DE HERSTELLING.

Wij zijn thans verplicht een feit ten aanzien van Pendennis mee te

deelen, dat, hoe schandelijk en onverantwoordelijk ook wanneer men het

van den held en den peet van een roman vermelden moet, evenwel aan het

publiek, dat zijne waarachtige gedenkschriften leest, dient bekend

gemaakt te worden. Nadat hij, met de koorts en ook in zekere mate ziek

door den hartstocht der liefde te bed gegaan zijnde, de lichamelijke

ziekte doorstaan had en ten ader gelaten en gepleisterd en kaal

geschoren en geneeskundig behandeld en van medicijnen voorzien was,

naar het voorschrift van den dokter, – is het een feit, dat zijne

zielsziekte, toen hij van zijne lichaamsziekte verlost was, hem ook

verlaten had en hij evenmin meer op Fanny Bolton verliefd was als gij

of ik, die veel te verstandig of te zedelijk zijn, om ons aan

portiersdochters te verslingeren.

Hij moest in zich zelven lachen, toen hij, op zijne sponde uitgestrekt,

over deze tweede genezing nadacht, die hij ondervonden had. Hij gaf

thans niet het minste meer om Fanny; hij verwonderde zich, dat hij het

ooit gedaan had, en volgens zijne gewoonte opende hij het lijk van dien

dooden hartstocht en ontleedde hij zijn eigen overleden gevoel voor

zijn arme kleine oppasster. Wat kon hem slechts weinige weken vroeger

zoo vurig en verlangend ten haren opzichte gestemd hebben? Niet haar

geest, niet hare beschaving, niet hare schoonheid, – er waren honderden

vrouwen, die er beter uitzagen dan zij. Die hartstocht was van hem

zelven uitgegaan, want in haar lag die niet. Zij was dezelfde, maar de

oogen, die haar beschouwden, waren veranderd en – helaas, dat wij het

zeggen moeten! – niet zeer begeerig om haar ooit weer te zien. Hij was

jegens het schepseltje zeer welwillend gezind en wat meer van dien aard

is; maar de vurige persoonlijke belangstelling, die hij nog maar

weinige weken geleden voor haar gekoesterd had, was onder den invloed

van de pillen en het lancet, die de koorts in zijn lichaam gedood

hadden, verdwenen. Het was ook een onbeschrijfelijke bron van

geruststelling en dankbaarheid voor Pen (ofschoon er iets egoïstisch in

dat gevoel lag, gelijk in de meeste andere gevoelens van jongelieden)

dat hij in staat was gesteld de verzoeking te weerstaan ten tijde toen

het gevaar het grootst was, en dat hij, zoover hij zich zijn gedrag

jegens het jonge meisje herinnerde, geen bijzondere reden van

zelfverwijt had. Als uit een afgrond, in welken hij was neergetuimeld,

liet hij, uit de koorts van welke hij juist hersteld was, zijn oog over

den valstrik van Fanny Bolton gaan, waaraan hij nu ontkomen was; maar

ik zou niet durven verzekeren, dat hij zich niet schaamde over de

voldoening, die hij hierdoor smaakte. Het is misschien verblijdend,

maar toch vernederend, wanneer men bekennen moet, dat men niet meer

liefheeft.

De vriendelijke lachjes en de teedere zorgen zijner moeder naast zijn

bed vervulden intusschen den jongen met vrede en gerustheid. Deze

onvermoeibare oppasster wenschte niets anders dan zijne gezondheid te

zien terugkeeren, en zij kende geen grooter blijdschap en voldoening

dan aan elke gril of bevel van haar patiënt gevolg te geven. Hij voelde

zich door hare liefde omstrengeld, en verbeeldde zich, dat hij er haar

bijna even dankbaar voor was als in zijne zwakke en hulpelooze

kindsheid.

Pen had wellicht eenige schemerachtige herinneringen uit den eersten

tijd zijner ziekte, dat Fanny hem had opgepast; doch zij waren zoo

flauw, dat hij zich die niet duidelijk kon voorstellen, noch ze

onderscheiden van hetgeen hij wist dat hersenschimmen uit zijn ijlenden

toestand waren, die hem nog waren bijgebleven. En daar hij het bij

vorige gelegenheden niet raadzaam had geacht zich over Fanny Bolton

tegen zijne moeder uit te laten, kon hij haar natuurlijk thans niet

over zijne gevoelens ten aanzien van Fanny onderhouden, noch de

waardige dame tot zijne vertrouwde maken. Het was aan beide zijden eene

rampzalige omzichtigheid en gebrek aan vertrouwen, want een paar

woorden op zijn pas zouden aan de goede dame en aan degenen, die tot

haar in betrekking stonden, zeer veel smart en bezorgdheid bespaard

hebben.

