HET GELUKKIGE DORP ANDERMAAL.

In het eerste gedeelte van dit verhaal hebben wij de gelegenheid

waargenomen om van het stadje Clavering, in welks nabuurschap Pen’s

vaderlijk erfgoed, Fairoaks lag, en van sommige bewoners van dat

plaatsje te spreken, en aangezien die kringen in geenerlei opzicht

vermakelijk of aangenaam waren, hebben wij er niet zeer breedvoerig

over uitgeweid. Mijnheer Samuel Huxter, de heer met wien wij onlangs in

den Vauxhall kennis maakten, was een der uitverkorenen van het stadje

wanneer hij het in zijne vacantiën kwam bezoeken, en verlevendigde

aldaar de tafelvreugde zijner vrienden door aardigheden uit het

St.-Bartholomeushospitaal en de praatjes der deftige Londensche kringen

in welke hij verkeerde.

Mijnheer Hobnell, de jonge heer, die, ten gevolge van den twist over

jufvrouw Fotheringay, door Pen was afgerost, was, toen hij nog te

Clavering schoollag, dikwijls door jufvrouw Huxter, Samuel’s moeder, op

thee genoodigd en had vrijen toegang tot de apotheek, waar hij den weg

naar de tamarindepotten wist en zijn zakdoek met rozenwater mocht

besproeien. In dit tijdperk zijns levens had Hobnell genegenheid voor

de jonge jufvrouw Sophie Huxter opgevat, die hij, na het overlijden van

zijn vader, huwde en naar zijn buiten The Warren, weinige mijlen

afstands van Clavering, heenvoerde.

Zijne familie had daar vele jaren lang als eigenaars of pachters

landerijen bezeten en bebouwd. Hobnell’s vader had de oude boerderij

afgebroken en een blinkend nieuw gewit heerenhuis opgetrokken, met

ruime stallen en eene piano in het salon; hij hield eenige koppels

jachthonden en noemde zich „mijnheer”. Toen hij stierf en zijn zoon in

zijne plaats regeerde, kon de familie beschouwd worden als voor vast

gerangschikt onder de deftige geslachten van het graafschap, zoodat Sam

Huxter te Londen niet veel overdreef als hij tegen zijne kameraden in

het hospitaal, die hem met bewondering aanhoorden, over het landgoed,

de paarden, de honden en de gastvrijheid van zijn schoonbroeder

zwetste. Ieder jaar deed Hobnell een uitstapje naar Londen gewoonlijk,

op den tijd wanneer mevrouw Hobnell, wegens de vermeerderde zorgen voor

hare kinderkamer, niet van huis kon. Hij nam dan kamers in het

Tavistock Hotel en ging met Sam de vermaken der stad genieten. Ascott,

de schouwburgen, de Vauxhall en de prettige koffiehuizen in den

vroolijken omtrek van Covent Garden waren de plaatsen, die de levendige

landjonker dan met zijn geleerden broeder bezocht. Wanneer hij zich te

Londen bevond, zeide hij, hield hij er van, te doen gelijk de

Londenaars doen, en het er eens van te nemen, en als hij naar buiten

terugkeerde, nam hij een nieuwen hoed en shawl voor mevrouw Hobnell mee

en verwisselde de weelderige vermaken van het Londensche leven, voor de

elf volgende maanden, tegen landelijke uitspanningen en bezigheden.

Sam Huxter stond steeds in briefwisseling met zijn schoonbroeder en

hield hem op de hoogte van de nieuwtjes der hoofdstad, uit dankbaarheid

voor de manden met hazen, patrijzen en den room, die de landjonker en

diens goedhartige vrouw aan Sam zonden. Zij kenden geen geestiger en

beschaafder jonkman dan Sam. Hij was het leven en de ziel van hun huis,

als hij zich in zijne geboorteplaats vertoonde. Op The Warren schaterde

men aanhoudend van het lachen over zijne liedjes en zetten en grappen.

Hij had het leven van de oudste dochter gered door haar eene graat uit

de keel te halen; kortom, hij was de ziel van hun huiselijken kring.

Het ongeluk wilde, dat Pen, drie dagen na het gebeurde in den Vauxhall,

mijnheer Huxter alweer ontmoette. Getrouw aan zijne belofte, was hij de

kleine Fanny niet gaan bezoeken. Hij trachtte haar door werken en

andere inspanning van den geest uit zijn hart te verdrijven.

