden buiten vermaakte, aan

Warrington het kommando over de familie-expeditie naar het vasteland

opdragen en hem aldus met geweld in den dienst van de dames kon houden,

– eene dienstbaarheid, welke George maar al te bereid was zich om den

wille van zijn vriend en van een omgang, dien hij iederen dag

aangenamer vond, te getroosten. Warrington was zeer ervaren in de

Duitsche letterkunde en wilde gaarne aan jufvrouw Laura, die blijde was

zich verder te kunnen oefenen, les in die taal geven, terwijl Pen van

zijn kant te zwak, of te lui was, om de studie van het Duitsch weer op

te vatten. Warrington vervulde de rol van koerier en tolk; hij hield

toezicht op het vervoer der bagage in en uit schepen, logementen en

rijtuigen, bezorgde de geldzaken en hield den kleinen troep steeds

marschvaardig. Warrington onderzocht waar de Engelsche kerk was en ging

met de grootste deftigheid mee, als mevrouw Pendennis en jufvrouw Laura

geneigd waren die te bezoeken. Hij liep naast den ezel van mevrouw

Pendennis, wanneer die dame haar avondritje deed, of bezorgde haar

rijtuigen, of wist Galignani’s Messenger voor haar te krijgen. Hij

zocht gemakkelijke zitplaatsen onder de lindeboomen voor haar op, als

de badgasten na het eten op en neer wandelden en het orkest der Kursaal

van de badplaats, waar onze vrienden zich ophielden, zijne liefelijke

muziek onder de boomen uitvoerde. Menige fatterige en gesnorbaarde

Pruisische of Fransche dandy, die voor het trente-et-quarante naar de

badplaats was gekomen, wierp smachtende blikken op het lieftallige en

blozende Engelsche meisje, dat de bleeke weduwe vergezelde, en zou

gaarne een galop of wals met haar gedaan hebben. Maar Laura vertoonde

zich niet meer dan hoogstens een paar keeren in de balzaal, toen Pen

zich verwaardigde eens met haar uit te gaan; en wat Warrington betreft,

die ruwe diamant was door geen dansmeester gepolijst en verstond de

kunst van walsen niet, – ofschoon hij het gaarne zou geleerd hebben,

indien hij op zulk eene danseuse als Laura had mogen rekenen. Zulk eene

danseuse! ach, wat had een onbehouwen vrijgezel met dansen en walsen te

maken? waar moest het op uitloopen, dat hij voortdurend met haar

omging? dat hij genot inzwelgde met wie weet hoeveel gevaar van latere

droefheid en spijt en stil verdriet? Maar toch bleef hij. Wanneer men

gezien had welke onverpoosde zorg en oplettendheid hij aan de weduwe

wijdde, zou men gedacht hebben, dat hij haar zoon was, of een

avonturier, die haar fortuin wilde trouwen, of in ieder geval, dat hij

een zeer grooten schat of eene zeer gewichtige gunst van haar

verwachtte – en waarschijnlijk was dit ook wel het geval – want ons

verhaal is, gelijk de lezer wellicht reeds ontdekt zal hebben, een

verhaal vol zelfzucht; en bijna elk der personen houdt zich

overeenkomstig zijn aard, die meer of minder edel is dan die van

George, en overeenkomstig des werelds beloop, naar het ons toeschijnt,

met Nommer Eén bezig. Aldus wijdde Warrington zich uit zelfzucht aan

Helena, die uit zelfzucht zich aan Pen wijdde, die zich voor het

tegenwoordige op zelfzuchtige wijze aan zich zelven wijdde, daar er

geen ander persoon of voorwerp was, dat hem bezig hield, dan de

gezondheidstoestand zijner moeder, die hem inderdaad een ernstige en

diepgevoelde bezorgdheid inboezemde; doch ofschoon zij bij elkander

zaten, spraken zij met elkander niet veel, daar er nog altijd eene wolk

tusschen hen beiden hing.