Het spijt mij te moeten zeggen, dat mevrouw Pendennis, toen zij de

jonge jufvrouw Bolton als oppasster bij Pen aantrof, de slechtst

mogelijke uitlegging aan de betrekking tusschen deze beide rampspoedige

jongelieden gegeven had, en zich in haar hart overtuigd hield, dat de

tegen Pen ingebrachte beschuldigingen op waarheid gegrond waren. Waarom

gaf zij zich de moeite niet, dit te onderzoeken? Er loopen geruchten

ten nadeele van een man, welke de vrouwen, die het meest van hem

houden, altijd het meest geneigd zijn om te gelooven. Is de vrouw van

een man niet dikwijls de eerste om jaloersch op hem te zijn? De arme

Pen kreeg zijn deel van die achterdochtige soort van liefde van de

oppasster, die hem thans verzorgde; en de liefhebbende en reine vrouw

dacht, dat haar zoon eene veel ontzagwekkender en vernederender kwaal

dan de louter lichamelijke koorts doorstaan had en dat hij zoowel door

misdaad onteerd als door ziekte verzwakt was. Het bewustzijn hiervan

moest zij natuurlijk stilzwijgend dragen; zij moest haar inwendige

zekerheid, wanhoop en afgrijzen achter een masker van opgeruimdheid en

vertrouwelijkheid verbergen.

Toen kapitein Shandon te Boulogne het volgende nommer van de Pall Mall

Gazette las, maakte hij tegen zijne vrouw de opmerking, dat Jack

Finucane’s hand niet meer in de hoofdartikelen zichtbaar was en dat

mijnheer Warrington de pen weer moest hebben opgevat. „Ik zou het

klappen zijner zweep en de striemen, die hij nalaat, uit honderden

herkennen. Daar hebt ge Jan Bludyer; die gaat als een slachter te werk

en slaat zijne tegenpartij tot brij; maar mijnheer Warrington brengt

zijn vijand naar de regelen der kunst om hals en snijdt hem in mooten,

en elke snede kost bloed.” Op die afgrijselijke beeldspraak riep

mevrouw Shandon uit: „Heere! Charles, hoe kunt gij zoo spreken! Ik heb

mijnheer Warrington wel altijd voor heel trotsch, maar toch voor een

zachtzinnig mensch gehouden, en voor de kinderen was hij althans zeer

lief.” Waarop Shandon antwoordde: „Ja met de kinderen is hij heel lief,

maar woest met de menschen. Doch, liefje, gij begrijpt geen woord van

hetgeen ik daar zeide; en dat is ook maar het best, want het schrijven

voor nieuwsbladen levert weinig goeds op. Het is hier beter te

Boulogne, waar wij genoeglijk zijn, waar de wijn overvloedig is en de

cognac slechts twee franken de flesch kost. Maak mij nog een glas

gereed, Marie-lief; ik zal spoedig weer in het gareel moeten. Cras

ingens iterabimus æquor, – voor den drommel!”

Warrington zette zich met alle macht aan het werk in de plaats van zijn

vriend, die nog niet arbeiden kon, en deed meer dan het noodige voor

Pen’s aandeel aan de Pall Mall Gazette. Hij schreef beschouwingen en

letterkundige overzichten, bezocht de schouwburgen en de concerten, en

liet zich daarover op zijne gewone krachtige wijze uit. Zijne hand was

te zwaar voor zulke lichte onderwerpen, en het behaagde hem aan

Arthur’s moeder, diens oom en Laura te vertellen, dat er in het gansche

gilde der penvoerders niemand was die bevalliger en luchtiger,

onderhoudender en sierlijker wist te schrijven dan Pen. „Men heeft in

dit land geen begrip van stijl, mevrouw,” zeide hij tegen mevrouw

Pendennis, „of men zou de verdiensten van onzen jongen erkennen. Ik

noem hem den onzen, mevrouw, want ik heb hem opgeleid; en ik ben zoo

trotsch op hem als gij zelve kunt zijn. Een beetje eigenzinnigheid, een

beetje zelfzucht en een beetje fatterigheid ter zijde gelaten, ken ik

geen eerlijker, trouwhartiger en handelbaarder schepsel dan hem. Soms

is zijne pen wel wat ondeugend, maar hij is zoo zachtzinnig als eene

jonge juffer – als jufvrouw Laura hier – en ik geloof, dat hij geen

sterveling leed zou kunnen aandoen.”

Ofschoon Helena een diepen, diepen zucht slaakte en Laura ook treurig

gegriefd was, waren beiden Warrington toch innig dankbaar voor de goede

meening, die hij omtrent Arthur koesterde, en hadden zij hem lief om

zijne gehechtheid aan Pen. En de majoor was uitbundig in zijne

loftuigingen op Warrington, uitbundiger en warmer dan men van hem

gewoon was. „Het is een gentleman, zusjelief,” zeide hij tegen Helena,

„van top tot teen een gentleman, mijne waardste – van de Warrington’s

uit Suffolk – door Karel I tot baronets verheven. Wat zou hij, uit zulk

eene familie gesproten, anders dan een gentleman kunnen zijn? Zijn

vader was Sir Miles Warrington, die op den loop ging met – ik vraag

verschooning, jufvrouw Bell. Sir Miles was in Londensche kringen zeer

bekend; het was een vriend van den prins van Wallis. Deze heer is een

man van de grootste talenten, van de uitstekendste begaafdheden. Hij

zou het ver brengen, als hij maar een prikkel bezat om te toonen

waartoe hij in staat is.”

