Onze vriend Pen zeide dus: „Hoe gaat het, mijnheer Bows?” op luiden en
vroolijken toon, toen hij dien heer gewaar werd, en verwelkomde hem op
levendige en luchtige wijze; maar toch zou men een blos op Arthur’s
wang hebben kunnen bespeuren (weerkaatst door Fanny, wier gelaat
onmiddellijk een soortgelijk flikkerend rood signaal opheesch); en
nadat Bows en Arthur elkander de hand hadden gegeven, en de eerste zich
op ironische wijze des anderen verzekering, dat hij op de kamer van
mijnheer Costigan een bezoek had willen afleggen, had laten
welgevallen, ontstond er eene sombere en eenigszins schuldbewuste
stilte in het gezelschap, welke Pen dadelijk trachtte te verdrijven
door veel drukte en gebabbel. De stilte verdween natuurlijk bij
mijnheer Arthur’s luidruchtigheid, maar de somberheid bleef bestaan en
nam toe, gelijk met de duisternis in een gewelf het geval is, als men
een enkele kaars ontsteekt. Pendennis trachtte op eene grappige wijze
de voorvallen van gisterenavond te beschrijven en deed moeite om
Costigan na te bootsen, zooals hij vruchteloos had staan twisten met
den bureaulist in den Vauxhall. Het was geene volmaakte nabootsing; wie
zou dat toppunt van volmaaktheid aanschouwelijk kunnen voorstellen?
Niemand van het gezelschap lachte er om. Jufvrouw Bolton begreep
volstrekt niet wie het was, dien mijnheer Pendennis nabootste, den
bureaulist of den kapitein. Fanny zette een verschrikt gezicht en
waagde een schuchter lachje; de oude Bows zag er zoo ernstig uit alsof
hij in het orkest vedelde, of op de piano in de Achterkeuken een
moeielijk stuk uitvoerde. Pen gevoelde dat zijn aardigheid mislukt was;
aan het slot van zijn verhaal daalde en stierf zijne stem op eene
jammerlijke wijze weg: zij flikkerde nog even op en ging uit, en alles
was weer donker. Men kon de voetstappen van den kruier, die zich altijd
in den omtrek van Shepherd’s Inn ophoudt, op de steenen onder de poort
hooren; iedereen merkte het gekletter van de hakken zijner laarzen op.
„Gij hadt mij een bezoek willen brengen, mijnheer?” zeide Bows. „Zoudt
gij dan de goedheid willen hebben met mij naar mijne kamer te gaan? Gij
zult mij voorwaar eene groote eer bewijzen. Het is tamelijk hoog; maar
–”
„O, ik woon zelf op eene zolderverdieping,” viel Pen hem in de rede,
„en Shepherd’s Inn is veel vroolijker dan Lamb Court.”
„Ik wist, dat gij uwe kamers op eene derde verdieping hadt,” zeide
mijnheer Bows, „en ik wilde juist zeggen – ik hoop dat gij het mij niet
kwalijk zult nemen – dat de lucht, drie trappen hoog gezonder, is voor
gentlemen dan de dampkring van eene portiersloge.”
„Mijnheer!” zeide Pen, wiens kaars door zijn toorn weer opflikkerde en
die in eene stemming verkeerde om zoo twistziek te wezen als de
menschen zijn wanneer zij ongelijk hebben. „Gij zult mij wel
veroorloven mijn gezelschap te kiezen zonder –”
„Gij hadt de beleefdheid te zeggen, dat gij mijn nederig verblijf met
een bezoek wildet vereeren,” zeide Bows op zijn droeven toon. „Wil ik u
den weg wijzen? Mijnheer Pendennis en ik zijn oude vrienden, jufvrouw
Bolton, – zeer oude kennissen. In den allereersten morgenstond van zijn
leven ontmoetten wij elkander.”
