Doctor Portman’s brief ging aan Pen’s adres naar Londen, en de brave
dominé trachtte mevrouw Pendennis tot zekere kalmte te brengen tot er
een antwoord zou komen, hetgeen de doctor verwachtte, of althans
beweerde, dat ten aanzien van mijnheer Pen’s zedelijkheid gunstig zou
luiden. Helena’s voornemen om zich naar Londen te begeven en in persoon
haar zoon over zijne goddeloosheid te bestraffen, was minstens
gedurende een paar dagen onuitvoerbaar. Den eersten dag verbood de
geneesheer zelfs haar vervoer naar Fairoaks en pas den volgenden morgen
bevond zij zich weder in haar eigen huis op hare sofa, met de trouwe,
doch zwijgende Laura, als oppasster aan hare zijde.
Ongelukkig voor hem zelven en voor de betrokkenen las Pen de vermaning,
die doctor Portman tot hem gericht had, eerst vele weken nadat die
geschreven was; en dag op dag wachtte de weduwe op het antwoord van
haar zoon op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, terwijl haar
eigene ziekelijkheid met elken dag van uitstel toenam. Het was eene
harde beproeving voor Laura die spanning te doorstaan, het lijden van
hare liefste vriendin te aanschouwen, en bovenal Helena’s misnoegen te
verdragen en de smart, die deze onthouding van genegenheid haar
veroorzaakte. Maar onze jonge dame was gewoon, tot het uiterste toe,
met behulp van den genadigen bijstand, dien de hemel haar op hare reine
en onverpoosde gebeden verleende, haar plicht te doen. En daar zij dien
plicht zonder ophef vervulde, – terwijl de smeekgebeden, welke haar de
noodige kracht tot die vervulling schonken, ook plaats hadden in hare
binnenkameren, verre van ieder sterfelijk oog – moeten wij noodwendig
ook het stilzwijgen bewaren over deze haar eigene deugden, die evenmin
geschikt zijn om in het openbaar besproken te worden, als eene bloem om
in eene balzaal te bloeien. Dit alleen willen wij zeggen, dat eene
goede vrouw de liefelijkste bloem is, die onder het uitspansel bloeit,
en dat wij met liefde en bewondering hare stille bevalligheid, haar
reinen geur, hare teedere schoonheid waarnemen. Is het niet jammer, dat
wij de liefelijke en de schoone, de bevallige en de vlekkelooze, door
de smart en den onverbiddelijken dood zien neerbuigen en verslinden, in
ziekte verkwijnen, door langdurige pijnen verteren, of door een
plotseling onheil in haar eersten bloei zien wegrukken? Wij verdienen
wellicht rampspoed, – maar waarom moeten zij ongelukkig zijn? tenzij
wij in aanmerking nemen, dat de hemel degenen, die hij het liefst
heeft, kastijdt, en het hem behaagt deze reine zielen door herhaalde
beproevingen nog meer te louteren.
Pen dan kreeg den brief niet, ofschoon deze behoorlijk op de post was
gedaan en door den brievenbesteller plichtmatig in de brievenbus van
Lamb Court was geworpen, vanwaar hij met het overige van mylord’s
correspondentie op zijne schrijftafel was gebracht; en van dit vertrek
hebben wij eene teekening gezien, – voorstellende hoe hij uit de
belendende slaapkamer trad, terwijl vrouw Flanagan, zijne waschvrouw,
bezig was zijne jeneverflesch leeg te drinken.
De welwillende lezers, die mijnheer Arthur tot dusverre op zijne
loopbaan gevolgd en, zooals zij wel moeten doen, hunne opmerkingen over
het karakter en de eigenaardigheden van onzen vriend gemaakt hebben,
zullen thans wel weten wat het grootste gebrek van mijnheer Pen en wie
die grootste vijand was, op wien in den titel van dit werk gezinspeeld
wordt, en tegen wien hij had te strijden. Zeer velen onzer, bemind
publiek, hebben met denzelfden schavuit te kampen, een schelm, die elke
gelegenheid waarneemt om ons in moeielijkheden te brengen, ons in
twisten te wikkelen, ons tot luiheid en slecht gezelschap te verleiden,
en ons nog een aantal andere streken te spelen.
Kortom, Pen’s grootste vijand was hij zelf, en daar hij dien persoon
zijn leven lang had getroeteld en gevleid en in alles toegegeven, was
de guit brutaal geworden, gelijk met alle bedorven dienstboden het
geval is, zoodat hij bij de minste poging om hem tot zijn plicht te
brengen, of hem iets te doen verrichten dat hem niet beviel, woedend
boos en onhandelbaar werd. Iemand, die gewoon is aan opofferingen
(zooals bij voorbeeld Laura, die gewend was van hare genoegens afstand
te doen ten behoeve van anderen), zoo iemand doet dat zeer gemakkelijk;
doch Pen, die niet gewoon was aan eenige zelfverloochening hoegenaamd,
leed er bloedig onder, toen hij ook zijn aandeel moest bijdragen, en
ergerde zich dood, dat hij zich iets, wat hem behaagde, ontzeggen
moest.
