Gelijk wij gezien hebben, had de goede Helena sinds de ziekte van haar
zoon dien jongeling met zijne laden en kastjes en al wat daarin bevat
was, in volslagen bezit genomen. Zij had nagezien aan welke hemden
knoopen moesten worden gezet, welke kousen gestopt moesten worden, en –
moeten wij het openbaren? – ook de brieven in beslag genomen, welke
tusschen die kleedingstukken lagen en die natuurlijk, gedurende
Arthur’s zwakken en hulpeloozen toestand, noodzakelijk door iemand
beantwoord moesten worden. Misschien was mevrouw Pendennis door eene
loffelijke begeerte bezield om iets naders te weten omtrent dat
vreeselijke geval met Fanny Bolton, waarover zij nog geen woord tegen
haar zoon gerept had, ofschoon het haar altijd voor den geest stond en
haar onuitsprekelijken angst en ongerustheid veroorzaakte. Zij had den
koperen klopper van de binnendeur der kamers laten afschroeven, daar
het zware kloppen van den brievenbesteller, gelijk zij zeer juist
aanmerkte, de rust van haar patiënt zou verstoren, en zij liet geen der
aankomende brieven onder zijn oogen komen, noch van laarzenmakers die
hem lastig vielen, noch van hoedenmakers, die aanstaanden Zaterdag eene
zware som moesten betalen en zich zeer verplicht zouden rekenen indien
de heer Arthur Pendennis de goedheid wilde hebben die kleinigheid af te
doen, enz. Pen, die altijd kooplustig en onnadenkend was, kreeg van die
documenten natuurlijk zijn bescheiden deel, en ofschoon niet zeer
groot, was dat deel toch meer dan genoeg om zijne zuinige en
nauwgezette moeder angst aan te jagen. Zij had een spaarpotje gemaakt.
Pen’s edelaardige zelfverloochening en haar eigene zuinigheid, die door
hare groote eenvoudigheid en afkeer van vertoon bijna aan gierigheid
grensde, had haar gelegenheid verschaft een sommetje gelds ter zijde te
leggen, waarvan zij volgaarne een gedeelte besteedde om de schulden van
den jongen af te doen. Tegen dezen prijs zou menig onberispelijk
jongmensch en geachte lezer zijne correspondentie gaarne aan zijn
ouders overhandigen, en er is misschien geen grooter bewijs van iemands
geregeld leven en gerust geweten, dan dat hij den brievenbesteller
zonder ontroering durft afwachten. Gelukkig hij, die zich over de komst
van dien beambte verblijdt! De braven verlangen er naar; maar de boozen
beven als zij hem hooren. En derhalve was het dubbel vriendelijk van
mevrouw Pendennis, dat zij Pen gedurende zijne ziekte den last
bespaarde iets van zijne brieven te hooren of ze te moeten
beantwoorden.
Er kon zich niets in de laden of kasten van den jonkman bevonden
hebben, dat hem in eenig opzicht beschuldigde; er was niets, dat het
geval met Fanny Bolton genoegzaam ophelderde, want de weduwe moest haar
schoonbroeder vragen, of hij iets wist van die akelige zaak en van de
vreeselijke minnarij, waarmee haar zoon zich had ingelaten. Op zekeren
dag toen zij zich te Richmond bevonden, en Pen zich met Warrington op
het terras op eene bank had gezet, nam de weduwe majoor Pendennis ter
zijde, en bekende hem haar angst en verlegenheid, zooveel althans als
zij goedvond aan haar raadsman toe te vertrouwen; want, naar de
gewoonte van mannen en vrouwen, openbaarde zij niet alles, en ik geloof
niet dat één verkwister, dien men om de lijst zijner schulden heeft
gevraagd, of eene voorname dame, die hare modemaakstersrekeningen aan
haar man moet overleggen, ze ooit geheel zuiver heeft opgegeven.
Toen zij den majoor dus vroeg, welken weg zij ten aanzien van deze
verschrikkelijke deze afschuwelijke zaak moest inslaan, en of hij er
iets van wist, trok de oude heer een scheef gezicht, zoodat men niet
wist of hij al dan niet lachte; daarop wierp hij een schelmschen blik
uit zijne kleine oogjes op de weduwe, sloeg ze weer neer en zeide:
„Schepseltje-lief, ik weet er niets van, en ik wensch er ook niets van
te weten. Als gij mijn gevoelen vraagt, houd ik het er voor, dat het
ook voor u het beste is er niets van te weten. Jongelui zijn jongelui;
en waarlijk, zusje-lief, als gij denkt, dat onze jongen een Jozef –”
„Ik verzoek u mij dit te besparen,” viel Helena hem met verbazende
deftigheid in de rede.