Elken dag zag Laura naar Warrington uit, dien zij met steeds grootere

voorkomendheid en blijdschap begroette. Hij bespeurde, dat hij tegen

haar op eene wijze sprak, zooals hij niet wist, dat hij spreken kon Hij

betrapte zich zelven op het geven van bewijzen van galanterie, die hem

verbaasden nadat hij ze gegeven had; hij ontdekte, dat hij peinzend in

den spiegel zat te staren naar de rimpels rondom zijn oogen, naar het

grijs, dat zich hier en daar in zijn haar begon te vertoonen, en naar

de verraderlijke zilveren sprietjes in zijn ruigen, blauwzwarten baard.

Hij ontdekte, dat hij naar de jonge fatten in de badplaats keek, naar

de blonde, eng geregen Duitschers, naar de huppelende Franschen, met

hunne geverfde knevels en hunne nette verlakte laarzen, naar de

Engelsche dandy’s, en daaronder ook naar Pen, met hunne kalme

gebiedende houding en hunne aan het brutale grenzende

onverschilligheid, en dat hij aan elk hunner het een of ander voorrecht

of eigenschap van jeugd of goed voorkomen benijdde, welke Warrington

gevoelde dat hij miste. Elken avond verliet hij den kleinen kring met

grooter tegenzin, en wanneer hij zich dan naar zijn eigen kamer in de

buurt begaf, gevoelde hij zich des te verlatener. De weduwe moest wel

tegen wil en dank de liefde leeren kennen, die hij in zijn hart

koesterde. Thans begreep zij waarom majoor Pendennis (die altijd een

heimelijk tegenstander van haar geliefkoosd plan was geweest) zoo sterk

er op had aangedrongen, dat Warrington van de partij zou wezen. Laura

kwam er openlijk voor uit, dat zij hem eene groote en oprechte achting

toedroeg, en Arthur wilde van zijn kant geen enkelen stap doen. Hij

verkoos niet te zien wat er gebeurde, of trachtte dit althans niet te

stuiten, zoo hij het zelfs niet aanmoedigde. Zij herinnerde zich, dat

zij hem dikwijls had hooren zeggen, dat hij niet begreep hoe een man

tweemaal aanzoek kon doen om de hand eener vrouw. Zij verkeerde nu in

pijn en banden; zij was in heimelijke tweespalt met haar zoon, die voor

haar het dierbaarste op aarde was; zij koesterde een twijfel, dien zij

zich zelve niet durfde bekennen, omtrent Laura; zij had een afkeer van

Warrington, die zoo goed en edelaardig was. Geen wonder, dat de

geneeskrachtige wateren van Rozenbad haar geen goed deden, en dat

dokter von Glauber, de baddokter, toen hij de arme dame kwam bezoeken,

geen spoor van beterschap waarnam. Pen ging intusschen snel vooruit;

twaalf uren van de vier en twintig sliep hij door als een os; hij at

als een wolf, en had, na een paar maanden, bijna geheel de krachten en

het gewicht teruggekregen, die hij vóór zijne ziekte bezeten had.

