Toen Fanny de beide dames zag en het ontstelde gelaat der oudste
waarnam, die haar met een onbeschrijfelijk ontroerden en verschrikten
blik aanzag, begreep het jonge meisje dadelijk, dat het Pen’s moeder
was, die voor haar stond; er was gelijkenis tusschen de angstige
blikken der weduwe en die van Arthur, terwijl hij in bed onder de
aanvallen der koorts lag te woelen. Fanny zag bedeesd mevrouw Pendennis
en vervolgens Laura aan; het gelaat dezer laatste was zoo strak als dat
van een marmeren beeld. Het gelaat der pas aangekomen vrouwen drukte
hardvochtigheid en somberheid uit, en geen van beide betoonde den
flauwsten zweem van barmhartigheid of sympathie met Fanny. Wanhopig
wendde zij haar blik van de dames op den majoor, die achter beiden
stond. De oude Pendennis sloeg de oogen neer, doch keek tersluiks even
naar de arme kleine oppasster van Pendennis op.
„Ik – ik heb u gisteren geschreven, mevrouw,” zeide Fanny, van het
hoofd tot de voeten bevende, en zoo bleek als Laura, wier droefgeestig
en dreigend gelaat over den schouder van mevrouw Pendennis heenkeek.
„Zoo, jufvrouw?” zeide mevrouw Pendennis. „Ik zal u zeker nu wel mogen
ontslaan van de moeite om mijn zoon op te passen? Ik ben zijne moeder,
– begrijpt ge?”
„Ja, mevrouw. Ik – dit is de weg naar zijne – O, wacht even,” riep
Fanny uit. „Ik moet u voorbereiden op zijn –”
De weduwe, wier gelaat hopeloos wreed en onbarmhartig had gestaan,
deinsde op deze woorden snikkend en met een kleinen gil, dien zij
dadelijk onderdrukte, achteruit.
„Zóó heeft hij sedert gisteren gelegen,” zeide Fanny, hevig sidderende,
terwijl hare tanden klapperden.
Uit Pen’s kamer, welker deur openstond, klonk een ijzingwekkende lach,
en na verscheiden akelige kreten begon de beklagenswaardige jongen een
studentenlied te zingen en daarop „hoezee” te roepen en te juichen,
alsof hij zich op eene drinkpartij bevond, en met zijne vuist tegen het
beschot te slaan. Hij was aan het ijlen.
„Hij kent mij niet, mevrouw,” zeide Fanny.
„Wezenlijk? Misschien zal hij zijne moeder wèl kennen; laat mij, als
het u belieft, voorbij, om bij hem te komen.” En haastig schoof de
weduwe voorbij Fanny, en ging den donkeren gang in, die naar Pen’s
zitkamer leidde. Ook Laura stoof Fanny voorbij, zonder een woord te
spreken, en majoor Pendennis volgde. Fanny zette zich weenend op eene
bank in den gang, en bad, zoo goed als zij het vermocht. Zij zou voor
hem hebben willen sterven, en deze menschen haatten haar. Die voorname
dames hadden geen woord van bemoediging of dank voor haar over. Zij zat
daar – zij wist niet hoelang – in den gang. Niemand kwam naar buiten om
met haar te spreken. Zij zat daar nog toen dokter Goodenough zijne
tweede visite dien dag kwam maken, en hij vond het arme schepseltje
voor de deur.
„Wel oppasster? Hoe gaat het met uw patiënt?” vroeg de goedhartige
dokter. „Is hij rustig geweest?”
„Vraag het die anderen maar; zij zijn daar binnen,” gaf Fanny ten
antwoord.
„Wie? zijne moeder?”
Fanny knikte, maar sprak niet.
„Gij moet zelve naar bed, arm kind,” zeide de dokter; „anders zult gij
ook ziek worden.”
„Och, mag ik hem niet eens zien, – mag ik hem niet eens zien! Ik – ik
heb hem zoo lief!” zeide het meisje, viel bij die woorden op hare
knieën en greep met zooveel wanhoop des dokters hand, dat het hart van
den vriendelijken geneesheer week werd toen hij haar zoo zag en er een
nevel voor zijn bril kwam.
