IN OF BIJ DEN TUIN VAN DEN TEMPLE.

De voorname wereld heeft sinds lang den groenen en lieven tuin van den

Temple veronachtzaamd, waar Shakespeare de hertogen van York en

Lancaster de onschuldige witte en roode rozen laat plukken, die de

leuzen in hunne bloedige oorlogen werden; en de geleerde en

vermakelijke schrijver van het Handboek van Londen bericht ons, dat de

gemeenste en taaiste rozensoort in dien rookerigen dampkring niet meer

ontluikt. Waarschijnlijk weten of bekommeren zich slechts weinige der

tegenwoordige bewoners van de gebouwen daar ter plaatse, of er al dan

niet rozen groeien, en gaan zij de oude poort alleen door op weg naar

hunne kantoren. De procureursklerken dragen geen bloemen in hunne

zakken, of bouquetten onder den arm, als zij naar de kantoren der

advocaten gaan en de enkele rechtsgeleerden, die voor hunne gezondheid

wandelen, denken zeer weinig aan York en Lancaster, vooral nu er geen

spoorwegzaken voor die beide steden meer te behandelen zijn. Alleen

liefhebbers van oudheid en letterkunde nemen den tuin met veel

belangstelling in oogenschouw en stellen zich den goeden Sir Roger de

Coverley en Mijnheer den Spectator met zijn rond gelaat voor, zooals

zij te zamen de paden op en neer wandelen; of dien lieven Olivier

Goldsmith in het koepeltje, misschien peinzende over een volgend nommer

van „de Wereldburger” of over het nieuwe pak kleeren, dat Filby voor

hem maakt, of over den brandbrief, dien mijnheer Newbery hem heeft

gezonden. Met zware stappen op het kiezelzand, majestueus

rondwandelende in een snuifkleurig gewaad en met eene pruik, die groote

behoefte heeft aan het poeier en de krulijzers van den kapper, ziet men

den Grooten Doctor Johnson naar hem toekomen (met zijn Schotschen

lakei, Boswell, op de hielen van den schrijver van het woordenboek),

terwijl beiden meer of minder bevangen zijn door den portwijn, in de

herberg gebruikt, – waarop mijnheer Johnson mijnheer Goldsmith

uitnoodigt met hem mee naar huis te gaan en een kopje thee bij jufvrouw

Williams te drinken. Liefelijke getrouwheid der verbeeldingskracht! Sir

Roger en mijnheer de Spectator staan zoo duidelijk voor ons oog als de

beide doctors en de beschonken en eerlijke Schot. De gestalten, door de

poëzie geschapen, leven even tastbaar in onze herinnering als de

werkelijke personen, en daar mijnheer Arthur Pendennis een romanesken

en letterkundigen aanleg bezat en geenszins verslaafd was aan de in

dien omtrek gebruikelijke rechtsgeleerde studiën, mogen wij aannemen,

dat die jonge heer met eenige van die dichterlijke herinneringen

vervuld was, toen hij, den avond na de gebeurtenissen, in het vorige

hoofdstuk beschreven, den tuin van den Temple tot de plaats zijner

lichaamsbeweging en overdenkingen koos.

Des Zondagavonds is het gewoonlijk stil in den Temple. De kamers staan

voor het meerendeel leeg; de voorname rechtsgeleerden geven groote

diners in hunne huizen in Belgravia of Tyburnia; de beminnelijke jonge

advocaten zijn ook afwezig, wonen die partijen bij en maken mijnheer

Kewsy een compliment over zijn uitmuntenden wijn, of hun hof aan de

talentvolle dochters van mijnheer Ermine, den rechter. Degenen, die

nergens genoodigd zijn, gebruiken een goedkoopen schapebout en een

bescheiden half fleschje wijn in de club, en vermaken zich zelven en de

overige bezoekers in de koffiekamer met anekdotes, die zij bij de

zittingen van de rechtbank hebben opgedaan, en met geestige zetten, of

rechtsgeleerde spitsvondigheden. Niemand, kortom, blijft op zijne

kamers in den Temple dan de arme mijnheer Cockle, die ziek ligt en

wiens waschvrouw gerstewater voor hem zet; of mijnheer Toodle, die een

liefhebber van de fluit is, zoodat men hem in de eenzaamheid kan hooren

blazen op zijne kamer op de derde verdieping; of de jonge Tiger, de

student, uit wiens geopende vensters dikke wolken tabaksrook opstijgen,

en aan wiens deur een aantal schotels en deksels te zien zijn met het

merk van Dicks of van den Haan. Maar wacht even! waarheen voert ons de

verbeelding? Het is vacantie, en met uitzondering van Pendennis is er

geen mensch hoegenaamd op de kamers.