Toen zij zich reeds ongeveer veertien dagen op hunne plaats der ruste

en verpoozing bevonden, kondigde majoor Pendennis schriftelijk zijne

spoedige komst in Rozenbad aan, en kort na dien brief verscheen de

majoor zelf, vergezeld van zijn trouwen knecht Morgan, zonder wiens

hulp de oude heer geen voet verzette. Op reis droeg de majoor een los

en jeugdig kostuum; als men hem op den rug zag, zou men hem voor een

dier jonge heeren gehouden hebben, wier ranke leest en jeugdig

voorkomen Warrington begon te benijden. Eerst als de waardige heer zich

bewoog, merkte de toeschouwer op, dat de Tijd zijn oude knieën

verzwakt, en op onheusche wijze de vlugheid der nette verlakte laarsjes

gestremd had, in welke de opgeruimde oude reiziger nog altijd zijne

voeten klemde. Er hielden zich in dat najaar groote heeren zoowel uit

ons eigen land als uit het buitenland te Rozenbad op. Pendennis senior

liep den avond van zijn aankomst de vreemdelingenlijst met groot

genoegen door, waarop hij zich verheugde verscheidene goede lui van

zijne kennis aan te treffen; hij zou de eer hebben zijn neef binnen

weinige dagen aan eene Duitsche groothertogin, eene Russische prinses

en een Engelschen markies voor te stellen. Pen had niets tegen de

kennismaking met die aanzienlijke lui, daar hij zelf smaak had in de

voorname wereld en den luister en de genoegens, die daaraan verbonden

zijn. Dien zelfden avond vertoonde zich de onverschrokken oude heer, op

den arm van zijn neef geleund, in de zalen van het Kurhaus en won of

verloor een paar napoleons aan de tafel, waar het trente et quarante

gespeeld werd. Hij zeide, dat hij niet speelde om te winnen of te

verliezen, maar dat hij deed gelijk anderen deden, en zijn napoleon

opzette en het voor lief nam zooals het uitviel. Hij wees Arthur de

Russen en Spanjaarden aan, die om bergen gouds dobbelden, en keurde

hunne speeldrift als iets gemeens en barbaarsch af; een Engelsch

gentleman behoorde te spelen waar het gebruikelijk was, maar zich niet

te laten opwinden of neerslaan door het spel; en daarop verhaalde hij,

hoe hij het had bijgewoond, dat zijn vriend, de markies van Steyne,

toen hij nog Lord Gaunt was, eenmaal achttien duizend pond op een

enkelen avond verloren had, en een andermaal drie avonden achtereen de

bank te Parijs had doen springen, zonder de minste ontroering bij zijne

nederlaag of zijn overwinning aan den dag te leggen. – „En dat is het,

wat ik een Engelsch gentleman heet, beste Pen,” zeide de oude heer, die

bij deze herinneringen warm werd; „dat noem ik le grand air, die nog

alleen bij ons en bij eenige weinige familiën in Frankrijk overgebleven

is.” En toen hem Russische prinsessen voorbijgingen, wier reputatie

sinds lang niet meer twijfelachtig was, en verdachte Engelsche dames,

die men op deze vroolijke plaatsen der losbandigheid aanhoudend ziet

met haar trouwen doch lijdelijken aanbidder, vertelde de majoor met

levendige spraakzaamheid en ondeugend vermaak, wonderbaarlijke

bijzonderheden uit het leven dier heldinnen aan zijn neef en onderhield

hij den jonkman met duizenderlei kwaadsprekerijen. Wat drommel! het was

hem of hij weer jong was, gelijk hij aan Pen verklaarde, toen de

geblankette en grinnikende prinses Obstropski, met haar reusachtigen

jager op hare hielen, die haar shawl droeg, hem met een lachje herkende

en aansprak. Hij herinnerde zich harer nog van het jaar 14, toen zij

actrice in een schouwburg op een der boulevards te Parijs was en

Obstropski – adjudant van keizer Alexander, een man van groote

talenten, die heel wat had kunnen vertellen omtrent den dood van keizer

Paul en een duivel aan de speeltafel was – haar trouwde. Hoffelijk en

eerbiedig vroeg hij de prinses verlof een bezoek bij haar te mogen

afleggen, om haar zijn neef, den heer Arthur Pendennis, voor te

stellen, waarna hij dezen laatste nog een half dozijn andere personages

aanwees, die even vermaarde namen droegen en even stichtelijke

levensgeschiedenissen achter den rug hadden. Wat zou de arme Helena

gedacht hebben, indien zij die verhalen had kunnen hooren, indien zij

geweten had, aan welke soort van lieden haar schoonbroeder haar zoon

voorstelde? Slechts ééns, op Arthur’s arm geleund, was zij de zaal

doorgegaan waar de groene tafels voor het spel gereed stonden en de

schorre croupiers hunne noodlottige „Rouge gagne” en „couleur perd”

uitgalmden. Vol ontzetting was zij uit dit pandemonium weggevlucht en

had zij Pen bezworen en hem op zijn woord van eer de belofte afgeperst,

dat hij nooit aan die tafels spelen zou; maar het tooneel, dat de

eerzame weduwe met zooveel ontzetting vervulde, vermaakte slechts den

wereldschen ouden veteraan, en deed hem wederom jong worden! Hij kon

den dampkring, die haar deed stikken, met genoegen inademen, Hare wegen

waren niet zijne wegen; wat voor hem voedsel was, dat was voor haar

vergif. Zoo verschillend is de vatbaarheid der menschen, en met zulk

eene verscheidenheid van schepselen is deze wonderbare wereld bevolkt.

