Na de partijen op Grosvenor Place en te Greenwich, waaraan wij majoor
Pendennis hebben zien deelnemen, scheen de vriendschappelijkheid en
hartelijkheid van dien waardigen heer voor de familie Clavering met
elken dag toe te nemen. Hij legde er dikwijls bezoeken af en was
onuitputtelijk in zijne beleefdheden voor de dame des huizes. Als oud
man van de wereld, had hij het geluk in vele huizen ontvangen te
worden, waar men eene dame van den stand van Lady Clavering ook
behoorde te zien. Zou mylady de groote partij op Gaunt House niet
willen bijwonen? Er zou een heel genoeglijk dejeuner dansant bij
burggraaf Marrowfat te Fulham zijn. Iedereen zou daar zijn (en
daaronder doorluchtige personen van den hoogsten rang); er zou eene
quadrille à la Watteau gedanst worden, waarin jufvrouw Amory zeker
betooverend er uitzien zou. Met voorkomendheid bood de gedienstige oude
heer aan, Lady Clavering naar deze en dergelijke vermakelijkheden te
geleiden, terwijl hij even bereidvaardig was om den baronet, in welk
opzicht deze het ook wenschen mocht, van dienst te zijn.
In weerwil van Clavering’s tegenwoordig aanzien en fortuin, bleef de
wereld met koelheid op hem neerzien en volgden hem zeer wonderlijke en
verdachte geruchten op den voet. Hij werd achtereenvolgens in twee
clubs gedeballoteerd. In het Lagerhuis ging hij alleen met eenige
weinige der slechtst aangeschreven leden van dat vermaarde
staatslichaam om, daar hij goed slag had om slecht gezelschap te
kiezen, en zich zoo natuurlijk daarnaar schikte als anderen het doen
naar het gezelschap van hunne meerderen. Het zou hatelijk klinken,
indien wij al al de senatoren wilden opnoemen, waarmee Clavering
gemeene zaak maakte; wij zullen er dus slechts eenige weinige
aanstippen. Daartoe behoort kapitein Raff, de geachte afgevaardigde van
Epsom, die na de laatste Goodwood-wedrennen afgetreden is, daar hij,
volgens den heer Hotspur (het lid, dat belast is met de opsporing der
afwezige leden zijner partij, wanneer het Huis tot eene stemming zal
overgaan), eene diplomatische zending naar de Noordpool had aangenomen;
en Hustingson, de patriottische afgevaardigde van Islington, dien men
thans niet meer over het uitdeelen van gunsten hoort schreeuwen, sedert
hij zelf tot gouverneur van het Coventry Eiland benoemd is; en Bob
Freeny, van de Freeny’s van Booterstown, die met de pistool nooit zijn
doel mist en van wien wij dus met het meeste ontzag spreken. Voor
niemand van al die heeren, met welke mijnheer Hotspur door de hem
opgedragen taak genoodzaakt was in aanraking te komen, koesterde hij
méér verachting en afkeer dan voor Sir Francis Clavering, den
afstammeling van een overoud geslacht, welks leden sinds onheuglijken
tijd voor hun eigen stadje Clavering zitting in het Lagerhuis hadden
gehad. „Als men dien man bij eene stemming noodig heeft,” zeide
Hotspur, „dan kan men tien tegen één wedden, dat hij in eene speelhol
gevonden wordt. Hij is groot gebracht in de gijzeling-gevangenis en,
geloof mij, nog niet gevrijwaard tegen de strafgevangenis. Hij zal het
fortuin der begum verkwisten met dobbelen, als zakkenroller betrapt
worden en zijn leven in dwangarbeid eindigen.” En indien de
hoogwelgeboren heer Hotspur, terwijl hij aldus over Clavering dacht,
desniettemin beleefd jegens hem kon zijn, omdat zijne betrekking het
meebracht, waarom zou de majoor Pendennis ook niet zijne bijzondere
redenen kunnen hebben, om zich jegens dien beklagenswaardigen gentleman
voorkomend te gedragen?