Laura bloosde terwijl de majoor over Arthur’s held uitweidde en hem zoo

prees. Toen het jonge meisje in Warrington’s mannelijk gelaat en zijne

donkere droefgeestige oogen had gezien, was zij over hem aan het denken

gegaan en had zij bij zich zelve uitgemaakt, dat hij het slachtoffer

van een ongelukkige liefde moest geweest zijn; en toen jufvrouw Bell

zich op die gedachte betrapte, bloosde zij.

Warrington voorzag zich van kamers in de onmiddellijke nabijheid,

Grenier’s kamers op Flag Court; en als hij des morgens Pen’s taak met

grooten vlijt had afgewerkt, was het hem een geluk en een genoegen des

middags bij den zieke te komen zitten en hem tot den helderen

najaarsavond gezelschap te houden; en meer dan eens had hij de eer

jufvrouw Bell den arm te geven, om met haar eene wandeling in den tuin

van den Temple te doen; en toen de rondborstige Laura aan Helena verlof

vroeg, om die uitspanning te mogen nemen, zeide de majoor levendig:

„Wel zeker, wel zeker, – natuurlijk kunt gij met hem uitgaan, – het is

hier volmaakt als op het land; iedereen gaat in dien tuin wandelen met

wien hij wil, – en, weet ge, er zijn wachters en dergelijke – iedereen

gaat in den tuin van den Temple wandelen.” Als de groote scheidsrechter

op het punt van zeden er geen bedenking tegen maakte, waarom zou Helena

het dan doen? Zij wilde gaarne dat het meisje de frissche lucht zou

genieten, die aan den oever der rivier te bekomen was, en verheugde

zich als zij haar met verhoogde kleur en verlevendigden geest van die

onschuldige uitstapjes zag terugkeeren.

Het was, moet men weten, tusschen Laura en Helena tot eene kleine

verklaring gekomen. Toen de tijding van Pen’s bedenkelijke ziekte

ontvangen werd, drong Laura er op aan, om de ontstelde moeder naar

Londen te vergezellen; zij wilde zich aan de weigering niet

onderwerpen, die zij van de nog altijd vertoornde Helena ontving; en

toen zij ten tweeden maal op nog strenger toon afgewezen werd, toen men

aan het leven van den armen afgedwaalden knaap scheen te moeten

wanhopen, en toen het bekend was geworden, dat zijn gedrag van dien

aard was geweest, dat er geen gedachte kon bestaan aan eene

verbintenis, had zij aan hare moeder een geheim geopenbaard, waarmee

elk oplettend lezer van dit verhaal reeds bekend is. Moest haar, nu zij

hem toch nimmer kon huwen, de troost ontzegd worden van te bekennen hoe

innig, hoe oprecht, hoe onverdeeld zij hem had liefgehad? Het lenigde

de bitterheid van de smart der beide vrouwen eenigszins, dat zij hare

tranen konden vermengen, en het temperde de zielskwelling en de angsten

harer reis in zekere mate, dat zij die te zamen deelden.

Wat kon Fanny verwachten, toen zij plotseling voor zulk een paar

rechters werd gebracht om haar vonnis te ontvangen? Niets anders dan

een overhaaste veroordeeling, eene geduchte straf, een onbarmhartige

verwijdering! Vrouwen zijn wreedaardige beoordeelaarsters in zulk een

geval als dat, waarin de arme Fanny betrokken was; en wij zien dat ook

wel gaarne; want niet alleen plaatst een man eene wacht bij zijn harem,

en bezit de vrouw in haar hart, hare trouw en haar eer

verdedigingsmiddelen, maar al hare vriendinnen houden het oog op haar,

dat zij niet afdwale, en staan gereed haar te verscheuren als zij op

verkeerde wegen geraakt. Wanneer onze Mahmoud’s of Selim’s van Baker

Street of Belgrave Square hunne Fatima’s met de verdiende straf

treffen, naaien hare moeders den zak, waarin de Fatima’s gestoken

worden, en houden hare zusters en schoonzusters er een oogje op, dat

zij behoorlijk te water worden gelaten. En de schrijver van dit verhaal

keurt dat niet af. Hij betuigt plechtig, dat hij ook een Turk is. Hij

draagt een tulband en een baard, gelijk de anderen, en is van harte

voor het gebruik van den zak, – Bismillah! Maar, o gij vlekkeloozen,

bij welke het recht van leven en dood berust, ziet althans wèl toe, dat

gij de ware schuldige om hals brengt. Weest daarvan volkomen zeker, eer

gij de boot laat afvaren, en werpt uw slachtoffer niet in den Bosphorus

voordat gij stellig weet, dat zij het verdient. Dit is het eenige wat

ik ten voordeele der arme Fatima wil aanvoeren, – bepaald het eenige –

geen woord meer, bij den baard van den Profeet! Is zij schuldig, dan

naar beneden met haar; til den zak overboord, werp hem in de kabbelende

golven van den Gouden Hoorn, en nu er recht gedaan is, grijpt de

riemen, mannen, en teruggeroeid om te gaan soupeeren!