„Bah! bah! Gekheid! Heeft hij zijn drankje ingenomen? Heeft hij gerust?
Natuurlijk moet gij hem zien, en ik ook.”
„Zij zullen mij hier toch wel laten zitten, niet waar, mijnheer? Ik zal
volstrekt geen leven maken. Als ik hier maar blijven mag!” zeide Fanny,
waarop de dokter haar eene kleine malloot noemde, haar op de bank
neerdrukte, waar de loopjongen van Pen’s blad zoo dikwijls had gezeten,
met den vinger haar op de bleeke wang tikte en daarop de achterkamer
binnentrad.
Bleek en statig zat mevrouw Pendennis in een armstoel naast Pen’s bed.
Haar horloge lag op het bedtafeltje naast Pen’s medicijnen. Op haar
schoot had zij den bijbel, dien zij altijd op reis meenam. Nadat zij
haar zoon gezien had, was haar eerste werk geweest Fanny’s hoed en
shawl, die op zijne ladetafel lag, uit de slaapkamer te brengen en op
zijne schrijftafel neer te leggen. Daarop had zij de deur voor den neus
van majoor Pendennis en ook van Laura gesloten en bezit genomen van
haar zoon.
Zij had in groote spanning en vrees verkeerd, dat Arthur haar niet zou
kennen; maar die smart werd haar ten minste ten deele bespaard. Pen
herkende zijne moeder en lachte vertrouwelijk tegen haar, terwijl hij
haar toeknikte. Toen zij binnentrad, verbeeldde hij zich dadelijk, dat
zij zich thuis te Fairoaks bevonden, en begon hij op eene verwarde en
woeste wijze te praten, te keuvelen en te lachen. Laura kon hem daar
buiten hooren. Zijne lachbuien drongen haar als vergiftigde pijlen in
het hart. Het was dus waar; hij was schuldig geweest – en met dat
schepsel! eene minnarij met eene dienstmeid; en zij had hem bemind – en
nu lag hij waarschijnlijk te sterven – ijlend en onbekeerd! Nu en dan
deed de majoor op zachten toon eene opmerking, of sprak hij een woord
van troost, dat Laura ternauwernood hoorde. Voor allen was het een
pijnlijk samenzijn, en toen Goodenough kwam, was het alsof er een engel
in de kamer verscheen.
Niet enkel voor den zieke, maar ook voor de vrienden van den zieke is
het, dat de dokter komt. Zijne tegenwoordigheid is dikwijls even nuttig
voor hen als voor den patiënt en zij zien zijne komst met nog meer
verlangen te gemoet. Wat hebben wij allen op hem zitten wachten! wat
heeft het rollen van zijn rijtuig op straat en eindelijk het stilhouden
voor de deur ons ontroerd! wat hangen wij aan zijne lippen, en hoeveel
troost putten wij niet uit een paar glimlachjes van hem, als hij
aanleiding vindt om onze duisternis met dien zonnestraal op te
helderen! Wie heeft niet de moeder met angst zijn gelaat zien
bespieden, om na te gaan, of er nog hoop is voor het zieke kind, dat
niet spreken kan en welks kleine lichaampje ginds met de koorts ligt te
worstelen? Ach, wat kijkt zij hem naar de oogen! Hoeveel dankbaarheid
als daar hoop uit spreekt; hoeveel zielesmart en ellende als hij ze
neerslaat en niet durft zeggen: „Heb goeden moed!” Of als het de man
des huizes is, die daar neerligt, met hoeveel ontzetting ziet de vrouw
dan niet toe, wanneer de geneesheer den patiënt den pols voelt, terwijl
zij hare radeloosheid tracht te verbergen en de kinderen last krijgen
niet zoo luidruchtig te spelen of te praten. Tegenover den lijder in de
koortshitte, de vrouw in afwachting, de kinderen die nog nergens van
weten, staat de dokter alsof hij het Noodlot, de beschikker over leven
en dood, ware. Ach, hij moet ditmaal den patiënt nog in het land der
levenden laten; de vrouw bidt zoo vurig om uitstel! Men kan zich
voorstellen, hoe geducht de verantwoordelijkheid moet zijn voor een
rechtschapen man, hoe vreeselijk het bewustzijn, dat hij een verkeerd
middel heeft gegeven, of dat er een beter te bedenken ware geweest, hoe
pijnlijk de sympathie met de overblijvenden, indien de ziekte ongunstig
afloopt, hoe onbeschrijfelijk de vreugde der overwinning!