Tot eer van mijnheer Pen moeten wij verklaren, dat hij de belofte, aan

zijne moeder afgelegd, trouw nakwam, en zijn oom onbewimpeld kennis gaf

van zijn voornemen om zich daaraan te houden.

Toen de majoor was aangekomen, scheen het alsof zijne tegenwoordigheid

een drukkenden invloed op ten minste drie leden van het kleine

gezelschap uitoefende: – op Laura, die hem alles behalve eerbied

toedroeg; op Warrington, die hem onwillekeurig uit de hoogte en met

minachting behandelde; en op de bedeesde en onthutste weduwe, die de

vrees koesterde, dat hij hare geliefkoosde plannen met haar zoon, hoe

weinig hoop ook nog voor de verwezenlijking daarvan bestond, zou

dwarsboomen. En de majoor was dan ook inderdaad, ofschoon hij het zelf

niet wist, de overbrenger van tijdingen, die aan de aangelegenheden van

al onze vrienden een zwaren slag zouden toebrengen.

Pen bewoonde met zijne beide dames apartementen in de stad Rozenbad; de

goede Warrington had eene kamer in de nabijheid betrokken; en de majoor

had, gelijk aan zijne waardigheid betaamde, bij zijn aankomst te

Rozenbad kamers in een der groote hotels genomen, den Keizer van Rome,

of de Vier Jaargetijden, waar dagelijks twee of driehonderd spelers,

vermaakzoekers of zieken, aan de onmetelijke table d’hôte aanzaten en

zich de maag overlaadden. Den morgen na de aankomst van den majoor

begaf Pen zich naar dat hotel, om plichtmatig zijn opwachting bij zijn

oom te maken. Hij vond diens zitkamer behoorlijk in orde gebracht en

opgeruimd door mijnheer Morgan, de hoeden van den majoor geborsteld,

zijne jassen uitgelegd, zijne cassetten en paraplu-zakken, zijne

reisboeken, paspoorten, kaarten en andere omslachtige benoodigdheden

van een Engelsch reiziger zoo netjes gerangschikt als zij op hun

meesters eigen kamer in Jermyn Street hadden kunnen zijn. Alles stond

gereed, van de bij den apotheker versch gevulde medicijnflesch tot het

kerkboek van den ouden heer, dat hem altijd op zijne reizen vergezelde;

want het was bij hem een punt van eer, zich in elke plaats, die hij met

zijn verblijf vereerde, in de Engelsche kerk te vertoonen. „Iedereen

doet dit,” zeide hij; „ieder Engelsch gentleman doet het,” en het zou

dezen godvruchtigen heer evenmin in de gedachte zijn gekomen uit de

nationale plaats der godsvereering weg te blijven, als het afleggen van

een bezoek bij den Engelschen gezant in eene hoofdstad op het vasteland

na te laten.

De oude heer had een der baden genomen, voor welke Rozenbad beroemd is

en die iedereen neemt, en zijn toilet na het bad was nog niet voltooid

toen Pen zich aanmeldde. De oude man riep met een opgeruimde stem

Arthur toe uit het achtervertrek, waar hij met Morgan bezig was en, een

oogenblik later kwam de knecht binnen met een pakje aan Pen’s adres –

brieven en papieren voor mijnheer Arthur, zeide Morgan, die hij van

mijnheer Arthur’s kamers te Londen had meegebracht, en die

hoofdzakelijk uit nommers van de Pall Mall Gazette bestonden, welke

onze vriend, mijnheer Finucane, van oordeel was geweest, dat zijn

medewerker gaarne zou zien. Die papieren waren bij elkander gebonden;

de brieven waren in een enveloppe gesloten, met een adres aan Pen van

laatstgenoemden heer.

