Zou Helena gevreesd hebben, dat Pen’s ongelukkige genegenheid voor de
kleine Fanny bij den terugkeer van zijne gezondheid ook weer ontwaken
zou? Ofschoon zij na haar onderhoud met den majoor geen woord meer over
dat meisje sprak en oogenschijnlijk niet bewust was dat er eene Fanny
op de wereld bestond, hield zij nauwkeurig het oog op alle gangen van
den jongen heer Arthur; onder voorwendsel, dat hij nog zoo zwak was,
verloor zij hem bijna geen oogenblik uit het gezicht; en inzonderheid
stelde zij er prijs op, dat hij zich, althans voor het oogenblik, met
geen briefwisseling vermoeien zou. Niet onwaarschijnlijk is het, dat
Pen zijne brieven met zekere ontroering aanzag, – niet
onwaarschijnlijk, dat hij elken dag, als hij ze aan de ontbijttafel
ontving, en gevoelde, dat zijne moeder het oog op hem hield (ofschoon
de aandacht der goede ziel op haar kopje of haar boek gevestigd
scheen), een klein schrift verwachtte te zien, dat hij zou gekend
hebben, ofschoon hij het nooit onder de oogen had gehad. Zijn hart
klopte dus, als hij de aan hem gerichte brieven opnam. Deed het hem
genoegen of verdriet, dat zijne verwachting dag op dag werd te leur
gesteld, en nam het hem een pak van het hart, dat er geen brief van
Fanny kwam? Hoewel het in zulke gevallen, zoodra Clarissa Lovelace
begint te vervelen (of omgekeerd), voor beide partijen het beste is de
betrekking maar dadelijk af te breken, zoodat elk van beiden, na de
mislukte poging tot eene verbintenis, zijn eigen weg kan gaan en de
levensreis in eenzaamheid voortzetten, zoo kwetst toch die plotselinge
bankbreuk onze eigenliefde, ons medelijden, of ons gevoel van
betamelijkheid. Alvorens wij aan de wereld bekend maken, dat onze firma
van Lovelace en Co. niet meer aan hare verplichtingen kan voldoen,
trachten wij in schikkingen te treden; hebben er treurige bijeenkomsten
van de deelgenooten plaats; wij stellen het sluiten van de luiken en de
droevige aankondiging van het faillissement zoo lang mogelijk uit. Dat
oogenblik moet eenmaal komen; maar wij verpanden onze juweelen, om de
zaken nog een poosje gaande te houden. Alles bijeengenomen, geloof ik,
dat het Pen speet dat hij geene verwijten van Fanny ontving. Hoe? kon
zij zóó van hem scheiden, zonder nog een enkele maal om te zien? kon
zij zinken, zonder ééns haar handje uit te steken en te roepen: „Hulp,
hulp, Arthur!” Nu, nu, – niet allen, die deze reis ondernemen, gaan te
gronde. Enkelen verdrinken, als het schip zinkt; maar de meesten
krijgen enkel een koud bad en scharrelen naar den oever; en de lezer
zal uit de kennis, die hij van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis
van den Upper Temple heeft, kunnen afleiden, of die heer tot de
personen behoorde, die kans hadden te verzinken of zich te redden.
Ofschoon Pen nog te zwak was om eene halve mijl ver alleen te wandelen,
en, om den wille van zijne kostbare gezondheid niet alleen mocht
uitrijden zonder een oppasster aan zijne zijde, kon Helena echter niet
ook mijnheer Warrington bewaken, evenmin als zij de bevoegheid bezat om
dien heer te beletten naar Londen te gaan, wanneer zijne zaken hem
daarheen riepen. Indien hij heengegaan en weggebleven ware, zou de
weduwe misschien haar eigen redenen gehad hebben om zich daarover te
verblijden; maar zij onderdrukte die zelfzuchtige begeerte, zoodra zij
ze ontdekte of waarnam; en daar zij zich Warrington’s groote liefde en
dienstvaardigheid en bestendige vriendschap voor haar zoon herinnerde,
behandelde zij hem, met hare gewone droeve vriendelijkheid en
onderworpen berusting, bijna als een lid van de familie. Desniettemin
raadde zij op zekeren morgen, toen hij voor zijne zaken de stad in
moest, dat hij op een welbekenden tocht uitging en voor Pen
inlichtingen omtrent Fanny moest inwinnen.