Na eene haastige buiging en kennismaking met de nieuwaangekomenen, wier
aankomst hem door de kleine oppasster, die met een verslagen hart
buiten zat, was medegedeeld, onderzocht de dokter den zieke, omtrent
wiens hevigen koortstoestand niemand zich vergissen kon, zoodat hij het
noodig achtte de sterkste ontstekingwerende middelen, die hij kende,
aan te wenden. Hij troostte de verslagen moeder zoo goed mogelijk, en
gaf haar de meest geruststellende verzekeringen, die hij durfde wagen,
namelijk, dat er nog geen reden bestond om te wanhopen, dat men nog
alles van de jeugd en een sterk gestel kon hopen, en meer van dien
aard; en na aldus zijn uiterste best te hebben gedaan om de
schrikbeelden der ontzette matrone te verdrijven, nam hij den ouden
Pendennis in de ledige kamer (Warrington’s slaapkamer) ter zijde, om
een klein consult met hem te houden.
Het was een zeer kritiek geval. Als de koorts niet gestuit kon worden
moest en zou de jongeling bezwijken, hij moest dadelijk adergelaten
worden, en zijne moeder moest van die noodzakelijkheid worden
onderricht. Waarom had zij die jonge dame meegebracht? Die was in eene
ziekenkamer niet op hare plaats.
„En daar is, voor den d–, nog een andere vrouw,” zeide de majoor, „dat
– dat meisje, dat de deur opendeed.” Zijne schoonzuster had den hoed en
den shawl van het arme schaap naar buiten gebracht en op de
schrijftafel neergesmeten. Wist Goodenough iets van dat – dat meisje?
„Ik keek haar eventjes aan, toen wij hier binnengingen,” zeide de
majoor, „en zij zag er drommels goed uit.” De dokter zette een raar
gezicht en glimlachte; in de ernstigste oogenblikken, als er sprake is
van leven en dood, komen zulke zonderlinge contrasten en aardigheden
voor, en vertoonen zich dergelijke lachjes, als het ware om de
somberheid te bespotten en haar nog somberder te maken.
„Ik weet er al wat op,” zeide hij eindelijk, de studeerkamer weer
binnentredende, waar hij ijlings een paar briefjes schreef en een
daarvan verzegelde. Daarop den hoed en den shawl van de arme Fanny en
de beide briefjes meenemende, begaf hij zich in den gang naar het arme
meisje. „Rep u, oppasster!” zeide hij. „Breng dit briefje naar den
chirurgijn en verzoek hem dadelijk te komen; en ga dan naar mijn huis,
vraag naar mijn bediende Harbottle en zeg, hem, dat hij dit recept moet
klaarmaken, en wacht dan tot – tot het gereed is. Het zal misschien wel
een poosje duren eer het klaar is.”
De arme Fanny vloog weg met hare beide briefjes. Zij vond den apotheker
thuis, die dichtbij in het Strand woonde en, met het lancet op zak,
dadelijk kwam aandraven, om zijn patiënt te behandelen, en vervolgens
begaf zij zich naar het huis van den dokter op Hanover Square.