„Kind-lief,” zeide de majoor heel beleefd buigende, „vergun mij u te
herinneren, dat ik het gesprek niet begonnen ben.”
„Ik kan van zulk eene zonde – van zulk een ijselijke zonde, niet op die
manier hooren spreken,” zeide de weduwe, terwijl tranen van verdriet in
haar oogen opwelden. „Ik kan er niet aan denken, dat mijn jongen zulk
eene misdaad zou bedreven hebben. Ik wenschte bijna, gestorven te zijn
vóór dien tijd. Ik weet niet hoe ik het overleven zal; want mijn hart,
majoor Pendennis, breekt bij de gedachte, dat zijn vaders zoon – mijn
zoon – dien ik mij nog als zoo braaf herinner – o zoo braaf en zoo vol
eergevoel – zoo vreeselijk diep zou gevallen zijn, dat hij – dat hij –”
„Dat hij met eene kleine grisette gecoquetteerd heeft,
schepseltje-lief?” zeide de majoor. „Nu, indien de harten van al de
moeders in Engeland moesten breken, omdat – Kom, kom, op mijn woord van
eer, wees niet zoo zenuwachtig – ga nu niet schreien. Ik kan geen vrouw
zien weenen – dat heb ik nooit kunnen aanzien – nooit! Maar hoe weten
wij, dat er iets ernstigs gebeurd is? Heeft Arthur u iets gezegd?”
„Het blijkt uit zijn stilzwijgen,” snikte mevrouw Pendennis achter haar
zakdoek.
„In het geheel niet. Er zijn onderwerpen, mijn beste, waarover een
jonkman toch niet met zijne mama kan spreken,” voerde haar
schoonbroeder aan.
„Zij heeft aan hem geschreven,” riep de dame van achter het batist.
„Hoe, voordat hij ziek was? Wel waarschijnlijk.”
„Neen, daarna,” snikte de rouwdraagster achter het batisten masker;
„niet vroeger; dat wil zeggen, dat geloof ik niet, dat wil zeggen, ik
–”
„Alleen daarna, – en gij hebt – ja, ik begrijp het al. Gij hebt u zeker
van zijne brieven meester gemaakt, toen hij te ziek was om ze te
lezen?”
„Ik ben de ongelukkigste moeder op den geheelen aardbodem,” riep de
rampzalige Helena uit.
„De ongelukkigste moeder op den geheelen aardbodem, omdat uw zoon een
man en geen kluizenaar is! Pas op, zusje-lief! Indien gij brieven van
hem hebt achtergehouden, kunt gij u zelve veel kwaad hebben gedaan, en
kan hieruit, indien ik Arthur’s karakter wél ken, een oneenigheid
tusschen u en hem voortspruiten, die u uw gansche leven berouwen zal, –
een oneenigheid, die drommels veel meer te beteekenen heeft,
vrouwtje-lief, dan die kleine – kleine – gekheid, die er de oorzaak van
is.”
„Het is maar één brief geweest,” zeide Helena, „een heel kleintje –
maar weinige woorden. Hier is hij. O, hoe kunt – hoe kunt gij zoo
spreken?”
Toen de goede ziel „een heel kleintje” zeide, kon de majoor eigenlijk
in het geheel niet spreken, zooveel lust had hij om te lachen, in
weerwil van den angst der arme vrouw, die hij een hartelijk medelijden
en te gelijk veel genegenheid toedroeg. Doch elk hunner beschouwde de
zaak uit zijn of haar eigen oogpunt en volgens zijn begrip van
zedelijkheid, en de lezer weet, dat des majoors zedeleer niet die van
een kluizenaar was.
„Ik raad u,” hernam hij met een ernstig gezicht, „het briefje weer toe
te maken (die soort van brieven zijn gewoonlijk met een ouwel
gesloten), het tusschen Pen’s andere brieven te leggen en het hem te
geven zoodra hij er om vraagt. Of, als we het niet meer kunnen
toemaken, moeten wij maar zeggen, dat wij het geopend hebben, in de
meening dat het eene rekening was.”
„Ik kan mijn zoon geen leugen vertellen,” zeide de weduwe. De brief was
twee dagen vóór hun vertrek uit den Temple stilletjes in de brievenbus
gestoken en Martha had hem aan mevrouw Pendennis gebracht. Deze had
natuurlijk nog nooit Fanny’s schrift gezien, maar toen zij den brief in
handen kreeg gevoelde, zij dadelijk wie de schrijfster was. Sedert
Pen’s ziekte had zij als het ware op dien brief zitten wachten, en
verscheidene zijner andere brieven geopend, in de hoop, dat deze er
onder zou zijn. Op dit zelfde oogenblik verpestte het afgrijselijk stuk
papier haar zak, en zij nam het er nu uit en bood het haar
schoonbroeder aan.