Onder die brieven bevond zich een klein briefje, gericht – evenals een

vroeger schrijven waarvan wij vernomen hebben – aan „den weledelen heer

Arthur Pendennis,” hetgeen Arthur met zekeren schrik en een blos opende

en met innige belangstelling, spijt en eerbied las. Fanny Bolton

schreef, dat zij zich naar Arthur’s woning begeven en daar bevonden

had, dat hij vertrokken was, – vertrokken naar Duitschland, zonder een

woordje voor haar achter te laten, noch eenig antwoord op haar vorigen

brief, waarin zij hem om slechts één enkel vriendelijk woordje verzocht

had, noch de boeken, die hij haar in gelukkiger tijden vóór zijne

ziekte beloofd had en die zij gaarne als een gedachtenis aan hem had

willen bewaren. Zij verklaarde, dat zij niets zou verwijten aan

degenen, die haar bij zijn bed hadden gevonden toen hij met de koorts

lag en niemand kende, en die het arme meisje, zonder haar een woord toe

te spreken, de deur hadden uitgezet. Zij had gedacht, dat zij het zou

bestorven zijn, vervolgde zij, maar dokter Goodenough had haar

liefderijk verzorgd en in het leven behouden, op een oogenblik toen het

misschien nergens nut toe was, dat zij in het leven bleef; maar zij

vergaf iedereen, en wat Arthur betrof, zij zou altijd voor hem bidden.

En toen hij zoo ziek lag en zijn haar werd afgesneden, was zij zoo vrij

geweest een klein lokje voor zich te behouden; dat moest zij bekennen.

Mocht zij het nog behouden, of zou zijne mama gelasten, dat zij dat ook

moest teruggeven? Zij was bereid hem in alles te gehoorzamen, want zij

zou zich altijd herinneren, dat hij eenmaal zoo vriendelijk, o zoo goed

en vriendelijk, voor de arme Fanny geweest was.

Toen majoor Pendennis netjes en met een vriendelijk lachje, na zijn

toilet voltooid te hebben, uit zijn slaapvertrek de zitkamer

binnentrad, vond hij Arthur met dit briefje in de hand en een

uitdrukking van woesten toorn op zijn gelaat, die den ouden heer

verbaasd deed staan. „Wat voor nieuws uit Londen, beste jongen?” vroeg

hij vrij flauwtjes; „vallen de beren u lastig, dat gij er zoo betrokken

uitziet?”

„Weet gij iets van dezen brief, mijnheer?” vroeg Arthur.

„Welken brief, waarde neef?” vroeg de ander droogjes, dadelijk

begrijpende wat er gaande was

„Gij weet wat ik meen – van, van jufvrouw – jufvrouw Bolton – dat arme

lieve meisje,” barstte Arthur los. „Wanneer is zij op mijne kamer

geweest? Was zij er toen ik lag te ijlen? – ik verbeeldde het mij; –

was dat zoo? Wie is het, die haar uit mijne kamer weggezonden heeft?

Wie heeft de brieven, die zij aan mij geschreven heeft, teruggehouden?

Wie heeft dat durven doen? Zijt gij dat geweest, oom?”

„Ik ben niet gewoon de brieven van een gentleman achter te houden, noch

verd – onbeschaamde vragen te beantwoorden,” riep majoor Pendennis, van

ontroering en verontwaardiging bevende. „Er was een meisje op uwe

kamer, toen ik, met groot ongemak voor mij zelven, naar u toekwam, voor

den duivel, en het is, bij den hemel, alles behalve pleizierig,

mijnheer, op deze wijze beloond te worden voor de genegenheid, die ik u

betoond heb, – alles behalve pleizierig!”