De dokter was weer thuis eer het recept klaar was, waarvoor zijn
bediende Harbottle zooveel tijd had noodig gehad; en gedurende den
verderen loop van Arthur’s ziekte vertoonde de arme Fanny zich niet
meer in de hoedanigheid van oppasster op zijne kamers. Maar dien dag en
den volgenden kon men een klein figuurtje in den omtrek van Pen’s trap
zien rondsluipen, – een droef, zeer droef kopje, dat den apotheker en
diens loopjongen en de waschvrouw en den vriendelijken dokter zelven
ondervroeg, wanneer zij uit de kamers van den zieke kwamen. En den
derden dag hield het rijtuig van den welwillenden geneesheer voor
Shepherd’s Inn op, waar de brave en weldadige man de portierswoning
binnentrad en zijne zorgen aan eene kleine patiënte wijdde, die hij
daar had, en voor wie hij geen beter geneesmiddel bezat, dan toen hij
Fanny Bolton kon vertellen, dat de crisis voorbij was en er eindelijk
alle hoop op het behoud van Arthur Pendennis bestond.
De weledelgeboren heer J. Costigan, vroeger in harer majesteits
militairen dienst, zag het rijtuig van den dokter en maakte de paarden
en het bijbehoorende tot het onderwerp zijner kritiek. „Groene
livreien, voor den drommel!” zeide de Generaal, „en zulk een prachtig
paar koetspaarden als ooit een gentleman mee gereden heeft, – laat
staan een dokter! De hoogmoed en aanmatiging van die dokters is
tegenwoordig ongehoord, – ofschoon dit een van de goeden is, een man
van wetenschap en een beste kerel, waarlijk; hij heeft dat arme meisje
mooi door hare koorts geholpen; Bows, beste jongen,” en mijnheer
Costigan was zoo opgetogen over de handelwijze en de bekwaamheid van
den geneesheer, dat hij er in het vervolg een punt van eer van maakte,
als hij Dr. Goodenough in diens rijtuig tegenkwam, om hem op zulk eene
hoffelijke en omslachtige wijze te groeten, alsof de dokter de
lord-stadhouder van Ierland ware en kapitein Costigan in al zijne
glorie in het Phenix Park wandelde.
De dankbaarheid der weduwe jegens den dokter kende geene of
ternauwernood eenige grenzen. De hulpvaardige man lachte om het
denkbeeld, dat hij van een letterkundige, of van de weduwe van een
kunstbroeder geld zou aannemen, waarop zij besloot hem, zoodra zij op
Fairoaks terug zou zijn, de zilververgulde vaas te zenden, het
pronkstuk van het huis en de trots van wijlen John Pendennis, wien het
zorgvuldig in groen baai bewaarde kunstwerk te Bath door Lady Elizabeth
Firebrace ten geschenke was gegeven, na de herstelling van haar zoon,
nu wijlen Sir Anthony Firebrace, van het roodvonk. Nog heden vertoont
de vaas Hippocrates, Hygeia, den beschermgod der stad Bath en een krans
van slangen; zij was door de heeren Abednego in Milsom Street in hun
prachtigsten stijl bewerkt, terwijl de heer Birch, de gouverneur van
den jongen baronet, er het opschrift voor had vervaardigd.
Dit onwaardeerbare kunstjuweel besloot de weduwe aan Goodenough, den
redder van haar zoon, te schenken. Er was schier geen gunst, die zij
hem in het vuur harer dankbaarheid niet zou bewezen hebben, behalve de
ééne, die hij het meest verlangde, namelijk dat zij wat barmhartig en
vriendelijk over de arme Fanny zou denken, van wier eenvoudige,
droevige geschiedenis hij in zijne gesprekken met haar iets vernomen
had, zoodat hij zeer welwillend over het meisje dacht. Hij oordeelde
niet zeer gunstig over het gedrag van Pen in deze zaak en wist ook niet
recht hoedanig het gedrag geweest was. Evenwel wist hij genoeg om in te
zien, dat het arme verblinde meisje vooralsnog zonder schuld was; dat
zij in Pen’s kamer was geweest, om hem, naar zij meende, in zijn
laatste oogenblikken bij te staan; dat Arthur ternauwernood bewust was
geweest van hare tegenwoordigheid; en dat zij in de diepste en
roerendste smart verkeerde bij de gedachte hem in dood of leven te
zullen verliezen.