Er kwam een spotlach op zijn gezicht toen hij het adres „Aan den
weledelen heer Arthur Pendennis” in een bevend en onregelmatig handje
las. „Neen, mijne beste,” sprak hij, „ik wil niet verder lezen. Maar
daar gij den brief gelezen hebt, kunt gij mij wel vertellen wat er in
staat. Enkel zegenwenschen voor het herstel zijner gezondheid in eene
slechte spelling, zegt gij? en het verlangen om hem te zien? Nu, daarin
steekt niet veel kwaads. En als gij mij vraagt,” hier begon de majoor
van zijn kant een weinig zonderling te kijken en trok zijn gezicht in
de stemmigste plooi, „als gij mij vraagt wat ik er van weet, mijne
waardste, nu, dan wil ik u wel zeggen, dat – ah – dat mijn knecht
Morgan eens geïnformeerd heeft naar die zaak, en dat – mijn vriend
dokter Goodenough heeft er ook naar onderzocht – en het schijnt, dat
dit meisje smoorlijk op Arthur verliefd is geweest dat hij met haar den
Vauxhall bezocht en de entrée voor haar betaald heeft, zooals Morgan
van een oud bekende van Pen en van ons hoorde, te weten van een Ier,
die eens op het punt heeft gestaan om de eer te hebben – nu, om kort te
gaan, van een Ier, – dat de vader van het meisje, een ruw man, die zich
aan den drank te buiten gaat, hare moeder heeft geslagen, die aan den
eenen kant tegen haar man volhoudt dat hare dochter volmaakt onschuldig
is, terwijl zij aan den anderen kant aan Goodenough vertelde, dat
Arthur zich gemeen jegens haar kind gedragen had. Gij ziet dus, dat de
geheele geschiedenis een raadsel is. Wilt gij het opgelost hebben? Ik
behoef het Pen maar te vragen en hij zal het mij dadelijk zeggen, –
want hij is een man van eer bij uitnemendheid.”
„Eer!” zeide de weduwe op bitteren en smadelijken toon. „O, broeder,
wat noemt gij eer? Als mijn jongen schuldig is geweest, moet hij haar
trouwen. Ik zou er hem op mijne knieën om smeeken.”
„Goede Hemel! zijt gij gek?” schreeuwde de majoor, want hij herinnerde
zich vroegere voorvallen uit de geschiedenis van Arthur en Helena, en
begreep, dat haar zoon, indien zij hem dat verzoek deed, het meisje zou
trouwen; hij was doorzettend en stijfhoofdig genoeg om elke denkbare
dwaasheid te begaan, als de vrouw, die hij liefhad, er in betrokken
was. „Zusterlief, hebt ge uw verstand verloren?” ging hij voort (na een
oogenblik van spanning, gedurende hetwelk de evengenoemde onzalige
overweging hem voor den geest kwam), en dit sprak hij op zachtzinniger
toon. „Met welk recht zouden wij aannemen, dat er tusschen hem en dit
meisje iets voorgevallen is? Laat mij den brief eens zien. Haar hart
breekt; „schrijf mij toch als het u belieft spoedig – thuis ongelukkig
– harde vader – uwe oppasster – de arme kleine Fanny,” – eene spelling,
gelijk gij wel zegt, in strijd met alle begrippen van fatsoen. Maar,
hemeltje, mijne waardste, wat steekt er nu in dit alles? niets anders
dan dat het arme schaap nog altijd op hem verliefd is. Nu, zij kwam pas
op zijne kamers, toen hij zoo erg ijlde, dat hij haar niet kende. Dat
heeft de waschvrouw – hoe heet zij ook? – Flanagan, aan mijn knecht
Morgan verteld. Zij is er in gezelschap van een oud man, zekeren
mijnheer Bows, gekomen, die ook zoo vriendelijk is geweest mij van
Stillbrook te komen afhalen – en nu herinner ik mij, dat ik hem in de
cab heb laten zitten en de vracht niet betaald heb. Het was drommels
vriendelijk van hem. Neen, er is geen gevaar bij de gansche historie.”
„Gelooft gij dat? Ik dank de hemel er voor, Goddank” riep Helena uit.
„Ik zal met den brief naar Arthur gaan en het hem vragen. Kijk, daar is
hij op het terras met mijnheer Warrington. Zij spreken met kinderen;
mijn jongen hield altijd veel van kinderen. Hij is onschuldig, –
Goddank, Goddank! Ik zal dadelijk naar hem toegaan.”