Onophoudelijk, hoewel met niet veel vrucht, zat hij op zijne kamer te

werken, en in zijne hoedanigheid van recensent voor de Pall Mall

Gazette richtte hij eene bloedige slachting aan onder dichters en

romanschrijvers, die voor zijn rechterstoel verschenen. Na dezen

gebeuld te hebben, ging hij dineeren in de eenzame Polyanthus-Club,

waar de leege zalen hem benauwd en somber stemden. Hij zocht

uitspanning in een schouwburg. De gansche zaal daverde van het lachen

en het applaudisseeren; maar hij zag slechts eene zoutelooze klucht,

die hem ergerde. De komiek zou zijne vroolijkheid verloren hebben,

indien hij Pen’s stuursch gelaat had gezien. Hij wist ternauwernood wat

er gebeurde; alles ging als in een droom of in eene koorts hem voorbij.

Daarop besloot hij naar de Achterkeuken te gaan, zijn geliefkoosd

toevluchtsoord met Warrington, want hij gevoelde nog geen slaap. Den

vorigen dag had hij, om tot rust te komen, twintig mijlen over de heide

van Hampstead en door de lanen van Hendon gewandeld, en toch des nachts

geen oog gesloten. Hij zou dus de Achterkeuken opzoeken. Het was hem

een soort van troost, dat hij daar Bows zou zien. Bows was er ook en

zat zeer kalm aan de oude piano. Er werden eenige verbazend comische

liedjes gezongen en de zaal daverde van het lachen. Wat kwamen zij Pen

vreemd voor! Hij zag niets dan Bows. Het was verwonderlijk, dat hij in

een uitgebranden vulkaan, gelijk hij zijne borst noemde, zulk eene vlam

kon gevoelen! Twee dagen van toegeven hadden haar doen ontbranden; –

twee dagen van onthouding hadden haar tot een lichten laaien gloed

aangeblazen. Hierover napeinzende en het eene glas na het ander

drinkende, wilde het ongeluk dat Arthur’s oog op mijnheer Huxter viel,

die, evenals hij, naar den schouwburg was geweest en nu met een paar

kameraden de zaal binnentrad. Tot Pen’s groote ergernis fluisterde

Huxter zijne buren iets toe, en Arthur gevoelde, dat de ander over hem

sprak. Gevolgd door zijne vrienden, baande Huxter zich daarop een weg

door de zaal, en zette zich tegenover Pen neder, dien hij gemeenzaam

toeknikte en hem eene morsige hand toestak.

Pen reikte zijn stadgenoot de hand, en dacht dat hij dien avond in den

Vauxhall al te opvliegend tegen hem was geweest. Huxter van zijn kant,

die met zich zelven en de gansche wereld volkomen tevreden was,

vermoedde in het minst niet, dat hij wien ook onaangenaam kon zijn,

want dat kleine geschil – of „standje”, gelijk hij het noemde – in den

Vauxhall was eene beuzeling, waaraan hij in het geheel geen gewicht

hechtte.

Nadat de volgeling van Galenus vier glazen bier besteld had, waarmede

hij en zijn gezelschap zich te goed deden, begon hij te overleggen wat

wel het prettigste onderwerp van gesprek voor Pen zou zijn, en bepaalde

zich juist tot dat, hetgeen onzen jongen heer het pijnlijkst was.

„Prettige avond in den Vauxhall, niet waar?” zeide hij, terwijl hij hem

een veelbeteekenend knipoogje toewierp.

„Het doet mij pleizier dat gij er genoegen hebt gehad,” antwoordde de

arme Pen, zijn verdriet verbergende.

„Ik was verduiveld aangeschoten – erg – had met eenige jongelui te

Greenwich gegeten. Ge hadt daar een aardig lapje mousseline aan den arm

wie was het?” vroeg de bekoorlijke student.

Die vraag was te veel voor Arthur. „Heb ik u naar uwe zaken gevraagd,

mijnheer Huxter?” zeide hij.

„Ik heb u niets beleedigends willen zeggen – ik vraag verschooning –

wat drommel, het is of gij me wilt opeten!” hernam de ander verbaasd.