In zijne hooghartigheid had hij dus besloten, Fanny niet weer te zien,
en daarbij hield hij zich. Hij trachtte door aanhoudende werkzaamheid,
door lichaamsbeweging, door vermaak en gezelligen omgang, het beeld van
het bekoorlijke schepseltje uit zijn geest te verdrijven. Bij gevolg
werkte hij te veel, reed en wandelde veel, at, dronk en rookte veel;
maar al de sigaren en glazen punch, die hij gebruikte, konden het beeld
der kleine Fanny niet uit zijn gloeiend brein verdrijven, en aan het
einde eener week van dergelijke werkzaamheid en zelfverloochening lag
onze jonge heer met de koorts te bed. De lezer, die nooit op
gestoffeerde kamers aan de koorts heeft gelegen, mag den ongelukkige,
die deze ramp ondervindt, wel van harte beklagen.
Eene commissie van huwbare dames, of van christelijkgezinde personen,
die zich de aanmoediging der huiselijke deugden tot doelwit stelt,
moest aan een Cruikshank of Leech, of een ander gevoelvol teekenaar,
die de dwaasheden van den dag veraanschouwelijkt, het vervaardigen van
eene reeks platen opdragen, die de akeligheden van het ongehuwde leven
op kamers voorstelden, en den beschouwer opwekten om tot beter inzicht
te komen en zich een aangenamer lot te bereiden. Wat toch is
ongezelliger dan het eenzaam ontbijt van den ongetrouwden heer, als de
zwarte ketel in het midden van den zomer op het smeulende vuur staat,
of, erger nog, als het vuur op Kersttijd is uitgegaan, een half uur
nadat de werkvrouw de zitkamer heeft verlaten? De eigenaar treedt
bibberend deze woestenij binnen en moet zijne dagtaak aanvangen met
eene jacht naar kolen en hout; en alvorens aan zijn arbeid als geleerde
te gaan moet hij eerst de plichten eener werkmeid vervullen, in de
plaats van vrouw Flanagan, die afwezig is zonder verlof. Of wat kan
verder een gewenschter onderwerp voor den klassieken teekenaar zijn dan
het overhemd van den ongetrouwden heer, – dat kleedingstuk, dat hij
juist tegen den tijd van het diner wil aantrekken, maar waaraan alle
knoopen ontbreken om het vast te maken? Dan hebt ge vervolgens de
terugkomst van mijnheer op zijne kamers, nadat hij op een prettig
buitentje vol lieve gezichtjes, waar de ontvangst en het afscheid even
hartelijk waren, eene vroolijke Kerstweek heeft doorgebracht. Hij laat
zijn valies in den barbierswinkel op het plein; hij ontsteekt zijn
armzalige, oude kaars aan het spattende lampje op de trap; hij treedt
zijne welbekende holle kamer binnen, waar de eenige bewijzen, dat men
belang in zijn persoonlijk welzijn stelt, de nieuwjaarsrekeningen zijn,
die, liefelijk op zijne schrijftafel uitgespreid, op hem liggen te
wachten. Wanneer men nu bij deze schetsen een schrikinboezemend
tafereel van het ziekbed van een ongetrouwd heer voegt, zullen de huren
in den Temple op den dag, dat deze sombere tooneelen worden uitgegeven,
beginnen te dalen. Zoolang men gezond is, mag het leven op kamers reeds
droefgeestig en eenzaam en zelfzuchtig genoeg heeten; doch ziek te
liggen op kamers, – nachten in pijn en slapeloosheid door te brengen,
naar den morgen en de werkvrouw te smachten, – zelf uwe medicijnen,
volgens de aanwijzing van uw eigen horloge, in te nemen, – geen ander
gezelschap gedurende de traag voortkruipende uren te hebben dan uw
eigene verwarde gedachten en ijlende droomen, geen vriendelijke hand om
u een drank te reiken, wanneer gij dorst hebt, of het gloeiende kussen
op te schudden, dat zich onder uw hoofd in plooien kronkelt, – dit is
in waarheid een zoo beklagenswaardig en treurig lot, dat wij over zijn
afgrijselijkheid niet zullen uitweiden, en alleen de ongetrouwde heeren
in den Temple beklagen, die het elken dag trotseeren.
Dit lot trof Arthur Pendennis na de verschillende door ons vermelde
buitensporigheden, waaraan hij zijn rampzalig brein had blootgesteld.