De majoor maakte derhalve geen bedenking tegen Warrington’s aanhoudende

wandelingen met Laura, maar moedigde als een welwillend oud heer den

omgang van het paar op alle mogelijke wijzen aan. Wanneer er in de stad

iets te zien was, was hij er voor, dat Warrington Laura daarheen zou

geleiden. Indien Warrington had voorgesteld haar zelfs naar den

Vauxhall mee te nemen, zou deze inschikkelijkste der menschen er geen

kwaad in gezien hebben, – evenmin als Helena, wanneer de oude Pendennis

het zoo bepaald had. Ook zou er geen kwaad in hebben gelegen voor twee

personen van geheel onbezoedelde eer, – voor Warrington, die voor de

eerste maal zijns levens eene reine en fiere en ongekunstelde vrouw van

nabij leerde kennen, – en voor Laura, die ook voor het eerst van haar

leven bestendig in gezelschap was met een heer van groote natuurlijke

begaafdheden en een aangenamen omgang, die talenten van den

verschillendsten aard, een hart vol geestdrift, eenvoudigheid en humor

en die frischheid van gemoed bezat, welke hij aan zijn eenvoudige

levenswijze en gewoonten had te danken en welke zoo sterk afstaken bij

Pen’s voorname onverschilligheid en flauwe spotternij. Zelfs in

Warrington’s ongegeneerdheid lag iets verfijnds, dat aan de verfijning

van den ander ontbrak. Wat verschilde zijn energie, zijn eerbiedig

gedrag, zijn wensch om aangenaam te wezen, zijn hartelijke lach, of

zijne eenvoudige en vertrouwelijke, gevoelvolle taal, van sultan Pen’s

geeuwerig oppergezag en onverschillige aanvaarding van alle

huldebetuigingen! Wat had Pen thuis tot zulk een dandy en despoot

gemaakt? De vrouwen hadden hem bedorven, gelijk wij gaarne hebben – en

zij zelve ook – dat zij ons doen. Zij hadden hem zoolang verzadigd met

gehoorzaamheid en vervolgd met lieftalligen eerbied en onderworpenheid,

dat de slavinnen, die hem bedienden, hem begonnen te vervelen en hare

liefkoozingen en vertroetelingen niets aanlokkelijks meer voor hem

hadden. Buiten hare tegenwoordigheid was hij onstuimig, levendig,

belangstellend en hartstochtelijk genoeg, gelijk het geval is met de

meeste mannen, die zulk een karakter bezitten en zoo opgevoed zijn als

hij. De schrijver hoopt niet, dat deze zinsnede, gelijk eene vorige,

verkeerd zal uitgelegd worden, en dat iemand zou onderstellen, dat hij

de vrouwen tot opstand zou willen aanhitsen. Dat nooit, zegt hij weer,

bij den baard van den Profeet! Hij draagt óók een baard, en verlangt

dat zijne vrouwen slavinnen zullen zijn. Welk man verlangt dit niet?

Welk man zou onder de pantoffel willen zitten, vraag ik? Eer zullen wij

alle koppen in het Christendom en het Turkendom afhouwen.

Hoe kwam het dan nu, dat terwijl Arthur zoo lusteloos, onverschillig en

zorgeloos was ten aanzien van de gunstbewijzen, die hij ondervond,

Laura zulk eene liefde en vurige ingenomenheid voor hem koesterde, dat

de onvolledige uiting daarvan het meisje den ganschen weg van Fairoaks

naar Londen, terwijl zij met Helena die reis aflegde, aan het praten

hield? Zoodra Helena de eene geschiedenis betrekkelijk den lieven

jongen geëindigd had en onder tallooze snikken en uitroepingen en

hemelwaartsche blikken eenige treffende voorvallen uit den tijd, toen

onze held in de korte kleederen werd gestoken had verhaald, begon Laura

een andere even belangwekkende en evenzeer met tranen opgeluisterde

geschiedenis, hoe heldhaftig hij zich een tand had laten trekken, of

het ook wel eens niet toegelaten had, of hoe onversaagd hij een

vogelnestje had uitgehaald, of hoe edelmoedig hij dit had nagelaten, of

hoe hij een aalmoes aan die oude vrouw op de heide had gegeven, of hoe

hij van zijne boterham afstand had gedaan ten behoeve van den

bedeljongen die op de plaats kwam, – en meer van dien aard. Onder

snikken zongen de beide vrouwen klaagliederen tegen elkander over haar

held, die, gelijk mijn geachte lezer reeds sinds lang bemerkt zal

hebben, evenmin een held is als één van ons beiden. Hoe kon een

verstandig meisje, als wij in aanmerking nemen wat hij was, zooveel van

hem houden?

Dit punt is reeds vroeger in eene rampzalige zinsnede behandeld,

waarmee de schrijver zich onlangs Ierlands ziedenden toorn op den hals

heeft gehaald en waarin gezegd werd, dat de grootste schelmen altijd

iemand gehad hebben, die veel van hen hield; en indien dit met die

monsters het geval is geweest, waarom zou het zich dan niet bij gewone

stervelingen voordoen? En op wien anders zal eene jonge dame verlieven

dan op den persoon, dien zij dagelijks ziet? Men kan toch niet

verlangen, dat zij haar hart in een droom zal verliezen, gelijk eene

prinses uit de Arabische Nachtvertellingen; of dat zij hare jeugdige

genegenheid zal schenken aan het portret van een heer op de

tentoonstelling, of aan eene teekening in de Illustrated London News.