Werkelijk had Pen met zijn vriend gesproken en hem verteld welke
avonturen hij met Fanny had gehad (die de lezer reeds kent) en welke
gevoelens hij haar toedroeg. Hij was zeer dankbaar, dat hij aan het
dreigende gevaar had mogen ontkomen, waarop Warrington van ganscher
harte amen zeide; dat hij zich over zijn gedrag te haren opzichte niet
veel te verwijten had, doch dat hij, indien zij scheidden, haar Gods
besten zegen toewenschte en hoopte, dat zij hem in vriendschap zou
blijven gedenken. Zoo ernstig en aangenaam liet hij zich over deze
zaken tegen Warrington uit, dat George, die zich ook ten sterkste voor
de scheiding verklaard had, begon te vreezen, dat zijn vriend niet zoo
goed van dien hartstocht genezen was als hij zich verbeeldde, en dat
het gansche gevaar en de geheele verzoeking weer doorstaan zou moeten
worden, indien beiden opnieuw met elkander in aanraking kwamen. En dan
met welk gevolg? „De strijd is zwaar en men valt licht,” had Warrington
gezegd, „en wij arme menschen kunnen niet beter doen dan het gevaar
ontvluchten. Ik zou niet wezen wat ik nu ben, als ik zelf gehandeld had
op die wijze.”
„En wat hebt gij dan gedaan, George?” vroeg Pen nieuwsgierig. „Ik weet,
dat er iets voorgevallen is. Vertel het mij nu eens, Warrington.”
„Er is iets voorgevallen, dat niet verholpen kan worden en dat reeds
vroeg in mijn leven al mijne vooruitzichten verwoest heeft,” gaf
Warrington ten antwoord. „Ik heb gezegd, Pen, dat ik het u eenmaal zou
vertellen; en dat zal ik doen, maar niet op dit oogenblik. Neem thans
de moraal zonder de fabel ter harte, Pen; en als gij iemand wilt zien,
die voor zijn gansche leven schipbreuk geleden heeft, omdat hij als
knaap op één onzalige klip heeft gestooten – hier staat hij voor u,
Arthur; wees dus gewaarschuwd!”
Wij hebben medegedeeld, dat mijnheer Huxter, toen hij aan zijne
vrienden te Clavering schreef, gewag maakte van eene voorname club te
Londen waarvan, hij lid was en waar hij dikwijls een aanzienlijk Iersch
officier ontmoette, die hem, met andere nieuwtjes, de berichten omtrent
Pendennis had verschaft, welke de jonge chirurgijn naar Clavering had
overgemaakt. Die club was niets anders dan de Achterkeuken, waar de
discipel van Galenus den Generaal placht te ontmoeten, wiens
eigenaardig Iersch accent, voorkomen, karakter en gesprekken de jonge
heeren, die de Achterkeuken des avonds tot hunne plaats van uitspanning
en verversching kozen, grootelijks vermaakten. Huxter, die van natuur
veel aanleg had om iedereen en alles na te bootsen, – onverschillig of
het een geliefkoosd treurspeler of komiek was, of een haan op een
mesthoop, een kurketrekker, die in eene kurk geschroefd werd, of eene
kurk, die uit de flesch kwam, of een Iersch officier van deftigen
huize, die zich maar al te zeer als een voorwerp ter nabootsing bloot
gaf en onophoudelijk den mond roerde en op zijn armzalige wijze aan het
zwetsen sloeg, zoodra hij iets te drinken, een toehoorder en de
gelegenheid daartoe vond, – Huxter dan bestudeerde onzen vriend den
Generaal met groote belangstelling en maakte den goeden man menigen
avond aan den gang. De waardige oude heer beet altijd aan een lokaas,
dat uit een brandewijngrogje bestond, en zoodra deze drank zijn invloed
op hem uitoefende, was niemand gelukkiger dan hij wanneer hij over de
triomfen van zijne dochter en van hem zelven in de liefde, den oorlog,
het drinken en in voornaam gezelschap mocht opsnijden. Aldus kreeg
Huxter gelegenheid om Costigan in verschillende toestanden voor zijne
vrienden na te bootsen: Costigan, die in het Phenix-Park duelleerde, –
Costigan, die een onderhoud met den hertog van York had, – Costigan aan
de tafel van zijn schoonzoon, in gezelschap van den hoogsten adel, –
Costigan in beschonken toestand, schreiende en zich beklagende over de
ondankbaarheid zijner dochter, die haar grijzen vader vóór zijn tijd in
het graf hielp. Aldus lokte onze vriend naar de Achterkeuken een aantal
jongelui, die den drank van den kastelein gebruikten, terwijl zij zich
met de eigenaardigheden van den Generaal vermaakten, zoodat de
kastelein vele zwakheden van dezen laatste door de vingers zag, uit
aanmerking van de klandizie, die hij hem aanbracht. Zeker was dit geen
hoog standpunt in de maatschappij, geen positie, die wij een oud man,
indien wij hem eerbied toedragen, zouden wenschen te zien innemen; maar
de oude potsenmaker had niet het minste vermoeden, dat het geen
aanzienlijke plaats was, die hij bekleedde, en in zijn met whisky
doortrokken bloed was geen droppel wangunst, in zijn verward brein geen
gevoel van bitterheid jegens wien ook. Hij zou zelfs zijn kind, zijne
hardvochtige Emily, aan zijn hart gedrukt en haar onder een stroom van
tranen vergiffenis geschonken hebben, en wat kan men meer tot lof van
iemands christelijke liefde zeggen, dan dat hij werkelijk bereid is,
dengenen, die hem alle mogelijke vriendschap bewezen hebben en jegens
wie hij ongelijk heeft, vergiffenis te schenken?
