De inspanning van den vorigen avond op Gaunt House zou bijna te veel
zijn geweest voor majoor Pendennis; en zoodra hij zijn oud en afgetobd
lichaam zonder gevaar kon verplaatsen, begaf hij zich kermend naar
Buxton, waar hij bij de geneeskrachtige bronnen leniging zijner smarten
zocht. Het parlement ging uiteen. Sir Francis Clavering verliet met
zijn gezin de stad, en de aangelegenheden, welke wij pas aan den lezer
hebben meegedeeld, waren in de weinige dagen of weken, welke tusschen
het tegenwoordige en het vorige hoofdstuk waren verloopen, niets
gevorderd. Londen was echter in den tusschentijd eenzaam geworden en
verlaten.
Het Londensche seizoen was nu geëindigd. Pen’s buren, de advocaten,
woonden de zittingen der hoven van assises bij; en zijne meer voorname
vrienden hadden passen naar het vasteland genomen, of zich om redenen
van gezondheid of vermaak naar de Schotsche heidevelden begeven. Men
zag ternauwernood iemand aan de groote vensters der clubs of op het
verlaten plaveisel van Pall Mall. De roodrokken waren van de poort van
het paleis verdwenen; de winkeliers van St. James zochten in het
buitenland hun vermaak; de kleermakers hadden hunne knevels laten
groeien en waren den Rijn opgegaan; de schoenmakers bevonden zich te
Ems of te Baden en bloosden wanneer zij op die plaatsen van uitspanning
hunne klanten ontmoetten, of zetten aan de speeltafels op, naast hunne
schuldenaars; de dominé’s van St. James preekten voor eene halve
gemeente, waaronder niet één zondaar van aanzien te vinden was; het
muziekkorps in de Kensington Gardens had zijne koperen instrumenten en
zijne zilveren trompetten weggeborgen; slechts een twee of drietal oude
vigilanten en rijtuigen kropen traag langs de oevers der Serpentine
voort, en Clarence Bulbul, die wegens zijne zeer drukke bezigheden als
commies bij het departement van financiën in de stad moest blijven,
vergeleek de eenzaamheid van Rotten Row, als hij daar zijn middagritje
te paard deed, bij de verlatenheid der Arabische woestijn en zich
zelven bij een Bedoeïn, die door deze stoffige wildernis zijn weg moest
zoeken. Warrington pakte eene hoeveelheid cavendish tabak in zijn
valies, en ging, volgens gewoonte, de vacantie ten huize van zijn
broeder in Norfolk doorbrengen. Pen moest een tijdlang alleen op zijne
kamers blijven, want deze man van de wereld kon niet altijd, als hij
het verkoos, de stad verlaten, en werd nu teruggehouden door de zaken
van zijn blad, de Pall Mall Gazette, waarbij hij de rol van redacteur
en gevolmachtigde vervulde gedurende de tijdelijke afwezigheid van den
chef, kapitein Shandon, die met de zijnen de heilzame baden te Boulogne
sur Mer gebruikte.
Ofschoon wij gezien hebben, dat mijnheer Pen zich reeds sinds jaren
voor een man had verklaard, geheel en al blasé en het leven moede, was
hij in waarheid een buitengemeen gezond jongmensch, met een nog altijd
stevigen eetlust, dien hij ten minste éénmaal daags met het grootste
genot en behagen bevredigde, en met eene blijvende zucht naar
gezelligen omgang, die het bewijs leverde, dat hij alles behalve een
menschenhater was. Als hij geen goed diner kon krijgen, zette hij zich
volkomen tevreden aan eene slechte tafel neer; kon hij het gezelschap
van geestige, voorname of schoone dames niet genieten, dan vergenoegde
hij zich met alle gezelschap, dat hem voor de hand kwam, en hij was
volkomen tevreden in de gelagkamer van een koffiehuis, of aan boord van
eene stoomboot naar Greenwich, of met een uitstapje naar Hampstead met
mijnheer Finucane, zijn collega aan de Pall Mall Gazette, of met een
bezoek in de zomertheaters aan den overkant der rivier, of in den
„koninklijken” Vauxhall, waar hij op vriendschappelijken voet stond met
den grooten Simpson en den eersten comischen zanger, of de schoone
kunstrijdster de hand drukte. En terwijl hij de grappen van den
eerstgenoemde, of de bevalligheden der laatste wist te waardeeren met
een zweem van satire, die niet van sympathie ontbloot was, had hij ook
een vriendelijken blik voor de toeschouwers veil, voor de dartele
jeugd, die naar vermaak streefde en het hier genoot, voor de eerzame
ouders met hunne opgetogen kinderen, die het bij de vertooningen
uitschaterden van lachen en in de handen klapten, voor de arme
verworpelingen, wier lach minder onschuldig ofschoon luider was en die
met hare schande en hare jeugd hier kwamen, om ten minste tot aan den
dageraad te dansen en vroolijk te zijn, en haar brood te winnen en hare
zorgen te smoren. Op deze sympathie met alle standen van menschen
beroemde Pen zich dikwijls; hij verheugde zich die te bezitten en
zeide, dat hij ze tot zijn einde toe hoopte te behouden. Gelijk een
ander met geestdrift voor de kunst, de muziek of de natuurwetenschappen
bezield is, zeide Pen, dat de menschkunde zijne geliefkoosde studie
was, en dus lette hij altijd met belangstelling op de ontelbare
schakeeringen en schoone zijden der menschheid. Met een genoegen, dat
nooit verflauwde, bestudeerde hij al haar exemplaren, waar hij ook
kwam, het mocht het coquetteeren van eene gerimpelde douairière in de
balzaal zijn, of het blozen van eene voorname jonge schoone, die daar
voor het eerst verscheen; het mocht een lummel van een soldaat van de
garde wezen, die aan een dienstmeisje in het Park zijn hof maakte, of
het onschuldig kindje, dat kruimpjes aan de eendjes toewierp, terwijl
de kindermeid naar den krijgsman luisterde. Een man, wiens hart
tamelijk rein is, kan zich dan ook met een genot, dat nooit vermindert,
aan die studie overgeven, die misschien te meer behaagt, niet alleen
omdat zij van stillen aard is en door een trek van weemoed gekenmerkt
wordt, maar ook omdat zoo iemand naar aanleg en geest zich eenzaam en,
hoewel niet verlaten, toch aan zich zelven overgelaten gevoelt.