De oude Pendennis had zijn eigen gevoelen over de zaak. Toen de oude
heer zich slechts een oogenblik te voren van Arthur’s onschuld
overtuigd verklaarde, was hij waarschijnlijk van een andere meening dan
die, welke hij openbaarde en beoordeelde hij den jongen naar het geen
hij zelf zou gedaan hebben. Als zij naar Arthur gaat en deze voor de
waarheid uitkomt, dacht hij, dan is alles verkorven, en dus wendde hij
nog eene laatste poging aan.
„Beste, goede ziel,” zeide hij, terwijl hij Helena’s hand nam en die
kuste, „hebt gij wel recht om u in deze zaak te mengen, daar uw zoon er
u niet mee bekend heeft gemaakt? Als gij hem voor een man van eer
houdt, waarom zoudt gij dan aan zijn eer in dit geval twijfelen? Wie is
zijn aanklager? Een schelm, die zich niet noemt en die geene bepaalde
beschuldiging tegen hem aanvoert. Zouden de ouders van het meisje niet
opgekomen zijn, als er wezenlijk grond toe bestond? Hij is niet
verplicht eene naamlooze aantijging te weerleggen, evenmin als gij om
die te laten gelden, en hem voor schuldig te houden, omdat een meisje
van dien stand hem op zijne kamer oppaste; – wel, gij zoudt evengoed
kunnen vergen, dat hij die verwenschte oude dronken Iersche
schoonmaakster, die vrouw Flanagan, trouwde.”
De weduwe moest tusschen hare tranen om dat denkbeeld lachen en de oude
veldheer had de overwinning behaald.
„Ja, jufvrouw Flanagan trouwde, – voor den drommel!” herhaalde hij en
klopte haar op de tengere hand. „Neen, de jongen heeft er u niets van
verteld en gij weet er niets van. De knaap is onschuldig – dat spreekt
van zelf. En welke gedragslijn moeten wij nu volgen? Stel, dat hij aan
het meisje gehecht is – kijk nu niet zoo verslagen, het is maar een
onderstelling – en, wat drommel! een jongmensch mag toch wel eene
genegenheid koesteren – niet waar? Zoodra hij hersteld is, zal hij weer
naar haar toegaan.
„Hij moet mee naar huis komen! Wij moeten dadelijk naar Fairoaks
terugkeeren.” riep de weduwe uit.
„Schepseltje-lief, op Fairoaks zal hij zich doodkniezen. Hij zal daar
niets te doen hebben dan aan de liefde te denken. Er is geen plaats ter
wereld waar eene kleine liefde weliger tiert en een mensch meer
genoodzaakt wordt zich met zijn eigen gedachten bezig te houden, dan
zoo’n verwenscht buitenplaatsje, waar men niets om handen heeft. Wij
moeten hem bezig houden, hem afleiding verschaffen en met hem
buitenslands gaan; hij heeft nog nooit een tochtje in den vreemde
gedaan, dan een enkel uitstapje naar Parijs. Wij moeten wat met hem
reizen. Hij moet iemand hebben, die hem oppast en in alle opzichten
voor hem zorgt, want Goodenough zegt, dat hij maar ternauwernood de
dans ontsprongen is (zie er nu maar niet zoo verschrikt uit), en dus
moet gij meegaan om het oog op hem te houden. Waarschijnlijk zult gij
jufvrouw Bell wel meenemen en ik zou Warrington wel eens willen
verzoeken ook mee te gaan. Arthur houdt drommels veel van Warrington,
en kan zonder hem niet leven. Warrington’s familie behoort tot de
oudste van Engeland, en hij is een der fatsoenlijkste jonge menschen,
die ik ooit in mijn leven ontmoet heb. Ik houd buitengewoon veel van
hem.”
„Weet mijnheer Warrington iets van dit – dit geval?” vroeg Helena. „Ik
weet, dat hij reeds twee maanden van huis was toen het gebeurde; dat
heeft Pen mij geschreven.”
„Geen woord – ik heb er hem naar gevraagd en hem uitgehoord. Hij heeft
nooit iets van de zaak vernomen, nooit; daar geef ik u mijn woord op,”
riep de majoor eenigszins onthutst. „En ik geloof, mijne waardste, dat
het ook het beste is, dat gij hem er niet over spreekt, – het
allerbeste, natuurlijk, want het is een zeer kiesch en pijnlijk
onderwerp.”