Het was dus misschien de eenzaamheid, die Pen naar den tuin dreef; want

ofschoon hij nooit nog te voren de poort was doorgegaan en vrij

onverschillig naar de lieve bloembedden en de groepjes stedelingen, die

over de nette grasperken en de breede kiezelpaden langs de rivier

wandelden, had gekeken, wilde het toeval dezen avond, gelijk wij gezegd

hebben, dat de jonge heer, na in eene restauratie nabij den Temple

alleen gegeten te hebben, op het denkbeeld kwam, toen hij naar zijne

kamers terugkeerde, om eene kleine wandeling door den tuin te doen en

zich met de frissche avondkoelte en het gezicht op den schitterenden

Theems te verlustigen. Na een oogenblikje gewandeld en de talrijke

vreedzame en blijde groepjes in het rond beschouwd te hebben, begon hem

dat werk te vervelen, zoodat hij een der koepeltjes, die aan beide

zijden aan het einde van het hoofdpad staan, binnentrad en zich daar in

stilte neerzette. Waarover dacht hij thans? De avond was heerlijk

helder en stil; de lucht was onbewolkt; de schoorsteenen op den

tegenoverliggenden oever rookten niet, de werven en pakhuizen waren

door de avondzon verguld en zagen er zoo helder uit, alsof ook zij zich

voor dezen dag van uitspanning hadden opgeknapt. De stoombooten,

beladen met menschen die uitstapjes deden, vlogen de rivier op en af.

De klokken der talrijke kerken van Londen noodigden tot het avondgebed.

Wellicht dat Pen zich dergelijke vreedzame sabbat-avonden uit zijne

vroegere dagen herinnerde, toen hij, met den arm om de middel zijner

moeder, het grasperk voor het ouderlijk huis op en neer wandelde. De

zon verlichtte zoowel den kleinen Brawl als den breeden Theems en zonk

trotsch achter de olmen van Clavering en den toren van het welbekende

dorpskerkje weg. Was het deze gedachtenloop of alleen de gloed der

ondergaande zon, welke dien blos op het gelaat van den jonkman opriep?

Hij tikte op de bank de maat van het gelui der klokken, sloeg met zijn

zakdoek het stof van zijne blinkende laarzen, en sprong toen op en riep

uit, terwijl hij met den voet stampte: „Neen, bij den hemel! ik zal

naar huis gaan.” En toen hij dit besluit genomen had – waaruit bleek,

dat er in zijn gemoed een zekere strijd had plaats gehad of hij kon

blijven waar hij was, dan wel of hij den tuin moest verlaten – stapte

hij het koepeltje uit.

Het scheelde weinig of hij liep twee kleine kinderen omver, die niet

veel hooger dan zijne knie reikten, en die over het kiezelpad draafden,

terwijl hunne lange blauwe schaduwen schuins oostwaarts vielen.

Het eene kind riep: „O!” en het andere begon te lachen en zeide op

kinderlijk gemeenzame wijze: „Meheer Pendennis!” waarop Arthur, naar

beneden kijkende, zijne beide kleine vriendinnetjes van den vorigen

dag, mesdemoiselles Amelia-Anna en Betsy-Jane, ontwaarde. Op dat

gezicht bloosde hij sterker dan te voren; hij nam het kind op, dat hij

bijna onder den voet geloopen had, wierp het in de lucht en gaf het een

kus, bij welken onverhoedschen aanval Amelia-Anna, erg verschrikt, het

begon uit te schreeuwen.