Onder de jongelui, die gewoon waren in de Achterkeuken te komen en zich
met het gezelschap van kapitein Costigan te vermaken, liep het praatje,
dat de kapitein uit vrees voor schuldeischers, of uit begeerte om
ongestoord te blijven, een geheim van zijne woonplaats maakte en zeker
in een allerwonderlijkst verblijf toefde. De kastelein wilde, wanneer
men hem daarover ondervroeg, geen opheldering geven; zijn stelregel
was, dat hij de heeren, die zijne zaal bezochten, alleen in die zaal
kende; dat zijne betrekking tot hen ophield, zoodra zij als
fatsoenlijke mannen hun gelag betaald en zich als heeren gedragen
hadden; en dat hij, daar hij zelf gentleman was, het onderzoek naar de
woonplaats van een ander gentleman als onbetamelijke nieuwsgierigheid
beschouwde. Ook Costigan wist in zijne meest beschonken en
vertrouwelijke oogenblikken het antwoord op de daartoe betrekkelijke
vragen of wenken te ontwijken. Er was, gelijk wij gezien hebben, daar
wij meer dan eens de eer hadden zijne woning te betreden, geen
bijzonder geheim aan verbonden maar gedurende de lotwisselingen van
zijn lang leven had hij dikwijls genoeg in huizen gewoond waar hij, om
ongestoord te blijven, zich moest schuilhouden en waar de verschijning
van zekere bezoekers hem alles behalve verheugd zou hebben.
Grappenmakers of lichtgeloovige personen brachten dus allerlei legenden
met betrekking tot zijne woonplaats in omloop. Men beweerde, dat hij
doorgaans in een kleppermanshuisje in de City den nacht doorbracht, of
in eene vigilante in den stal, waar een koetsier hem vergunde te
slapen, of in de kolom van den hertog van York enz., en het was de
koddige en verbeeldingrijke Huxter, die de wonderbaarlijkste van die
theorieën opperde. Want, als Huxter niet overbluft werd door de
aanwezigheid van groote heeren, maar zich onder zijn eigen vrienden
bevond, was hij een heel andere kerel dan de jonkman, dien wij door
Pen’s aanmatigende manieren tot zwijgen hebben zien brengen, en,
terwijl zijne familie in zijne geboorteplaats hem aanbad, was hij de
ziel van den kring, waarin hij zich bevond, hetzij aan den feestdisch,
hetzij rondom de ontleedtafel.
Op zekeren helderen Septembermorgen, toen Huxter, na in den Vauxhall
een heerlijken nacht met dansen te hebben doorgebracht, zich aan een
stalletje in Covent Garden op een kopje koffie vergastte, ontdekte hij
den Generaal, die de Henriëtta-Straat doorwaggelde, met eene bende
juilende kwajongens op zijne hielen, die zoo tijdig hunne slaapplaatsen
onder de bogen der bruggen verlaten hadden en reeds rondzwierven om een
ontbijt machtig te worden en op hunne eigenaardige wijze den kost voor
dien dag te verdienen. De arme oude Generaal verkeerde in zulk een
toestand, dat de spotternijen en aardigheden der jonge schavuiten niet
veel vat op hem hadden; de koetsiers en de loopjongens, bij de
standplaats der cabs, kenden hem en maakten hunne aanmerkingen; de
politie-agent keek hem na en wenkte met blikken van minachting en
meewarigheid tegen de jongens, dat zij hem met rust moesten laten; maar
wat konden de minachting en meewarigheid der menschen, de spotternijen
van baldadige kinderen den Generaal schelen? Hij zwaaide met glazige
oogen over de straat, en had nog juist bewustheid genoeg om te weten
waar hij naar toe wilde en zijn gewonen weg huiswaarts te volgen. Hij
ging zoo dikwijls als wie ook in geheel Londen naar bed, zonder te
weten op welke wijze hij het gevonden had. Hij ontwaakte en vond zich
daar liggende en vroeg er niet verder naar, en zoo was hij nu weder op
zijne dagelijksche, hoewel gevaarlijke reis, toen Huxter, van zijne
plaats aan het koffiestalletje, hem in het oog kreeg. Zijn vriend te
zien en zijne twee stuivers te betalen (en hij had er nog maar acht
over, of hij zou eene vigilante van den Vauxhall genomen hebben om naar
huis te rijden), was voor den nieuwsgierigen Huxter het werk van een
oogenblik. Costigan sloeg de nauwe straatjes bij den Drury-lane
schouwburg in, waar het van herbergen, oesterwinkels en magazijnen van
costumen wemelt, wier eigenaren nu achter hunne luiken in slaap
gedompeld lagen, terwijl het rozeroode morgenlicht hunne schoorsteenen
begon te vergulden; en door die stegen en straatjes volgde Huxter den
Generaal, tot hij Oldcastle-Street bereikte, in welke de poort van
Shepherd’s Inn uitkomt.