„Herinnert ge u niet meer wat er dien avond tusschen ons is

voorgevallen?” vroeg Pen met klimmenden toorn. „Zijt ge het vergeten?

Dat is wel waarschijnlijk, want gij waart beschonken, gelijk ge zoo

even zelf gezegd hebt, en zeer onbeschoft.”

„Voor den drommel, mijnheer, ik heb u reeds verschooning gevraagd,”

zeide Huxter, rood wordende.

„Dat hebt gij, en ik heb het u van harte vergeven. Maar als ge het u

herinneren kunt, heb ik u verzocht mij voortaan van de lijst uwer

kennissen te schrappen en, wanneer wij elkander weer in het openbaar

ontmoetten, de moeite niet te nemen van mij te herkennen. Wees zoo goed

dit voor het vervolg te onthouden, en daar het zingen juist weder

begint, zult ge me wel veroorloven u aan het ongestoorde genot der

muziek over te laten.”

Daarop nam hij zijn hoed, maakte eene buiging voor den verbaasden

Huxter en verliet de tafel, terwijl Huxter’s kameraden, na een

oogenblik van verbazing, zoo hard om den jongen chirurgijn begonnen te

lachen, dat de president der vergadering er zich mee moest bemoeien en

uitriep: „Stilte, heeren! weest toch wat stil voor de Lijkendief!” want

dat populaire lied werd juist aangeheven, toen Pen de Achterkeuken

verliet. Hij vleide zich, dat hij zich volmaakt beheerscht had.

Eigenlijk had hij gewenscht, dat Huxter zich strijdlustig zou betoond

hebben, want hij had gaarne met hem of iemand anders willen vechten.

Hij ging naar huis. Het werk van dien dag, de tooneelvertooning, de

whiskygrog, het krakeel, – niets had medegewerkt om hem tot bedaren te

brengen. Hij sliep niet beter dan den vorigen nacht.

Eenige dagen later schreef mijnheer Sam Huxter een brief aan mijnheer

Hobnell ten platten lande, waarvan mijnheer Arthur Pendennis het

hoofdonderwerp uitmaakte. Sam beschreef Arthur’s levenswijze te Londen

en zijn verwenscht onbeschaamd gedrag jegens zijne vrienden van thuis.

Hij was, zeide Huxter, een reddelooze schavuit, een eerste don Juan,

een kerel die, wanneer hij op het land kwam, buiten fatsoenlijke huizen

moest gesloten worden. Hij had hem in den Vauxhall zien dansen met een

onschuldig meisje van de mindere klasse, dat hij tot zijn slachtoffer

maakte. Van een Iersch heer (die vroeger bij het leger gediend had) en

die ook eene club bezocht, waarvan Huxter lid was, had deze laatste

vernomen wie het meisje was, op hetwelk deze verwaande kwast zijne

helsche kunstgrepen aanwendde; hij dacht er over om haar vader te

waarschuwen, enz., enz. Vervolgens liep de brief over het algemeene

nieuws, drukte den dank van den schrijver voor de laatste bezending van

huis en de konijnen uit, en gaf te verstaan, dat hij volgaarne bereid

was verdere geschenken aan te nemen.

Gelijk wij gezegd hebben, was er gemiddeld ééns per jaar gelegenheid

voor eene doopplechtigheid op The Warren, en het geval wilde, dat deze

plechtigheid den dag nadat Hobnell den brief van zijn schoonbroeder te

Londen had ontvangen, plaats had. Het kind (een dotje van een meisje)

werd Myra Lucretia gedoopt, naar hare twee peetmoeders, jufvrouw

Portman en jufvrouw Pybus van Clavering, en daar Hobnell natuurlijk

Sam’s brief aan zijne vrouw had medegedeeld, maakte mevrouw Hobnell

hare beide vriendinnen met den gruwelijken inhoud bekend. Het was eene

mooie historie, die in den loop van den dag mooi door heel Clavering

verteld werd!

Myra verhaalde het geval niet aan hare mama – daarvoor was zij er te

veel van ontroerd, maar jufvrouw Pybus behoefde zich daardoor niet te

laten weerhouden. Zij sprak over de zaak niet alleen met mevrouw

Portman, maar met mijnheer Simcoe en zijne deftige vrouw, met mevrouw

Glanders (wier dochters bijtijds de kamer werden uitgezonden), met

madame Fribsby, kortom met iedereen, die iets beteekende te Clavering.