Op zekeren avond ging hij ziek te bed, en toen bij ontwaakte was hij
nog erger. Buiten de waschvrouw, was de drukkersjongen van het bureau
van de Pall Mall Gazette zijn eenige bezoeker, dien hij, zoo goed het
gaan wilde, trachtte tevreden te stellen. De inspanning, om zijn werk
af te maken, deed zijne koorts toenemen; hij kon slechts een gedeelte
der kopie leveren, waarvoor hij doorgaans zorgde; en daar Shandon op
reis was en Warrington zich niet te Londen bevond om een handje te
helpen, zagen de kolommen met politieke beschouwingen en hoofdartikelen
in de Gazette er zeer mager uit, terwijl de onderredacteur ook niet
wist hoe hij ze moest vullen.
Mijnheer Finucane ijlde naar Pen’s kamers en vond dien heer zoo
doodziek, dat de goedhartige Ier aan het werk ging om hem zoo mogelijk
te vervangen, en eene reeks van politieke en cristische artikelen uit
zijne mouw schudde, die de lezers van het blad, waaraan hij en Pen
verbonden waren, zeker verbazend gesticht zullen hebben. Toespelingen
op de grootheid van Ierland en op het genie en de deugden der inwoners
van dat miskende land, vloeide uit Finucane’s pen als van een leien
dakje; en toen Shandon, de hoofdredacteur, die er te Boulogne-sur-Mer
zijn gemak van nam, het blad doorliep, dat hem geregeld toegezonden
werd, herkende hij dadelijk de hand van den grooten onderredacteur.
„Kijk eens, Marie,” zeide hij tegen zijne vrouw en wierp haar lachend
het blad toe, „daar is Jack weer aan den gang geweest.” Het moet erkend
worden, dat Jack een warm vriend en een moedig strijder was, en als hij
de pen in de hand had, liet hij dan ook zelden de gelegenheid
voorbijgaan om de wereld te onderrichten, dat Rafferty de grootste
schilder van Europa was, en zijne verwondering te betuigen over den
kleingeestigen naijver der academie van beeldende kunsten, die hem niet
tot lid wilde verkiezen; om te berichten, dat het Iersche parlementslid
Rooney, volgens geruchten in welonderrichte kringen, tot gouverneur van
Barataria benoemd was; of om tusschen het onderwerp, dat hij op het
oogenblik behandelde, van welken aard het ook ware, een compliment aan
de Ronde Torens of den Reuzenweg in Ierland in te vlechten. En niet
alleen verrichtte deze welwillende makker, naar zijn best vermogen, het
werk van Pen, maar hij bood ook aan, zijne vrije Zaterdagen en Zondagen
op te offeren en Arthur te komen oppassen die er echter op aandrong,
dat de ander zich zijn uitspanningen niet ontzeggen zou, en hem onder
dankbetuiging verzekerde, dat hij zijne ziekte best alleen kon
doorstaan.
Toen Finucane des Vrijdagavonds, na zijne taak aan het blad volbracht
te hebben, zijn avondmaal in de Achterkeuken gebruikte, gaf hij
kapitein Costigan kennis, dat hun jeugdige vriend in den Temple ziek
lag, waarop de kapitein, toen hij zich twee dagen later dat bericht
herinnerde, naar Lamb Court ging en den zieke op een Zondagnamiddag een
bezoek bracht. Hij vond vrouw Flanagan, de schoonmaakster, schreiende
in de zitkamer, waar zij hem slechte tijdingen over den lieven jongen
heer daarbinnen meedeelde. Zij was zoo geschokt door Pen’s toestand,
dat zij zich door cognac moest opwekken, om de smart te kunnen
verduren, die zijne ziekte haar veroorzaakte. Toen zij zich over zijn
bed had gebogen om hem te helpen, hadden hare bemoeiingen hem
gehinderd, zoodat hij haar op kregeligen toon verzocht had, niet dicht
bij hem te komen. Vandaar dat zij tranen gestort en voor hare
verdubbelde smart opnieuw troost gezocht had bij de brandewijnflesch,
die zij gewoon was als pijnstillend middel te gebruiken. De kapitein
haalde de schoonmaakster krachtig door over hare verslaafdheid aan den
drank en bracht haar de noodlottige gevolgen onder het oog, die haar
onvermijdelijk te wachten stonden, indien zij op dien verkeerden weg
voortging.
Ofschoon Pen op dit oogenblik hevig de koorts had, was hij toch zeer
verheugd over Costigan’s bezoek. In zijne slaapkamer liggende, hoorde
hij diens welbekende stem in de zitkamer en riep den kapitein met
levendigheid bij zich, terwijl hij hem dankte voor zijne komst en hem
verzocht een stoel te nemen en wat met hem te praten. Met groote
deftigheid voelde de kapitein des jonkmans pols (waarbij zijn eigen
bevende en klamme hand voor een oogenblik vast werd, terwijl hij den
vinger op Arthur’s kloppende ader legde). Die pols sloeg zeer woest,
Pen’s gelaat was ontsteld en gloeiend, zijn oogen waren met bloed
doorloopen en stonden dof, en zijn baard was sinds bijna eene week niet
geschoren. Pen verzocht zijn bezoeker plaats te nemen, en trachtte,
terwijl hij lag te woelen en zich om te wentelen in zijn ongemakkelijk
bed, op levendige wijze met den kapitein over de Achterkeuken en den
Vauxhall te spreken, en over zijn wensch om nog eens daarheen te gaan,
en over Fanny – hoe maakte het de kleine Fanny?