Maar juist toen de Generaal in het gezicht zijner woning was, trapte
hij op eene noodlottige sinaasappelschil, waardoor de arme oude man
achterover viel.
Huxter snelde dadelijk toe. Na een oogenblik, gedurende hetwelk de
veteraan, door den val en de gebruikte whisky bedwelmd, zoo goed
mogelijk zijn versuft denkvermogen bijeenbracht, hielp de jonge
chirurgijn den hinkenden Generaal op de been en bood vriendelijk en
hulpvaardig aan, hem thuis te brengen. Op de vragen van den student in
de medicijnen, weigerde de sufferige Generaal te antwoorden waar hij
woonde; hij verklaarde, dat het dichtbij was en hij er zonder moeite
kon komen. Hij maakte zich van Huxter’s arm los en nam een loopje, als
om zonder bijstand zijne woning te bereiken; maar hij waggelde en
zwaaide zoo erg, dat de jonge chirurgijn hem volstrekt wilde geleiden
en er eindelijk, door vele geruststellende betuigingen en opbeurende
gezegden, in slaagde, des Generaals onzindelijke oude hand onder
hetgeen hij zijn eigen vlerk noemde te krijgen, en hem, klaaglijk
steunende, de straat over te brengen. Hij bleef stilstaan toen zij aan
de oude poort kwamen, die met het wapen van den achtbaren Shepherd
versierd is. „Hier is het,” zeide hij, voor het portaal stand houdende,
waar hij met goed gevolg een ruk aan de schel gaf, die dadelijk den
ouden Bolton voor den dag deed komen, met een gezicht zoo zuur als
azijn en brommende als een beer, gelijk zijne gewoonte was elken
morgen, wanneer hij op zijne beurt dezen nachtvogel moest binnenlaten.
Costigan trachtte Bolton een oogenblikje vriendschappelijk aan de praat
te houden, maar deze weigerde norsch zich daartoe te leenen. „Hou mij
niet op,” riep hij uit; „ga naar uw eigen bed, kapitein, en houd
fatsoenlijke lui niet uit het hunne.” De kapitein stak dus het
binnenplein over en kwam aldus aan zijn eigen trap, welke hij, met den
braven Huxter op zijne hielen, opstrompelde. Hij had een sleutel bij
zich, dien Huxter voor hem in het sleutelgat stak, zoodat mijnheer Bows
niet uit den slaap behoefde gewekt te worden, waarin de oude muzikant
nog niet lang verzonken lag; en toen Huxter zijn beschonken patiënt
zich had helpen ontkleeden en daarbij bevonden had, dat hij geene
beenderen gebroken had, bracht hij hem te bed en legde compressen met
water op een zijner knieën en schenen, welke Costigan bij zijn val
hevig geschramd had, gelijk hij ook de broek had gescheurd, waarin die
lichaamsdeelen besloten waren. Op den leeftijd van den Generaal en met
diens levenswijze komen zulke wonden, als hij zich had toegebracht,
slechts langzaam tot genezing: er volgde eene vrij hevige ontsteking,
en de oude man moest onder pijn en koorts eenige dagen het bed houden.
Mijnheer Huxter nam de behandeling van zijn belangwekkenden patiënt met
zelfvertrouwen en vlugheid op zich en zette die met groote bekwaamheid
voort. Elken dag bezocht hij zijn vriend en stelde hem door zijn
levendig onderhoud en gesnap schadeloos voor het gemis van het
gezelschap, waaraan Costigan behoefte gevoelde en van hetwelk hij
altijd zulk een sieraad was geweest. Huxter schreef aan de oppasster
van den zieke uitdrukkelijk voor, hoeveel whisky de patiënt gebruiken
mocht, en deze instructiën kon de arme man zelf niet overtreden, daar
hij vele dagen lang niet zonder hulp van zijn bed of zijne sofa kon
komen. Bows, jufvrouw Bolton en onze kleine vriendin Fanny pasten, als
zij er tijd toe hadden, den Generaal beurtelings op en men maakte het
den ouden krijgsman onder zijne beproeving zoo gemakkelijk mogelijk.