Er leeft een instinct in u, dat u noopt u aan iemand te hechten; gij

ontmoet zeker Iemand; gij hoort zeker Iemand aanhoudend prijzen; gij

wandelt, rijdt, walst, praat of zit op dezelfde bank in de kerk met

zeker Iemand; gij komt telkens en telkens met hem in gezelschap, en uwe

lieve mama zegt: „De huwelijken worden in den hemel gesloten,” en

speldt u den krans van oranjebloesems op, terwijl hare zachte oogen

door tranen beneveld worden, en er is een bruiloftsmaal en gij trekt uw

wit satijnen kleedje uit en stapt in de koets met vier paarden, en gij

en hij zijt een gelukkig paar. Of de zaak springt af, en dan, arm lief

gewond hart! dan ontmoet gij Iemand Anders en vereert Nommer Twee met

uwe genegenheid. Het ligt in uwe natuur, dat te doen. Denkt gij, dat

het alleen ter wille van den man is, dat gij bemint, en niet ook een

beetje om u zelve? Denkt gij, dat gij drinken zoudt als gij geen dorst

hadt, of eten indien gij niet hongerig waart?

Laura hield dus van Pen, omdat zij op Fairoaks bijna niemand anders zag

dan doctor Portman en kapitein Glanders, en omdat Arthur onophoudelijk

door zijne moeder geprezen werd, en omdat hij zich als gentleman

gedroeg, er vrij goed uitzag en tamelijk geestig was, en bovenal, omdat

het in haar aard lag iemand lief te hebben. Na die beeltenis eenmaal in

haar hart te hebben opgenomen, koesterde zij die daar teederlijk –

peinsde in stilte daarover bij zijn langdurig afzijn en haar

aanhoudende eenzaamheid, en troetelde zij die, – en wat ter wereld zou

haar, toen zij daarna te Londen kwam en op tamelijk gemeenzamen voet

met mijnheer George Warrington geraakte, hebben kunnen beletten om hem

als een heel zonderling, origineel, onderhoudend en aangenaam persoon

te beschouwen.

Wellicht dat lang daarna, toen deze dagen voorbij waren en het Noodlot

op zijne bijzondere wijze huis gehouden had met de onderscheidene

personen, die nu in het sombere gebouw op Lamb Court bijeen waren,

sommigen hunner naar dien tijd terugzagen en zich herinnerden welk een

genoeglijke tijd het toen was en hoe aangenaam de avondgesprekken, de

kleine wandelingen en de eenvoudige vermaken rondom de sofa van den

herstellenden Pen waren. Sinds dien tijd dacht de majoor gunstig over

het doorbrengen van de maand September te Londen, en in zijne clubs en

in de gezelschapskringen verklaarde hij, dat de stille tijd in de

hoofdstad dikwijls aangenaam was, verduiveld aangenaam, voor den

drommel! Meestal, wanneer hij ’s avonds naar zijne kamers in Bury

Street terugkeerde, verwonderde hij zich dat het reeds zoo laat was en

dat de avond zoo ongemerkt was voorbijgegaan. Hij verscheen vrij

geregeld des avonds in den Temple, en zwoegde de hooge donkere trap met

goedaardige levendigheid en volharding op. En hij maakte afspraak met

den kok in de club van Baye (dien vermaarden kok, die in de hoofdstad

moest blijven wegens de uitgave van zijn werk over de Gastronomie,

waarop de begaafde auteur het toezicht moest houden), om kleine

geleien, geurige bouillons, aspics en andere kleinigheden, die voor

zieken geschikt waren, gereed te maken, welke Morgan de kamerdienaar

dan geregeld naar het kleine gezelschap op Lamb Court overbracht. En

toen dokter Goodenough aan Pen verlof gegeven had om een paar glazen

zuivere sherry te drinken, verhaalde de majoor bijna met tranen in de

oogen, dat zijn edele vriend de markies van Steyne, toen hij op zijne

reis naar het vasteland door Londen kwam, gelast had een onbepaalde

hoeveelheid zijner heerlijke, zijner onbetaalbare Amontillado, die

koning Ferdinand aan den markies ten geschenke had gegeven, ter

beschikking van mijnheer Arthur Pendennis te stellen. De weduwe en

Laura proefden er met eerbied van (ofschoon zij den bitteren nasmaak

volstrekt niet lekker vonden); maar de zieke werd er ongemeen door

versterkt en Warrington verklaarde den wijn voor meer dan lekker,

terwijl hij op zekeren dag bij het diner, de eerste maal dat die wijn

werd voorgediend, de gezondheid van den majoor, van den markies van

Steyne en van de gansche aristocratie onder het houden eener voorgewend

ernstige rede instelde.

Majoor Pendennis betuigde er met den meesten ernst zijn dank voor in

een antwoord, waarin hij het behoorlijk aantal malen de woorden „deze

plechtige gelegenheid” gebruikte. Pen juichte het met zijne zwakke stem

uit zijn leuningstoel toe. Warrington leerde aan jufvrouw Laura hoe zij

„Hip, hip, hoera!” moest roepen, en sloeg met zijne kneukels op de

tafel. Pidgeon, de loopjongen, grinnikte, en dokter Goodenough vond het

gezelschap op die vroolijke wijze bezig, toen hij, naar gewoonte, trouw

zijne kostelooze visite kwam doen.