Met een slinkschen blik op de afbeelding van den dragonder en een

innerlijken blik in haar eigene droevige herinneringen, zeide madame

Fribsby, dat mannen mannen bleven, en, zoolang zij mannen waren,

verleiders zouden zijn; en daarop zeide zij mijmerend eenige regels uit

Marmion op, waarin zij verzocht ingelicht te worden, waar minnaars, die

bedriegers zijn, zouden moeten rusten? Jufvrouw Pybus kon haar haat,

haar afschuw, hare verachting voor een schelm, die tot zulke laagheden

in staat was, niet sterk genoeg uitdrukken. Dit waren de gevolgen van

te veel toegeeflijkheid in de jeugd, van onbeschoftheid, van

losbandigheid, van aristocratischen bluf (het was eene waarheid, dat

Pen geweigerd had thee te gaan drinken bij jufvrouw Pybus), van het

bijwonen dier schandelijke en afschuwelijke partijen in dat

verschrikkelijke hedendaagsche Babylon! Mevrouw Portman moest, tot haar

leedwezen, erkennen, dat de noodlottige ingenomenheid zijner moeder den

jongen bedorven had; dat zijn voorspoed op de letterkundige loopbaan

zijn hoofd op hol had gebracht, en dat zijne booze hartstochten hem de

beginselen hadden doen vergeten, die doctor Portman hem in zijne jeugd

had ingeprent. Toen Glanders, die snoode dragonderkapitein, door

mevrouw Glanders van het voorgevallene onderricht werd, begon hij te

fluiten en maakte hij aan het diner koddige toespelingen daarop, tot

mevrouw hem een ongevoelig mensch noemde en de meisjes weer de kamer

uitzond, daar de kapitein begon te schateren van het lachen. Mijnheer

Simcoe vernam het nieuws met kalmte, ofschoon het hem niet onwelkom

was; want het bevestigde de meening, die hij altijd van dien

rampzaligen jonkman had gekoesterd. Niet dat hij iets bijzonders van

hem wist, niet dat hij ooit een regel van zijne gevaarlijke en

venijnige werken had gelezen, dat verhoede de hemel; maar wat kon men

van zulk een jongeling en van zulk een verschrikkelijk, beklaaglijk,

betreurenswaardig gemis van ernst verwachten? Pen leverde het onderwerp

voor eene tweede preek in de Kapel der Ruste te Clavering, waarin de

gevaren van Londen en het misdadige van het lezen of schrijven van

romans, op zekeren Zondagavond voor eene talrijke en belangstellende

gemeente werden uiteengezet. Zij wachtten niet af, of hij schuldig dan

wel onschuldig zou bevonden worden. Zij namen zijne boosheid als

bewezen aan, en onder deze uitstekende zedemeesters was het een

wedstrijd, wie den eersten steen op den armen Pen zou werpen.

Onverzeld, en van aandoening en afmatting bezwijkende, wandelde of

liever liep mevrouw Pendennis den volgenden dag naar de woning van

doctor Portman, om den raad van den goeden man in te roepen. Zij had

een naamloozen brief ontvangen; een of ander christen, of christin, had

het van zijn of haar plicht geacht, de goede ziel, die nooit iemand

leed had gedaan, een dolk in het hart te stooten, – een naamlooze brief

vol bijbelteksten, waarin het lot van dergelijke zondaren werd

omschreven, alles vergezeld van een uitvoerig verslag van Pen’s

misdaden. Zij verkeerde in een staat van schrik en ontroering,

jammerlijk om te aanschouwen. De twee of drie uren, dat zij deze

foltering had doorstaan, hadden haar verouderd. In haar eerste

oogenblikken van ontzetting had zij den brief laten vallen, welken

Laura daarop gelezen had. Zij bloosde er over, en beefde over haar

gansche lichaam, – maar van toorn. „Die lafaards!” riep zij uit. „Het

is niet waar, – neen, moeder, het is niet waar!”

