EEN BELEEFDHEIDSBEZOEK.

Costigan kwam Pen niet wakker maken; geen uitdaging van mijnheer Huxter

kwam hem verstoren; en toen Pen ontwaakte, gevoelde hij zich luchtiger

en levendiger dan de afgematte en geblaseerde bewoner van Londen

doorgaans op dat oogenblik is. De koopman of bankier moet dadelijk weer

aan zorgen en effecten denken, en de beurs en het kantoor maken zich

van hem meester zoodra de slaap van onder zijne nachtmuts vliedt; de

advocaat wordt reeds in den vroegen morgen wakker om te denken aan de

zaak, waaraan hij den ganschen dag zal moeten werken, en aan den

onvermijdelijken procureur wien hij zijne papieren nog vóór den avond

beloofd heeft. Wien onzer staat, zoodra hij na de genoten nachtrust de

oogen opent en de wereld weer overziet, zijne zorg niet dadelijk voor

oogen? Nachtrust, vriendelijke versterkster, die ons in staat stelt met

vernieuwden moed de dagtaak weer te aanvaarden! Heerlijke beschikking

der Voorzienigheid, die de rust schept, gelijk zij den arbeid toedeelt!

Mijnheer Pen’s arbeid, of liever zijn aard, was van die soort, dat

zijne dagelijksche bezigheden hem niet veel belangstelling inboezemden,

want het genoegen van het schrijven verflauwt weldra bij den gehuurden

werkman, en het genot van zich in druk te zien, houdt slechts gedurende

de twee of drie eerste artikelen in een magazijn of dagblad stand. Als

Pegasus in het tuig is en elken dag een bepaalden rit moet doen, is hij

even prozaïsch als elk ander paard, zoodat hij zonder de zweep, of zijn

rantsoen haver, niet werken wil. Op die wijze volbracht mijnheer Arthur

zijn werk aan de Pall Mall Gazette (waar zijn honorarium, sedert den

opgang dien hij als romanschrijver gemaakt had, verhoogd was), zonder

de minste geestdrift; hij deed zijn best, of maar zóó zóó, en schreef

nu eens slecht en dan eens goed. Hij was op het letterkundig gebied een

paard, dat van nature vlug liep en zich in den strijd dapper gedroeg.

De samenleving, of hetgeen hij daarvan te zien kreeg, vervroolijkte of

vermaakte hem ook niet bijzonder. In weerwil van zijn snoeven of

zwetsen, waaruit men het tegendeel zou afgeleid hebben, was hij nog te

jong voor den omgang met vrouwen, welken men vermoedelijk eerst ten

volle genieten kan, als men niet meer aan zijn eigen persoon denkt en

alle denkbeelden aan veroveringen opgegeven heeft; hij was evenzeer te

jong om op den voet van gelijkheid met mannen te verkeeren, die hunne

rol in de wereld gespeeld hadden en bij wier gesprekken hij weinig meer

mocht doen dan luisteren. Aan den anderen kant, hij was te oud voor de

pretmakers van zijn eigen leeftijd en te veel een pretmaker voor de

mannen van zaken, zoodat het zijn lot in de wereld was, zeer dikwijls

eenzaam te moeten wezen. Het lot verwijst menigeen tot die eenzaamheid,

en vele menschen zijn er ten gevolge van hun eigen smaak mee ingenomen,

gelijk velen het ook zonder moeite dragen. Pen onderging het in

waarheid met groote zielskalmte, maar beklaagde er zich volgens zijne

gewoonte niet weinig over.