„Hij heeft een zeer goeden kelder en een zeer goeden kok,” zeide de
majoor; „wanneer hij zwijgt, hindert hij niet, en hij doet maar zeer
zelden den mond open. Wat gaat het mij aan, of hij gelieft te spelen en
zijn geld aan schurken te verliezen? Wij moeten ons nooit te veel met
de zaken van anderen bemoeien, Pen, mijn beste jongen; iedereen heeft
een kabinetje in zijn huis, waar hij niet gaarne zou willen dat gij en
ik inkeken. Maar waarom zouden wij daartoe ook moeite doen, als
overigens het gansche huis voor ons openstaat? En een verduiveld goed
huis ook, gelijk wij beiden weten. En al is de heer des huizes niet
geheel zóó als wij hem zouden wenschen, de dames zijn toch zeer lief.
De begum is niet al te beschaafd, maar er bestaat geen goedhartiger
vrouw ter wereld en zij is drommels slim bovendien. En wat de kleine
Blanche betreft, gij weet, guit, hoe ik over haar denk; gij weet dat ik
het er voor houd, dat zij u gaarne lijden mag, en dat gij haar voor het
vragen zoudt hebben. Maar gij wordt zulk een groot heer dat gij u zeker
met niet minder dan de dochter van een hertog tevreden zult stellen –
welnu, mijnheer, ik raad u aan er eene te vragen en het eens te
probeeren!”
Pen was misschien wel eenigszins bedwelmd door den opgang, dien hij in
de wereld gemaakt had, en het is ook wel mogelijk, dat de jonkman in
het denkbeeld verkeerde (de aanhoudende zinspelingen van zijn oom
droegen althans niet weinig bij, om hem in die meening te versterken),
dat jufvrouw Amory niet ongenegen was, den kleinen minnehandel te
hervatten, die in vroegere dagen aan den oever van den Brawl ondernomen
was. Maar Pen zeide, dat hij voor dit oogenblik weinig neiging tot het
huwelijk gevoelde, en sprak, in navolging van de wereldsgezinde wijze
van beschouwing van zijn oom, met zekere minachting over die instelling
en tot lof van het ongehuwde leven.
„Gij zijt zeer gelukkig, oom,” sprak hij; „gij brengt het er ongetrouwd
zeer goed af, en ik van mijn kant ook. Als ik eene vrouw naast mij had,
zou ik mijn standpunt in de maatschappij verliezen; en ik, voor mij,
heb niet veel lust om met eene mevrouw Pendennis naar het platteland de
wijk te nemen, of met mijne vrouw op gemeubileerde kamers te gaan
wonen, met een enkele meid tot onze hulp. De tijd van mijne kleine
illusiën is voorbij. Gij hebt mij gered van mijn eerste geliefde, die
bepaald eene zottin was en die, indien zij mij genomen had, een zot tot
man en wel een zeer norschen en ontevreden man zou gehad hebben Het
leven van ons jongelui gaat snel voorbij, oom, en ik gevoel mij op mijn
vijf en twintigste jaar even oud als vele der oude prui – – oude heeren
– die ik aan het groote venster der club van Bays zie staan. Neem het
mij niet kwalijk maar ik meen alleen, dat ik op het punt van liefde
blasé ben, en dat ik mijn liefdevuur voor jufvrouw Amory evenmin weer
zou kunnen aanblazen als ik Lady Mirabel weer zou kunnen aanbidden. Ik
wenschte, dat ik het kon. Het bevalt mij in den ouden Mirabel, dat hij
zoo op haar verzot is, en ik beschouw dien hartstocht als het
loffelijkste stuk van zijn leven.”
„Sir Charles Mirabel was altijd een liefhebber van het tooneel,
Arthur,” zeide de majoor, geërgerd dat zijn neef zoo lichtvaardig over
iemand van het aanzien en den rang van Sir Charles durfde spreken.
„Sedert zijne jeugd heeft hij tot het tooneel in betrekking gestaan.