Ja, hoe maakte zij het? Wij weten, dat zij den vorigen Zondagavond zeer
treurig was thuis gekomen, nadat zij Arthur op zijne kamer het licht
had zien ontsteken, toen hij daar in gesprek was met Bows. Bows keerde
een oogenblik later naar zijn eigen kamer terug, kwam de portierswoning
voorbij, en keek eens, volgens belofte, bij jufvrouw Bolton binnen,
doch met een zeer droefgeestig gelaat. Fanny bracht ook weer dien nacht
slapeloos door. Door hare rusteloosheid maakte zij hare kleine
slaapkameraden meer dan eens wakker. Zij durfde niet meer in Walter
Lorraine lezen; vader was thuis en wilde niet dat er licht aangehouden
wierd. Zij legde het boek onder haar hoofdkussen en tastte er telkens
naar gedurende den nacht. Zij was juist ingeslapen, toen de kinderen
met den vroegen morgen, bijna zoo vroeg als de vogeltjes, ontwaakten.
Ofschoon zij op Bows zeer boos was, begaf zij zich op haar gewoon uur
naar zijne kamer, waar de goedhartige muzikant een praatje met haar
trachtte aan te knoopen.
„Ik heb mijnheer Pendennis gisterenavond gezien, Fanny,” zeide hij.
„Zoo? Dat dacht ik wel,” gaf zij ten antwoord en keek het droefgeestige
oude heertje met vlammende oogen aan.
„Ik heb van u gehouden sinds het oogenblik, dat wij hier kwamen wonen,”
ging hij voort. „Gij waart een kind toen ik hier kwam; en gij hield ook
van mij, Fanny, tot nu drie of vier dagen geleden, toen gij dien heer
voor het eerst zaagt.”
„Van wien gij nu waarschijnlijk kwaad gaat spreken,” zeide Fanny. „Ga
uw gang maar, mijnheer Bows – dat is het beste middel om mij weer van u
te doen houden.”
„Dat zal ik niet doen,” hernam Bows, „ik houd hem voor een besten,
braven jongen.”
„Wezenlijk? Gij weet ook wel, dat als gij iets tot zijn nadeel zeidet,
ik nooit een woord meer tegen u spreken zou, – neen, nooit!” riep
jufvrouw Fanny uit, terwijl zij haar vuistje balde en in de kamer op en
neer liep. Met bewondering en droefgeestige sympathie sloeg Bows het
hartstochtelijke schepseltje gade, en lette op en volgde haar. Hare
wangen gloeiden, haar lichaam beefde; liefde, toorn, uittarting
straalden uit haar oogen. „Gij zoudt gaarne kwaad van hem willen
spreken,” riep zij uit, „maar dat durft gij niet, – gij zult het niet
tegenspreken: gij durft niet!”
„Ik heb hem vele jaren geleden leeren kennen,” vervolgde Bows, „toen
hij nog bijna zoo jong was als gij thans zijt en eene romantische
genegenheid had opgevat voor de dochter van onzen vriend den kapitein,
de tegenwoordige Lady Mirabel.”
Fanny begon te lachen. „Waarschijnlijk waren er toen anderen ook, die
eene romantische genegenheid voor jufvrouw Costigan koesterden,” zeide
zij. „Ik wil er niets van hooren.”
„Hij wilde haar trouwen, maar zij verschilden te veel in leeftijd en in
stand. Zij wilde hem niet hebben, omdat hij geen geld bezat. En zij
handelde zeer verstandig toen zij hem afwees, want zij zouden zeer
ongelukkig met elkander zijn geweest, en zij was niet geschikt om met
zijne familie te verkeeren, of hem een aangenaam huiselijk leven te
verschaffen. Mijnheer Pendennis moet zijn weg nog in de wereld maken en
eene dame uit zijn eigen stand trouwen. Eene vrouw, die een man
liefheeft, zal de oorzaak niet willen zijn, dat zijne vooruitzichten
bedorven worden, dat hij met zijne familie in onmin geraakt en om
harentwil in armoede en ellende vervalt. Dat doet een braaf meisje
niet, – om haar eigen niet, en ook niet om den wille van hem, van wien
zij houdt.”
Fanny, die tot dusverre eene tartende en vertoornde houding had
aangenomen, ontstelde nu en verviel in een smeekenden toon. „Wat weet
ik van trouwen, Bows?” sprak zij. „Daarvan is immers geen woord gerept?