De oude man wees met een bevenden vinger naar de deur, met zijn hoed in
de andere hand, en in eene houding, die wel wat theatraal was, evenals
zijne woorden het waren, die hij eenigszins gemaakt uitsprak en die hij
gekozen had uit de taal, welke hij zijn leven lang van de geblankette
lippen der redenaars voor de voetlichten gehoord had. Doch ofschoon Pen
wel lust gevoelde, met het melodramatische voorkomen van den ouden man
den spot te drijven, gevoelde hij zeer goed, dat deze geen rol speelde
of aannam. „Kom dan mee, mijnheer,” zeide hij, „als gij er zoo sterk op
aandringt. Goedendag, jufvrouw Bolton. Vaarwel, jufvrouw Fanny; ik zal
mij altijd met genoegen onzen avond in den Vauxhall herinneren, en ik
beloof u, dat ik aan de toegangsbiljetten voor den schouwburg denken
zal.” En met die woorden nam hij hare hand en drukte die, kreeg een
wederdruk, en verdween.
„Wat is dat een lief jongmensch!” riep jufvrouw Bolton uit.
„Niet waar, ma?” zeide Fanny.
„Ik zat mij te bedenken op wien hij toch geleek. Toen ik aan den
Sadler’s Wells-schouwburg verbonden was met mevrouw Serle,” vervolgde
jufvrouw Bolton, terwijl zij tusschen de gordijntjes door Pen nakeek,
die met Bows het plein overging, „toen was er een jong heer uit de
City, die een witten hoed droeg en met eene tilbury kwam, en die
sprekend op hem geleek, uitgezonderd dat hij zwarte bakkebaarden had en
die van mijnheer P. zijn rood.”
„Heere! ma! zij zijn van het mooiste bruin, dat men zien kan,” zeide
Fanny.
„Hij kwam om Emily Budd, die de colombine was in „Harlekijn’s
horlepijp, of de slag van Navarino,” toen jufvrouw de La Bosky ziek was
– eene knappe danseres en een mooi figuurtje voor het tooneel – en hij
was een voornaam banketbakker in de City en had eene buitenplaats te
Omerton. Hij placht haar in zijne tilbury naar Goswell Street Road te
rijden, en eens, dat hij daar weer heen reed, lieten zij zich trouwen
in de Bartholomeuskerk in Smithfield, waar hunne geboden heel in de
stilte waren afgekondigd, en nu houdt zij rijtuig en ik heb haar naam
in de courant gezien onder de dames directrices van het bal op het
Mansion House ten voordeele van het liefdadig gesticht voor
waschvrouwen. En zie Lady Mirabel eens – kapitein Costigan’s dochter –
die is op het tooneel geweest, zooals iedereen weet.” Jufvrouw Bolton
zeide dit een en ander, en nog meer betrekkelijk dit onderwerp, terwijl
zij nu eens door de gordijntjes keek en dan weer de kroezen en borden
schoonmaakte en in het kastje in den hoek wegzette; en zij eindigde
hare rede eerst toen zij met Fanny het tafellaken uitschudde en
opvouwde en het op zijne plaats in de lade der tafel legde.
Ofschoon Costigan bij eene vroegere gelegenheid vrij nauwkeurig omtrent
den staat van Pen’s geldmiddelen en vooruitzichten was ingelicht, moet
ik vooronderstellen, dat Cos die kennis, welke hij jaren geleden te
Chatteries had verkregen, vergeten had, of dat hij door zijn aangeboren
zucht tot overdrijving verleid was geworden het inkomen van zijn vriend
te hoog aan te slaan. Toen hij den vorigen avond, gedurende Pen’s
kleine échappade met Fanny, met jufvrouw Bolton wandelde, had hij haar
Fairoaks-Park met de gloeiendste kleuren afgeschilderd; hij had
uitgeweid over de ontzaglijke schatten van Pen’s vermaarden oom, den
majoor, en een innige bekendheid met Pen’s bezittingen en effecten en
landerijen aan den dag gelegd. Zeer waarschijnlijk had jufvrouw Bolton
in hare wijsheid den ganschen nacht over die aangelegenheden liggen na
te denken en in den geest Fanny reeds in hare koets zien rijden, gelijk
jufvrouw Bolton’s voormalige vriendin, de danseres van Sadler’s Wells.