Hij speelde op Carlton House, toen hij page van den prins was; hij is
altijd bij die zaken betrokken geweest; hij kon trouwen wie hij
verkoos, en Lady Mirabel is eene hoogst achtenswaardige dame, die
overal ontvangen wordt, – let wel: overal! De hertogin van Connaught
ontvangt haar, en Lady Rockminster ook, en het past jongelui niet, over
personen van zulk een stand lichtvaardig te spreken. Er is geen
fatsoenlijker dame in Engeland dan Lady Mirabel; en de oude pruiken –
gelijk gij hen noemt – in de club van Bays, behooren tot de eerste
gentlemen van Engeland, van welke gijlieden jongelui, nog wat manieren
en opvoeding en bescheidenheid zoudt kunnen leeren.” En de majoor begon
te gelooven, dat Pen buitengewoon brutaal en verwaand werd, en dat de
wereld hem te veel over het paard had getild.
De boosheid van den majoor vermaakte Pen. Hij bestudeerde de
eigenaardigheden van zijn oom met aanhoudend genoegen en bleef altijd
op goeden voet met zijn wereldschen Mentor. „Ik behoor nu reeds sinds
vijftien jaar tot de jongelui, oom,” zeide hij zeer behendig, „en
indien gij ons voor oneerbiedig houdt, wat zoudt gij dan wel zeggen van
het tegenwoordige geslacht! Een uwer protégés heeft onlangs bij mij
ontbeten; gij hadt gewenscht dat ik hem vragen zou, en ik heb het
gedaan, om u genoegen te doen. Wij hebben dien dag met elkander
allerlei merkwaardigheden bezichtigd, in de club gedineerd en ’s avonds
den schouwburg bezocht. Hij zeide, dat de wijn in den Polyanthus zoo
goed niet was als die bij Ellis te Richmond; na het ontbijt rookte hij
Warrington’s cavendish-tabak en toen ik hem bij zijn vertrek een
goudstuk voor zijn spaarpot gaf, zeide hij, dat hij er zelf genoeg had,
maar het zou aannemen om te toonen dat hij niet trotsch was.
„Zeide hij dat? – en hebt gij den jongen Clavering gevraagd?” riep de
majoor uit, die dadelijk tevreden was gesteld; „een knappe jongen, wel
een beetje wild, maar een knappe jongen! De ouders zien gaarne, dat men
zulke beleefdheden aan hunne kinderen bewijst, en gij kunt niet beter
doen dan onze waardige vrienden van Grosvenor Place op dat punt
genoegen te verschaffen. En dus hebt ge hem meegenomen naar den
schouwburg en hem wat zakgeld gegeven? Dat was goed gedaan, mijnheer,
heel goed!” En met die woorden scheidde Mentor van Telemachus, met de
overtuiging, dat de jongelui toch nog zoo slecht niet waren en dat hij
van zijn neef nog iets zou kunnen maken.
Naarmate de jonge heer Clavering in jaren en grootte toenam, ontgroeide
hij aan het gezag van zijne liefhebbende ouders en van zijne
gouvernante, zoodat hij hen veeleer regeerde, dan dat hij zich naar
hunne bevelen schikte. In tegenwoordigheid van zijn papa was hij stil
en stug en zelden vertoonde hij zich in de nabijheid van dien heer;
doch tegen zijne mama schreeuwde en vocht hij, als er eenig geschil
tusschen hen ontstond over de bevrediging van zijn eetlust, of over de
vervulling van eenigen anderen zijner wenschen; en bij zijne
oneenigheden met de gouvernante, wanneer hij leeren moest, schopte hij
dat lijdzame schepseltje zoo geweldig tegen de schenen, dat zij zich
geheel door hem liet overbluffen en onder den duim houden. Hij had
zijne zuster Blanche wel op dezelfde wijze willen behandelen en deed
een paar pogingen om ook over haar den baas te spelen; maar bij die
gelegenheden legde zij een ongeloofelijke vastberadenheid en
geestkracht aan den dag en sloeg hem zoo duchtig om de ooren, dat hij
jufvrouw Amory voortaan den voet niet meer dwars zette, gelijk hij
zijne gouvernante en zijne mama en mama’s kamenier deed.