De argelooze weduwe greep haar broeders hand, die zij drukte. „Ik dank
u, broeder,” sprak zij. „Gij zijt zeer vriendelijk voor mij geweest,
allervriendelijkst, en hebt mij veel troost geschonken. Ik zal naar
mijne kamer gaan en eens overleggen wat gij gezegd hebt. Ik ben door
die ziekte en deze – deze aandoeningen – erg van streek, en gij weet,
dat ik niet sterk ben. Maar ik zal er God voor danken, dat mijn jongen
onschuldig is. Hij is toch onschuldig, – daar houdt gij het immers ook
voor?”
„Ja, ja, schatje-lief,” zeide de oude heer, die haar hartelijk kuste en
door de teederheid, welke zij aan den dag legde, geroerd was. Hij keek
haar, toen zij zich verwijderde, met een welwillendheid na, die pikant
werd door een zekeren spot, waarmee dat gevoel gepaard ging.
„Onschuldig!” zeide hij. „Ik zou er liever een eed op doen dat hij
onschuldig is, dan die goede ziel smart te veroorzaken.”
Na die zegepraal behaald te hebben, strekte de vermoeide maar verheugde
krijgsman zich op de sofa uit, wierp zijn geel zijden zakdoek over zijn
gelaat en gaf zich aan een verkwikkelijk dutje over, dat zonder twijfel
door zeer aangename droomen verlevendigd werd, daar hij met eene
behaaglijke regelmatigheid snorkte. De jongelieden zaten ondertusschen
de laatste uren van den zonneschijn zeer genoegelijk op het terras te
genieten, waarbij althans Pen zeer spraakzaam was. Hij zette aan
Warrington het plan van een nieuwen roman en een nieuw treurspel
uiteen. Lachte Warrington om het denkbeeld, dat hij een treurspel zou
schrijven? Bij den hemel, hij zou toonen, dat hij er toe in staat was,
en daarop begon hij eenige regels uit het stuk op te dreunen.
De kleine solo, die de majoor op het blaasinstrument uitvoerde, werd
gestoord door het binnentreden van jufvrouw Bell. Zij was op bezoek
geweest bij haar oude vriendin Lady Rockminster, die gedurende de
zomermaanden eene villa in de buurt bewoonde. Toen mylady van Arthur’s
ziekte en van de komst zijner moeder te Richmond hoorde, had zij aan
deze laatste een bezoek gebracht en, ofschoon zij den eersten niet
lijden mocht, toch een schat van druiven, patrijzen en andere
lekkernijen voor hem gezonden. De oude dame hield onbeschrijfelijk veel
van Laura en snakte naar het oogenblik, dat het meisje weer bij haar
zou komen logeeren; doch Laura kon hare moeder in de tegenwoordige
omstandigheden niet verlaten, daar Helena’s eigen gezondheid, door haar
waken voor die van Arthur, zwaar geleden had en dokter Goodenough dus
evenzeer voor haar als voor zijn jongeren patiënt recepten had moeten
schrijven.
Toen de jonge dame binnenkwam, schrikte de oude Pendennis op, want hij
was licht van slaap. Hij hield eene zeer galante toespraak tegen haar;
– in den laatsten tijd vloeide hij van galanterie voor haar over. Waar
had zij die rozen geplukt, die op hare wangen bloeiden? Wat was hij
gelukkig, dat zijne droombeelden door zulk eene verrukkelijke
werkelijkheid vervangen werden! Laura bezat veel humor en oprechtheid,
en deze beide eigenschappen waren oorzaak, dat zij den ouden heer een
gevoel toedroeg, hetwelk zeer van nabij aan minachting grensde. Zij had
er genoegen in, hem met zijne wereldsche inzichten voor den dag te
laten komen, en dezen trouwen bezoeker van clubs en gezelschapszalen
zijne bazelende vertellingen over de groote lui en zijne beschouwingen
over de moraliteit te laten mededeelen
Ditmaal had zij echter geen lust om satiriek te zijn. Zij was, zeide
zij, met Lady Rockminster uit rijden geweest in het Park en had wild
voor Pen en bloemen voor mama meegebracht. Zij zag den toestand van
mevrouw Pendennis, die zij zoo even bezocht had, zeer ernstig in.
Helena was zeer afgemat en Laura hield het er voor, dat zij zwaar, heel
zwaar ziek was. Hare groote oogen toonden de duidelijke sporen van hare
meewarigheid met den toestand harer vriendin. Laura was zeer ongerust
over haar; zou die goede, die lieve dokter Goodenough haar niet kunnen
genezen?