Bij die laatste operatie van het opvouwen van het tafellaken kwamen de
beide dwaze vrouwen natuurlijk zeer dicht bij elkander; en toen Fanny
het laken aanvatte en er de laatste vouw aan gaf, legde de moeder haar
vinger onder de kin van het jonge meisje en gaf haar een kus. Wederom
vertoonde zich het roode signaal en flikkerde het op Fanny’s wang. Wat
beteekende dat nu? Ditmaal was het geen schrik. Het was van genoegen,
dat de arme kleine Fanny zoo bloosde. Arme kleine Fanny! Hoe? zou de
liefde zondig zijn, daar zij aanvankelijk zoo aangenaam is en ten
slotte zoo bitter?
Na die omhelzing vond jufvrouw Bolton goed te zeggen, dat zij voor
zaken uit moest, en dat Fanny op de portiersloge moest passen, waarin
het meisje na niet meer dan eene zeer flauwe tegenwerping bewilligde.
Jufvrouw Bolton zette dus haar hoed op, nam hare boodschappenmand mede
en ging uit; en zoodra zij weg was, zette Fanny zich aan het venster,
waar zij het gezicht had op de woning van Bows, en wendde haar oogen
van dat gedeelte van Shepherd’s Inn niet meer af
Betsy-Jane en Amelia-Anna zaten in een hoek van de kamer te stoeien en
hielden zich alsof zij in een prentenboek lazen, dat een van beiden het
onderste boven hield. Het was een ernstig en huiveringwekkend
traktaatje uit mijnheer Bolton’s boekverzameling. Fanny hoorde niet hoe
hare zusjes daarover keuvelden. Zij lette op niets dan op de huisdeur
bij Bows.
Eindelijk schrikte zij eventjes en haar oogen glinsterden. Hij was er
uitgekomen. Hij zou hare deur weer voorbijgaan. Doch reeds een
oogenblikje later betrok haar gezichtje, want Pendennis kwam wel naar
buiten, maar Bows volgde hem op den voet. Beiden gingen onder de poort
door. Hij nam alleen zijn hoed af en maakte eene buiging toen hij naar
binnen zag, maar hij hield niet stil om met haar te spreken.
Na een minuut drie vier kwam Bows alleen terug en trad de kamer van den
portier binnen. Fanny wist niet juist hoeveel tijd er verloopen was,
maar zij keek hem woedend aan toen hij binnentrad.
„Waar is uwe ma, liefje?” vroeg hij aan Fanny.
„Dat weet ik niet,” gaf zij met eene spijtige hoofdbeweging ten
antwoord. „Gij denkt toch niet, mijnheer Bows, dat ik ma als hare
schaduw volg?”
„Ben ik mijn moeders hoeder?” zeide Bows met zijne gewone
melancholische bitterheid. „Kom eens hier, Betsy-Jane en Amelia-Anna;
ik heb een koekje voor degene, die hare letters het best kent, en dan
nog een voor die daarop volgt.”
Toen de jonge dames het examen doorstaan hadden, dat Bows haar afnam,
werden zij beloond met hare medailles van koek, die zij op het plein
gingen opeten. Onderwijl haalde Fanny eenig werk te voorschijn en hield
zich alsof zij daarmee druk bezig was, ofschoon zij, terwijl hare naald
heen en weer ging, zeer opgewonden en boos was. Bows had zich zoodanig
geplaatst, dat hij het gezicht had op den uitgang van de woning naar de
straat. Doch de persoon, dien hij misschien dacht te zullen zien, kwam
niet meer opdagen; en toen jufvrouw Bolton van de markt terugkwam, vond
zij Bows op de plaats van den persoon, dien zij verwacht had te zullen
zien. De lezer kan misschien wel gissen hoe hij heette.