Ja, Pen placht op zijn onstuimige wijze tegen Warrington te snoeven en
te zeggen: „Ik was in mijne jeugd zoo hevig verliefd, dat ik geloof dat
dit vuur voor altijd is uitgebrand, en indien ik ooit trouw, zal het
een mariage de raison zijn met een beschaafd, zachtzinnig, mooi meisje,
dat wat geld en meer van dien aard heeft, wat op de reis door het leven
de kussens van ons rijtuig gevuld kan houden. Wat het romaneske
betreft, dat is geheel uit; ik heb het opgebruikt en ben oud voor mijn
tijd – daarop draag ik roem.”
„Gekkenpraat,” bromde de ander; „nog pas onlangs hebt gij gedacht, dat
gij kaal werdt, en daarop gezwetst gelijk ge op alles bluft! Maar gij
zijt dadelijk begonnen met graisse d’ours te gebruiken, zoodra de
kapper het u voorschreef, en sinds dien tijd zijt gij geparfumeerd als
een barbier.”
„Gij zijt een Diogenes,” hernam Pen, „en zoudt wel willen, dat iedereen
in eene ton woonde, gelijk gij zelf. Viooltjes rieken beter dan oude
tabakslucht, grijnzende oude cyniker.” Maar Pen bloosde terwijl hij dit
aan zijn min romanesken vriend ten antwoord gaf, en droeg in waarheid
vrij wat meer zorg voor zijn persoon dan zulk een wijsgeer wellicht had
moeten doen. Waarlijk, in aanmerking genomen, dat mijnheer Pen niet
meer om de wereld gaf, deed hij niet weinig moeite om zich aangenaam
bij haar te maken, en voor zulk een vermoeiden pelgrim als hij was,
droeg hij al heel nauwe en blinkend verlakte laarzen.
Het was dus in dit stille getijde des jaars, dat mijnheer Pen op
zekeren helderen Augustus-avond, nadat hij op het bureau van zijn blad
een prachtig hoofdartikel voltooid had – een artikel zooals kapitein
Shandon het had kunnen schrijven, indien hij er toe opgewekt ware
geweest en lust tot werken had gehad, hetgeen hij echter nooit deed dan
wanneer hij er toe gedwongen was – dat mijnheer Pen, zeggen wij, na
zijn artikel geschreven en het met genoegen op het vochtige proefblad,
dat op het bureau lag, overgelezen te hebben, op het denkbeeld kwam de
rivier over te steken en zich aan de vuurwerken en de andere
vermakelijkheden van den Vauxhall te vergasten. Hij verwaardigde zich
dus het vrijbiljet, dat aan den „redacteur der Pall Mall Gazette met
één vriend” toegang tot die plaats van uitspanning verleende, op zak te
steken, en betaalde in ’s rijks-munt eene voldoende som, om de
Waterloobrug te mogen overgaan. De wandeling van daar naar den tuin was
zeer aangenaam; de sterren stonden aan den hemel te fonkelen en zagen
op de „koninklijke” uitspanningsplaats neer, van waar de vuurpijlen nog
niet waren opgestegen om de sterren de loef af te steken.
Alvorens den toovertuin binnen te treden, waar iederen avond twintig
duizend lichten branden, hebben de meesten onzer den donkeren en
somberen gang en de poortjes moeten doorgaan, die den luister van den
Vauxhall voor het oog der oningewijden verbergen. In de muren van dien
gang bevinden zich twee sterk verlichte holten, waarin men twee heeren
voor lessenaars gezeten ziet, die uw geld in ontvangst nemen wanneer
gij er als particulier komt, of uw vrijbiljet, als gij van zulk een pas
tot den tuin voorzien zijt. Pen wilde zijn biljet aan eene dier
openingen vertoonen, doch daar stonden reeds een heer en twee dames,
die hem vóór waren geweest, te onderhandelen.
De heer, wiens hoed erg op één oor stond en die een korten en kalen
mantel op een uiterst kranige wijze droeg, riep op een toon, die Pen
dadelijk herkende:
„Voor den drommel, mijnheer, indien gij mijn eer in twijfel trekt, zult
gij mij het genoegen doen uit uw bureau te komen, en –”
„Heere, kapitein!” riep de oudste dame uit.
„Leg niet te malen,” antwoordde de man in het bureau.
„En het mijnheer Hodgen, die in den tuin is, zelf te vragen of hij deze
dames wil binnenbrengen. Wees niet bang, jufvrouw-lief; ik zal geen
twist met dien heer maken, ten minste niet in de tegenwoordigheid van
dames. Wilt gij, mijnheer, zoo goed zijn aan mijnheer Hodgen (ik ben
met een vrijbiljet van hem gekomen en hij is een boezemvriend van mij,
en ik weet dat hij hier van avond de Lijkendief zal zingen) – aan
mijnheer Hodgen het compliment van kapitein Costigan te doen en hem
verzoeken even naar buiten te komen om deze dames binnen te leiden –
wat mij zelven betreft, mijnheer, ik heb den Vauxhall gezien en ik
bedank voor alle voorspraak ten mijnen behoeve; maar van deze dames is
ééne er nooit geweest, en me dunkt, gij moest van de ongelukkige
omstandigheid, dat ik het biljet verloren heb, geen misbruik maken om
haar te berooven van haar genoegen.”
„Dat helpt allemaal niet, kapitein. Ik kan uwe boodschap niet gaan
doen,” zeide de man, die de biljetten moest aannemen, waarop de
kapitein een vloek uitstiet en de oudste dame zeide: „Wat is dat
verdrietig!”