„Wat een aardig onschuldig schepseltje was dat,” dacht mijnheer Pen,

zoodra hij na het gebeurde in den Vauxhall ontwaakte; „wat is zij lief

en natuurlijk, en hoeveel aangenamer ging haar alles af dan die

gemaaktheden van de jonge dames op de bals,” (en hierbij schoten hem

voorbeelden te binnen van de voorgewende eenvoudigheid van jufvrouw

Blanche, die hem wel in het oog had moeten vallen, en van de malle

nuffigheden van andere jonge dames uit de groote wereld); „wie zou

gedacht hebben, dat zulk een mooi roosje in eene portierswoning

groeide, of in dien leelijken ouden bloempot van Shepherd’s Inn bloeien

kon? En dus leert zij zingen van den ouden Bows? Als zij zoo lief zingt

als zij spreekt, moet het een mooi stemmetje zijn. Ik houd wel van die

diepe, gevoileerde stemmen. „Hoe wilt gij dat ik u noemen zal?” Men zou

zeggen! Arme kleine Fanny! Het ging mij aan het hart, dat ik zoo

hooghartig tegen haar wezen en haar verzoeken moest mij „mijnheer” te

noemen. Maar ik moet mij met die gekheden niet inlaten – wij moeten

geen Faust en Margaretha spelen. Die oude Bows! En dus leert hij haar

zingen? Ei, ei! Het is een goede kerel, die oude Bows; een gentleman in

eene kale jas; een wijsgeer, die bovendien een goed hart heeft. Wat was

hij goed voor mij, in dat geval met die Fotheringay! Ook hij heeft

smart en verdriet gekend. Ik moet de vriendschap met den ouden Bows

aanhouden. Men moet menschen van allerlei slag leeren kennen. Die

voorname lui beginnen mij te vervelen. Bovendien is er thans niemand in

de stad. Ja, ik zal Bows gaan opzoeken en Costigan ook; wat een

kluchtig karakter! Ik zal hem goed bestudeeren en in een boek partij

van hem trekken.” Op deze wijze sprak onze jonge anthropoloog bij zich

zelven; en daar de Zaterdag van iedere week een vrije dag was, omdat de

Pall Mall Gazette dan werd uitgegeven, zoodat de medewerkers van het

blad hunne hersens en inktpotten niet verder op schatting behoefden te

stellen, besloot mijnheer Pendennis zijn vrijen tijd te gebruiken om

een bezoek in Shepherd’s Inn te gaan afleggen – natuurlijk om den ouden

Bows te zien.