„Dat is de vraag niet, oom,” antwoordde Arthur opgewonden, „en – en –

ik vraag u verschooning! Gij zijt altijd allervriendelijkst voor mij

geweest; maar ik vraag u nog eens, of gij iets hards tegen dit arme

meisje gezegd hebt? Zijt gij het, die haar van mij hebt weggezonden?”

„Ik heb geen enkel woord tegen het meisje gesproken,” antwoordde zijn

oom, „en ik ben het niet, die haar van u weggezonden heb. Ik weet niets

méér van haar, en wensch niets méér van haar te weten, dan van den man

in de maan.”

„Dan is het mijne moeder, die het gedaan heeft,” barstte Arthur los.

„Heeft mijne moeder het arme kind weggezonden?”

„Ik herhaal, mijnheer, dat ik er niets van weet,” zeide de oude heer

korzelig. „Laten wij, als het u belieft, over iets anders praten.”

„Ik zal het dengeen, die dat gedaan heeft, nooit vergeven,” riep Arthur

uit, terwijl hij opsprong en zijn hoed greep.

„Wacht even, Arthur! In Gods naam, wacht even!” riep de majoor, maar

eer hij dien volzin had uitgesproken, was Arthur de kamer uitgesneld,

en een oogenblik daarna zag de majoor hem haastig de straat oversteken,

in de richting van zijne woning.

„Zet het ontbijt gereed!” zeide de oude heer tegen Morgan en schudde

zuchtend het hoofd, terwijl hij uit het venster zag. „Arme Helena! arme

ziel! Dat zal een opschudding geven! Ik wist, dat het er van komen zou;

en wat drommel! het is altemaal olie in de vlam!”

Toen Pen thuis kwam, vond hij alleen Warrington, die in de zitkamer der

dames hare komst afwachtte, ten einde haar naar de zaal te geleiden,

waar de weinige Engelschen te Rozenbad des Zondags kerk hielden. Helena

en Laura waren nog niet voor den dag gekomen; de eerstgenoemde was

ongesteld, en hare dochter bevond zich bij haar. Pen’s verontwaardiging

was zoo groot, dat hij die niet ontveinzen kon. Hij wierp Fanny’s brief

over de tafel aan zijn vriend toe. „Zie eens, Warrington,” zeide hij;

„zij heeft mij in mijne ziekte opgepast, mij uit de arm des doods

gered, en op deze wijze is het lieve schepseltje behandeld geworden.

Men heeft hare brieven aan mij achtergehouden: men heeft mij als een

kind, en haar, dat arme schaap, als een hond behandeld. Dat heeft mijne

moeder gedaan!”

„Als dat zoo is, moet gij in aanmerking nemen dat het uwe moeder is,”

kwam Warrington er tusschen.

„Dat zij het is, die het gedaan heeft, maakt de misdaad des te

grooter,” gaf Pen ten antwoord. „Zij had de beschermster van het

meisje, niet hare vijandin, moeten zijn. Zij behoorde zich op de knieën

te werpen en haar vergiffenis te vragen. Dat moet zij, en dat wil ik.

Ik gruw van de wreede bejegening, die men haar heeft aangedaan. Zij

schonk mij alles, en is dit hare belooning? Zij offert alles voor mij

op, en men schopt haar weg.”

„Stil!” zeide Warrington; „men kan u in de kamer hier naast hooren.”

„Hooren? Laten zij het hooren!” riep Pen slechts des te luider uit.

„Zij, die mijne brieven achterhouden, mogen ook mijne woorden

beluisteren. Ik zeg, dat dit arme meisje schandelijk behandeld is, en

ik zal al het mogelijke doen om haar recht te laten weervaren; dat zal

ik.”

De deur der naaste kamer ging open en Laura trad met een bleek en

ernstig gelaat binnen. Zij zag Pen met vlammende blikken van fierheid,

uittarting en afkeer aan. „Arthur, uwe moeder is zeer onwel,” sprak

zij; „het is jammer dat gij zoo luid spreekt, dat hare rust er door

verstoord wordt.”

„Het is jammer, dat men mij genoodzaakt heeft te spreken,” antwoordde

Pen. „En ik heb nog meer te zeggen, eer ik heb afgedaan.”