Deze kreten deden dadelijk twee dames met schoone kraagjes, nieuwe

linten en mooie shawls aansnellen, te weten jufvrouw Bolton, met een

vuurrooden Schotschen cachemiren shawl en eene zwart zijden japon, en

jufvrouw F. Bolton, met eene gele sjerp en een lief gebloemd

mousselientje en eene parasol – van top tot teen de dame. Fanny sprak

geen enkel woord, ofschoon haar oogen een welkomstgroet uitstraalden en

zoo helder schitterden als de sterkst verlichte vensters van Paper

Buildings. Na Betsy-Jane eene vermaning gegeven te hebben, zeide

jufvrouw Bolton: „Heere! Hoe zonderling, mijnheer, dat wij u hier

ontmoeten! Hoe vaart u, mijnheer? Is het niet zonderling, Fanny, dat

wij mijnheer Pendennis tegenkomen?” Waarom lacht gij, mesdames? Is het

nooit gebeurd, wanneer de jonge Croesus op eene buitenplaats logeerde,

dat gij, door een toevalligen samenloop van omstandigheden, met uwe

Fanny aan het wandelen waart in het plantsoen? Hebt gij met Fanny nooit

staan luisteren naar de muziek der zware dragonders te Brighton, als de

jonge de Boots en kapitein Padmore met rinkelende sporen het havenhoofd

afkwamen? Waart gij met uw engelachtige Françoise nooit bij de oude

weduwe Wheezy in dat hutje op de heide, als de jonge hulpprediker

binnentrad met een traktaatje tegen de rheumatiek? Denkt gij, dat, als

er zulke toevalligheden in het heerenhuis gebeuren, zij ook niet

voorvallen in de portierswoning?

Het was, zonder twijfel, een toeval, anders niet. In den loop van het

gesprek van den vorigen dag had mijnheer Pendennis op de ongezochtste

wijze, die men zich kan voorstellen, en in antwoord op eene vraag van

de jonge jufvrouw Bolton, gezegd dat, ofschoon sommige pleinen somber

waren, andere gedeelten van den Temple zeer vroolijk en aangenaam

waren, vooral de kamers die op de rivier en den tuin uitzagen, en dat

die tuin eene zeer genoeglijke wandeling des Zondagavonds opleverde en

door een groot aantal menschen bezocht werd – en ziedaar nu, op de

toevalligste wijze ontmoeten al onze bekenden elkander daar, juist als

het met zoovelen in de voorname wereld gaat. Wat kan ongezochter,

genoeglijker of natuurlijker zijn?

Pen zag er zeer statig, deftig en voornaam uit. Zijne kleeding was

buitengemeen net en schitterend. Zijne witte broek, zijn witte hoed,

zijne veelkleurige das, zijn licht vest, zijne gouden kettingen en

hemdsknoopjes schonken hem minstens het voorkomen van een prins van den

bloede. Wat stond die pracht hem goed! Nooit was iemand bij hem te

vergelijken geweest, dacht een der leden van het gezelschap. Hij

bloosde – wat stond die blos hem bevallig, zeide dezelfde persoon in

haar hart. Zijn voorkomen had den vorigen dag zoo zeer de aandacht der

kinderen getrokken, dat zij na zijn vertrek Pendennisje gespeeld

hadden. Amelia-Anna had hare kleine mollige vingertjes in de armsgaten

van haar voorschoot gestoken, gelijk Pen het in zijn vest deed, en

gezegd: „Betsy-Jane, nu ben ik meheer Pendennis.” Fanny had bij die

voorstelling tranen gelachen en haar zusje bijna doodgezoend. Wat was

zij ook blij, toen zij Arthur het kind zag omhelzen!

Was Arthur rood, Fanny zag er daarentegen zeer afgemat uit. Hij merkte

het op en vroeg haar vriendelijk naar de reden van haar

oogenschijnlijke vermoeidheid.

„Ik heb den ganschen nacht wakker gelegen,” zeide Fanny en begon een

weinig te blozen.

„Ik heb hare kaars uitgedaan en gezegd dat zij moest gaan slapen en met

lezen uitscheiden,” kwam hare liefhebbende moeder er tusschen.

„Waart gij aan het lezen? En wat hield u dan zoo bezig?” vroeg Pen,

dien hare bekentenis vermaakte.

„O, ik vind het zoo mooi!” zeide Fanny.

„Wat?”

„Walter Lorraine,” antwoordde zij met een zucht. „O, ik heb zoo’n hekel

aan die Neara of Næra – ik weet niet hoe ik dien naam moet uitspreken.

En ik houd zooveel van Leonora! En die Walter, wat is die lief!”