Toen de familie zich eindelijk te Londen vestigde, gaf Sir Francis de
meening te kennen, dat het beste zou zijn, den „kleinen schelm” naar
school te zenden. Dientengevolge werd de jeugdige zoon en erfgenaam van
het huis Clavering overgebracht naar de inrichting van opvoeding en
onderwijs van den eerwaarden heer Otto Rose, te Twickenham, waar de
zonen van adellijke en voorname heeren het voorbereidend onderwijs
ontvingen, eer zij op de groote Engelsche openbare scholen konden
worden aangenomen.
Wij zijn niet voornemens den jongen heer Clavering in zijn schoolleven
te volgen; de paden naar den Tempel der Wetenschap werden voor hem
gemakkelijker gemaakt dan voor sommigen onzer in vroeger tijd. Hij reed
naar dat heiligdom in eene koets met vier paarden, en mocht bijna
overal waar hij goedvond stilhouden, en eene verfrissching nemen.
Sedert zijne prilste jeugd droeg hij verlakte laarzen, en had hij
batisten zakdoeken en citroenkleurige glacé handschoenen van het
kleinste model, dat Privat ooit vervaardigd heeft. Bij mijnheer Rose
kleedden de jongelui zich altijd geregeld om aan het diner te komen; de
jonge heeren hadden prachtige kamerjaponnen, vuur op hunne slaapkamers,
deden nu en dan toertjes te paard of in rijtuig, en kregen olie voor
hun haar. De meester paste nooit lichaamsstraffen toe, want hij was van
oordeel, dat eene moreele tucht voldoende was om de jeugd te besturen;
en de jongens maakten zulke snelle vorderingen in vele takken van
wetenschap, dat zij, nog eer zij oud genoeg waren om op eene publieke
school te komen, de kunst verstonden om sterke dranken te drinken en
sigaren te rooken. In een verbazend vroeg tijdperk zijns levens stal de
jonge Frank Clavering zijn vaders havana’s en bracht ze mee op school,
of rookte ze in de stallen, en op zijn tiende jaar dronk hij zijn
champagne bijna zoo stevig als een gesnorbaarde luitenant der
dragonders had kunnen doen.
Toen dit belangwekkende jonge mensch met de vacantie thuis kwam, was
majoor Pendennis even overdadig beleefd en voorkomend tegen hem als
tegen de overige leden van het gezin; ofschoon de jongen vrij veel
minachting voor den „ouwen Pruikenburg,” zooals de majoor genoemd werd,
koesterde; hem achter zijn rug nadeed, zooals de wellevende majoor
tegen Lady Clavering of jufvrouw Amory boog en vleide; en met breede
trekken van die karikaturen teekende, waarin schrandere jongelui
zooveel behagen scheppen en waarop des majoors pruik, neus, das enz.
met kunstelooze overdrijving waren afgebeeld. De majoor, die onvermoeid
was in zijne pogingen om zich aangenaam te maken, gaf den wensch te
kennen, dat ook Pen bijzondere notitie van dit kind zou nemen, en
spoorde Arthur dus aan, hem op zijne kamer te noodigen, hem in de club
een diner te geven, hem mee te nemen naar de wassenbeeldengalerij van
madame Tussaud, den Tower, den schouwburg en meer van dien aard, en
hem, na afloop van den dag, iets voor zijn spaarpot te schenken. Daar
Arthur een welwillend hart bezat en veel van kinderen hield, volbracht
hij op zekeren dag al die plechtigheden. De jongen kwam in den Tempel
ontbijten en maakte daar de beleedigendste aanmerkingen op de meubelen,
het aardewerk en Warrington’s havelooze kamerjapon, waarna hij een kort
pijpje rookte en verslag gaf van een gevecht tusschen Tuffy en Langbeen
op de school bij mijnheer Rose, tot groote stichting van de beide
heeren, die hem tot gast hadden.