Maar bij een paar gelegenheden, dat Goodenough op Fanny zinspeelde, nam
het anders altijd zachtzinnige en vriendelijke gelaat der weduwe eene
zoo wreedaardige en onverbiddelijke uitdrukking aan, dat de dokter
inzag, dat hij tevergeefs rechtvaardigheid of barmhartigheid van haar
zou verwachten, zoodat hij alle voorspraak naliet en geene verdere
toespelingen op zijne kleine patiënte maakte. Volgens een populair
dichter uit de dagen van koningin Elizabeth, bestaat er eene kwaal,
waartegen de slaapbol en de mandragora en al de geneesmiddelen van het
Oosten niets vermogen en die, wanneer zij zich bij vrouwen vertoont,
door geene latere ontdekkingen of praktijken op het veld der
geneeskunde, door homoeopathie, noch hydropathie, door mesmerismus,
noch door dokter Simpson, noch door dokter Locock kan genezen worden; –
die kwaal zullen wij niet jaloezie noemen, maar met den zachten naam
van naijver en mededinging tusschen dames bestempelen.
Die bemoeizieke en prozaïsche menschen, die elke mededeeling van den
romanschrijver ziften en napluizen en bijv., wanneer de helden elkander
den dolk op de keel hebben gezet, willen weten hoe de schrijver hen
weer uit den moorddadigen toestand zal weten te redden, zullen wellicht
vragen hoe het mogelijk was in een apartement van den Temple, bestaande
uit drie kamers, twee kabinetjes, een gang en een kolenhok, een
gezelschap te bergen, samengesteld uit den zieken Arthur, Helena, zijne
moeder, Laura, haar aangenomen dochter, Martha, beider meid van het
platteland, jufvrouw Wheezer, een oppasster uit het
St.-Bartholomeushospitaal, vrouw Flanagan, een Iersche waschvrouw,
majoor Pendennis, een gepensioneerd officier, Morgan, diens
kamerdienaar, Pidgeon, den loopjongen van mijnheer Arthur, en nog
anderen meer. Maar die vraag is dadelijk beantwoord door de
mededeeling, dat bijna al de bewoners van den Temple uit de stad waren
en dat zich schier niemand in Pen’s huis op Lamb Court bevond dan
degenen, die rondom de sponde van den zieke geschaard waren, van wiens
lijden wij geen uitvoerig verslag hebben willen geven, evenmin als wij
breed zullen uitweiden over het genoeglijker onderwerp van zijne
herstelling.
Gelijk wij zeiden, was iedereen uit de stad, en dus kon men natuurlijk
niet verwachten, dat zulk een voornaam heer als de jonge Sibwright, die
kamers op de tweede verdieping van Pen’s woning had, in Londen zou
zijn. Vrouw Flanagan, de waschvrouw van Pen, was bekend met vrouw
Rouncy, die de kamers van mijnheer Sibwright schoonhield, en de
slaapkamer van dien heer werd dus ingericht voor jufvrouw Bell, of
mevrouw Pendennis, wanneer deze laatste geneigd mocht zijn het
ziekvertrek van haar zoon te verlaten en zelf een weinigje rust te
zoeken.
Wat zou die jonge dandy van een Percy Sibwright, die bloem van Baker
Street, fier op zijne slaapkamer zijn geweest, indien hij geweten had
wie dat vertrek gebruikte; wat zou hij verzen op Laura geschreven
hebben! (verscheidene zijner gedichten waren in de jaarboekjes en in
handschrift in de albums van den adel te vinden). Hij was een oud
student van Camford en het had, naar men zeide, weinig gescheeld, of
hij had den prijs voor de Engelsche dichtkunst weggedragen. Doch
Sibwright was afwezig en zijn bed was aan jufvrouw Bell overgeleverd.
Het was het aardigste koperen ledikantje ter wereld, met paarsch
gevoerde chitsen gordijnen. Voor het venster zijner slaapkamer stond
een potje reseda, en reeds het gezicht alleen van zijne kleine
tentoonstelling van blinkende laarzen, die in nette rijen op zijne
kleerkast geschaard stonden, was eene verlustiging voor den beschouwer.