Hoe had Fanny ontdekt, dat er een roman Walter Lorraine bestond en dat

Pen daarvan de schrijver was? Ons kleine persoontje herinnerde zich elk

woord, dat mijnheer Pendennis den vorigen avond gesproken had, en dus

ook dat hij in boeken en couranten schreef. Maar welke boeken? Zij was

daarnaar zoo nieuwsgierig, dat zij op het punt stond vriendelijk te

worden tegen den ouden Bows, die sinds gisteren onder haar ongenade

zuchtte; doch eerst besloot zij zich tot Costigan te wenden. Zij begon

met den kapitein te vleien en hem op haar innemendste wijze toe te

lachen, terwijl zij zijn diner aanrichtte en zijn nederig vertrekje in

orde bracht. Zij verklaarde zich overtuigd, dat zijn linnen wel eens

mocht nagezien worden (en werkelijk bevatte het linnenkastje van den

kapitein eenige merkwaardige staaltjes van manufacturen van vlas en

katoen); zij zou zijne hemden verstellen – al zijne hemden. Wat

verschrikkelijke gaten – wat kluchtige gaten! Zij stak haar gezichtje

door een dier openingen en lachte den ouden krijgsman op de

lieftalligste wijze toe. Het zou een aardig portretje van haar zijn

geweest, zoo kijkende door die gaten. Daarop ruimde zij netjes

Costigan’s tafelgoed op en trippelde door de kamer, gelijk zij het de

danseressen op het tooneel had zien doen; en daarop huppelde zij naar

het kastje van den kapitein en haalde er zijne whiskyflesch uit, en

maakte een glas voor hem klaar, en vroeg of zij er eens van proeven

mocht, een enkel dropje, en de kapitein moest haar een van zijne

liedjes, een van die lieve liedjes voorzingen, en het haar leeren. En

toen hij met zijne volle en beverige stem een Iersch deuntje gezongen

had, en zich verbeeldde dat hij het was, die de kleine sirene

betooverde, bracht zij haar kleine vraagje omtrent Arthur Pendennis en

diens roman op het tapijt, en toen zij daarop antwoord gekregen had,

bekommerde zij zich om niets meer, maar liet den kapitein alleen aan de

piano zitten, waar hij juist nog een liedje voor haar zou zingen, en

vergat den bak met het tafelgoed in den gang en de hemden op den stoel,

en rende zoo hard zij kon naar beneden.

Kapitein Costigan had gezegd, dat hij geen letterkundige was en ook nog

geen tijd had kunnen vinden om het schoone boek van zijn jongen vriend

te lezen, maar dat hij de eerste gelegenheid de beste zou waarnemen om

er een exemplaar van te koopen. Maar hij kende den naam van Pen’s

roman, doordien de heeren Finucane, Bludyer en andere bezoekers van de

Achterkeuken, wanneer zij van Pen spraken (hetgeen niet altijd met lof

geschiedde, want Bludyer noemde hem een verwenschten kwast, en Hoolan

gaf zijne verwondering te kennen, dat Doolan hem niet de zaal

uitschopte, enz.), hem met den bijnaam Walter Lorraine aanduidden, en

daardoor was Costigan in staat om Fanny de begeerde inlichting te

geven.

„En zij ging naar de leesbibliotheek en vroeg er om,” zeide jufvrouw

Bolton, – „naar verscheidene bibliotheken, en sommige hadden het boek,

maar het was uit, en andere hadden het niet; en eene der bibliotheken,

die het hadden, wilde het haar niet geven, of zij moest een pond

sterling tot pand laten, en zooveel had zij niet, zoodat zij schreiende

thuis kwam – niet waar, Fanny? – en toen heb ik haar het geld gegeven.”

„En ik was zoo bang, dat iemand het uit de bibliotheek zou komen halen

terwijl ik weg was,” zeide Fanny, met roode wangen en schitterende

oogen. „En o! het is zoo mooi!”

Arthur was door deze ongekunstelde blijken van sympathie geroerd; hij

was er bovenmate door gestreeld en getroffen. „Bevalt het u!” zeide

hij. „Als gij wilt meegaan naar mijne kamer, zal ik – Neen, ik zal u

een exemplaar brengen – Neen, ik zal het u zenden. Goedennacht. Ik dank

u, Fanny. God zegen u. Ik kan niet bij u blijven. Vaarwel, vaarwel!” En

nogmaals hare hand drukkende en hare moeder en de kinderen

toeknikkende, ging hij den tuin uit.

Toen hij haar verliet versnelde hij zijne schreden, en in zich zelven

mompelende, liep hij de poort uit. „Lief, lief schepseltje!” zeide hij.