Warrington was met Sibwright bekend, die beneden woonde, en deze

galante heer schreef in antwoord op een brief, waarbij hem bericht werd

hoe zijn kamers in beslag waren genomen, op de beleefdste en

bloemrijkste wijze, dat het hem zeer aangenaam was. Hij stelde zijne

kamers ten dienste van de schoone bewoonsters, stelde zijn bed tot hare

beschikking en legde zijne karpetten aan hare voeten. Iedereen was

jegens den zieke en zijne betrekkingen welwillend gezind. Hij smolt weg

van aandoening (en zijne moeder ook, gelijk wij wel kunnen begrijpen),

bij de gedachte aan zooveel voorkomendheid en goedhartigheid. Men zal

het Pen’s levensbeschrijver wel ten goede willen houden, dat hij zich

een nog niet lang geleden tijdstip herinnert, toen een eenigszins

gelijksoortige ramp hem zelven met een door de Voorzienigheid gezonden

vriend, een trouwhartig geneesheer, in aanraking bracht en hem

duizenden bewijzen van de roerendste en verrassendste vriendschap en

sympathie deed ondervinden.

Er stond eene piano op mijnheer Sibwright’s kamer, want die heer, een

beminnaar van alle kunsten, speelde zelf piano – en wel

onbeschrijfelijk slecht – en had het genoegen gehad, dat hem een lied

was opgedragen (de woorden van hem zelven en de muziek van zijn

toegenegen vriend Leopoldo Twankidillo); en aan die speeldoos, gelijk

Warrington het instrument noemde, speelde en zong Laura, hoewel

aanvankelijk zeer ontroerd en blozende (hetgeen haar bijzonder goed

stond), des avonds soms eenvoudige wijsjes en oude liedjes van thuis.

Zij bezat eene volle contra-alt-stem, en Warrington, die nauwelijks de

eene melodie van de andere kon onderscheiden en slechts één air of deun

op zijn répertoire had – eene hoogst wanluidende nabootsing van God

save the king, – zat in verrukking naar die liederen te luisteren. Hij

kon de maat, zoo niet de melodie volgen, en zat met bestendige en

dagelijks toenemende geestdrift het reine, teedere, edelaardige

schepseltje te bewonderen, dat de muziek maakte.

Ik zou wel willen weten, hoe de muziek aan het arme bleeke meisje, met

het zwarte hoedje, beviel, dat soms des avonds bij den lantarenpaal op

Lamb Court naar de open vensters stond te kijken, uit welke het geluid

kwam? Als het Pen’s tijd was om naar bed te gaan, hield het gezang op.

Er verscheen licht op de bovenkamer, op zijne kamer, waar de weduwe hem

altijd heen geleidde; en vervolgens zette zich de majoor met Warrington

en soms met jufvrouw Laura aan een spelletje écarté of triktrak; of zij

ging bij hen zitten werken aan een paar geborduurde pantoffels –

heerenpantoffels – die voor Arthur, of George, of majoor Pendennis

bestemd konden zijn; althans zou elk van die drie alles wat men maar

wilde voor die pantoffels gegeven hebben.

Terwijl dit alles binnenshuis voorviel, kwam een oud heer in vrij kale

kleeding het bleeke meisje met het zwarte hoedje halen en wegbrengen,

want het meisje moest niet in de avondlucht uit zijn, en daarop gingen

de kruiers van den Temple, de waschvrouwen en andere liefhebbers, die

naar het concert geluisterd hadden, ook uiteen.

Even vóór tienen had er een andere muziekuitvoering plaats, namelijk

die van het klokkenspel der St.-Clementskerk in het Strand, dat met

heldere en opbeurende tonen een psalm speelde, alvorens de tien

noodlottige slagen vielen. Onderwijl hun galm wegstierf, begon Laura

hare pantoffels op te rollen; Martha van Fairoaks vertoonde zich met

eene nachtkaars en een onveranderlijken glimlach op haar gezicht; de

majoor zeide: „Heere bewaar me! is het al zoo laat!” Hij en Warrington

stonden van hun onvoltooid spel op en gaven jufvrouw Bell de hand,

Martha van Fairoaks lichtte hen den gang door en de trap af, en terwijl

zij naar beneden gingen, konden zij haar de tusschendeur hooren

grendelen en sluiten, om zich en hare jonge meesteres te beveiligen.

Indien er gevaar ware geweest, zeide de grinnikende Martha, „dat zij

die kromme sabel zou hebben genomen, die in mijnheers kamer hing,”

waarmee zij de Damascener kling bedoelde, met den naam van den Profeet

op de kling en op de roodfluweelen scheede, die de weledelgeboren heer

Percy Sibwright van zijne reis in den Levant had meegebracht, te gelijk

met een Albaneesch gewaad, waarmee hij zooveel opzien baarde op het

gecostumeerd bal bij Lady Mullinger in Gloucester Square, nabij Hyde

Park. Hij verwarde er zich mee in de sleepjapon van jufvrouw Kewsey,

die het kleed droeg waarin zij met hare mama was voorgesteld aan de

koningin (de laatstgenoemde door de echtgenoote van den

lord-kanselier), hetgeen gebeurtenissen ten gevolge had, die volstrekt

in geen betrekking staan tot dit verhaal. Is jufvrouw Kewsey thans niet

mevrouw Sibwright? En is Sibwright geen lid van een provinciaal

gerechtshof? – Goedennacht, Laura en Martha van Fairoaks. Slaap wel en

ontwaak blijde, reine en lieve dame!