Huxter, wiens innemende manieren en gezellige aard hem spoedig op
goeden voet brachten met de personen, waarmee hij in aanraking kwam, en
die niet zoo kieskeurig waren dat zij zich voor de gemeenzaamheid van
dezen jongen heer terugtrokken, werd dus zoowel met onze bekenden op de
bovenverdieping als met die in de portierswoning spoedig zeer
vertrouwelijk. Hij meende Fanny ergens gezien te hebben, ja, hij was er
zeker van; maar het was geen wonder dat hij het zich niet duidelijk kon
herinneren, want het arme meisje vond niet goed hem in te lichten waar
zij hem ontmoet had; en hij zelf had haar aanschouwd op een oogenblik,
toen zijn eigen blik en zijn begrip van recht en onrecht verduisterd
waren door het drinken en dansen; bovendien was de kleine Fanny zeer
veranderd en vermagerd door de koorts, de aandoening, den hartstocht en
de wanhoop, die gedurende de drie laatste weken zich van dat kleine
slachtoffer hadden meester gemaakt. Haar hoofd was thans gebogen en
haar gelaat ingevallen en bleek, en dikwerf had haar droevig oog in dat
van den brievenbesteller gestaard als hij naar de Inn kwam, en was haar
de moed ontzonken wanneer hij weer heenging. Toen mijnheer Costigan dat
ongeluk kreeg, was het Fanny niet onwelgevallig, dat zij gelegenheid
vond nuttig te zijn en iets degelijks te verrichten, iets waardoor zij
misschien haar eigen kleine verdrietelijkheden zou kunnen vergeten; zij
gevoelde, dat zij die beter kon dragen als zij haar plicht vervulde,
ofschoon ik zeker ben, dat er menige traan in het gerstewater van den
Ier neerdroppelde. Ach, roer dat gerstewater maar goed om en schep
moed, kleine Fanny! Indien ieder, die aan uwe kwaal geleden heeft, er
dadelijk aan stierf, wat zouden de doodgravers een gezegend beroep
hebben!
Hetzij uit meewarigheid met zijn eenigen patiënt, òf uit ingenomenheid
met diens gezelschap, kwam mijnheer Huxter ten minste twee- of driemaal
daags Costigan bezoeken, en indien er geen lid van het gezin uit de
portiersloge tegenwoordig was, had de jonge dokter hun onvermijdelijk
eenige bijzondere voorschriften te geven, die hij dan zelf in hunne
woning kwam brengen. Hij was een allervriendelijkst mensch; hij maakte
of kocht stukjes speelgoed voor de kinderen, bracht appelen en
suikergoed voor hen mee, stak een masker bij zich en maakte hen bang,
en riep een lach op het gelaat der bleeke Fanny te voorschijn. Jufvrouw
Bolton noemde hij jufvrouw B., en gedroeg zich zeer vertrouwelijk,
gemeenzaam en grappig jegens die dame, geheel anders dan dat „trotsche
wezen zonder hart”, gelijk jufvrouw B. zekeren jongen heer van onze
kennis noemde, wien zij nu verklaarde dat zij nooit had kunnen
uitstaan.
Van deze dame, die zich zeer vrij uitliet, was het, dat Huxter eerlang
vernam, welke ziekte de kleine Fanny zichtbaar ondermijnde en hoe Pen
zich jegens haar gedragen had. Men kan zich wel voorstellen, dat
jufvrouw Bolton’s verslag van het gebeurde niet volkomen onpartijdig
was. Men zou uit haar verhaal hebben afgeleid, dat de jonge heer eene
reeks van de onvermoeidste en listigste kunstgrepen in het werk had
gesteld om de genegenheid van het meisje te winnen, dat hij de
plechtigste beloften gedaan en geschonden had, en dat hij een
ellendeling was, die door iederen bewonderaar van het vrouwelijk
geslacht verfoeid en gekastijd moest worden. In zijne tegenwoordige
stemming ten aanzien van Arthur en nog vertoornd over diens minachtende
behandeling, was Huxter natuurlijk bereid om alles, wat hem ten nadeele
van dien rampzaligen zieke verteld werd, voor waarheid aan te nemen.
Maar waarom schreef hij nu niet naar Clavering gelijk de vorige maal?
waarom gaf hij geen verslag van Pen’s wangedrag, met bijvoeging van de
nadere bijzonderheden, die nu te zijner kennis gekomen waren? Eens
meldde hij in een brief aan zijn schoonbroeder, dat „die lieve jongen”,
die mijnheer Pendennis, door koortsen was aangetast en er slechts
ternauwernood het leven had afgebracht, en dat gansch Clavering, „waar
hij zoo populair was,” zich zeker over zijn herstel zou verheugen; en
daarop liet hij volgen, dat hij een mooi geval van eene dubbele
beenbreuk onder handen had bij een voornaam officier, hetgeen hem
noodzaakte in de stad te blijven; maar wat Fanny Bolton betrof, hij
maakte in zijne brieven even weinig gewag van haar als – Pen gedaan had
in de zijne. O gij moeders thuis! Hoeveel meent gij wel, dat gij van
uwe jongens weet? Hoeveel gelooft gij, dat u ten hunnen opzichte bekend
is.