Gelijk de majoor met veel juistheid voorspeld had, was Lady Clavering
ten hoogste dankbaar voor de beleefdheden, die Arthur haar zoontje
bewezen had, veel dankbaarder dan de jongen zelf, die zulke
onderscheidingen beschouwde als iets dat hem toekwam, en wel
waarschijnlijk meer goudstukken op zak had dan de arme Pen, die hem
zeer edelmoedig één van zijn eigen geringen voorraad dier muntstukken
afstond.
Met de scherpe oogen, die de natuur aan den majoor geschonken had, en
met den bril van ouderdom en ondervinding, hield deze den blik op den
jongen gevestigd en ging hij zijne positie in het gezin na, zonder al
te veel nieuwsgierigheid naar de familie-aangelegenheden aan den dag te
leggen. Doch als buurman op het land, als een man, wiens familie veel
verplichting aan de Clavering’s had, als man van de wereld, nam hij
elke geschikte gelegenheid waar om te onderzoeken, welke de
geldmiddelen van Lady Clavering waren, hoe zij over haar kapitaal
beschikt had en wat de jongen zou erven. En toen hij zich daartoe aan
het werk had gezet – met welk oogmerk zal ongetwijfeld later blijken –
had hij spoedig eene vrij nauwkeurige kennis van Lady Clavering’s zaken
en fortuin en van de vooruitzichten van hare dochter en haar zoon
verkregen. De dochter zou slechts een matig kapitaaltje ontvangen; het
grootste gedeelte der bezittingen zou, gelijk reeds vroeger gezegd is,
op den zoon overgaan, – zijn vader gaf niet om hem noch om iemand
anders, – zijne moeder was op hem verzot, als het kind van haar later
leeftijd, en zijne zuster had een hekel aan hem. Dit was in algemeene
trekken hetgeen majoor Pendennis te weten kwam. „Ja lieve mevrouw,”
zeide hij wel eens, terwijl hij den jongen op het hoofd tikte, „deze
knaap zou bij een volgend kroningsfeest eene baronnenkroon op het hoofd
kunnen dragen, als de zaken maar behoorlijk overlegd wierden en Sir
Francis Clavering zijne kaarten goed wist te spelen.”
Op die woorden slaakte de weduwe Amory een diepen zucht. „Ik vrees, dat
hij zijne kaarten maar al te slecht speelt, majoor,” gaf zij ten
antwoord. De majoor gaf te kennen, dat dit hem niet onbekend was; hij
ontveinsde niet, dat ook hij van Sir Francis Clavering’s ongelukkige
neiging tot het spel gehoord had, en hij beklaagde Lady Clavering
oprecht; doch dit deed hij met zooveel gevoel en zoo verstandig, dat
mylady, blijde een persoon van ondervinding aan te treffen, wien zij
haar verdriet en haar omstandigheden kon toevertrouwen, er zeer
onbewimpeld tegen majoor Pendennis over sprak en gaarne zijn raad en
zijne vertroostingen wilde ontvangen. Aldus werd de majoor de
vertrouwde en de huisvriend van de begum, die hem in hare hoedanigheden
van moeder, vrouw en kapitaliste raadpleegde.