De majoor antwoordde langzaam, dat Arthur’s ziekte en nog andere zorgen
Helena zeer zeker geschokt hadden. Een gloeiende blos op het gelaat van
het meisje bewees, dat zij de toespeling van den ouden man zeer goed
gevat had, maar zij zag hem flink in de oogen en gaf geen antwoord.
„Dat had hij mij kunnen besparen,” dacht zij. „Wat bedoelt hij, met mij
aan dat schandelijk geval te herinneren?”
Het is zeer mogelijk, dat hij er een doel mee had; de oude diplomaat
sprak zelden zonder bedoeling. Dokter Goodenough had hem over den
gezondheidstoestand van beider lieve vriendin onderhouden, zeide hij,
en verklaarde, dat zij rust en verandering van lucht noodig had, – ja,
verandering van lucht. Zekere pijnlijke gebeurtenissen, die plaats
hadden gevonden, moest men vergeten en niet meer ophalen, en hij vroeg
jufvrouw Bell verschooning, dat hij er tegen haar op gezinspeeld had;
hij zou het nooit meer doen, – en zij ook niet, daarvan hield hij zich
overtuigd. Men moest alles in het werk stellen, om hunne vriendin tot
kalmte te brengen en haar een riem onder het hart te steken, en daarom
stelde hij voor, dat zij van het najaar gebruik zouden maken om zich
naar eene badplaats in de nabijheid van den Rijn te begeven, waar
Helena haar afgematten geest weer zou kunnen verstalen en Arthur moest
trachten een nieuw mensch te worden. Laura zou hare moeder toch niet
alleen laten gaan?
Natuurlijk niet. Laura was om Helena bezorgd, alleen om Helena, – dat
wil zeggen, om harentwil ook voor Arthur. Zij zou met Helena naar het
buitenland, of waar dan ook gaan.
En toen Helena de zaak een uur lang in hare kamer overdacht had, was
zij in dien tusschentijd zoo begeerig geworden naar het tochtje, als
een schooljongen, die een reisverhaal gelezen heeft en nu naar zee wil.
Waar zouden zij naar toe gaan? Hoe verder hoe beter; naar eene plaats
zoo ver afgelegen, dat men hen zelfs met de verbeelding niet zou kunnen
volgen, – zoo heerlijk, dat Pen er niet vandaan zou willen: – overal
waar hij maar gelukkig zou zijn. Met bevende vingeren opende zij haar
lessenaartje, nam er haar bankiersboekje uit en telde het bedrag harer
bescheidene spaarpenningen op. Was er meer noodig, dan had zij haar
diamanten kruis nog. Zij zou weer van Laura leenen. „Laten wij gaan,
laten wij gaan,” dacht zij; „zoodra hij tegen de reis kan, moeten wij
vertrekken. Kom, lieve dokter Goodenough, kom spoedig, en geef ons
verlof, Engeland te verlaten.”
Dien zelfden dag kwam de goede dokter aanrijden, om bij hen te
dineeren. „Als gij u zoo opwindt,” zeide hij, „en uw hart zoo klopt, en
gij u zoo angstig gelieft te maken over een jongen heer, die zoo snel
mogelijk beter wordt, zult gij ook naar bed moeten en zal jufvrouw
Laura u moeten oppassen; en daarna zal zij ook ziek worden, en ik zou
den dokter wel eens willen zien, die u allen omniet zou willen komen
helpen. Mijne vrouw is reeds jaloersch op u, en zegt, volkomen naar
waarheid, dat ik op mijne dames-patiënten verlief. Wees dus zoo goed
het land hoe eerder zoo liever te ruimen, opdat ik in mijn eigen huis
een beetje vrede moge hebben.”
Toen men aan Arthur een buitenlandsch reisje voorsloeg, omhelsde die
heer dat plan met de grootste gretigheid en geestdrift. Hij had wel
dadelijk op weg willen gaan. Van dat oogenblik af liet hij zijne
snorren groeien, waarschijnlijk om zijn mond de plooi te geven, voor
een onberispelijke uitspraak van Fransch en Duitsch benoodigd; en het
was hem een nagel aan zijne doodkist, dat zijne knevels, toen zij
kwamen, bepaald rood van kleur waren. Hij had een najaarsverblijf op
Fairoaks verwacht, en het vooruitzicht daar twee of drie maanden door
te brengen lachte den jonkman wellicht niet toe. „Er is daar geen
mensch met wien men spreken kan,” zeide hij tegen Warrington. „Ik kan
de preeken van den ouden Portman en zijne vervelende gesprekken na het
diner niet uitstaan. Ik ken al de verhalen van den ouden Glanders over
den oorlog op het Spaansche schiereiland. De Clavering’s zijn de eenige
christenmenschen in den omtrek, en die gaan, zooals oom zegt, niet vóór
Kerstmis naar buiten; bovendien wensch ik van hier weg te komen.