Maar er was geen reden waarom Huxter zijn hart niet voor Bows zou
uitstorten, en derhalve deed mijnheer Sam, zeer kort na zijn gesprek
met jufvrouw Bolton, aan den muzikant het verhaal van zijne vroegere
bekendheid met Pen, dien hij een verwenschten, verwaanden schelm
noemde, wien hij wel de brutale hersens zou willen inslaan, zoodra hij
maar genoegzaam hersteld was om zijne tegenpartij als man te durven
staan.
Toen nam Bows van zijn kant het woord en gaf zijne lezing van het
verhaal, waarvan Arthur en de kleine Fanny de held en de heldin waren.
Hij deelde mee, dat hunne ontmoeting geen toeleg was van Pen, maar het
gevolg van eene domheid van den ouden Ier, die nu met een ziek been te
bed lag; dat Pen zich als eerlijk man en met zelfbeheersching in die
zaak gedragen had, en dat jufvrouw Bolton eene zottin was; en daarop
verhaalde hij het gesprek, dat hij met Pen had gehad, en de
verklaringen, die de jonkman had afgelegd. Het verhaal van Bows wekte
wellicht eenige gewetensknagingen in de borst van Pen’s beschuldiger
op; althans die heer verklaarde openhartig, dat hij Arthur verkeerd
beoordeeld had, en zag af van zijn voornemen om mijnheer Pendennis de
ooren te wasschen.
Doch zoo mijnheer Huxter zijne vijandige plannen ten aanzien van Pen
liet varen, verminderde hij daarom zijne beleefdheden jegens Fanny
niet, hetgeen de ongelukkige mijnheer Bows weer met zijne gewone
jaloezie en verbittering, opmerkte. „Ik behoef maar genegenheid voor
iemand te koesteren,” dacht de oude man, „en dadelijk komt er een ander
en wordt voorgetrokken. Van mijn jongelings-leeftijd af, tot nu ik
zestig jaar ben, heeft mij altijd hetzelfde ongeluk vervolgt. Wat zou
een man als ik anders verwachten dan uitgelachen te worden? Voorspoed
te hebben en gelukkig te zijn is het deel van jongelui en niet van oude
dwazen zooals ik. Ik heb mijn gansche leven de tweede viool gespeeld,”
sprak hij met een bitteren lach; „hoe kan ik verwachten dat het fortuin
zou keeren, na mij zoolang tegengeloopen te zijn?” Op deze zelfzuchtige
wijze overzag Bows den stand van zaken, ofschoon weinigen zouden
gedacht hebben, dat er eenige reden voor zijne jaloerschheid bestond,
wanneer zij het bleeke en neerslachtige gelaat van het rampzalige
meisje, het voorwerp zijner ijverzucht, gezien hadden. Fanny nam
Huxter’s welwillende pogingen om haar te vertroosten en zijne
beleefdheden vriendelijk op. Nu en dan lachte zij om zijn aardigheden
en om de spelletjes, die hij met hare zusjes deed; doch weldra verviel
zij weer tot eene moedeloosheid, die mijnheer Bows had moeten
overtuigen, dat de nieuwe bekende vooralsnog geen plaats in haar hart
had ingenomen; – indien het den jaloerschen Bows mogelijk ware geweest
helder uit de oogen te zien.
Maar dat kon hij niet. Fanny schreef Pen’s stilzwijgen aan een of
andere bemoeienis van Bows toe. Zij haatte Bows en behandelde hem
steeds ruw en onrechtvaardig. Zij wendde het hoofd van hem af als hij
sprak en walgde van zijne pogingen om haar moed in te spreken. Het was
een hard lot voor mijnheer Bows en een bitter loon voor de
belangstelling, die hij haar betoonde.
Toen Warrington als afgezant van Pen in Shepherd’s Inn kwam, vroeg hij
naar de kamer van mijnheer Bows (ongetwijfeld volgens afspraak met den
principaal, voor wien hij deze kiesche zending volbracht). Hij kreeg
geen schijn van jufvrouw Fanny te zien, toen hij aan de poort der Inn
even ophield, om die inlichting te vragen. Men wees Warrington
natuurlijk den weg naar de kamers van den muzikant. Deze was bezig den
patiënt aldaar te verzorgen en kwam uit diens kamer, om zich bij zijn
bezoeker te vervoegen. Wij hebben reeds vermeld, dat zij elkander
vroeger gekend hadden, en dus drukten zij elkander vrij hartelijk de
hand. Na eenige inleidende woorden, verklaarde Warrington, dat hij
namens zijn vriend Arthur Pendennis en diens betrekkingen Bows kwam
bedanken voor zijne hulp in het begin van Pen’s ziekte en voor zijne
vriendelijkheid om persoonlijk den majoor van buiten te gaan halen.