Hij gaf haar te verstaan (en legde daarbij een eerbiedige meewarigheid
aan den dag), dat hij met sommige omstandigheden van haar rampspoedig
eerste huwelijk, en zelfs met den persoon van wijlen haar echtgenoot,
dien hij zich uit Calcutta herinnerde (toen zij in afzondering met haar
vader leefde), bekend was. Met tranen eerder van schaamte dan van
smart, deelde de arme dame hem het voorgevallene uit haar standpunt
mede. Toen zij, na twee jaren op eene school in Europa te hebben
doorgebracht, nog bijna als kind naar Indië terugkeerde, was zij met
Amory in aanraking gekomen en zoo dwaas geweest hem te trouwen. „O, gij
weet niet welk een ellende die man mij heeft aangedaan,” sprak zij, „en
welk een leven ik tusschen hem en mijn vader had. Voordat ik hem zag,
had ik nooit eenig ander man dan de klerken van mijn vader en diens
inlandsche bedienden gezien. Gij weet, dat wij in Indië niet in
gezelschap kwamen, uithoofde van –” („Ik weet dat,” zeide majoor
Pendennis met eene buiging.) „Ik was een hartstochtelijk, romanesk kind
mijn hoofd was vervuld met de romans, die ik op school gelezen had. Ik
hoorde hem zijne woeste geschiedenissen en avonturen verhalen, want hij
was een roekeloos mensch, en ik vond, dat hij zoo heerlijk vertelde op
die stille avonden van de uitreis, terwijl hij..... Nu, ik trouwde hem
en was van dien dag af rampzalig; ik had mij het ongenoegen van mijn
vader op den hals gehaald, wiens karakter gij gekend hebt, majoor
Pendennis; ik zal er dus niet meer van zeggen, maar het was geen
aangenaam man, mijnheer, noch voor mijn arme moeder, noch voor mij
(uitgezonderd dat hij mij zijn geld naliet), noch voor iemand anders,
zoover ik ooit gehoord heb, en ik vrees, dat hij niet veel goeds in
zijn leven verricht heeft. Amory was bijna nog erger; mijn vader was
gierig, maar hij was een verkwister; hij dronk vreeselijk en in zijn
beschonken toestand was hij ontembaar. Hij is in geen enkel opzicht een
goed of trouw echtgenoot voor mij geweest, majoor Pendennis; en indien
hij in zijne gevangenis gestorven ware vóór zijn vonnis, in plaats van
daarna, zou hij mij veel schande en rampzaligheid bespaard hebben,
mijnheer. Want,” liet Lady Clavering er op volgen, „misschien zou ik
niet hertrouwd zijn, indien ik niet zoo begeerig ware geweest mij van
zijn verfoeiden naam te ontdoen, en ik ben in de keuze van mijn tweeden
man niet gelukkig geweest, gelijk gij waarschijnlijk wel weet,
mijnheer. Ja, majoor, ik heb geld en ben eene lady, en de menschen
denken, dat ik heel gelukkig ben, – maar ik ben het niet. Wij allen
hebben onze zorgen en verdriet en bezwaren; en menigen keer zit ik aan
mijne groote diners met een gefolterd hart, en menigen nacht lig ik
wakker op mijn prachtig bed, vrij wat ongelukkiger dan de meid, die het
opgemaakt heeft. Want ik ben geen gelukkige vrouw, majoor, ofschoon de
wereld het denkt, en de begum om hare diamanten en rijtuigen en de
voorname lui, die ik bij mij ontvang, benijdt. Ik ben niet gelukkig met
mijn man en evenmin met mijne dochter. Het is geen goed meisje, gelijk
die Laura Bell op Fairoaks. Zij heeft mij vele tranen gekost, ofschoon
gij ze niet ziet, en zij bespot mij, hare moeder, omdat ik niet veel
geleerd heb. Hoe zou dat ook mogelijk geweest zijn? Ik ben tot mijn
twaalfde jaar onder inlanders groot gebracht, en keerde weer naar Indië
terug toen ik pas veertien was. Ach, majoor, ik zou eene goede vrouw
zijn geweest, indien ik een goeden man had gehad. En nu moet ik naar
boven om mijn oogen te wasschen, want ze zijn rood van het schreien.
Straks komt Lady Rockminster mij afhalen, om een ritje door het Park te
doen.” En toen Lady Rockminster verscheen, nam men op Lady Clavering’s
gelaat geen spoor meer van tranen of verdriet waar; zij was integendeel
zeer opgeruimd en spraakzaam en verminkte de goede Engelsche taal met
de meeste levendigheid en tevredenheid.