Wat is er tusschen mij en dien jongen heer voorgevallen, dat men er op
zoo harden toon over spreken moet? Het is mijne schuld niet, en die van
Arthur – van mijnheer Pendennis – ook niet, dat ik hem in Vauxhall
leerde kennen. De kapitein had ma en mij daarheen gebracht. Wij hebben
aan niets kwaads gedacht. Hij kwam ons te hulp en maakte dat wij konden
doorgaan; en hij was zoo vriendelijk! Toen kwam hij ons bezoeken en
vragen hoe wij het maakten, en het was heel, heel vriendelijk van zulk
een voornaam heer, dat hij zoo beleefd was jegens zulke geringe
menschen als wij zijn. En gisteren gingen ma en ik even in den tuin van
den Temple wandelen, en – en – ” hier brak zij in het gebruikelijk en
onweerlegbaar vrouwelijk argument der tranen uit, onder den uitroep:
„O, ik wou dat ik dood was! Ik wou dat ik in mijn graf lag, en hem
nooit, nooit gezien had!”
„Dat zeide hij zelf ook, Fanny,” hernam Bows, waarop Fanny tusschen
hare snikken door vroeg, waarom hij wenschte, dat hij haar nooit gezien
had? Had zij hem ooit kwaad gedaan? O, zij zou liever sterven, dan hem
eenig leed aandoen. De muzikant deelde haar daarop het gesprek van den
vorigen dag mede, bracht haar onder het oog, dat Pen haar niet kon of
mocht beschouwen als eene voor hem passende vrouw, en dat zij, als zij
prijs stelde op den naam van een braaf meisje, hem moest trachten te
vergeten. Toen verliet Fanny, wel overtuigd maar toch onveranderd in
hare gevoelens, den muzikant, wien zij beloofde het gevaar te zullen
vermijden, dat haar dreigde, en keerde naar de portierswoning terug,
waar zij aan hare moeder alles vertelde. Zij sprak over hare liefde tot
Arthur en jammerde op haar ongekunstelde manier over de ongelijkheid
van stand, die een slagboom tusschen hen beiden oprichtte. „O ma,”
zeide Fanny, „wat hield ik veel van mijnheer Macready, toen ik hem in
de Dame van Lyon zag spelen, en van Pauline, omdat zij zoo getrouw was
aan den armen Claude en altijd aan hem dacht; en wat was het heerlijk,
toen hij na het doorstaan van alle gevaren als officier tot haar
terugkwam! En als iedereen Pauline bewondert – hetgeen zeker iedereen
doet, omdat zij zoo trouw is aan een arm man – waarom zou een heer zich
dan behoeven te schamen, dat hij een arm meisje liefheeft? Niet dat
mijnheer Arthur mij liefheeft – O neen, neen! Ik ben hem niet waard;
eene prinses alleen is zulk een heer als hij is waardig. En hij is zulk
een dichter! hij schrijft zoo heerlijk en ziet er zoo voornaam uit! Ik
ben zeker dat hij van adel is en tot een oude familie behoort, die hem
zijne goederen onthoudt. Misschien is het zijn oom, die ze in bezit
heeft. Och, als ik mocht, wat zou ik hem gaarne dienen en voor hem
werken en sloven, dat zou ik! Meer zou ik niet verlangen, ma, – niets
meer dan hem ’s morgens eens te mogen zien en dat hij dan soms zeide:
„Hoe maakt ge het, Fanny?” of: „God zegen u, Fanny!” zooals hij
verleden Zondag deed. En ik zou werken, o zoo werken! Ik zou den heelen
nacht opzitten, en lezen en leeren om hem waardig te worden. De
kapitein zegt, dat zijne moeder op het land woont en daar eene groote
dame is O, wat zou ik gaarne willen, dat ik daarheen mocht gaan en hare
meid wezen, ma! Ik kan veel doen en netjes werken; en – soms zou hij
dan thuis komen en zou ik hem zien.”
Onder het spreken zonk het hoofd van het kind op den schouder harer
moeder, waar zij den vrijen loop liet aan een stroom van meisjestranen,
waarbij de matrone natuurlijk de hare voegde. „Gij moet niet meer aan
hem denken, Fanny,” sprak zij. „Als hij niet tot u terugkeert, is hij
een afschuwelijk, een slecht mensch.”
„O, moeder, noem hem zoo niet!” hernam Fanny. „Hij is de beste van alle
menschen, de beste en vriendelijkste. Bows gelooft, dat het hem
verdriet doet, dat hij de arme Fanny verlaten heeft. Het was zijne
schuld niet – niet waar? – dat wij elkander ontmoetten, en het is
evenmin zijne schuld, dat ik hem niet moet weerzien. Hij zegt, dat ik
het niet moet doen – en dat moet ik ook niet, moeder. Hij zal mij
vergeten, maar ik zal hem nooit vergeten. Neen, ik zal voor hem bidden,
en hem altijd liefhebben – tot ik sterf – en ik zal sterven, dat weet
ik – en dan zal mijne ziel heengaan en bij hem zijn.”