De jongste zag den kapitein aan en zeide: „Het komt er niet op aan,
kapitein Costigan; ik heb volstrekt geen lust om er in te gaan. Kom
maar mee, mama!” Maar ofschoon zij volstrekt geen lust had om er in te
gaan, werd zij door haar gevoel overweldigd, zoodat zij in tranen
losbarstte.
„Arm kind!” zeide de kapitein. „Kunt gij dat aanzien, mijnheer, zonder
dit onschuldige schepseltje binnen te laten?”
„Het gaat mij niet aan,” riep de kaartjesman norsch uit zijn helder
verlicht hokje. Maar op dit oogenblik kwam Arthur er bij en zeide, toen
hij Costigan herkende: „Kent gij mij niet, kapitein? Ik ben Pendennis!”
Te gelijk nam hij den hoed af en maakte eene buiging voor de beide
vrouwen. „Beste jongen! beste vriend!” riep de kapitein uit, terwijl
hij Pendennis de hand der vriendschap toestak, en hem snel uitlegde wat
hij een ergerlijk „contretong” noemde. Hij had een vrijbiljet voor twee
personen van mijnheer Hodgen ontvangen, die zich in den tuin bevond en
daar de Lijkendief, de Dood van Generaal Wolfe, de Bloedvlag en andere
geliefkoosde liederen zou zingen, die hij reeds in de Achterkeuken en
op de concerten van den adel voorgedragen had. Daar het biljet voor
twee personen was, had de kapitein begrepen, dat er wel drie op konden
doorgaan, en zich dus met zijne beide vriendinnen naar den tuin
begeven. Maar onderweg had hij zijn biljet verloren; hij kon het
althans niet vinden, en de dames zouden dus weer naar huis moeten gaan,
tot groot verdriet van ééne van beiden, gelijk Pen wel zag.
Arthur was voor iedereen welwillend gezind en had gevoel voor het
ongeluk van allerlei soorten van menschen; hoe zou hij dus zijne
sympathie in een geval als het onderhavige hebben kunnen onthouden? Hij
had dat onschuldige gezichtje gezien toen het den kapitein aankeek, den
smeekenden blik van het meisje, de zenuwachtige trekking van haar mond,
en eindelijk hare tranen. Al ware het zijne laatste guinje geweest, hij
zou die neergelegd hebben, om het arme schepseltje genoegen te doen.
Zoodra zij een vreemde gewaar werd, wendde zij hare droeve en smeekende
oogen af en begon die met haar zakdoek af te wisschen. Arthur zag er
zeer innemend en vertrouwen inboezemend uit, toen hij daar met zijn
hoed in de hand, blozend buigend en voorkomend, van top tot teen een
gentleman, voor die vrouwen stond. „Wie zijn zij?” vroeg hij bij zich
zelven. Naar hij meende, had hij de oudste van beiden reeds vroeger
gezien.
„Als ik u van dienst kan zijn, beschik dan vrij over mij, kapitein
Costigan,” zeide de jonkman; „is er eenige moeielijkheid om deze dames
in den tuin te brengen? Kan ik u met mijne beurs dienen? Ik – ik heb
zelf een toegangsbiljet voor twee personen – wilt gij mij dus
veroorloven, jufvrouw – ?”
De prins van Fairoaks was op het eerste oogenblik voornemens geweest
voor het gansche gezelschap te betalen en zijn vrijbiljet weg te
moffelen, gelijk de arme Costigan het zijne gedaan had. Maar eene soort
van ingeving en het voorkomen der beide vrouwen deed hem gevoelen, dat
zij meer op haar gemak zouden zijn als hij niet den schijn van een
grand seigneur aannam, en dus reikte hij zijne beurs aan Costigan over
en haalde lachend met de eene hand zijn biljet uit, terwijl hij de
andere aan de oudste der beide dames bood, – of dames waren het
eigenlijk niet – zij droegen hoeden en shawls en kraagjes en linten, en
de jongste liet een lief klein voetje en laarsje onder haar eenvoudig
grijs japonnetje zien, maar zijne hoogheid van Fairoaks was wellevend
jegens iedereen, die eene japon droeg, van welke stof die ook was en
hoe geringer de draagster was, des te deftiger en wellevender was dan
juist zijne hoogheid.
„Fanny, neem mijnheers arm,” zeide de oudste van beiden; „als gij dan
zoo vriendelijk wilt zijn: – ik heb u dikwijls onze poort zien
binnenkomen, mijnheer, om naar kapitein Strong op No. 4 te gaan.”
Fanny maakte eene kleine nijging en legde hare hand op Arthur’s arm.
Dat handje was slechts met een armoedig handschoentje overdekt, maar
het was lief en klein. Zij was geen kind meer, maar nog ternauwernood
eene vrouw: hare tranen waren nu opgedroogd, hare wang was met jeugdige
blosjes overtogen, en haar oogen glinsterden van genoegen en
erkentelijkheid, toen zij naar Arthur’s vriendelijk gelaat opzag.
Op eene beschermende wijze legde Arthur zijn andere hand op het handje,
dat op zijn arm rustte. „Fanny is een heel lief naampje,” zeide hij,
„en dus kent gij mij wezenlijk?”
„Wij zijn de portiers van Shepherd’s Inn, mijnheer,” antwoordde Fanny
met eene nijging: „en ik ben nooit in den Vauxhall geweest, mijnheer,
en pa wou niet dat ik ging – en – en – O – O – Heere! hoe heerlijk!” En
onder het spreken van die woorden deinsde zij terug, verstomd van
verbazing en genot, toen zij den tuin daar voor haar zag schitteren in
den gloed van honderd millioen lampen, met een luister, waarvan het
mooiste tooververhaal, de heerlijkste pantomime, die zij ooit in den
schouwburg gezien had, geen denkbeeld gaf. Pen vermaakte zich met hare
verrassing en drukte het kleine handje, dat zich zoo vertrouwelijk aan
hem vastklemde, aan zijne zijde. „Wat zou ik niet geven, om ook een
weinigje van dat genoegen te smaken,” zeide de geblaseerde jonkman.