Verder had hij een museum van reukwateren en potten met pommade en
berenvet, merkwaardig om te zien; en aan de nette muren van zijn
elegante rustplaats prijkte eene keurige verzameling portretten van
vrouwen, die bijna alle in droefheid gedompeld en meerendeels verkleed,
of in négligé waren. Medora, met hangende haren, troostte zich over de
afwezigheid van haar Conrad; prinses Fleur de Marie (van Rudolstein,
uit de Mystères de Paris) lonkte droevig naar buiten tusschen de
tralies harer kloosterkooi, in welke zij als een arm opgesloten
vogeltje wegkwijnde; de Dorothea van Don Quijote waschte als altijd
hare voeten; kortom, het was zulk een elegante galerij als men bij zulk
een galant aanbidder van het schoone geslacht verwachten kon. In
Sibwright’s zitkamer stond maar eene magere verzameling rechtsgeleerde
boeken in net kalfsleder gebonden, en eene vrij groote hoeveelheid
boeken in de oude talen, die hij niet lezen kon, en Engelsche en
Fransche dichtwerken en romans, die hij veel te veel las. Zijn
uitnoodigingskaarten van het afgeloopen seizoen staken nog tusschen den
spiegel. Er was bijna niets anders, dat aan den advocaat herinnerde,
dan de pruikendoos naast de Venus op de middelste plank der boekenkast
waarop, men in gouden letters Mr. P. Sibwright las.
Sibwright deelde zijne kamers, naar het heette, met mijnheer Bangham.
Deze was een liefhebber van jagen enz. en had eene rijke weduwe
getrouwd. Bangham had geen praktijk en kwam geen driemaal in het
seizoen op zijne kamer, doch maakte de omgangen met het hof van assises
mede, om die raadselachtige redenen, welke sommige advocaten aansporen
tot het deelnemen aan die tochten. Zijn ongebruikte kamer was een groot
gemak voor Sibwright, als die jonge heer zijne kleine diners gaf. Wij
moeten verklaren, dat deze beide heeren in geenerlei betrekking
hoegenaamd tot ons verhaal staan en er waarschijnlijk niet meer in
zullen voorkomen; doch wij kunnen niet nalaten eventjes in hunne kamers
te kijken, wanneer die toevallig voor ons openstaan en wij ons naar
Pen’s woning begeven; gelijk wij, op onzen levensweg, in het Strand, in
de club, ja zelfs in de kerk, niet kunnen nalaten te kijken naar de
winkels, die wij voorbijgaan, naar het diner van onzen buurman of naar
de gezichten onder de hoeden in de naaste bank.
Vele jaren na de gebeurtenissen, die wij thans beschrijven, bekende
Laura met een blosje en een zeer schalkschen lach, dat zij een
Franschen roman had gelezen, die eenmaal sterk in den smaak was, en
toen haar echtgenoot met verwondering vroeg waar ter wereld zij dat
boek kon machtig geworden zijn, gaf zij te kennen, dat het in den
Temple was geweest, toen zij de kamer van mijnheer Percy Sybwright
bewoonde.
„En zoo heb ik ook nooit verteld wat ik nu bij deze gelegenheid
eveneens zal bekennen,” sprak zij, „namelijk dat ik de verlakte doos
opendeed, er die wonderlijke pruik uitnam, haar opzette en mij toen in
den spiegel bekeek.”
Indien Percy Sibwright op dat oogenblik eens ware binnengekomen? Wat
zou de opgetogen guit wel gezegd hebben? Wat zouden al de afbeeldingen
der verkleede schoonen op zijne kamer te beteekenen hebben gehad, in
vergelijking met dat levend exemplaar? Ach, wij spreken van zeer oude
tijden, toen Sibwright nog ongetrouwd en nog geen rechter in een
provinciaal gerechtshof was, – toen de menschen, de meeste menschen nog
jong waren. Thans zijn andere menschen jong, maar wij niet meer.