Bows gaf ten antwoord, dat hij niet meer dan zijn plicht had gedaan;
toen hij Pen’s oom ging halen, had hij gedacht, dat hij den jongenheer
niet meer levend zou weerzien, en hij verheugde zich dus, dat mijnheer
Pendennis hersteld was en zijne vrienden bij zich had. „Gelukkig
degenen, die vrienden hebben, mijnheer Warrington,” zeide de muzikant.
„Ik zou op dit zolderkamertje kunnen liggen zonder dat iemand naar mij
omkeek, of er zich om bekommerde of ik levend of dood was.”
„Hoe? De Generaal óók niet, mijnheer Bows?” vroeg Warrington.
„De Generaal houdt meer van zijne whisky-flesch dan van iets anders ter
wereld,” antwoordde Bows; „uit gewoonte en om het voordeel, wonen wij
bij elkander; maar hij geeft om mij niet méér dan gij doet. Wat komt
gij mij eigenlijk vragen, mijnheer Warrington? Ik weet zeer goed, dat
gij niet komt, om mij een bezoek te brengen. Niemand komt mij bezoeken.
Het is om Fanny, de portiersdochter, dat gij gekomen zijt, – dat
begrijp ik zeer goed. Wenscht mijnheer Pendennis, nu hij zijne
gezondheid heeft teruggekregen, haar weer te zien? Is Zijne Hoogheid de
sultan voornemens haar zijn zakdoek toe te werpen? Zij is doodziek
geweest, mijnheer, sinds dien dag toen mevrouw Pendennis haar de deur
uitzette, – zeer lief van eene dame, niet waar? Het arme meisje en ik,
wij vonden den jongen heer in een ijlende koorts liggen, zonder dat hij
iemand kende en met niemand anders tot oppassing dan zijne dronken
waschvrouw. Zij waakte dag en nacht bij hem. Ik ging zijn oom halen.
Mama komt en wijst Fanny dadelijk het vierkante gat. Oom komt en laat
mij de vracht van de vigilante betalen. Doe mijn compliment aan de
dames en aan mijnheer, en zeg, dat wij hun allebei zeer dankbaar, ten
hoogste dankbaar zijn! Wel, eene gravin kon zich niet beter gedragen
hebben, en voor de vrouw van een apotheker, zooals ik vernomen heb dat
mevrouw Pendennis is geweest, is hare handelwijze buitengemeen
aristocratisch en fatsoenlijk. Zij moest een dubbel vergulden stamper
en vijzel in haar wapen voeren.”
Zeker moest Bows de afstamming van Pen vernomen hebben van Huxter, en
zoo hij voor Pen partij trok tegen den jongen chirurgijn en Voor Fanny
tegen mevrouw Pendennis, was het omdat het oude heertje in zulk een
opgewonden stemming verkeerde, dat hij niet kon nalaten iedereen tegen
te spreken.
Warrington’s nieuwsgierigheid werd gaande gemaakt, terwijl de
bitterheid en gevoeligheid van den muzikant hem niet mishaagden. „Ik
heb nooit van die dingen gehoord,” zeide hij, „of althans slechts een
zeer gebrekkig verslag daarvan van majoor Pendennis ontvangen. Wat
moest de dame doen? Ik houd het er voor (ik heb nooit met haar over de
zaak gesproken), dat zij van meening was, dat het meisje en mijn vriend
Pen op een – op een voet van – van vertrouwelijkheid stonden, die
mevrouw Pendennis natuurlijk niet kon goedkeuren.
„Natuurlijk niet, mijnheer. Zeg maar ronduit uw gevoelen, mijnheer; zeg
maar terstond wat gij meent; dat de jonge heer uit den Temple het
meisje uit Shepherd’s Inn tot zijn slachtoffer had gemaakt, niet waar?
En dus moest zij de deur worden uitgezet – of levend fijn gestampt
worden in den dubbel vergulden vijzel en stamper, – bij den hemel!
Neen, mijnheer Warrington, daar was niets van aan; er is geen
slachtoffer geweest, – of was er een, dan was het mijnheer Arthur, en
niet het meisje. Hij is een eerlijke kerel, ofschoon hij soms verwaand
en fatterig is. Hij kan gevoelen als man, en als man de verzoeking
ontvlieden. Dat beken ik, ofschoon ik er onder lijd, – dat beken ik.
Hij heeft een hart, dat heeft hij, – maar het meisje niet, mijnheer.