„Daar is uwe beurs, Pendennis, mijn beste jongen,” liet de stem van den
kapitein zich achter hem hooren. „Wilt gij het geld natellen? het is
geheel in orde. – Niet? vertrouwt gij den ouden Jack Costigan? (gij
ziet hoe hij mij vertrouwt, jufvrouw.) Gij zijt mijn redder geweest,
Pen (ik heb hem van kind af gekend jufvrouw Bolton; het is de eigenaar
van het kasteel Fairoaks, waar ik menige flesch wijn gedronken heb met
de eersten adel uit de graafschap.) Mijnheer Pendennis, ge zijt mijn
redder geweest en ik zeg er u dank voor: mijne dochter zal er u voor
bedanken: – uw onderdanige dienaar, mijnheer Simpson.”
Pen was bewonderenswaardig in zijne wellevendheid jegens de dames: maar
wat was zijne deftigheid in vergelijking met kapitein Costigan’s
buigingen rechts en links en met de wijze, waarop hij „bravo!” riep
tegen de zangers!
Een man als Costigan, gesproten uit eene lange reeks van Hibernische
koningen, opperhoofden en andere aanzienlijken en sheriffs van het
graafschap, bezat natuurlijk te veel voornaamheid en zelfbewustheid om
met eene jufvrouw, die van tijd tot tijd zijne kamer veegde en zijne
côteletten braadde, gearmd te gaan: op den tocht van Shepherd’s Inn
naar den Vauxhall had kapitein Costigan naast de dames gewandeld, haar
op beschermende en voorkomende wijze de gebouwen getoond, die haar
aandacht verdienden, en, als naar gewoonte, uitgeweid over de steden en
landen die hij bezocht had en de groote lui waarmee hij de eer had
gehad kennis te maken. En het was evenmin te verwachten – gelijk
jufvrouw Bolton het dan ook niet verwachtte – dat de kapitein, wanneer
zij zich in den „koninklijken” tuin bevonden, die door twintig duizend
extralampions zoo helder als de dag verlicht was, zijne deftigheid zou
temperen en den arm zou geven aan eene dame, die weinig beter was dan
eene huisbewaarster of werkvrouw.
Maar Pen, van zijn kant, behoefde zich door dergelijke bedenkingen niet
te laten weerhouden. Fanny Bolton maakte zijn bed niet op en zijne
kamers niet schoon, en hij wilde zijne lieve kleine gezellin niet
gaarne laten varen. Fanny kreeg een sterker blos en hare heldere oogen
schitterden van nog meer genoegen, toen zij bescherming vond aan den
arm van zulk een voornaam heer als Pen. Zij keek naar de vele andere
dames in den tuin en naar de dozijnen andere heeren, onder wier hoede
deze op en neer wandelen, en zij vond, dat haar heer er knapper en
deftiger uitzag dan iemand der anderen. Natuurlijk waren daar najagers
des vermaaks van allerlei rang: losbandige studenten in de chirurgie,
winderige klerken van koopmans- en andere kantoren, eenige dandy’s uit
de regimenten der garde, en andere heeren van gelijken stempel. De oude
Lord Colchicum was er ook en begeleidde mademoiselle Caracoline, die in
den circus gereden had, hare Fransche moedertaal zeer luid sprak en
buitengewoon krachtige, eigenaardige uitdrukkingen gebruikte, terwijl
zij, op den arm van mylord leunende, rondwandelde. Colchicum volgde dus
zijne mademoiselle Caracoline, evenals de kleine Tom Tufthunt Lord
Colchicum volgde en daarmede ook zeer ingenomen was. Als Don Juan den
muur beklimt, ontbreekt het nooit aan een Leporello om de ladder vast
te houden. Tom Tufthunt gevoelde zich zeer gelukkig wanneer hij den
bejaarden burggraaf een vriendschapsdienst bewijzen en aan het souper
het gevogelte voorsnijden en de salade bereiden mocht. Toen Pen met
zijn dame het gezelschap van den burggraaf tegenkwam, sloeg de pair
slechts in het voorbijgaan een blik van herkenning op Arthur, terwijl
mylord zijn oog van Pen’s gelaat onder den hoed van diens gezellin liet
gaan. Maar Tom Tufthunt knikte Arthur vriendelijk toe met de woorden:
„Hoe gaat het, ouwejongen?” waarbij hij hem, die aan deze geschiedenis
den naam gegeven heeft, veelbeteekenend aankeek.
„Dat is die knappe rijdster uit den circus van Astley; daar heb ik haar
gezien,” zeide Fanny, terwijl zij mademoiselle Caracoline nakeek; „en
wie is die oude man? dat is de heer toch niet, die in den circus
stond?”
„Dat is mylord de burggraaf Colchicum, jufvrouw Fanny,” antwoordde Pen
op beschermenden toon. Hij bedoelde geen kwaad; het streelde hem, dat
hij dit jonge meisje onder zijne hoede had; het mishaagde hem niet, dat
zij er zoo aardig uitzag, dat zij zoo aan zijn arm hing en dat die oude
Don Juan haar daar had gezien.
Fanny was eene zeer liefelijke verschijning; zij bezat donkere,
schitterende oogen, en tanden als paarltjes, en haar mondje was bijna
even rood als dat van mademoiselle Caracoline wanneer het vermiljoen er
pas opgelegd was. En welk een verschil bestond er tusschen de stem der
eene en die der andere, tusschen het lachen van het meisje en dat der
vrouw! Werkelijk was Fanny pas zeer onlangs, toen zij eens onder het
afstoffen in het kleine spiegeltje boven den schoorsteenmantel van
Bows-Costigan gekeken had, tot het vermoeden gekomen, dat zij eene
schoonheid was. Nog slechts een jaar geleden was zij een lomp en
linksch meisje, dat door haar vader bespot werd; op school bij jufvrouw
Minifer in Newcastle Street bij het Strand (wier jongere zuster de
hoofdrollen vervulde bij de tooneelvoorstellingen, die ter gelegenheid
van de zittingen van het hof van assises te Norwich in 182– gegeven
werden en zij zelve had niet zonder lof twee seizoenen achtereen in de
koninklijke Engelsche Opera en in den koninklijken schouwburg van
Sadler’s Wells gespeeld, toen zij door een valluik viel en haar been
brak) – op die school namen de meisjes geen notitie van Fanny en
beschouwden zij haar als een suf schepseltje, zoolang zij het
onderricht van jufvrouw Minifer genoot; en in de donkere portiersloge
van Shepherd’s Inn lette men er niet op en zag men het ternauwernood,
dat deze kleine bloem tot eene schoonheid ontlook.