„Engel van een Fanny! Gij weegt tegen alle anderen op! Ware Shandon

maar terug! dan zou ik naar huis gaan, naar moeder. Ik moet haar niet

weerzien; ik wil niet. Ik wil niet, zoo waarlijk helpe mij –”

En terwijl hij aldus sprak en voortsnelde, zoodat de voorbijgangers

bleven staan om hem na te kijken, liep hij tegen een oud mannetje aan,

in wien hij mijnheer Bows herkende.

„Uw onderdanige dienaar, mijnheer,” zeide Bows met eene spottende

buiging en nam zijn kalen hoed af.

„Goedendag,” antwoordde Arthur norsch. „Laat ik u niet ophouden, of van

u de moeite vergen, mij weer op den voet te volgen. Ik heb haast,

mijnheer. Goedenavond.”

Bows vermoedde, dat Pen reden had om zoo naar zijne kamer te ijlen.

„Waar zijn zij?” riep het oude heertje uit. „Gij weet wel wie ik meen.

Zij zijn niet op uwe kamer, mijnheer, – niet waar? Zij hebben aan

Bolton gezegd, dat zij in den Temple ter kerk gingen; maar daar zijn

zij niet. Zij zijn op uwe kamer en zij mogen op uwe kamer niet zijn,

mijnheer Pendennis!”

„Voor den duivel, mijnheer!” riep Pendennis woedend uit. „Kom mee, en

zie of zij op mijne kamer zijn; hier zijn wij op het plein aan de deur

– kom binnen en zie zelf!” en Bows, na den hoed afgenomen te hebben,

boog en volgde den jonkman.

Zij waren niet op Pen’s kamers, gelijk wij reeds weten. Doch toen de

tuin gesloten werd, keerden de beide vrouwen, die slechts eene treurige

wandeling hadden gedaan, neerslachtig met de kinderen terug en traden

Lamb Court binnen, en plaatsten zich bij den lantarenpaal, die het

midden van het vierkant versiert, van waar zij naar de derde verdieping

van het huis, waar Pendennis zijne kamers had, opzagen, alwaar een

oogenblik later een licht ontstoken werd. Daarop gingen die twee dwaze

vrouwen heen, de vermoeide kinderen medeslepende, en keerden naar

mijnheer Bolton terug, die in de portiersloge van Shepherd’s Inn bij

zijn glas rumgrog zat te suffen.

Mijnheer Bows keek de ledige kamer rond, die door den jonkman bewoond

werd, en sinds den tijd, toen wij haar het laatst zagen, slechts met

weinige sieraden of meubelen opgeschikt was. Warrington’s oude

boekenkast en havelooze bibliotheek, en Pen’s schrijftafel met den berg

van papieren, hadden een zeer gezellig voorkomen. „Wilt gij ook eens in

de slaapkamers zien, of mijne slachtoffers dáár verscholen zijn,

mijnheer Bows?” vroeg Pen bitter, „dan wel of ik de kleine meisjes

vermoord en in het kolenhok verborgen heb?”

„Uw woord is mij voldoende, mijnheer Pendennis,” antwoordde de ander op

weemoedigen toon. „Als gij zegt dat zij er niet zijn, dan geloof ik

het. En ik hoop, dat zij er nooit geweest zijn en er nooit komen

zullen.”

„Op mijn woord, mijnheer, gij zijt wel goed, mijne kennissen voor mij

te kiezen,” zeide Arthur op hoogen toon, „en te verstaan te geven, dat

mijn gezelschap niet zeer wenschelijk is. Ik herinner mij, mijnheer

Bows, dat ik u erkentelijkheid verschuldigd ben voor uwe

vriendelijkheid in lang vervlogen dagen; anders zou ik mij sterker

uitlaten dan ik thans doe over de soort van vervolging, waaraan gij mij

schijnt te willen onderwerpen. Gij hebt mij gisteren tot buiten de Inn

gevolgd, alsof gij wildet oppassen, dat ik niets stal.” Maar zoodra Pen

dit gezegd had, begon hij te stotteren en te blozen, want hij gevoelde,

dat hij den ander hier een wapen in de hand had gegeven, hetwelk deze

dan ook dadelijk aangreep.