„Gij vergeet uw arme moeder, Fanny, en zult mij het hart breken als gij
op die wijze voortgaat,” zeide jufvrouw Bolton. „Misschien zult gij hem
nog wel zien; ik ben er zeker van. Ik ben overtuigd, dat hij nog heden
komen zal. Als ik ooit iemand verliefd gezien heb, dan is hij het. Toen
Emily Budd’s vrijer in het eerst om haar kwam, werd hij door den ouden
Budd weggezonden, die een heel fatsoenlijk man was, die in het orkest
van Sadler’s Wells de violoncel speelde; en zijn eigen familie wilde er
ook niet van hooren. Maar hij kwam terug, en wij wisten allen wel, dat
hij het doen zou. Emily zeide het altijd, en hij trouwde haar; en deze
mijnheer zal ook terugkomen. Onthoud de woorden van uwe moeder maar, en
let eens op, of hij het niet doen zal, liefje.”
Bij dit punt van het gesprek kwam mijnheer Bolton de portiersloge
binnen, om zijn avondmaaltijd te gebruiken. Bij vaders verschijning
werd het onderhoud tusschen moeder en dochter dadelijk gestaakt.
Jufvrouw Bolton vleide den norschen doodgravers-adjudant en zeide:
„Heere! Bolton, wie zou gedacht hebben, dat gij op een Zaterdagavond
uit de herberg zoudt blijven! Fanny, mijn liefje, zet wat eten klaar
voor uw vader. Wat wilt ge hebben, Bolton? Het arme meisje heeft eene
zinking op het oog gekregen, of iets er in – ik keek er juist naar bij
uw binnenkomen.” En daarbij kneep zij hare dochter in de hand, tot
teeken om voorzichtig en stil te wezen. Fanny’s tranen droogden op;
alle sporen van ontroering verdwenen door de beoefening van die
verwonderlijke kunst van veinzen en vermomming, waarvan de vrouwen zich
weten te bedienen en die de natuur haar als wapenen van verdediging
geschonken heeft; en zij zette zich in een hoek aan haar werk, zoo kalm
en stil, dat haar weinig oplettende vader niet het minste vermoeden
kreeg, dat haar iets deerde.
Alsof het lot dus besloten had de ziekelijke aandoening en den
hartstocht van het arme kind aan te vuren en te vermeerderen, spanden
alle omstandigheden en alle personen, die haar omringden, te zamen om
daaraan voedsel te verschaffen. Hare moeder moedigde hare liefde aan en
keurde die goed, en zelfs de woorden, waarmee Bows hare liefdevlam had
trachten uit te dooven, verhoogden die rampzalige koortsvlaag. Pen was
geen booswicht, geen verleider; hij legde grootheid van ziel aan den
dag, toen hij het besluit nam haar te vermijden. Pen, die brave en
voorname, die schitterende jongeling met zijne gouden kettingen en zijn
geparfumeerd bruin haar, had haar lief! Ja, dat had hij ook, – of
misschien zou hij haar vijf jaar geleden aldus hebben liefgehad,
voordat de wereld den vurigen en onnadenkenden knaap verstaald had, –
voordat hij zich over eene dwaze en onvoorzichtige liefde schaamde en
ze smoorde gelijk arme vrouwen haar onwettige kinderen doen, niet om
den misstap, maar om de schande, en uit vrees dat de wereld haar met
den vinger zal aanwijzen.
Welk fatsoenlijk mensch zal tegenspreken, dat hij volmaakt gelijk had
een huwelijk met een slechtopgevoed meisje van geringen stand te
vermijden, wier manieren in haar nieuwen stand niet zouden passen? – en
welk wijsgeer zou hem niet verzekeren, dat het beste wat men kan doen
met die kleine hartstochtjes, zoodra zij ontkiemen, is zich er van te
bevrijden, ze voorbij te laten gaan en te genezen; dat geen man om eene
vrouw sterft, en vice versa; en de een of de andere, na in dit
bijzondere geval de mogelijkheid te hebben ingezien om zijn of haar
wensch te vervullen, de zaak ten beste moet opnemen en den andere
vergeten, elders uitzien en eene nieuwe keuze doen? En echter zou er
misschien voor het tegenovergestelde gevoelen ook wel wat aan te voeren
zijn. Wellicht had Bows gelijk, dat hij dien hartstocht van Pen, hoe
onredelijk en onvoorzichtig ook, bewonderde, die hem bereid deed zijn
alles voor zijne liefde op het spel te zetten; het kon ook wel wezen,
dat, ofschoon zelfverloochening eene prijzenswaardige deugd is, de
zelfverloochening uit louter wereldsche beweegredenen niet veel lof
verdient. In het kort, laat dit een punt blijven ter beslissing van
iederen zedemeester, die het gelieft te behandelen.