Dit jonge meisje hing dus aan mijnheer Pen’s arm en wandelde met hem
den tuin door. Hoe leeg Londen ook heette te zijn, drentelden er toch
nog altijd twee millioen menschen rond, en daaronder een twee- of
drietal der kennissen van mijnheer Arthur Pendennis.
Hiertoe behoorde de weledelgeboren heer Henry Foker, die stil, eenzaam
en bleek en met de handen in zijn zak voorbijging en Arthur met een
weemoedig hoofdknikje groette. De jonge Henry trachtte zijn gemoed tot
rust te brengen door van de eene plaats naar de andere te zwerven en
zich van de eene uitspanning in de andere te storten; maar hij dacht
altijd aan Blanche terwijl hij de donkere lanen doorwandelde, en
evenzeer dacht hij aan haar wanneer hij de figuren beschouwde, die men
met de lampions samengesteld had. Hij raadpleegde de waarzegster over
haar, en werd boos toen die heidin hem vertelde, dat hij verliefd was
op eene donkere dame, die hem gelukkig zou maken. Onder het concert
verscheen geen enkele glimlach op Foker’s vriendelijke lippen, ofschoon
mijnheer Momus zijne kluchtigste comische liedjes zong en de
verwonderlijkste raadsels opgaf. Om de waarheid te zeggen, hoorde hij
Momus in het geheel niet.
Pen en Fanny Bolton stonden zeer dicht in zijne nabijheid naar
hetzelfde concert te luisteren, en de laatste maakte een aanmerking
over Foker’s droevig gezicht, waarover Pen lachen moest.
Fanny vroeg waarom dat mannetje, dat er zoo ouwelijk uitzag, zoo
wanhopig keek. „Ik geloof, dat hij een blauwtje geloopen heeft!”
antwoordde Pen „Is dat niet voldoende om iemand wanhopig te doen
kijken, Fanny?” En daarbij zag hij op haar neder met eene houding van
hooghartige bescherming, gelijk Egmont op Clara, in het drama van
Goethe, of Leicester op Amy, in den roman van Scott.
„Een blauwtje geloopen? arme jongen!” zeide Fanny met een zucht en
vestigde haar blik vol vriendelijkheid en medelijden op hem; maar Henry
merkte die mooie donkere oogen niet op.
„Hoe vaar je, mijnheer Pendennis?” viel hier eene stem in, afkomstig
van een jonkman met eene lange witte jas en eene roode das, waarover
een smal, onzindelijk boordje was neergeslagen, zoodat er een hals van
twijfelachtige zindelijkheid zichtbaar werd. Voorts was hij opgesierd
met eene groote speld van koper of ander metaal, een vreemdsoortig vest
met buitengemeen zonderlinge glazen knoopen, en eene broek, die den
beschouwer als het ware toeschreeuwde: „Kijk mij eens aan en zie maar
hoe goedkoop en opzichtig ik ben, en wat een kale kwast mijn eigenaar
is?” En met een klein stokje in een der zakken van zijne jas en met
eene dame in het paarsch aan zijn ander arm, herhaalde de jonkman: „Hoe
vaar je? – Zeker mij vergeten? Huxter – Clavering.
„Hoe vaart gij, mijnheer Huxter?” zeide de prins van Fairoaks op zijne
vorstelijke manier: „óók nog wel?”
„Als een vischje in het water, dankje wel.” En daarbij knikte mijnheer
Huxter aanhoudend met het hoofd. „Zeg eens, Pendennis, ge hebt
verbazend veel opgang gemaakt sedert we dat standje bij Wapshot hadden,
weet ge nog wel? Groot schrijver, hè? Omgang met de eerste pieten! Zag
je naam in den Morning Post. Als ge geen te groot heer zijt om bij een
oud vriend te soupeeren, kom dan morgenavond in Charterhouse Lane, – er
komen eenige verduiveld prettige kameraden uit het
St.-Bartholomeus-hospitaal, en wij zullen wat heerlijk jeneverpunch
maken. Hier is mijn kaartje.” En bij die woorden haalde mijnheer Huxter
de hand uit den zak waarin de stok zat, trok met zijne tanden het
deksel van zijn kaartjeskoker af, en nam er een kaartje uit, dat hij
Pen overhandigde.
„Gij zijt bijzonder vriendelijk,” hernam Pen, „maar het spijt mij, dat
ik morgenavond bezet ben.” En met verwondering hoe zulk een wezen de
vermetelheid kon hebben hem een kaartje toe te reiken, stak de markies
van Fairoaks dat van mijnheer Huxter met achtelooze beleefdheid in zijn
vestzak. Misschien vermoedde mijnheer Samuel Huxter niet, dat er een
groote maatschappelijke afstand tusschen hem en mijnheer Arthur
Pendennis bestond. Huxter’s vader was chirurgijn en apotheker te
Clavering, evenals Pendennis’ papa chirurgijn en apotheker te Bath was
geweest. Maar de brutaliteit van sommige menschen grenst aan het
ongeloofelijke.
„Nu, het komt er niet op aan, ouwe jongen,” zeide mijnheer Huxter, die
altijd rond en gemeenzaam en nu, door den wijn opgewonden, nog
vriendelijker dan naar gewoonte was. „Als gij er ooit voorbij komt,
loop dan eens aan; Zaterdags ben ik doorgaans thuis en er ligt meestal
een stukje kaas in mijne kast. Adieu! – Daar luidt de bel voor het
vuurwerk. Kom mee, Mary,” en daarop begon hij met de overige aanwezigen
hard te loopen in de richting van het vuurwerk.