„Het is wel waar, en gij zijt er de oorzaak van, Laura!” antwoordde

Helena driftig „Waarom hebt gij hem afgewezen, toen hij u vroeg? Waarom

hebt gij mij het hart gebroken, door hem te bedanken? Gij zijt het, die

hem tot misdaad gebracht hebt. Gij zijt het, die hem in de armen van

die – die vrouw hebt geworpen. Spreek niet tegen mij! Geef mij geen

antwoord! Ik zal het u nooit vergeven – nooit! Martha! breng mijn hoed

en doek. Ik moet uit. Ik wil niet, dat gij met mij meegaat. Ga weg!

Laat mij alleen, hardvochtig kind waarom hebt gij die schande over mijn

hoofd gebracht?” En na hare dochter en hare dienstboden gelast te

hebben haar ongemoeid te laten, liep zij den weg naar Clavering op.

Na den brief doorgezien te hebben, zeide doctor Portman, die natuurlijk

met de tegen den armen Pen ingebrachte beschuldigingen reeds bekend

was, dat hij het schrift meende te kennen. De waardige doctor trachtte

wellicht in strijd met zijn overtuiging (want hij had, gelijk de

meesten onzer, van nature een grooten aanleg om geruchten, die

ongunstig voor zijne bekenden luidden, te gelooven), Helena te

troosten; hij stelde in het licht, dat de lastertaal van iemand

afkomstig was, die zijn naam niet durfde noemen, en dus het werk van

een slecht mensch moest zijn; dat de beschuldiging wellicht –

waarschijnlijk zelfs – ongegrond was en dat Pen minstens gehoord moest

worden voordat hij veroordeeld werd; dat de zoon van zulk eene moeder

niet licht zulk eene misdaad zou bedrijven, enz., enz.

Helena doorzag oogenblikkelijk deze voorgewende bedenkingen en

tegenspraak. „Gij gelooft, dat hij het gedaan heeft,” sprak zij; „gij

zult mij niet tegenspreken, dat gij het gelooft! Och, doctor Portman,

waarom heb ik hem ooit verlaten, of van mij laten heengaan! Maar hij

kan niet eerloos zijn – God geve het, niet eerloos – dat gelooft gij

ook niet, – niet waar? Herinner u hoe hij zich jegens die andere vrouw

gedragen heeft – hoe dolzinnig hij aan haar gehecht was. Hij was toen

een eerlijke jongen – en dat is hij nog! En ik dank God – ja, ik val er

voor op mijne knieën en dank God, dat hij Laura afbetaald heeft. Gij

hebt gezegd, dat hij goed was – dat hebt gij zelf gezegd! En als nu

deze vrouw hem liefheeft – en iedereen, dat weet gij, moet hem

liefhebben – als hij haar uit haar huis geroofd heeft, of als zij hem

in den strik heeft gelokt, hetgeen het waarschijnlijkst is – welnu, dan

moet zij zijne vrouw en mijne dochter worden. En hij moet zich aan die

verschrikkelijke wereld onttrekken en bij mij terugkomen, – bij zijne

moeder, doctor Portman. Laten wij er heenreizen en hem terugbrengen, –

ja, hem terugbrengen – en er zal vreugde zijn over – den zondaar die

zich bekeert. Laten wij dadelijk gaan, beste vriend, nog dezen zelfden

–”

Verder kon Helena het niet brengen. Zij zonk in onmacht neer. Men

bracht haar ten huize van den meewarigen dominé te bed en ontbood een

geneesheer om haar te verzorgen. Den ganschen nacht lag zij in een

bedenkelijken toestand. Laura kwam naar haar toe, of liever naar de

pastorie, want Helena wilde Laura niet zien. Doctor Portman, van zijn

kant, die het meisje bezwoer zich bedaard te houden en die meer

overtuigd en doordrongen werd van Arthur’s onschuld, naarmate hij het

verschrikkelijke hartzeer der arme moeder bijwoonde, schreef een brief

aan Pen om hem te verwittigen van de geruchten, die er over hem in

omloop waren, en hem dringend te verzoeken berouw te hebben en eene

verbintenis af te breken, die zoo noodlottig was voor zijne tijdelijke

belangen en voor het heil zijner ziel.

En Laura? Werd haar hart niet getroffen door de gedachte aan Arthur’s

overtreding en Helena’s misnoegen? Was het voor het onschuldige meisje

geen verpletterende slag, dat zij op eenmaal al de liefde verloor,

welke zij op aarde op prijs stelde?

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 105 / 155 题