„Ik geloof, dat hetgeen gij te zeggen hebt ternauwernood voor mijn

ooren gepast zal zijn,” hernam Laura hooghartig.

„Gij kunt het aanhooren of niet, volkomen naar uw goedvinden.” zeide

mijnheer Pen „Ik zal naar binnen gaan, om met mijne moeder te spreken.”

Laura trad snel vooruit, om niet door hare vriendin daar binnen

verstaan te worden. „Nu niet, mijnheer!” voegde zij Pen toe. „Als gij

het doet, kunt gij haar den dood berokkenen. Uw gedrag heeft genoeg

bijgedragen, om haar rampzalig te maken.”

„Welk gedrag?” riep Pen woedend uit. „Wie durft iets op mijn gedrag

aanmerken? Wie durft zich met mijne zaken bemoeien? Gij zijt het, die

deze vervolging aanstookt!”

„Ik zeide reeds zoo even, dat het een onderwerp was, waarvan het mij

niet paste te hooren, of te spreken,” zeide Laura. „Maar wat mama

betreft, indien zij anders had gehandeld dan zij gedaan heeft met

opzicht tot – tot de persoon, in welke gij zooveel belang schijnt te

stellen, had ik het moeten zijn, die uw huis verliet, en niet die – die

persoon.”

„Bij den hemel, dat is te veel!” riep Pen met een zwaren vloek uit.

„Dat hadt gij misschien wel gewenscht,” zeide Laura, haar hoofd

oprichtende. „Maar niets meer hiervan, als het u belieft; ik ben niet

gewoon zulke onderwerpen in zulk eene taal te hooren behandelen,” en

met eene statige buiging keerde de jonge dame naar de kamer harer

vriendin terug en zag op dien terugtocht, terwijl zij de deur voor

Pen’s neus sloot, hare wederpartij strak in het gelaat.

Pen stond verbijsterd van verwondering, verlegenheid en woede over deze

monsterachtige en onredelijke vervolging. Toen Laura hem verliet,

barstte hij in een luid en bitter lachen uit, en bespotte met bitse

gezegden en scheldwoorden, gelijk iemand die onder een operatie

samenkrimpt, zoowel zijn eigen smart als de verontwaardiging zijner

vervolgster. Die lach, – een bittere lach, maar geen zwakke of

hatelijke smartkreet onder een allerwreedste en onverdiende foltering,

– werd in het belendende vertrek gehoord evenals, het geval met zijne

vorige ongelukkige uitdrukkingen was geweest, en werd, gelijk deze,

door de hoorderessen geheel verkeerd uitgelegd. Dat geluid drong als

een dolksteek in Helena’s gewond en teedere hart; het doorboorde Laura

de ziel, en vervulde dit fiere meisje met minachting en toorn. „En aan

dezen verstokten losbol.” dacht zij, „die op zijne gemeene minnarijen

snoeft, had ik mijn hart geschonken.” – „Hij schendt de heiligste

wetten,” dacht Helena. „Hij schenkt aan het voorwerp van zijn

hartstocht de voorkeur boven zijn eigene moeder, en lacht en roemt over

zijne misdaad, wanneer hij berispt wordt. „Zij schonk mij alles,” ik

hoorde het hem zeggen,” peinsde de arme weduwe; „en daarop zwetst hij

en lacht er om, en breekt zijner moeder het hart.” De ontroering, de

schaamte, de smart, de vernedering deden haar bijna den dood aan. Zij

gevoelde, dat zijne hardvochtigheid haar het leven zou kosten.

Warrington dacht aan Laura’s gezegde: „Dat hadt gij misschien wel

gewenscht.” „Zij heeft Pen nog altijd lief.” sprak hij. „Het was de

jaloezie, die haar dit deed zeggen.” – „Kom mee, Pen. Kom mee; laten

wij naar de kerk gaan en tot kalmte trachten te komen. Gij moet die

zaak duidelijk aan uwe moeder uitleggen. Zij schijnt de ware toedracht

niet te kennen; en zoo staat het ook met u, beste jongen. Kom mee, en

laten wij er eens over praten.” En andermaal herhaalde hij bij zich

zelven: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht.” Ja, zij bemint hem.