Toen de onderhoudende Huxter uit het gezicht was, begon Pen even hard
met zijne kleine gezellin te loopen, terwijl jufvrouw Bolton, met
kapitein Costigan aan hare zijde, hen volgde. Maar de kapitein bezat te
veel majesteit en waardigheid om voor vriend of vijand hard te loopen,
en stapte op de gewone zwaaiende manier, die zijn gang kenmerkte,
voort, zoodat Pen en Fanny hem en jufvrouw Bolton spoedig vooruit
waren.
Misschien had Arthur vergeten, of verkoos hij het zich niet te
herinneren, dat de beide anderen geen geld op zak hadden, zooals
gebleken was door hun avontuur aan den ingang van den tuin. Hoe dit
zij, Pen betaalde een paar shillings voor hem zelven en zijne gezellin,
en klom met haar, terwijl zij aan zijn arm hing, de trap op naar de
galerij, van welke men het vuurwerk bezichtigt. De kapitein en mama
hadden hen kunnen volgen, indien zij er lust toe hadden gehad, maar
Arthur en Fanny hadden het te druk om achter zich te kijken. De
menschen duwden en drongen hen van ter zijde en van achteren. Een al te
haastig mensch snelde voorbij Fanny heen en stiet haar zoodanig met
zijn elleboog, dat zij met een gilletje op zijde viel, waarop Arthur
haar natuurlijk zeer behendig in zijn armen opving en haar, om haar
goed te beschermen, aldus omvat hield, tot zij werkelijk de trap
beklommen en hunne plaatsen innamen.
De arme Foker zat in verlatenheid op eene der hoogste banken, waar zijn
gelaat door het vuurwek of, als dit er niet was, door de maan verlicht
werd. Arthur zag hem daar zitten en lachte om hem, doch liet zich aan
zijn vriend niet veel gelegen zijn. Hij hield zich nu met Fanny op. Wat
stond zij verwonderd! wat was zij blij! wat riep zij O, O, O! wanneer
de vuurpijlen hoog in de lucht opstegen en weer in azuur en
smaragdkleur en vermiljoen neerdaalden. Terwijl die wonderwerken daar
voor haar oog vlamden en weer verdwenen, trilde en beefde het meisje
van genot aan Arthur’s zijde; zij had hare hand nog op zijn arm en hij
voelde hoe zij dien drukte, terwijl zij vol verrukking omhoog staarde.
„Wat is dat heerlijk, mijnheer!” riep zij uit.
„Noem mij niet mijnheer, Fanny,” zeide Arthur.
Snel overtoog een blos het gelaat van het meisje. „Hoe moet ik u dan
noemen?” vroeg zij zacht en op liefelijk trillenden toon. „Wat wilt gij
dat ik zeggen zal, mijnheer?”
„Daar zegt ge het weer, Fanny! Maar het is goed zoo, mijne lieve,”
zeide Pendennis heel vriendelijk en zacht. „Ik mag u toch Fanny
noemen?”
„O zeker!” gaf zij ten antwoord; het kleine handje drukte zijn arm
nogmaals innig, en het meisje klemde zich zoo dicht aan hem vast, dat
hij haar hart tegen zijn schouder voelde kloppen.
„Ik mag u Fanny noemen, omdat gij een jong en lief meisje zijt, Fanny,
en ik een oud man ben. Doch gij moet mij maar niet anders dan mijnheer,
of mijnheer Pendennis noemen, als ge wilt, want wij leven in een zeer
verschillenden stand, Fanny. Denk nu niet, dat ik hard spreek, en – en
waarom trekt gij uwe hand terug, Fanny? Zijt gij bang voor mij? Denkt
gij, dat ik u kwaad zou willen doen? Om geen geld ter wereld,
meisje-lief! En – en kijk eens hoe mooi de maan en de sterren staan, en
hoe kalm die schijnen als de vuurpijlen uitgebrand zijn en die
gedruismakende zonnen met knetteren en schitteren hebben opgehouden.
Toen ik van avond hierheen kwam, dacht ik niet, dat er zulk een lief
meisje naast mij zou zitten, om dat mooie vuurwerk aan te zien. Ik
schrijf in boeken en couranten, Fanny, en ik was doodelijk afgemat, en
verwachtte dat ik hier den ganschen avond alleen zou zitten; en –
waarom schreit ge nu, lief, lief kind?” vroeg Pen vriendelijk,
plotseling een eind makende aan de bedaarde redevoering, die hij
aangevangen had; want het zien van vrouwentranen bracht hem altijd van
zijn stuk, en dus begon hij haar dadelijk te vleien en gerust te
stellen, en honderd kleine woordjes van medelijden en sympathie af te
vuren, die wij hier niet behoeven te herhalen, omdat zij, gedrukt, heel
mal zijn. Even dwaas zou de praat van eene moeder tegen haar kind en
van een minnaar tegen zijn liefje er in druk uitzien. Die zoete en
kunstelooze poëzie kan niet vertaald worden en is te fijn voor de lompe
verklaringen van taalkundigen. Men heeft niet anders dan dezelfde drie
letters voor de liefkoozing, die men zijner grootmoeder op het
voorhoofd drukt, en voor die, welke men op de gewijde wang zijner
geliefde mag drukken; niets anders dan dezelfde drie letters, en
daaronder komt niet ééne lipletter voor! Zouden wij daarmee willen te
kennen geven, dat mijnheer Arthur Pendennis zich van het bedoelde
éénlettergrepige woord bediende? In het geheel niet! Vooreerst was het
donker; het vuurwerk was uit, en niemand kon hem zien; ten tweede was
hij de man niet, om een geheim van dien aard te hebben en het te
vertellen; en in de derde en laatste plaats, vragen wij den eerlijken
jongen, die ooit een mooi meisje gekust heeft, wat hij zelf in zulk een
moeielijk geval zou gedaan hebben?