„Het is voor den drommel toch nog zoo’n kwade vrouw niet!” dacht de
majoor bij zich zelven. „Zij is wel niet zeer beschaafd, want zij zegt
„Neefteunis” in plaats van „Neptunus”; maar zij heeft een goed hart –
daarvan houd ik – en een drommelschen boel geld bovendien. Drie
sterretjes bij haar naam op de lijst van aandeelhouders in de
Oostindische Compagnie! en dat alles zal dat jonge rekeltje krijgen –
zal hij?” En daarbij overdacht hij hoe gaarne hij een weinigje van dat
geld op jufvrouw Blanche zou zien overdragen en hoeveel aangenamer het
nog zou zijn, indien hij één van die sterretjes later bij den naam van
mijnheer Arthur Pendennis mocht zien schitteren.
Altijd zijn doelwit voor oogen houdende, van welken aard dit ook ware,
maakte de oude diplomaat gebruik van den goeden voet, waarop hij stond,
en van zijn ouderdom, om met jufvrouw Blanche, als hij gelegenheid vond
met haar alleen te zijn, op eene vriendschappelijke en vaderlijke wijze
te spreken. Hij kwam zoo dikwijls op het ontbijt en werd zoo gemeenzaam
met de dames, dat zij zich zelfs niet meer ontzagen in zijne
tegenwoordigheid te twisten; en Lady Clavering, die eene luide stem en
een driftig karakter bezat, leverde menigen slag aan de sylphide,
terwijl de huisvriend er bij zat. Door hare gevatheid behield Blanche
bij deze schermutselingen doorgaans het veld en hare geweerhaakte
pijlen joegen hare vijandin smadelijk op de vlucht. „Ik ben een oud
man,” zeide de majoor, „en heb niets omhanden. Ik heb goede oogen en ik
kan zwijgen. Ik ben uw beider vriend, en al twist gij samen, waar ik
bij ben, zal ik het toch aan niemand vertellen. Maar gij zijt beiden
zulke lieve dames, dat ik het tusschen u zou willen bijleggen. Ik ben
reeds dikwijls de bemiddelaar tusschen allerlei menschen geweest –
mannen en vrouwen, vaders en zoons, dochters en mama’s. Ik houd daarvan
en heb niets anders te doen.”
Op zekeren dag dan trad de oude diplomaat de gezelschapszaal van Lady
Clavering binnen, juist toen deze er, blijkbaar in ziedenden toorn, uit
kwam en hem voorbijliep, de trap op naar haar eigen vertrekken.
„Zij kon hem nu niet spreken,” riep zij; „zij was veel te boos op die –
die – die kleine, ondeugende –” De boosheid smoorde de overige woorden
of verhinderde mylady ze uit te spreken voordat zij reeds buiten het
gehoor was.
„Goede, beste jufvrouw Amory,” zeide de majoor toen hij binnentrad, „ik
zie wat er gebeurd is. Gij en mama hebt ongenoegen gehad. Het gebeurt
in de voornaamste familien, dat er tusschen moeders en dochters
oneenigheid bestaat. Nog pas verleden week heb ik een geschil tusschen
Lady Clapperton en hare dochter Lady Claudia bijgelegd. Lady Lear en
haar oudste dochter hebben in veertien jaar geen woord tegen elkander
gesproken. Ik heb in heel mijn leven geen vriendelijker en braver
menschen dan deze twee ontmoet; zij zijn voor iedereen, behalve voor
elkander, al wat men wenschen kan. Maar elkander kunnen zij niet
verdragen; zij moesten niet bij elkander wonen; en ik wenschte van
ganscher harte, meisje-lief, dat ik u in een eigen huishouden mocht
zien – geene dame te Londen is beter geschikt er een te besturen, – uw
eigen huishouding, waar gij uwe huisgenooten gelukkig zoudt maken!”
„Hier ten minste ben ik niet gelukkig,” zeide de sylphide, „en mama’s
domheid zou een engel zijn geduld doen verliezen.”