Zooveel is zeker, dat mijnheer Pen, met de wereldkennis die hij nu
bezat, het denkbeeld om een doodarm meisje uit de keuken te trouwen
verworpen en bespot zou hebben. En daar dit nu eenmaal bij hem
vaststond, handelde hij niet anders dan als fatsoenlijk man door alle
ongelukkige genegenheid, die hij voor de arme kleine Fanny mocht
koesteren, te onderdrukken.
Zij wachtte dus van het eene oogenblik op het andere, dat Arthur zou
komen. Zij wachtte eene gansche week, en eerst aan het einde van dien
tijd vernam het arme schepseltje van Costigan, dat Arthur doodziek lag.
Het toeval wilde, dat, denzelfden avond nadat Costigan zijn bezoek bij
Pen had afgelegd, Arthur’s oom, de achtenswaardige majoor, van Buxton,
waarheen hij was gegaan tot herstel van gezondheid, te Londen terugkwam
en zijn kamerdienaar Morgan afzond om naar den welstand van Arthur te
vernemen en dien heertegen den volgenden morgen bij den majoor op het
ontbijt te vragen. De majoor trok slechts door Londen, op weg naar
Stillbrook, de buitenplaats van Lord Steyne, waar hij op de jacht
genoodigd was.
Morgan kwam met een zeer neerslachtig gezicht bij zijn meester terug.
Hij had mijnheer Arthur gezien, maar mijnheer was er zeer slecht aan
toe, want mijnheer lag met de koorts te bed. Er moest noodzakelijk om
een dokter gezonden worden, want Morgan hield het voor een zeer
bedenkelijk geval.
Mijn hemel! dat mocht wel een treurig nieuws heeten. Hij had gehoopt,
dat Arthur zou meegaan naar Stillbrook; hij had dat reeds overlegd en
van Lord Steyne een uitnoodiging voor zijn neef weten te krijgen. Hij
zelf moest gaan; hij kon Lord Steyne niet te leur stellen; de koorts
kon besmettelijk wezen; het kon de mazelen zijn; hij had die nooit
gehad, en op zijn leeftijd konden die zeer gevaarlijk wezen. Was er
iemand bij mijnheer Arthur?
Morgan antwoordde, dat er niemand was, die mijnheer Arthur oppaste.
Daarop vroeg de majoor, of zijn neef geneeskundige hulp had, en Morgan
antwoordde, dat hij dit ook gevraagd had, maar vernomen had, dat er bij
mijnheer Pendennis geen dokter kwam.
Morgan’s meester was oprecht getroffen, toen hij van Arthur’s ziekte
hoorde. Hij had wel naar hem toe willen gaan; maar wat kon het Arthur
baten, dat de majoor ook de koorts kreeg? Zijn eigene kwalen maakten
het hem onmogelijk iemand anders dan zich zelven op te passen. Doch de
jongen moest hulp hebben, de beste hulp, en Morgan werd door majoor
Pendennis onmiddellijk met een briefje naar dokter Goodenough gezonden,
die gelukkig in Londen en thuis was en dadelijk van zijn diner opstond,
zoodat zijn rijtuig zich binnen een half uur in Upper Temple Lane, in
de nabijheid van Pen’s kamers, vertoonde.
De majoor had den vriendelijken geneesheer verzocht hem eenige tijding
van zijn neef te brengen in de club, waar hij zelf dineerde, en in den
loop van den avond verscheen de dokter daar ook. Het was een zeer
ernstig geval; de patiënt had zware koortsen; hij had Pen dadelijk doen
aderlaten, en zou hem den volgenden morgen heel vroeg gaan bezoeken. De
majoor ging met dit onzalige nieuws geheel verslagen te bed. Toen
Goodenough hem den volgenden dag, overeenkomstig zijne belofte, kwam
bezoeken, moest de dokter een kwartier lang luisteren naar een verslag
van des majoors eigene kwalen, alvorens deze gelegenheid had iets
betrekkelijk Arthur aan te hooren.
Hij had een zeer slechten nacht gehad, zeide zijn – oppasster; eens was
hij aan het ijlen geweest. Het kon slecht afloopen, en daarom was het
wenschelijk, dat zijne moeder dadelijk ontboden wierd. De majoor
schreef den brief aan mevrouw Pendennis met de grootste vlugheid en te
gelijk met de fijnste voorzorgen. Wat een bezoek van hem zelven bij den
knaap betrof, dat was in zijn toestand onmogelijk. „Kan ik hem van
eenig nut zijn, waarde dokter?” vroeg hij.
„Neen,” antwoordde de dokter met een fijn lachje; hij geloofde niet dat
de majoor van eenig nut kon wezen; zijn eigene kostbare gezondheid
eischte de meeste zorg. Het best wat hij kon doen, was zich naar buiten
te begeven en daar te blijven. De dokter zelf zou den patiënt tweemaal
daags bezoeken en alles voor hem doen wat hij vermocht.