Nu dan, waarvan gij mijnheer Pen ook verdenkt, en wat gij zelf onder
dergelijke omstandigheden zoudt gedaan hebben, of wat mijnheer Pen
gaarne zou hebben uitgevoerd, de waarheid is, dat hij zich fatsoenlijk
en als man gedroeg. „Ik zal met het hart van dit meisje niet spelen,”
sprak hij bij zich zelven, „en mijn eigen eer noch de hare vergeten.
Zij schijnt eene gevaarlijke en eenigszins aanstekelijke gevoeligheid
te bezitten, zoodat ik blij ben dat het vuurwerk afgeloopen is en ik
haar bij hare moeder kan terugbrengen. Kom mee, Fanny; pas op de trap
en leun op mij. Pas op, dat ge niet struikelt, onvoorzichtig meisje.
Hierheen; daar staat uwe mama aan de deur.”
En daar stond werkelijk jufvrouw Bolton, die erg ongerust was en hare
paraplu vast omklemde. Zij pakte Fanny met moederlijke kwaadaardigheid
en drift beet, en schold het meisje op haastigen doch gesmoorden toon
uit. De uitdrukking op kapitein Costigan’s gezicht terwijl hij achter
de matrone stond en van onder zijn hoed Pen knipoogde – was, ik moet
het zeggen, onbeschrijfelijk kluchtig, – zóó kluchtig, dat Pen zich
niet kon weerhouden het uit te schateren. „Gij hadt mijn arm moeten
nemen, jufvrouw Bolton,” zeide hij en bood haar dien aan. „Het doet mij
genoegen, dat ik u Fanny weer behouden kan terugbrengen. Wij dachten,
dat gij ons op de galerij zoudt gevolgd zijn. Wij hebben pleizier van
het vuurwerk gehad, niet waar?”
„O ja!” antwoordde Fanny, met een vrij bedeesden blik.
„En die laatste bundel vuurpijlen was prachtig,” vervolgde Pen „Maar
het is tien uren geleden dat ik iets te eten heb gehad, dames, en ik
vraag dus verlof, u tot een souper te mogen noodigen.”
„Nu, nu,” zeide Costigan, „ik zou wel een hapje lusten; maar ongelukkig
heb ik mijne beurs vergeten, anders zou ik deze dames reeds een
collation hebben aangeboden.”
Jufvrouw Bolton gaf daarop vrij scherp ten antwoord, dat zij hoofdpijn
had en liever naar huis wilde gaan.
„Kreeftensalade is het beste middel ter wereld tegen hoofdpijn,” zeide
Pen galant, „en een glas wijn zal u bepaald goeddoen. Kom, jufvrouw
Bolton, wees zoo goed en doe mij dat genoegen. Ik zou het niet over mij
kunnen verkrijgen, zonder u te soupeeren, en ik geef u mijn woord van
eer, dat ik niet gedineerd heb. Geef mij den arm en laat ik die paraplu
dragen. Costigan, gij zult jufvrouw Fanny wel willen geleiden. Ik zal
het er voor houden, dat jufvrouw Bolton boos op mij is, als zij mij
niet met haar gezelschap vereeren wil. Wij zullen stilletjes soupeeren
en dan met elkander in de vigilante naar huis rijden.”
De vigilante, de kreeftensalade, het oprechte en vriendelijke voorkomen
van Pendennis, terwijl hij de waardige matrone lachend uitnoodigde,
deed haar achterdocht en haar toorn bedaren. Als hij dan toch zoo
vriendelijk wilde zijn, zou zij een enkel stukje kreeft gebruiken, en
dus begaven zij zich allen naar een der tafels, waar Costigan met zulk
eene luide en krijgshaftige stem een knecht riep, dat dadelijk een van
die beambten kwam aanloopen.
De spijskaart werd bekeken en Fanny uitgenoodigd haar liefste gerecht
op te noemen, waarop het lieve kind zeide, dat zij dol was op kreeft,
maar ook heel veel van frambozentaart hield. Pen liet deze lekkernijen
komen, terwijl bovendien eene flesch van de meest mousseerende
champagne ten genoege van de dames besteld werd. De kleine Fanny dronk
er van; – wat had zij niet al voor zoets en bedwelmends dien avond
ingeslurpt!
Toen het souper zeer levendig en vroolijk afgeloopen was, en kapitein
Costigan en jufvrouw Bolton nog wat arakpunch hadden gebruikt, die in
den Vauxhall zoo lekker is, betaalde Pen de rekening met de meeste
mildheid, „als een deftig jong Engelsch gentleman uit den ouden tijd,
bij den hemel!” zooals Costigan met geestdrift aanmerkte. En daar hij,
toen zij weder naar buiten traden, vooruitstapte en jufvrouw Bolton
zijn arm aanbood, viel Fanny aan Pen ten deel, en wandelden de beide
jongelieden met elkander ten hoogste opgeruimd voort in het spoor, dat
de beide ouderen baanden.
De champagne en de arakpunch, ofschoon door allen in matige hoeveelheid
gebruikt (behalve misschien door den armen Cos, die waggelde, hoe
weinig ook), had hen vroolijk en prettig gemaakt, zoodat Fanny begon te
huppelen en hare kleine voetjes te bewegen op de maat van het orkest,
dat walsen en galoppen voor de dansers speelde. Toen zij bij de
dansplaats kwamen, schenen de muziek en Fanny’s voeten beiden sneller
te gaan – zij scheen als van zelve van den grond op te wippen, alsof er
kracht zou noodig geweest zijn, om haar neer te houden.
„Hebt ge pleizier in een enkel toertje?” vroeg de prins van Fairoaks
„dát zou aardig wezen! Jufvrouw Bolton, geef haar verlof, ééns met mij
rond te gaan.” Waarop Costigan zeide: „Vooruit maar!” en daar jufvrouw
Bolton het niet tegensprak (om de waarheid te zeggen was zij een oud
krijgsros, dat gaarne op het geluid der trompet zelf het perk zou
binnengetreden zijn), was Fanny’s shawl in een oogenblik van hare
schouders en draaide zij met Arthur in eene wals rond, te midden van
een wel zonderling, maar uiterst vroolijk gezelschap.