Men zal wel begrijpen, dat, toen jufvrouw Laura die grap met de pruik
speelde, Pen daar boven niet meer doodziek was; anders zou zij,
ofschoon zij bijna niets meer om hem gaf, zich door haar gevoel en de
eischen der welvoeglijkheid hebben laten weerhouden van grappen of
verkleedingen.
Maar er hadden in de laatstverloopen dagen verschillende gebeurtenissen
plaats gehad, geschikt om haar opgeruimdheid te vermeerderen of te
rechtvaardigen, en er was thans eene kleine kolonie van des lezers oude
vrienden en bekenden op Lamb Court in den Temple vereenigd en rondom
Pen’s ziekbed geschaard. Vooreerst was Martha, de dienstmaagd van
mevrouw Pendennis, van Fairoaks overgekomen, van waar de majoor haar
ontboden had, die zeer te recht oordeelde, dat zij hare meesteres en
den jongen heer tot gemak en hulp kon zijn, daar het gezelschap van
vrouw Flanagan (die gedurende Pen’s ziekte meer dan ooit geestrijke
opwekking noodig had om haar staande te houden) aan geen van beiden
aangenaam kon wezen. Martha verscheen dus ter juister ure bij mevrouw
Pendennis, want deze had zich geen enkele maal te bed begeven voordat
de trouwe dienstbode bij haar was, en toen legde zij zich, met een hart
vol moederlijke dankbaarheid, ter ruste op Warrington’s stroomatras en
te midden zijner wiskundige boeken, die wij reeds vroeger vermeld
hebben.
Voor dien dag had er echter reeds eene groote en verblijdende
verandering in Pen’s toestand plaats gegrepen. Door dokter Goodenough’s
pleisters, drankjes en lancetsteken overwonnen, had de koorts den
jonkman verlaten, of hem bij tusschenpoozen nog slechts even bezocht;
zijne dwalende zinnen hadden weer vasten post gevat in zijn verzwakt
brein; hij had gelegenheid gehad zijne moeder te kussen en haar te
danken voor hare komst, en Laura en zijn oom te roepen (die beiden,
naarmate van hun verschillend karakter, geroerd waren door zijn
vermagerd voorkomen, zijne tengere en doorschijnende handen, zijne
holle oogen en holle stem, en zijn ingevallen en ongeschoren gelaat) en
beider handen te drukken en hun hartelijk dank te zeggen; en toen de
bezoekers na dit wederzien door zijne zorgvuldige oppasster de kamer
uitgezet waren, was hij in een verkwikkenden slaap gevallen, die
omtrent zestien uren aanhield; waarna hij ontwaakte en uitriep dat hij
honger had. Zoo het aan den eenen kant beklagenswaardig is ziek te zijn
en van het eten te walgen, wat is het aan den anderen kant aangenaam
weer beter te worden en honger te hebben, – en o, welk een honger!
Helaas, het genoegen der herstelling wordt met het toenemen der jaren
flauwer, gelijk het ook met andere genoegens gaat; en eindelijk –
eindelijk komt die ziekte, waarop in het geheel geen herstel meer
volgt.
Op dien gelukkigen dag kwam nog iemand anders in Lamb Court aan. Groote
wolken tabaksrook gingen naar de zitkamer van Pen en Warrington
vooruit; achter die wolken volgde een persoon met eene sigaar in zijn
mond en een reiszak onder zijn arm. Het was Warrington, die uit Norfolk
kwam aangesneld, daar mijnheer Bows zorg had gedragen, hem te schrijven
welke ramp zijn vriend getroffen had. Doch hij was afwezig toen die
brief ten huize van zijn broeder aankwam; de oostelijke graafschappen
konden zich toen nog niet op het bezit van een spoorweg beroemen (want
wij verzoeken den lezer wel in aanmerking te willen nemen, dat wij
alleen anachronismen begaan wanneer wij het goedvinden en wanneer door
die verkrachting der natuurwetten eene groote zedelijke waarheid in het
licht moet gesteld worden). In één woord, Warrington verscheen pas met
de overige gelukjes op den gelukkigen dag nadat Pen’s herstelling
gezegd kon worden voorgoed aangevangen te zijn.