Na deze avonden gebeurde het soms, dat Warrington een eindje met majoor

Pendennis opwandelde – een heel klein eindje – niet verder dan tot aan

de poort van den Temple – tot aan het Strand – tot aan Charing Cross –

tot aan de club – ging hij niet naar de club? nu dan, tot aan Bury

Street, waar hij den majoor op diens eigen drempel lachend de hand gaf.

Zij hadden dien ganschen weg over Laura gesproken. Het was

verwonderlijk, hoe ingenomen de majoor met de jonge dame was geworden,

van wie hij vroeger, gelijk wij weten, een afkeer had. „Drommels

beschaafd meisje – mijne schoonzuster heeft de manieren van eene

hertogin en zou elk meisje goed groot brengen. Jufvrouw Bell is een

klein beetje provinciale, maar dat geeft haar iets ongemeens. Wat kan

zij blozen! De Londensche meisjes zouden menige guinje voor zulk een

bouquet geven, – natuurlijke bloemen, voor den drommel! En zij heeft

wat geld ook – niet de moeite waard om er van te spreken – maar toch

een aardig duitje.” Zonder twijfel stemde mijnheer Warrington met al

die gevoelens in, en ofschoon hij nog lachte toen hij den majoor de

hand drukte, betrok zijn gelaat zoodra hij den veteraan verliet. Hij

keerde naar zijne kamer terug, rookte de eene pijp na de andere tot

diep in den nacht, en schreef artikel op artikel, het eene nog barscher

dan het andere, in de plaats van zijn door ziekte verhinderden vriend

Pen.

Het was een gelukzalige tijd voor al de betrokkenen. Pen nam dagelijks

in beterschap toe. Zijn eetlust was iets verschrikkelijks. Hij durfde

die voor Laura niet toonen en ook bijna niet voor zijne moeder, die er

om lachte en hem aanmoedigde. Als de gebraden kip van tafel werd

weggenomen, keek hij den vertrekkenden vriend met een smachtenden blik

na, en begon dan naar gelei, of thee, of wat het maar ware, te

verlangen. Kortom hij at als een wolf. De dokter riep wel: „Houd op!”

maar Pen luisterde er niet naar. De natuur liet zich sterker gelden dan

de dokter, en de inschikkelijke en vriendelijke geneesheer leverde hem

zeer gaarne aan de zorg van die verzorgster over.

Wij moeten hier, op kiesche wijze en onder de stiptste geheimhouding,

gewag maken van iets dat hem overkwam, en waarop hij altijd ongaarne

hoorde zinspelen. Gedurende zijn ijlenden toestand had de barbaarsche

Goodenough last gegeven ijs op zijn hoofd te leggen en al zijn mooie

haar af te snijden. Dat was in den tijd van – van de andere oppasster,

die elk haartje natuurlijk in een papier achterliet, opdat de weduwe ze

kon natellen en wegbergen. Deze geloofde altijd, dat het meisje er zich

wat van had toegeëigend; maar de vrouwen zijn ook zoo achterdochtig in

zulke zaken!

Toen majoor Pendennis dat betreurenswaardige verlies opmerkte, hetgeen

hij wel doen moest zoodra hij voor de eerste maal des jonkmans

geschoren hoofd zag, en Pen geheel buiten gevaar was en dagelijks in

krachten toenam, zeide de majoor, met een soort van blosje en een

kluchtig knipoogje, dat hij ie – iemand kende – kortom een kapper – een

vertrouwd man, dien hij naar den Temple zou zenden, en die hem een –

een – tijdelijk hulpmiddel tegen dat ongeluk zou verschaffen.

Laura keek Warrington met eene schalksche flikkering in haar oog aan,

en Warrington schaterde het uit van lachen; zelfs de weduwe moest

lachen, en de majoor, die rood werd, verwenschte den overmoed der

jongelui, en zeide dat hij, als hij zijn haar liet knippen, een lokje

voor Laura zou afzonderen.

Warrington stelde voor, dat Pen een advocaatspruik zou opzetten; die

van Sibwright was beneden en zou hem onverbeterlijk staan. „Gekheid!”

zeide Pen, en zag er even verlegen uit als zijn oom. Maar het slot van

dit alles was, dat zeker heer uit de Burlington Arcade den volgenden

dag zijn opwachting bij mijnheer Pendennis kwam maken en een bijzonder

onderhoud met hem op zijne slaapkamer had; en eene week daarna

verscheen dezelfde persoon weer met eene doos onder den arm en een

onbeschrijfelijken grijns van beleefdheid op zijn gezicht, en

verklaarde, dat hij mijnheer Pendennis’ pruik medegebracht had.