Terwijl gij op reis waart, overkwam mij eene verzoeking, waaraan ik
ontsnapt ben, en ik ben er innig dankbaar voor; ik houd het er zelfs
voor, dat mijne ziekte juist bijtijds gekomen is, om er een eind aan te
maken.” En daarop vertelde hij aan zijn vriend wat er in den Vauxhall
voorgevallen was en hetgeen de lezer reeds weet.
Warrington zette op het vernemen van dit verhaal een zeer ernstig
gezicht. Het zedelijk kwaad daargelaten, was hij in het belang van
Arthur zeer verblijd, dat deze aan een gevaar ontsnapt was, hetwelk hem
voor zijn gansch leven rampzalig had kunnen maken, „en dat zeer zeker,”
zeide Warrington, „het meisje ongelukkig gemaakt en ten verderve
gebracht zou hebben. En wat zou het een verdriet voor uwe moeder en –
en voor degenen, die gij liefhebt, geweest zijn!” voegde Pen’s vriend
er bij, zonder te vermoeden welk hartzeer en smart deze goede menschen
er reeds aan hadden te wijten gehad.
„Geen woord daarover tegen mijne moeder!” riep Pen zeer ontsteld uit.
„Zij zou het niet te boven komen. Ik geloof, dat een esclandre van dien
aard haar het leven zou kosten. En weet ge,” liet hij er met een
veelbeteekenenden blik op volgen, alsof hij, gelijk een jonge schelm,
zijn gansch leven betrokken was geweest in hetgeen men affaires de
coeur noemt: „het beste middel, wanneer men door een gevaar van dien
aard bedreigd wordt, is het niet onder de oogen te zien, maar het den
rug toe te keeren en de vlucht te nemen.”
„En waart gij erg verliefd?” vroeg Warrington.
„Hm!” zeide Don Juan. „Zij liet de h’s weg, maar het was toch een lief,
aardig meisje.”
O Clarissa’s in dit leven! O arme, onkundige en ijdele, dwaze meisjes!
als gij maar eens wist op welke wijze de Lovelace’s over u spreken:
indien gij hooren kondt wat Jan in de koffiekamer eener club naar Tom
aan het ander eind der zaal toeroept, indien gij zien kondt hoe Klaas
uw arme briefjes uit zijn sigarenkoker haalt en ze over de
officierstafel heen aan Jan, Piet en Klaas ter lezing toereikt, dan
zoudt gij niet zoo gereed zijn om te schrijven, of zoo bereid om te
luisteren! Er bestaat eene soort van misdaad, die haar volkomen beslag
niet heeft, indien de bevoorrechte schelm er later niet op snoeft; en
houdt maar altijd in gedachten, dat de man, die begint met uw eer te
verraden, vrij stellig uw geheim ook verklappen zal.
„De strijd is zwaar en men valt licht,” merkte Warrington op somberen
toon aan. „En wanneer een gevaar van dezen aard iemand boven het hoofd
hangt, Pendennis, dan is er, gelijk gij zegt, niets beters dan zich om
te keeren en het hazenpad te kiezen.”
Na deze weinige woorden over een onderwerp, waaromtrent Pen zich eene
maand vroeger met vrij wat meer welsprekendheid zou hebben uitgelaten,
kwam het gesprek weer op de buitenlandsche reis, en drong Arthur ten
sterkste er op aan, dat zijn vriend van de partij zou wezen. Warrington
was een lid van de familie, hij was noodig voor Pen’s genezing, en
Arthur zeide, dat hij zonder Warrington niet half zooveel genoegen zou
hebben.
Maar George zeide neen, en verklaarde, dat hij niet kon meegaan. Hij
moest thuis blijven, om Pen te vervangen, waarop de ander aanmerkte,
dat dit onnoodig was, daar Shandon zich nu weer te Londen bevond en
Arthur aanspraak had op eenige vacantie.
„Dring niet langer er op aan,” zeide Warrington, „want ik kan niet
gaan. Ik heb bijzondere zaken, die mij hier houden, en ik ben ook het
best thuis. Ik heb geen geld om te reizen – nu weet ge het in eens;
want reizen kost geld, weet ge!”
Deze kleine hinderpaal was in Pen’s schatting van zeer noodlottigen
aard. Hij sprak er over met zijne moeder, die er groote spijt van had,
want mijnheer Warrington was zoo bijzonder voorkomend geweest. Maar zij
erkende, dat hij zelf het best moest weten wat hem schikte; en zonder
twijfel verweet zij zich haar zelfzuchtig verlangen, om haar zoon mede
te voeren en hem geheel voor haar zelve te hebben.