Het onderhoud van Bows met zijn gast, toen beiden de trap opklommen
naar het vertrek, dat de eerstgenoemde met den afstammeling der
Milesische koningen bewoonde, was voor beide partijen niet bijzonder
aangenaam. Pen was norsch, en zoo Bows iets op het hart had, wilde hij
zich daarvan niet ontlasten in tegenwoordigheid van kapitein Costigan,
die al den tijd van Pen’s bezoek in de kamer bleef en, om de waarheid
te zeggen, ook slechts weinige minuten vóór de komst van dien heer
zijne slaapkamer verlaten had. Wij hebben het déshabillé van majoor
Pendennis bijgewoond; zou iemand de kamerdienaar van onzen anderen
held, Costigan, willen zijn? Het scheen dat de kapitein, alvorens zijn
slaapvertrek te verlaten, zich met extract van whisky besproeide. Er
ging een sterke geur van dat heerlijke reukwater van hem uit, toen hij
zijn bezoeker de hand der vriendschap reikte. Die hand beefde
jammerlijk, en het was een wonder hoe ze het scheermes kon vasthouden,
waarmee de arme gentleman dagelijks over zijne kin voer.
De kamer van Bows was integendeel even net als die van zijn medebewoner
slordig was. Zijn armoedige kleederen hingen achter een gordijn. Zijne
boeken en geschrevene muziek stonden ordelijk op planken. Een
gesteendrukt portret van jufvrouw Fotheringay in de rol van Mevrouw
Haller, met de min fraaie handteekening der actrice, hing trouw boven
het bed van den ouden heer. Lady Mirabel schreef veel beter dan
jufvrouw Fotheringay ooit had gedaan. Mylady had zich sinds haar
huwelijk zeer bevlijtigd om de schrijfkunst aan te leeren, en kweet
zich zeer loffelijk als zij, ook in naam van haar man, een briefje
moest schrijven om een uitnoodiging te doen of aan te nemen. Bows hield
echter het meest van het oude schrift, de eerste manier, van de schoone
kunstenares. Hij bezat slechts één proefje van de nieuwe manier, een
briefje van dankbetuiging voor een lied, gecomponeerd voor en
opgedragen aan Lady Mirabel door haar zeer onderdanigen dienaar Robert
Bows, welk stuk hij als een schat onder de andere archieven in zijn
lessenaar bewaarde. Tegenwoordig leerde hij Fanny Bolton zingen en
schrijven, gelijk hij het Emily in vroegere dagen geleerd had. Het was
voor dien man eene behoefte zich aan iets te hechten. Toen Emily hem
ontrukt werd, nam hij een andere in hare plaats, gelijk een man, die
een been verloren heeft, naar eene kruk uitziet, of, als hij schipbreuk
geleden heeft, zich aan eene plank vastbindt. Latude had ongetwijfeld
zijn hart aan eene vrouw geschonken, voordat hij zich in de Bastille
zoo innig aan eene muis hechtte. Er zijn menschen, die in hunne jonge
jaren eene vurige liefde gekoesterd of ingeboezemd hebben, en eindigen
met zich gelukkig te gevoelen in de vriendschapsbewijzen van een
poedel, of in angst te geraken over de ziekte van zulk een dier. Maar
het was hard voor Bows, en pijnlijk voor zijn gevoel als mensch, en wel
als sentimenteel mensch, dat hij Pen alweer op zijn weg vond en wel als
bewonderaar van deze kleine Fanny.
Intusschen koesterde Costigan hoegenaamd geen vermoeden, dat zijn
gezelschap niet volmaakt welkom was aan de heeren Pendennis en Bows, en
dat het bezoek van den eerstgenoemde niet bepaald voor hem zelven
bestemd was. Hij betuigde dus zijn groot genoegen over dit bewijs van
beleefdheid en beloofde zich zelven om althans die schuld – niet de
eenige welke de kapitein in zijn leven had aangegaan – door
verscheidene tegenbezoeken bij zijn jongen vriend uit te wisschen. Hij
sprak met hem op de voorkomendste wijze over het nieuws van den dag, of
liever van den dag te voren, want in zijne hoedanigheid van
dagbladschrijver herinnerde Pen zich, dat hij verscheidene van des
kapiteins opmerkingen in het Nieuwsblad voor de jacht en van het
tooneel, hetgeen Costigan’s orakel was, gelezen had. Hij deelde mede,
dat Sir Charles Mirabel en zijne vrouw naar Baden-Baden waren
vertrokken, en hem met verzoeken bestormden, om ook daarheen te komen.