Het moet een treffend maar melancholisch tafereel zijn geweest, Pen in

de verborgenste hoeken van zijn vertrek weemoedig zijne verwoeste

schoonheid en de kunstmiddelen, om die verwoesting te verbergen, te

zien beschouwen. Eindelijk kwam hij met zijne pruik uitgedost voor den

dag; doch Warrington schreeuwde het zoo uit van het lachen, dat Pen

boos werd, en zijn fluweelen kapje ging halen, een sierlijk stuk, dat

de teederste der moeders voor hem gewerkt had Daarop haalden mijnheer

Warrington en jufvrouw Bell eenige bloemen uit de hoeden der dames en

maakten daar een krans van, waarmee zij de pruik versierden, die zij in

processie ronddroegen en daaraan hulde bewezen. Zij gaven zich aan

honderd spelletjes, grappen, snakerijen en petits jeux innocents over,

zoodat de tweede en derde verdiepingen van nº. 6 op Lamb Court in den

Temple van meer vroolijkheid en gelach weergalmden dan men sinds langen

tijd in die vertrekken gehoord had.

Na tien dagen eindelijk van een dergelijk leven, kwam er op zekeren

avond, toen de kleine bespiedster van het pleintje hare gewone

standplaats bij den lantarenpaal innam, geen muziek meer uit het

venster der tweede verdieping en was er geen licht meer op de kamers

der derde verdieping; de vensters van al die vertrekken stonden open en

de bewoners waren verdwenen. Vrouw Flanagan, de schoonmaakster,

vertelde aan Fanny wat er gebeurd was. De dames waren met de anderen

naar Richmond gegaan, om verandering van lucht te genieten. De

ouderwetsche reiskoets was weer voorgekomen en met een aantal kussens

belegd voor Pen en zijne moeder; en Laura was op de eenvoudigste wijze

met den omnibus gegaan, onder de hoede van mijnheer George Warrington.

Deze kwam dien avond terug en nam weer van zijn oud bed op de ledige en

eenzame kamers bezit, en had weer genot van zijn oude pijpen, maar

misschien niet van zijn ouden slaap.

De weduwe had eene vaas met net gerangschikte bloemen op zijn tafel

laten staan, die, toen hij binnentrad, het verlaten vertrek met haar

geur vervulden. Het waren herinneringen aan de lieve, zachte menschen,

die vertrokken waren en deze eenzame, vreugdelooze plaats een korten

tijd opgeluisterd hadden. George gevoelde, dat hij de gelukkigste dagen

van zijn leven had doorgebracht; hij begreep dit nu zij pas weg waren;

en dus nam hij de bloemen op en rook er aan en kuste ze misschien. Toen

hij ze neerzette, streek hij met een bitter woord en een bitteren lach

met de ruwe hand over zijn oogen. Hij had leven en ziel willen afstaan,

om den prijs te winnen, dien Arthur verwierp. Was zij begeerig naar

roem? hij zou dien voor haar verworven hebben; – naar hartelijke

toewijding? een grootmoedig hart, vol van lang ingehouden teederheid en

liefde en welwillendheid was hier voor haar, indien zij het mocht

aannemen. Maar dat kon niet zijn. Het noodlot had het anders beschikt.

„En al kon het anders, dan zou zij mij toch niet begeeren,” dacht

George. „Wat is er aan een leelijken ruwen ouden kerel gelijk ik, dat

eener vrouw behagen kan? Ik word oud, en heb het tot niets gebracht. Ik

bezit noch voorkomen, noch jeugd, noch geld, noch naam. Om zich door

eene vrouw te doen beminnen, moet een man nog tot iets anders in staat

zijn dan haar aan te staren en op zijne knieën haar zijne lompe hulde

te bieden. Wat kan ik doen? Een aantal jonge kerels zijn mij in den

wedren voorbijgestreefd; wat zij de prijzen des levens noemen, scheen

mij de moeite van den strijd niet waard. Doch om haar te winnen! Indien

zij de mijne ware geweest en een diamant begeerd had, zou ik gezorgd

hebben, dat zij dien had gedragen! Och, wat ben ik een dwaas, te

snoeven op hetgeen ik zou gedaan hebben! Wij zijn de slaven van het

lot. Ons lot wordt voor ons voorbeschikt, en het mijne is sinds lang

beslist. Kom laat, ik nog eene pijp opsteken, om den geur van deze

bloemen te verdrijven. Arme stille bloempjes! morgen zult gij dood

zijn. Waarom ook moest gij uwe roode wangetjes op deze sombere plaats

vertoonen?”

Naast zijn bed vond George een nieuwen Bijbel, dien de weduwe daar

geplaatst had, met een inschrift, luidende dat zij dit boek niet gezien

had onder zijne verzameling in eene kamer waar zij een aantal uren had

doorgebracht, en waar God haar op hare gebeden het leven van haar zoon

had geschonken, zoodat zij aan Arthur’s vriend het beste aanbood wat

zij hem schenken kon; zij verzocht hem nu en dan eens in dat boek te

lezen en het te bewaren als eene gedachtenis aan de achting en

genegenheid eener dankbare moeder. Weemoedig kuste de arme George het

boek, gelijk hij de bloemen gedaan had; en de morgen trof hem nog

lezende aan in die indrukwekkende bladzijden, waarin zoovele geslagen

harten, zoovele teedere en geloovige zielen troost onder rampen en

toevlucht en hoop onder beproeving gevonden hebben.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 111 / 155 题