Om de waarheid te zeggen, Arthur zou, indien hij de stoutmoedigste roué

en de listigste Lovelace ware geweest, die zich ooit op het misleiden

van een jong meisje toelegde, bezwaarlijk betere middelen dan die,

welke hij den vorigen avond had aangewend, in het werk hebben kunnen

stellen, om de arme kleine Fanny Bolton te betooveren en voor zich te

winnen. Zijn voornaam en beschermend gedrag, zijn ingenomenheid met

zich zelven, zijne mildheid en zijn opgeruimdheid, zelfs de braafheid

en eerlijkheid, die hem in staat hadden gesteld de schuchtere

toenadering van het onschuldig schepseltje tegen te gaan en van hare

onervarenheid en vatbaarheid voor indrukken geen misbruik te maken –

kortom, zoowel zijne gebreken als zijne deugden dwongen haar

bewondering af; en indien wij in Fanny’s bed konden zien (dat zij in

een kabinetje met twee kleine zusjes deelde, aan welke wij mijnheer

Costigan koek en appelen hebben zien uitreiken), dan zouden wij het

arme meisje rondwoelende vinden op de matras, tot groote stoornis van

de beide andere slaapsters, terwijl zij al het genoegen en al de

gebeurtenissen van dien heerlijken en aan gebeurtenissen rijken avond

en al de woorden, blikken en handelingen van Arthur, den schitterenden

held van het feest, lag te overdenken. Fanny had thuis in stilte vele

romans in drie deelen en in afleveringen gelezen. De periodieke

literatuur was nog niet tot de hoogte gestegen, die zij sedert bereikt

heeft, en voor de meisjes van Fanny’s tijd bestond geen gelegenheid om

voor een stuiver zestien bladzijden opwekkende lectuur te koopen, vol

verhalen van misdaad en moord, van verdrukte deugd en hardvochtige

aristocratische verleiders; maar zij had gebruik kunnen maken van de

leesbibliotheek, die jufvrouw Minifer gezamenlijk met hare school, een

snoepwinkeltje en eene kleine modezaak hield, – en Arthur was in haar

oog dadelijk de type en de verpersoonlijking van al de helden uit al

die geliefkoosde geel gewordene boekdeelen, welke het jonge meisje

verslonden had. Mijnheer Pen was, gelijk wij reeds weten, zeer keurig

op zijn overhemden en in het algemeen op zijne kleeding. Fanny had met

verrukking de fijnheid van zijn linnen, de pracht zijner hemdsknoopjes,

de sierlijkheid van zijn batisten zakdoek en zijne witte handschoenen

en het schitterend verlaksel van zijne nette laarzen opgemerkt. De

prins had zich vertoond en de arme dienstbare aan zijne zegekar

geboeid. Zijn beeld verscheen haar telkens in haar onrustigen slaap; de

toon zijner stem, het blauwe licht zijner oogen, zijn lieve blik,

waaruit half liefde, half meewarigheid sprak, zijn manhaftige,

beschermende lach, de gulle, innemende wijze waarop hij het kon

uitschateren, dit alles rees weer in de herinnering van het meisje op.

Zij voelde nog altijd hoe zijn arm haar omvatte en zag hem voornaam

glimlachen toen hij dat heerlijke glas champagne inschonk. En daarop

dacht zij aan hare vriendinnetjes, die den neus voor haar optrokken, –

aan Emma Baker, die zoo trotsch was (het had wat te beteekenen!) omdat

zij geëngageerd was met een kaaskooper met een wit voorschoot, in de

nabijheid van Clare Market; en aan Betsy Rodgers, die altijd den mond

zoo vol had van haar vrijer, een procureursklerk (verbeeld je!), die

met een zak vol papieren moest rondloopen!

Derhalve was Fanny, toen omstreeks twee uur (nadat het middagmaal der

familie Bolton was afgeloopen) een heer met witten hoed en witte broek

zich in de poort der Inn vertoonde en bij het deurtje van den portier

stilhield (mijnheer Bolton, die, buiten zijne betrekking als portier

van de Inn, nog in dienst was van de heeren Tressler, de groote

ondernemers van begrafenissen, in het Strand, was de stad uit met de

lijkstaatsie van de gravin van Estrich) – toen was Fanny zeggen, wij,

in het minst niet verwonderd; zij was alleen verrukt en verblijd en

bloosde sterk. Zij wist, dat het niemand anders kon zijn dan Hij. Zij

wist dat Hij zou komen. Daar was Hij; daar was zijne koninklijke

hoogheid, die haar in de poort tegenstraalde. Zij riep: „Mama, mama!”

aan hare moeder, die op de bovenvertrekken aan het werk was, en liep

dadelijk naar het deurtje om het open te doen en duwde de andere

kinderen op zijde. Wat bloosde zij, toen zij hem de hand reikte! Wat

nam hij beleefd den witten hoed af, toen hij binnenkwam, terwijl de

kinderen hem aanstaarden! Hij vroeg aan jufvrouw Bolton, of zij na de

vermoeienissen van den vorigen avond goed geslapen had, en gaf de hoop

te kennen dat zij geen hoofdpijn voelde, en hij voegde er bij, dat hij,

daar hij juist dien weg uit moest, de deur niet had willen voorbijgaan

zonder naar den welstand van zijne danseres te vernemen.