Pen gaf met de meeste deftigheid ten antwoord, dat hij gehoord had, dat
het te Baden-Baden zeer lief was en dat de groothertog zich jegens de
Engelschen zeer gastvrij betoonde. Costigan hernam, dat de wetten der
gastvrijheid heilig moesten zijn voor een groothertog, en dat hij er
ernstig aan dacht, het echtpaar te gaan opzoeken, waarna hij eenige
bijzonderheden mededeelde omtrent de prachtige feesten op het kasteel
te Dublin, toen zijn Excellentie de graaf Portansherry daar als
lord-stadhouder zijn hof hield, en waarvan Costigan een nederig doch
tevreden toeschouwer was geweest. Terwijl Pen deze verhalen aanhoorde,
die Costigan zoo dikwijls gedaan had en die hij zich zoo goed
herinnerde, stond hem de tijd weer voor den geest, toen hij ze
gedeeltelijk geloofd had en voor den kapitein een zeker ontzag
koesterde. Emily, zijn eerste liefde, het kamertje te Chatteries en het
vriendschappelijk gesprek met Bows op de brug, kwamen hem weer levendig
voor den geest. Hij gevoelde iets hartelijks voor zijne beide oude
bekenden en drukte hun hartelijk de hand, toen hij opstond om te
vertrekken.
Hij had de kleine Fanny Bolton geheel vergeten terwijl de kapitein
sprak en hij zelf in egoïstische overdenkingen verzonken zat. Hij
herinnerde zich harer eerst weder, toen Bows de trap achter hem
afstrompelde, blijkbaar om hem Shepherd’s Inn te zien verlaten.
Bows’ voorzorg was niet gelukkig gekozen. De machtelooze vervolging van
den armen ouden man deed den toorn van mijnheer Arthur Pendennis
ontbranden. „Voor den duivel, waarom volgt hij mij zoo op den voet?”
dacht Pen, en schaterde het uit, toen hij in het Strand alleen was,
over de krijgslist van Bows. Het was geen eerlijke lach, Arthur
Pendennis! En dat gevoelde Arthur misschien zelf ook, want hij bloosde
om zijn eigen grappigheid.
Hij poogde de gedachten te verjagen, die zich aan hem opdrongen, wat
die dan ook zijn mochten, en zocht afleiding op verschillende plaatsen
van uitspanning, maar met weinig bevredigenden uitslag. Hij zwoegde de
hoogste trappen van het Panorama op, maar toen hij hijgende den top
bereikt had, was de Zorg mede met hem naar boven geklommen en hield zij
hem gezelschap. Hij begaf zich naar de club en schreef een langen,
uiterst geestigen en sarcastischen brief naar huis, waarin hij echter
geen woord van den Vauxhall, of van Fanny Bolton repte, omdat hij
meende dat dit onderwerp, hoe boeiend ook voor hem zelven, aan zijne
moeder en Laura niet veel belangstelling zou inboezemen. Noch de romans
noch de leestafel konden hem bezig houden – evenmin als de deftige en
achtenswaardige Jawkins (de eenige man die in de stad gebleven was),
die een praatje met hem wilde maken, of de publieke plaatsen, waar hij
afleiding zocht na Jawkins ontvlucht te zijn. Op weg naar huis ging hij
een vaudeville-theater voorbij, waar hij met groote roode letters voor
de deur zag aangeplakt: „Verbazend kluchtspel!” „Men lacht zich dood!”
„Goede oud-Engelsche pret en genoegen!” Hij nam plaats in het parterre
en zag de lieftallige mevrouw Leary als naar gewoonte in mansgewaad, en
den beroemden komiek Tom Horseman in vrouwenkleeren. Horseman’s
vermomming was in zijn oog eene verschrikkelijke en afschuwelijke
vernedering, en mevrouw Leary’s lonkjes en enkels maakten hoegenaamd
geen indruk op hem. Hij lachte weer bitter toen hij zich den indruk
herinnerde, dien zij den eersten avond van zijne komst te Londen op hem
gemaakt had, nog zoo kort – en toch, reeds hoe lang geleden!