„Ik geloof inderdaad, dat gij kwaamt om iets te stelen, zooals gij het

uitdrukt, mijnheer,” zeide Bows. „Zoudt gij willen volhouden, dat gij

een bezoek aan den armen ouden Bows, den speelman, of aan jufvrouw

Bolton in de portiersloge kwaamt brengen? Och kom! Zulk een voornaam

man als de weledelgeboren heer Arthur Pendennis verwaardigt zich niet

naar mijn zolderkamertje te klimmen, of in de keuken van eene

waschvrouw te gaan zitten, indien hij er geen bijzondere redenen toe

heeft. En ik houd het voor zeker, dat gij kwaamt, om het hart van een

lief meisje te stelen, om haar te gronde te richten en daarna te

verstooten, mijnheer Arthur Pendennis! Dat is het, wat de wereld van u,

jonge dandy’s, van u, voorname jongelui, maakt, van u, hooge en

vermogende aristocraten, die het volk vertrapt. Het is voor u spel;

maar wat denkt ge wel, dat het voor de armen is, voor de offers uwer

genotzucht, waarmee gij speelt, om ze op straat te werpen, als gij er

genoeg van hebt? Ik ken den stand, waartoe gij behoort, mijnheer. Ik

ken uwe zelfzucht en uw aanmatiging en uw trots. Wat deert het mylord,

dat de dochter van den armen man ongelukkig en hare familie met schande

overladen wordt? Gij moet uw vermaak hebben en het volk moet het

betalen. Waar zijn wij anders voor geschapen? Zoo zijt gij allen,

mijnheer, allen!”

Bows had zich op een verkeerd terrein geplaatst en daarmee kon Pen zijn

voordeel doen, hetgeen hem niet speet: het was hem niet onwelkom, dat

hij het debat kon afleiden van het punt, waar zijne tegenpartij het

aanvankelijk had begonnen. Arthur barstte dus in een lach uit, waarvoor

hij Bows verschooning vroeg. „Ja, ik ben een aristocraat,” zeide hij,

„in een paleis drie verdiepingen hoog, met een vloerkleed bijna zoo

mooi als het uwe, mijnheer Bows! Ik breng mijn leven door met het

verdrukken van het volk, niet waar? met het verleiden van meisjes en

het bestelen van de arme lui? Beste heer, dit alles is heel aardig in

een blijspel, waar Job Thornberry zich op de borst slaat en aan mylord

vraagt, hoe hij een eerlijk man vertrappen en den haard van een

Engelschman verwoesten durft; maar hoe kunt gij, mijnheer Bows, in het

werkelijke leven, van aristocraten, die het volk verdrukken, spreken

tegen iemand, die even hard voor zijn brood moet werken als gij? Heb ik

u ooit kwaad gedaan? of mij eenige meerderheid over u aangematigd? Hebt

gij mij niet vroeger genegenheid toegedragen – in een tijd toen wij

beiden romaneske jongelui waren, mijnheer Bows. Kom, wees nu niet boos

op mij, en laten wij even goede vrienden zijn als wij het vroeger

waren.”

„Dat was een heel andere tijd,” gaf mijnheer Bows ten antwoord, „en

mijnheer Pendennis was toen een eerlijk, hartstochtelijk jonkman,

misschien wel wat zelfzuchtig en verwaand, maar toch eerlijk. En ik

hield toen van u, omdat gij bereid waart u voor eene vrouw op te

offeren.”

„En thans, mijnheer?” vroeg Arthur.

„Thans zijn de tijden veranderd en wenscht gij dat eene vrouw zich zal

opofferen voor u,” antwoordde Bows. „Ik ken dit kind, mijnheer. Ik heb

altijd gezegd, dat dit lot haar boven het hoofd hing. Zij heeft hare

hersentjes zoo vol met romans, dat zij aan niets anders dan aan

minnaars en minnaressen denkt en ternauwernood meer ziet, dat haar voet

op een keukenvloer rust. Ik heb het schepseltje onderwezen. Zij bezit

vele talenten en bekoorlijkheden, dat verzeker ik u. Ik houd innig veel

van dat meisje, mijnheer. Ik ben een verlaten oud man; ik leid een

leven, dat mij niet behaagt, onder kameraden, die mij bedroefd maken.

Ik geef om niets anders dan om dat kind. Heb medelijden met mij en neem

haar niet van mij weg, mijnheer Pendennis, – neem haar niet van mij

weg!”