Jufvrouw Bolton was tegenover deze vriendelijkheid wel wat stroef en

achterdochtig; maar Pen bezat een onuitputtelijke goedhartigheid en

bemerkte niet, dat hij onwelkom was. Hij zag in het vertrek naar een

stoel rond, en daar er geen vrij was, want op den eenen stond een

schoteldeksel en op den anderen een werkdoosje en zoo voorts, nam hij

een van de kinderstoeltjes en zette zich op die ongemakkelijke

verhevenheid neder. Hierover begonnen de kinderen te lachen, en het

kind, dat Fanny heette, luider dan iemand anders, – althans vond zij

het grappiger dan iemand der kinderen en tevens stond zij verbaasd over

de nederbuigende goedheid van zijne koninklijke hoogheid. Moest hij op

dat stoeltje zitten, dat kleine kinderstoeltje! Ontelbare malen zag zij

het er later op aan. Heeft niet bijna ieder onzer dergelijke meubelen

op zijne kamer, die de verbeelding met dierbare gestalten bevolkt en

ons geheugen met lieftallige en lachende gezichten vervult, welke ons

misschien nooit meer zullen aanzien?

Pen zette zich dus neer en sprak met groote radheid van tong tegen

jufvrouw Bolton. Hij vroeg hoe het met de begrafeniszaken ging en

hoeveel huilebalken de kist van Lady Estrich volgden, en hoe het met de

Inn stond en wie daar woonden? Hij scheen zeer veel belang in het

rijtuig en het paard van mijnheer Campion te stellen en zeide, dat hij

dien heer wel in gezelschap ontmoet had. Hij dacht wel, dat hij eenige

aandeelen in de Polwheedle en Pontydiddlum-mijnen zou nemen; hield

jufvrouw Bolton ook die kamers schoon? Stonden er kamers te huur in de

Inn? Het was er beter dan in den Temple; hij zou ook wel in Shepherd’s

Inn willen wonen. Wat kapitein Strong betrof, en – kolonel Altamont –

heet hij zoo? ook in deze beiden stelde hij groot belang. De kapitein

was bij hem aan huis een oud vriend geweest. Hij had hier op zijne

kamer wel met hem gedineerd, eer de kolonel bij hem kwam wonen. Wat

soort van man was die kolonel? Was het niet een zwaar man, met veel

goud en juweelen, en eene pruik en groote zwarte snorren – heel zwart

(bij deze woorden was Pen verbazend snaaksch, zoodat de dames het van

de pret uitschreeuwden) – wezenlijk heel zwart of eigenlijk blauwzwart,

dat wil zeggen mooi groenachtig purper? Ja, dat was de man; dien had

hij ook ontmoet, bij Sir Fr.... – in gezelschap.

„O, wij weten het wel,” zeiden de dames, „Sir Fr .... is Sir Francis

Clavering. Die komt dikwijls hier, – twee of driemaal ’s weeks bij den

kapitein. Mijn kleine jongen heeft wel zegels voor hem moeten halen. O

heere! ik vraag excuus, ik had geen geheimen mogen verklappen,”

stamelde jufvrouw Bolton, die thans door Pen’s gebabbel volkomen in

haar humeur was gebracht. „Maar wij weten, dat gij een gentleman zijt,

mijnheer Pendennis, want dat hebt gij getoond, – niet waar, Fanny?”

Fanny hield om dat gezegde nog eens zooveel van hare moeder, en zeide

met eene stem vol gevoel, terwijl zij hare donkere oogen naar de lage

zoldering opsloeg: „Ja, dat is zoo, waarlijk, ma!”

Pen was vrij nieuwsgierig naar die zegels en het verhandelde op

Strong’s kamer, en vroeg wanneer Altamont bij den chevalier kwam, of

hij ook zegels liet halen, wie hij was, of hij vele menschen zag, en

zoo meer. Argeloos en naar haar beste weten, hetgeen niet veel te

beteekenen had, beantwoordde jufvrouw Bolton deze vragen, met veel

slimheid door Pen gedaan, die zijn eigene redenen had om belang in Sir

Francis Clavering’s doen en laten te stellen.