„Wat hoor ik daar van Pen, waarde mijnheer Warrington?” vroeg de majoor
op zekeren dag toen zij onder vier ooge waren en hij Warrington’s
weigering vernomen had. „Gaat gij niet met ons? Dat kunnen wij niet
toelaten, want Pen kan buiten uw gezelschap niet beter worden. Ik
verzeker u, dat ik hem niet kan oppasssen. Hij moet iemand hebben, die
sterker en vroolijker is en hem beter kan opvroolijken dan een
rheumatisch oud man, zooals ik. Als ik gezien heb waar gijlieden u
vestigt, ga ik waarschijnlijk naar Karlsbad. Het reizen kost
tegenwoordig niets – of ten minste zoo weinig! En – en – zeg eens,
Warrington, herinner u, dat ik een zeer oud vriend van uw vader ben
geweest, en indien gij niet met uw broeder op zulk een voet staat dat
gij – dat gij een voorschot op uwe toelage als jonger zoon kunt nemen,
vergun mij dan uw bankier te zijn, want Pen staat immers bij u in de
schuld voor de drie weken dat gij met zulk onvergelijkelijk talent en
genie verricht hebt wat hij mij meedeelt dat eigenlijk zijne taak was?”
In weerwil echter van dit vriendelijk aanbod en deze ongehoorde
edelmoedigheid van den majoor, bleef George Warrington weigeren en
verklaarde hij thuis te willen blijven; hij deed dit echter met eene
haperende stem en op een aarzelenden toon, die bewees, dat hij gaarne
had willen gaan, ofschoon zijn mond neen zeide.
Maar de volhardende majoor liet zijne vriendschappelijke bedoelingen
niet op die wijze verijdelen. Toen Helena dien avond de theetafel voor
een oogenblik verlaten had om naar Pen te gaan zien, die zich te bed
had begeven, hervatte de oude Pendennis den aanval en plaagde
Warrington over zijne weigering om hen te vergezellen. „Is dat niet
ongalant, jufvrouw Bell?” vroeg hij, het woord tot die jonge dame
richtende. „Is dat niet onvriendelijk? Wij zouden het genoeglijkste
gezelschapje van de wereld uitgemaakt hebben, als dit akelig
zelfzuchtig wezen het niet in duigen wierp!”
Jufvrouw Bell’s lange wimpers richtten zich nederwaarts over haar
theekopje en Warrington bloosde sterk, maar sprak geen woord. Jufvrouw
Bell sprak evenmin, maar toen hij bloosde, bloosde zij ook.
„Vraag gij hem om mee te gaan, kindlief,” zeide de minzame oude heer;
„naar u zal hij misschien luisteren –”
„Waarom zou mijnheer Warrington naar mij luisteren?” vroeg de jonge
dame schijnbaar aan haar theelepeltje en niet aan den majoor.
„Vraag het hem maar eens; dat hebt gij nog niet gedaan,” zeide Pen’s
onschuldige oom.
„Ik zou wezenlijk zeer blij zijn, als mijnheer Warrington wilde
meegaan,” zeide Laura tegen haar theelepeltje.
„Is dat zoo, – inderdaad?” vroeg George.
Op die vraag zag zij op en antwoordde: „Ja,” Hunne oogen ontmoetten
elkander. „Ik zal heengaan waar gij wilt, of doen wat gij verkiest,”
zeide George op gedempten toon, alsof het uitspreken van die woorden
hem pijn veroorzaakte.
De oude Pendennis was verrukt; de hartelijke oude heer klapte in de
handen en riep: „Bravo! bravo! Dat is afgesproken! Geeft er elkander de
hand op, jongelui.” Met een helderen blik vol teederheid strekte Laura
hare hand naar Warrington uit. Terwijl hij die hand greep, was er eene
zonderlinge ontroering op zijn gelaat zichtbaar. Hij scheen op het punt
van iets te zeggen, toen Helena uit Pen’s belendende kamer binnentrad
en hen aanzag, terwijl de kaars, die zij in de hand hield, haar bleek
en onthutst gelaat verlichtte.
Laura werd rooder dan ooit en trok hare hand terug.
„Wat gebeurt hier?” vroeg Helena.
„Wij hebben een koop gesloten, schatje-lief,” zeide de majoor op zijn
vleiendsten toon. „Wij hebben mijnheer Warrington juist de belofte
afgenomen, dat hij met ons op reis zal gaan.”
„Zoo!” zeide Helena.