In ieder geval was zijne verwondering niet groot, dat hij de kamers van
zijn zieken vriend bezet vond, en dat zijn oude kennis de majoor op
zijn gemak in een armstoel zat (want Warrington was met zijn eigen
sleutel in de kamers gekomen), luisterende of schijnende te luisteren
naar eene jonge dame, die hem, met zachte en liefelijke stem, een stuk
van Shakespeare voorlas. De jonge dame hield op en verschrikte bij de
verschijning van den langen reiziger met de sigaar en het valies en
legde het boek neer. Hij bloosde, wierp zijne sigaar in den gang weg,
nam den hoed af, liet dien vallen, en ging toen naar den majoor, drukte
den ouden heer de hand en vroeg naar bijzonderheden omtrent Arthur.
De majoor antwoordde hem met eene trillende, maar opgeruimde stem (het
was opmerkelijk hoe zeer de aandoening hem scheen verouderd te hebben);
hij beantwoordde Warrington’s handdruk met eene bevende hand en
vertelde hem Arthur’s gelukkig doorgestane crisis, en de aankomst
zijner moeder met hare jonge pupil – met juffer....
„Gij behoeft mij haar naam niet te noemen,” zeide mijnheer Warrington
met groote levendigheid, want hij was getroffen en opgetogen bij de
gedachte aan de herstelling van zijn vriend; „gij behoeft mij haar naam
niet te noemen. Ik begreep dadelijk, dat het Laura was.” En daarbij
strekte hij zijne hand uit en nam de hare. Terwijl hij haar aanzag en
toesprak, straalde er een onuitsprekelijke vriendelijkheid en
teederheid van onder zijne ruige wenkbrauwen en was die tevens in zijne
stem waar te nemen. „En dit is dus Laura!” scheen zijn blik te zeggen.
„En dit is Warrington!” was de weerklank in het hart van het lieve
meisje. „Arthur’s held – die edele en hulpvaardige man, die honderden
mijlen ver gekomen is om bijstand te bieden, toen hij den rampspoed van
zijn vriend vernam!”
„Ik dank u, mijnheer Warrington,” was evenwel alles wat Laura zeide, en
toen zij zijn vriendelijken handdruk beantwoordde, bloosde zij zoo
sterk, dat zij blijde was dat de lamp achter haar stond en de gloed op
haar gelaat dus verborgen bleef.
Terwijl beiden in die houding stonden, werd de deur van Pen’s
slaapkamer zoo voorzichtig geopend als men van mevrouw Pendennis gewoon
was, en zag Warrington een andere dame, die eerst hèm aankeek, en zich
toen naar het bed omkeerde en met opgeheven hand: „St!” zeide.
Het was Pen, naar wien Helena zich keerde, om hem tot voorzichtigheid
te vermanen. Maar Pen riep met zwakke en trillende, doch blijde stem
uit: „Kom binnen, kameraad – kom binnen, Warrington. Ik wist dat gij
het waart – aan, – aan den – den rook ouwe jongen,” zeide hij en stak
zijne vermagerde hand uit, en verwelkomde zijn vriend met tranen zoowel
van zwakheid als van blijdschap.
„Ik – ik vraag verschooning voor mijn rooken, mevrouw,” zeide
Warrington, die op dit oogenblik bijna voor het eerst van zijn leven
over zijne slechte gewoonte bloosde.
Helena zeide enkel: „God zegen u, mijnheer Warrington!” Zij gevoelde
zich zoo gelukkig, dat zij George wel had willen kussen. Nadat de
vrienden een kort, zeer kort onderhoud hadden gehad, gaf de verheugde
doch onverbiddelijke moeder de hand aan Warrington en zond hem de kamer
uit naar Laura en den majoor, die de lezing van het tooneelstuk
Cymbeline niet weer hadden opgevat ter plaatse waar zij die hadden
afgebroken, toen de rechtmatige eigenaar van Pen’s kamers binnentrad.