Toen die vragen beantwoord waren en Pen er geene meer wist te bedenken,

herinnerde hij zich gelukkig de voorrechten, die hij als lid van de

dagbladpers bezat, en vroeg aan de dames of zij geen vrijkaartjes voor

den schouwburg wilden hebben? De schouwburg was haar hoogste genot,

gelijk altijd het geval is met personen, die in betrekking tot het

tooneel hebben gestaan. Wanneer Bolton voor zijne beroepszaken uit was

(het scheen, dat de portier van Shepherd’s Inn in den laatsten tijd

fijn was geworden, heel veel dronk en zich nog op verscheiden andere

wijzen onaangenaam maakte voor de dames van zijn gezin), dan deden zij

niets liever dan naar den schouwburg gaan, terwijl het zoontje, Barney,

de wacht hield in de portiersloge; en Pen’s vrijgevig en beleefd aanbod

van kaartjes werd dus met onbegrensde dankbaarheid door moeder en

dochter aangenomen.

Fanny klapte van pret in de handen en haar gelaat glinsterde van

blijdschap. Zij knipoogde en knikte en lachte tegen hare mama, die

evenzeer van haar kant knikte en lachte. Jufvrouw Bolton was nog niet

te oud om genoegen te hebben, noch, naar zij meende, om bewonderd te

worden. En het is niet onwaarschijnlijk, dat mijnheer Pendennis in zijn

gesprek met haar eenige complimentjes had laten vloeien, of zijn

onderhoud althans zóó had ingericht, dat het haar behaagde. Na eerst

tegen Pen te zijn geweest en achterdocht jegens hem te hebben

gekoesterd, was zij nu zijne voorstandster, ja bijna met evenveel

geestdrift voor hem bezield als hare dochter. Wanneer twee vrouwen te

zamen met een man ingenomen zijn, helpen zij elkander voort, – de eene

stuwt de andere vooruit, – en de tweede wordt uit loutere sympathie

even opgewonden als degene, die er het meest bij betrokken is: – dat

verzekeren althans wijsgeeren, die het ver in deze wetenschap gebracht

hebben.

Het aanbod der vrijbiljetten en andere aardigheden brachten dus allen

in een opgeruimde stemming, die slechts een oogenblik verstoord werd

toen een der jonge kinderen op het hooren van den naam van „Astley”

kwam aanloopen met de verklaring, dat zij ook heel graag zou meegaan,

waarop Fanny tamelijk scherp zeide: „Zult ge uw mond eens houden!” en

mama van haar kant riep: „Maak dat je weg komt Betsy-Jane, en ga op het

plein spelen!” waarop de twee kleintjes, met name Betsy-Jane en

Amelia-Anna, met hare onschuldige voorschootjes heengingen en op het

kiezelzand rondom het standbeeld van den grooten Shepherd op het plein

aan het spelen raakten.

En terwijl zij daar speelden, hebben zij wellicht met een oud bekende,

een medebewoner der Inn, gesproken, want terwijl Pen zich bij de dames

in de portierswoning, die om zijne geestige zetten lachten, aangenaam

maakte, ging een oud heer onder de poort van het plein der Inn door en

keek de deur der woning binnen.

Hij trok een zeer stug en bezorgd gezicht, toen hij Arthur, als

Macheath in het drama, in een luchtig gesprek met jufvrouw Bolton en

hare dochter gewikkeld, op de tafel zag zitten.

„Zóó! Mijnheer Bows? Hoe gaat het, Bows?” riep Pen op vroolijken en

luiden toon. „Ik was op weg om u op te zoeken en vroeg uw adres aan

deze dames.”

„Kwaamt gij mij opzoeken, mijnheer? Wezenlijk?” zeide Bows, waarop hij

met zijn weemoedig gelaat binnentrad en Arthur de hand drukte. „Ik wou,

dat die ouwe man in de maan zat!” dacht iemand in de kamer, en

misschien ook nog iemand anders buiten haar.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 99 / 155 题