Pen beging ditmaal geene lompheid met de kleine Fanny, zooals hij in
den ouden tijd met jufvrouw Blanche had gedaan, – althans geene
lompheid, waaraan hij zelf schuld had. Het paar danste zeer vlug en
vergenoegd voort, – eerst eene wals, toen een galop, toen weer eene
wals, tot zij bij de tweede wals tegen een ander paar aanstieten, dat
zich ook onder de reien van Terpsichore gevoegd had. Het was mijnheer
Huxter met zijne jeugdige vriendin in het paarsch, van wie wij reeds
een woordje gezegd hebben.
Ook mijnheer Huxter had waarschijnlijk gesoupeerd, want hij was nog
meer opgewonden dan toen hij de kennis met Pen had willen hernieuwen;
en nu hij tegen Arthur en diens danseres gebotst en beiden bijna
omvergeworpen had, begon deze lieve jonge heer natuurlijk menschen uit
te schelden, die hij beleedigd had, en gaf hij het onschuldige paar de
volle laag in studententaal. „Nu wat moet dat? Blijf van de baan, ouwe
knol, als gij niet dansen kunt!” brulde de jonge chirurgijn, waarbij
hij nog veel krachtiger uitdrukkingen bezigde, en in dat schelden werd
hij bijgestaan door de schelle stem en het gelach zijner danseres, tot
groote stoornis van het algemeen genoegen, tot schrik van de arme
kleine Fanny en tot onbeschrijfelijke verontwaardiging van Pen.
Pen was woedend; maar hij was nog niet zoo boos over het geschil als
wel over de schande, die er mee gepaard ging. Een twist met zulk een
kerel! Een opschudding op eene publieke plaats en met eene
portiersdochter aan zijn arm! Welk een toestand voor Arthur Pendennis!
Hij sleepte de arme kleine Fanny haastig van de dansers weg naar hare
moeder, en wenschte dat die jufvrouw Costigan en de arme Fanny liever
onder den grond hadden gezeten, dan daar in zijn gezelschap en onder
zijn geleide te zijn.
Toen Huxter zijn aanval begon, had die luidruchtige jonge heer niet
gezien wie zijne tegenpartij was; maar zoodra hij zag dat het Arthur
was dien hij beleedigd had, begon hij verontschuldigingen te maken.
„Houd je leelijken mond, Mary,” zeide hij tegen zijne dame. „Dat is een
oud vriend van mij, een kameraad van thuis. Ik vraag u verschooning,
Pendennis; ik zag niet dat gij het waart, ouwe jongen!” Mijnheer Huxter
had onder de jongens der school te Clavering behoord, die getuigen
waren geweest van het vroeger door ons vermelde gevecht, toen de jonge
Pen den sterksten vechtersbaas van het instituut ter aarde velde, en
Huxter wist dus, dat het gevaarlijk was Arthur boos te maken.
Maar zijne verontschuldigingen klonken Pen even hartelijk in de ooren
als zijne scheldwoorden. Pen stuitte hem dus in zijn opgewonden
verklaringen door hem het zwijgen op te leggen en hem te gebieden den
naam van Pendennis hier noch elders te noemen: waarop hij den tuin
uitstapte met een afdeeling der volksmenigte op zijne hielen, die hij
wel man voor man had willen vermoorden, omdat zij getuigen van het
voorgevallene waren geweest, waarover hij zich zoo zeer schaamde. Hij
verliet dus den tuin en vergat geheel de arme kleine Fanny, die bevende
met hare moeder en den deftigen Costigan hem volgde.
Hij kwam weer tot bezinning door een woord van den kapitein, die hem,
juist toen zij de binnenpoort doorgingen, op den schouder tikte.
„Men kan er niet weer inkomen, of men moet opnieuw betalen,” zeide de
kapitein. „Zou het niet beter zijn, dat ik nu nog terugging, om den
kerel uw uitdaging over te brengen?”
Op die woorden schaterde Pen het uit. „Hem uitdagen!” vroeg hij. „Denkt
gij, dat ik met zulk een kerel zou vechten?”
„Neen, neen, doe dat niet!” riep de kleine Fanny uit. „Hoe kunt gij zoo
slecht zijn, kapitein Costigan?” De kapitein mompelde iets van eer en
knipoogde Pen met veel beteekenis toe, maar Arthur zeide galant: „Wees
maar niet bang, Fanny! Het was mijne schuld, dat ik op zulk eene plaats
danste. Ik vraag u verschooning, dat ik u gevraagd heb om daar te
dansen.” En daarop gaf hij haar weder zijn arm, riep eene vigilante en
plaatste er zijne drie vrienden in.
Hij wilde den koetsier betalen en zelf een ander rijtuig nemen, toen de
nog altijd verschrikte kleine Fanny haar handje uitstak, hem bij zijne
jas greep en hem bad en smeekte ook in de vigilante te komen.
„Zijt ge anders ongerust, dat ik zal terugkeeren om met hem te
vechten?” vroeg Pen vroolijk. „Nu dan zal ik u thuis brengen. Naar
Shepherd’s Inn, koetsier!” Het rijtuig rolde weg. Arthur was
buitengemeen gestreeld door de bezorgdheid, die het meisje voor hem aan
den dag legde: hare teederheid en angst deed hem zijne vroegere
ergernis geheel vergeten.
Na de beide vrouwen vriendelijk de hand gedrukt te hebben, zag hij haar
in de portierswoning binnengaan, en de kapitein fluisterde hem toe, dat
hij hem ’s morgens nog eens zou opzoeken, om, als hij nog tot andere
gedachten was gekomen, zijn uitdaging aan dien schelm over te brengen.
Maar de kapitein verkeerde, toen hij dat voorstel deed, in zijn gewonen
toestand, en Pen was vast overtuigd, dat noch hij noch mijnheer Huxter
bij hun ontwaken iets meer van den twist zouden weten.