Dat meisje, mijnheer, zal alles doen om een man te winnen, en hem
daarna zonder de minste gewetensknaging wegjagen. Indien zij zelve
weggejaagd wordt, mijnheer, zal zij het wel gevoelen en het
uitschreeuwen. Zij kreeg de koorts nadat mevrouw Pendennis haar de deur
had uitgezet, en toen coquetteerde zij met den dokter, Dr. Goodenough,
die haar kwam genezen. Nu heeft zij het weer met een anderen kerel –
een anderen been afzetter aangelegd, – ha, ha! voor den duivel,
mijnheer, zij houdt van den vijzel en den stamper, en zucht om de
pillendoozen, zoozeer is zij er op verzot, en zoo heeft zij dan nu
zoo’n kerel uit het Bartholomeushospitaal, die achter een mombakkes
gezichten trekt tegen hare zusjes en hare zwaarmoedigheid verdrijft. Ga
het zelf maar zien, mijnheer; waarschijnlijk zit hij op dit oogenblik
in de portiersloge. Als gij iets omtrent jufvrouw Fanny wilt weten,
moet ge het aan huis bij den dokter vragen, mijnheer, – niet bij een
ouden speelman, zooals ik ben. Ik wensch u goedendag, mijnheer; ik hoor
mijn patiënt roepen.”
En op dat oogenblik hoorde men inderdaad eene stem, eene welbekende
stem uit de slaapkamer van den kapitein roepende: „Bows, ik heb dorst
ik zou wel iets willen drinken.” En misschien verblijd te vernemen, dat
dit de staat van zaken was en dat het door Pen verlaten meisje zich
wist te troosten, nam Warrington afscheid van den lichtgeraakten
muzikant.
Het toeval wilde, dat Huxter, juist toen Warrington de portierswoning
voorbijging, bezig was de kinderen met het masker, waarvan Bows
gesproken had, bang te maken, terwijl Fanny flauwtjes om zijne grappen
lachte. Op Warrington’s gelaat vertoonde zich een bittere lach. „Zijn
alle vrouwen aan deze gelijk?” dacht hij. „Ik geloof dat er ééne
bestaat, waarmee dit het geval niet is,” liet hij er met een zucht op
volgen.
Terwijl George in Piccadilly op den omnibus naar Richmond wachtte, trof
hij samen met majoor Pendennis, die ook daarheen wilde gaan, waarop hij
den ouden heer vertelde wat hij van Fanny gehoord en gezien had.
Majoor Pendennis was zeer verblijd en maakte, gelijk men van zulk een
wijsgeer verwachten mocht, dezelfde opmerking, die aan Warrington
ontsnapt was. „Alle vrouwen zijn dezelfde,” zeide hij. „La petite se
console. Wat drommel, reeds op school, als ik in Télémaque las: Calypso
ne pouvait se consoler – en gij weet wat er volgt, Warrington – dan
zeide ik, dat dit onzin was. Onzin! waarlijk, dat is het! En dus heeft
het kleine portierstertje nu een anderen soupirant? Het was een
verduiveld aardig meisje. Wat zal dit Pen treffen! denkt ge het ook
niet, Warrington? Wij moeten hem er zachtkens op voorbereiden, of hij
zal in zulk een vuur geraken, dat hij haar weer zal opzoeken. Wij
moeten den jongen menageeren.
„Mij dunkt, dat mevrouw Pendennis behoort ingelicht te worden, dat Pen
zich in die zaak zeer goed gehouden heeft. Zij acht hem blijkbaar
schuldig, en echter heeft Arthur zich, volgens mijnheer Bows, braaf
gedragen,” zeide Warrington.
„Beste Warrington,” zeide de majoor met een eenigszins ongerust gelaat:
„in den geschokten toestand, waarin mevrouw Pendennis zich bevindt,
geloof ik, dat het beste wat wij doen kunnen is, geen woord over de
zaak tegen haar te reppen. Of wacht, laat het maar eens aan mij over:
ik zal haar er over spreken; weet je, ik zal haar voorbereiden en wat
meer van dien aard noodig is. Ik geef u mijn woord, dat ik het doen
zal. En dus is Calypso al getroost, niet waar?”
Pen was zeer nieuwsgierig om van zijn afgezant te vernemen wat de
uitslag van diens zending was geweest; en zoodra de beide jongelieden
gelegenheid vonden elkander afzonderlijk te spreken, beantwoordde de
ambassadeur de belangstellende vragen van Arthur.
„Gij herinnert u nog wel uw gedicht van Ariadne op Naxos, Pen? –
ofschoon het ontegenzeglijk een verduiveld slecht vers was,” zeide
Warrington.
„En verder?” vroeg Pen in groote spanning.
„Weet gij nog wat Ariadne weervoer, toen Theseus haar verlaten had,
jonge heer?”
„Dat is eene leugen, eene leugen! Dat kunt gij niet meenen!” riep Pen
uit en sprong op, terwijl zijn gelaat begon te gloeien.
„Ga zitten, uilskuiken,” zeide Warrington en duwde met twee vingers Pen
weer op zijn zetel neer. „Het is beter voor u, zooals het er nu mee
staat, jongmensch,” liet hij er weemoedig op volgen, als antwoord op
den toornigen gloed, die Arthur’s wangen kleurde.