Onder het spreken bleef de stem den ouden man in de keel steken. Het

aandoenlijke in zijn toon trof Pen veel meer dan de dreigende of

sarcastische wijze, waarop Bows begonnen was.

„Gij beoordeelt mij inderdaad verkeerd,” zeide hij vriendelijk, „indien

gij u verbeeldt, dat ik de arme kleine Fanny eenig leed zou willen

aandoen. Jongstleden Vrijdagavond heb ik haar voor het eerst van mijn

leven gezien. Op de toevalligste wijze bracht onze vriend Costigan haar

mij te gemoet. Ik koester geen bedoelingen jegens haar – dat wil zeggen

–”

„Dat wil zeggen, dat gij zeer goed weet, dat zij een dwaas meisje is en

hare moeder eene dwaze vrouw – dat wil zeggen, dat gij haar in den tuin

van den Temple ontmoet, natuurlijk zonder eenige afspraak, – dat wil

zeggen, dat toen ik haar gisteren lezende vond in het boek, dat gij

geschreven hebt, zij mij hare verachting deed gevoelen,” zeide Bows.

„Waartoe dien ik, dan om uitgelachen te worden? een mismaakt oud

schepsel gelijk ik ben, een oude vedelaar, die eene kale jas draagt en

zijn brood verdient door deuntjes in eene herberg te spelen? Gij zijt

een dandy! Gij hebt reukwater op uw zakdoek en een ring aan uw vinger.

Gij gaat uit eten bij voorname lui. Wie geeft ooit eene korst brood aan

den ouden Bows? En echter had ik evenveel kunnen beteekenen als de

beste onder u. Ik had een man van genie kunnen zijn, als de

omstandigheden mij gediend hadden, en met de eerste genieën des lands

kunnen omgaan. Maar alles is mij tegengeloopen. Er was een tijd, dat

mij de eerzucht bezielde en ik tooneelstukken, gedichten, muziek

schreef, – maar niemand wilde mij aanhooren. Geen vrouw had ik ooit

lief, of zij lachte mij uit, en hier sta ik nu in mijn ouderdom alleen,

alleen! Ontneem mij dit meisje niet, mijnheer Pendennis, smeek ik

nogmaals! Laat mij haar nog een korten tijd behouden. Tot op gisteren

was zij een kind voor mij. Waarom kwaamt gij er tusschen, om mijne

mismaaktheid door haar te doen bespotten?”

„Daaraan ben ik ten minste onschuldig,” antwoordde Arthur met een soort

van zucht. „Op mijn woord van eer, ik wenschte dat ik het meisje nooit

gezien had. Ik ben geen verleider van beroep, mijnheer Bows. Tot – tot

heden avond had ik er geen gedachte van, dat ik op de arme Fanny indruk

had gemaakt. En toen deed het mij leed, mijnheer, en toen ik u

ontmoette, ontvlood ik juist de verzoeking. En,” voegde hij er met een

gloed op het gelaat, die zijn bezoeker in de toenemende duisternis niet

zien kon, en met eene merkbare trilling in zijne stem bij, „ik wil niet

voor u verbergen, mijnheer, dat ik op dezen Sabbat-avond, toen de

kerkklokken luidden, aan mijn eigen huis dacht, en aan de vrouwen, als

engelen zoo rein en goed, die daar wonen, en dat ik, toen ik u

tegenkwam, zoo snel hierheen liep, om het gevaar te ontwijken dat mij

bedreigde, en van God Almachtig kracht te bidden om bij mijn plicht te

blijven!”

Op deze woorden van Arthur volgden eenige oogenblikken van stilte, en

zijn bezoeker sprak, toen hij het onderhoud hervatte, op een veel

kalmer en vriendelijker toon. En toen Bows afscheid nam, verzocht hij

Pen de hand te mogen drukken; van beide kanten was dit afscheid warm en

hartelijk, en Bows vroeg verschooning, dat hij Arthur had miskend, en

maakte hem eenige complimenten, die ten gevolge hadden, dat de jonkman

de hand van zijn ouden vriend andermaal met innigheid drukte. Bij het

vaarwel aan de deur zeide Arthur, dat hij eene gelofte gedaan had, en

hoopte en vertrouwde, dat mijnheer Bows zich daarop zou verlaten.

„Amen op dat gebed!” zeide Bows en ging langzaam de trap af.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 103 / 155 题