Waarom zou zij hem niet beminnen? Wien anders zou ik verlangen dat zij

liefhad? Wat kan zij anders voor mij zijn dan de liefste, schoonste en

beste der vrouwen?

En terwijl zij de beide vrouwen op gelijke wijze bezig achterlieten,

stapten de heeren weg, elk met zijn eigen gedachten vervuld en een

geruimen tijd het stilzwijgen bewarende. Ik moet die zaak in orde

brengen, daar zij hem nog altijd lief heeft, overlegde de trouwhartige

George; „ik moet hem inlichten over die andere vrouw.” En naar dit

liefderijke plan handelende, begon onze goede vriend breedvoeriger te

vertellen wat Bows hem had meegedeeld over het gedrag en de

lichtvaardigheid van de jonge jufvrouw Bolton, zoodat hij het meisje

als niet veel beter dan eene loszinnige kleine coquette afschilderde;

en wellicht overdreef hij de vroolijkheid en tevredenheid wel een

weinig, die hij bij haar meende waargenomen te hebben bij het tooneel

met mijnheer Huxter.

Maar al de berichten van Bows waren door de waanzinnige jaloezie en

wangunst van dien ouden man sterk gekleurd, en in plaats dat

Warrington’s mededeelingen dus Pen’s herlevende begeerte, om zijne

kleine aanbidster weer te zien, temperden, vuurden zij Pendennis aan en

vervulden hem met verontwaardiging, zoodat hij nog sterker verlangde

dan te voren, om zich, zooals hij het bleef noemen, bij Fanny te

rechtvaardigen. Spoedig bevonden zij zich aan de kerkdeur, maar

vermoedelijk verstonden beiden ternauwernood één woord van de liturgie

en geen lettergreep van dominé Shamble’s preek, daar elk te zeer in

zijn eigen overdenkingen verdiept was. De majoor, met zijn

gladgeborstelden hoed en nette pruik en met zijn luchtigste en

opgeruimdste voorkomen, voegde zich na afloop van den kerkdienst bij

hen. Hij maakte hun zijn compliment dat zij zich in de kerk vertoond

hadden, en herhaalde, dat geen man comme il faut, wanneer hij in het

buitenland vertoefde, de Engelsche godsdienstoefening verzuimde, waarna

hij met de jongelieden terugkeerde, aanhoudend vroolijk voortsnappende,

buigingen makende tegen voorbijgaande bekenden, en in zijn

eenvoudigheid denkende, dat Pen en George opgetogen waren over zijn

anekdotes, die zij met minachtende en sprakelooze lijdzaamheid lieten

voorbijgaan.

Onder de preek van dominé Shamble (een rondzwervend Anglicaansch

predikant, die op de plaatsen, waar de Engelschen plachten samen te

vloeien, voor het seizoen gehuurd werd en, naar men zeide, aan het

schuldenmaken, den drank en zelfs de roulette verslaafd was) – onder

die preek had Pen, verwoed over de wijze, waarop de vrouwen zijner

familie hem vervolgden, zitten broeien over eene groote daad van verzet

en, gelijk hij zich zelven ingeprent had, van rechtvaardigheid; en

Warrington had van zijn kant de meening opgevat, dat het ook in zijn

eigen aangelegenheden tot eene crisis was gekomen, zoodat hij

genoodzaakt zou zijn eene betrekking te verbreken, die hem elken dag

rampzaliger maakte en hem toch dierbaarder werd. Ja, die tijd was thans

gekomen. Hij nam die noodlottige woorden: „Dat hadt gij misschien wel

gewenscht,” tot tekst voor eene sombere preek, die hij in de donkere

binnenkameren van zijn hart tot zich zelven hield, terwijl dominé

Shamble zijne leerrede met eene vervelende stem voordroeg.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 117 / 155 题