De majoor verklaarde op zijn eer, dat hij dadelijk naar Pen’s kamer zou
snellen, als hij eenige hulp kon aanbrengen. Zooals de zaken nu
stonden, moest Morgan er maar heengaan, om te zorgen dat alles
behoorlijk gedaan werd. De dokter moest met elke post naar Stillbrook
schrijven. Het was maar veertig mijlen van Londen, en als er iets
gebeurde, zou hij overkomen, wat het ook kostte.
Majoor Pendennis oefende zijne liefdadigheid per zaakwaarnemer en per
post uit. „Wat kon hij anders doen?” gelijk hij zeide. „Ge weet, in
zulke gevallen is niets beter dan den patiënt met rust te laten. Indien
het met zoo’n armen kerel een slechten loop neemt, weet men, dat er
niets meer aan te doen is. Maar om beter te worden (en ik ben zeker,
waarde dokter, dat gij het op dit punt met mij eens zult zijn), is het
beste hem stil te houden, volmaakt stil!”
Dit was de wijze, waarop de oude heer zijn geweten trachtte te sussen.
Hij sloeg dien dag per spoortrein den weg naar Stillbrook in (want in
den loop van dit verhaal zijn de spoorwegen ontstaan, ofschoon zij in
Pen’s graafschap nog niet tot de alledaagsche zaken behooren) en
verscheen in zijne gewone nette kleeding en gekrulde pruik aan de tafel
van den markies van Steyne. Maar wij moeten den majoor het recht laten
weervaren van te verklaren, dat hij zeer verdrietig en afgetrokken was.
Wagg en Wenham staken den draak met zijne neerslachtigheid, vroegen hem
of hij een blauwtje geloopen had, en vermaakten zich op velerlei wijze
ten zijnen koste. Aan de whisttafel, na het diner, verloor hij zijn
geld en troefde zelfs de hoogste schoppen van zijn maat. De gedachte
aan den lijdenden knaap, op wien hij trotsch was en dien hij op zijn
eigene manier liefhad, hield den ouden heer den halven nacht wakker en
maakte hem koortsig en ongerust.
Des morgens ontving hij een briefje van eene hand, die hij niet kende.
Het was die van mijnheer Bows, die berichtte, dat mijnheer Pendennis
een tamelijk rustigen nacht had doorgebracht, en dat hij, Bows, dit
bericht per spoor zond, omdat dokter Goodenough had gezegd, dat de
majoor op de hoogte van den toestand van zijn neef wenschte gehouden te
worden.
Den volgenden dag was hij op het punt met eenige der heeren, die ten
huize van Lord Steyne logeerden, op de jacht te gaan, en het gezelschap
stond op het terras voor het huis op de rijtuigen te wachten, toen een
huurrijtuig van het naburige station kwam aanrijden, waaruit een grijs
oud heertje, van een vrij kaal voorkomen sprong, en naar majoor
Pendennis vroeg. Het was mijnheer Bows. Hij nam den majoor ter zijde en
sprak met hem, en de meeste der aanwezige heeren zagen aan het
ontstelde gelaat van den majoor, dat er iets gewichtigs gebeurd was.
„Het is een deurwaarder, die den majoor komt pakken,” zeide Wagg, maar
niemand lachte om de aardigheid.
„Hola! Wat is er gaande, Pendennis?” riep Lord Steyne op zijn
snijdenden toon; „is er een ongeluk gebeurd?”
„Mijn – mijn – arme jongen is dood,” antwoordde de majoor en barstte in
tranen uit, want de oude man was geheel verpletterd.
„Nog niet dood, mylord,” zeide mijnheer Bows op zachten toon, „maar op
het uiterste toen ik Londen verliet.”
Op dit oogenblik, toen de drie mannen stonden te spreken, kwam er een
rijtuig voor. De pair zag op zijn horloge. „Gij hebt nog twintig
minuten om den sneltrein te halen. Spring er in, Pendennis, en rijd
alsof de duivel u op de hielen zat! Verstaat gij mij niet, mijnheer?”
Het rijtuig reed snel met Pendennis en zijn bezoeker weg, en wij hopen,
dat de vloek van den markies van Steyne vergeven zal worden.
De majoor reed even snel van het station naar den Temple, en bevond dat
eene reiskoets hem daar reeds vóór was en de nauwe Temple Lane
versperde. Er stapten twee dames uit, die aan de kruiers den weg
vroegen. Toevallig keek de majoor naar het portier van het rijtuig en
herkende het uitgesleten helmteeken van den adelaar, die naar de zon
opziet, met het motto: Nec tenui pennâ daaronder geschilderd. Het was
het oude rijtuig zijns broeders, vele, vele jaren geleden gemaakt, en
het waren Helena en Laura, die den weg naar de kamer van den armen Pen
vroegen.
Hij liep naar haar toe, nam zijne zuster haastig bij den arm en kuste
hare hand, waarop het drietal Lamb Court binnentrad en de hooge en
donkere trap beklom.
Zachtkens klopten zij aan de deur, op welke Arthur’s naam stond en die
door Fanny Bolton geopend werd.