„Juist; gij zijt voor elkander niet geschikt. Uwe moeder beging in haar
vroeger leven ééne fout – of was het, in uw geval, de natuur, mijne
lieve? – zij had u niet moeten opvoeden tot het fijn beschaafde en
geestige meisje, dat gij zijt, omringd, ik erken het, door menschen die
uw genie of uwe beschaving niet bezitten Gij moest in de schitterendste
kringen voorgaan, niet volgen, en in geen gezelschap den tweeden rang
innemen. Ik heb op u gelet, jufvrouw Amory; gij zijt eerzuchtig, en te
heerschen is uwe ware roeping. Gij behoordet te schitteren en dat kunt
gij in dit huis nooit, – dat weet ik. Ik hoop, dat ik u eenmaal als
meesteres in een ander en gelukkiger huis zal zien.”
De sylphide haalde met een minachtenden blik de lelieblanke schouders
op, en vroeg: „Waar is de prins en waar is het paleis, majoor
Pendennis? Ik ben bereid Maar er bestaat tegenwoordig geen romantische
zin, geen waarachtige genegenheid in de wereld meer!”
„Neen, inderdaad niet,” antwoordde de majoor met het meest
sentimenteele en natuurlijke gezicht, dat hij trekken kon.
„Ofschoon ik er niets van weet,” vervolgde Blanche en sloeg de oogen
neer, „dan hetgeen ik in romans gelezen heb.”
„Natuurlijk niet,” riep majoor Pendennis uit; „hoe zoudt gij dat ook
weten, mijne lieve jonge dame? en de romans bevatten geen waarheid,
gelijk gij zeer juist aanmerkt, en er bestaat niets romanesks meer in
de wereld. Och, ware ik maar een jong heer, gelijk mijn neef!”
„En wat zijn de mannen, die wij elken avond op de bals zien?” ging
jufvrouw Amory peinzend voort; „dansende officieren, geldelooze
ambtenaren, – in één woord, dwazen! Als ik zoo rijk was als mijn
broeder, zou ik een huishouding kunnen hebben gelijk gij mij
voorspiegelt: maar wat heb ik met mijn naam en mijne geringe middelen
te verwachten? Een dorpsdominé, of een advocaat in een straatje bij
Russell Square, of een kapitein der dragonders, die gemeubileerde
kamers voor mij zal nemen, en dronken en naar tabaksrook riekende,
gelijk Sir Francis Clavering, van de officierstafel thuis zal komen. Op
die manier zijn wij meisjes bestemd ons leven te eindigen. O, majoor
Pendennis, Londen, en de bals, en de jonge dandy’s met de haarbosjes
aan de kin, en de onbeschaamde groote dames, die ons den eenen dag wél
en den anderen dag niet willen kennen, de heele wereld in één woord
staat mij tegen! Ik zou de gansche wereld willen vaarwelzeggen, om in
een klooster te gaan, dat zou ik! Ik zal nooit iemand vinden, die mij
begrijpt. En ik leef hier in mijne familie en in de wereld zoo eenzaam,
alsof ik voor altijd in eene cel opgesloten was! Ik wenschte, dat hier
Liefdadige Zusters waren en ik er kon opgenomen worden, dat ik eene
besmettelijke ziekte kreeg en er aan stierf. Ik wenschte, dat ik de
wereld uit was! Ik ben nog niet zeer oud; maar ik ben afgemat, want ik
heb zooveel geleden! Ik ben zoo gedesillusioneerd – ik ben moe, ik ben
moe. O, dat de Engel des Doods maar kwam en mij van hier riep!”
Men kan deze kleine redevoering als volgt vertolken. Weinig avonden
geleden had eene groote dame, zekere Lady Flamingo, zich gehouden alsof
zij jufvrouw Amory en Lady Clavering niet kende. Zij was buiten zich
van ergernis, dat zij geen uitnoodiging tot het bal van Lady Drum kon
krijgen; het was op het einde van het seizoen en niemand had haar zijn
hart aangeboden; zij had volstrekt geen opzien gebaard, zij, die
zooveel geestiger was dan alle andere meisjes van dat jaar en van de
jonge dames, die haar bijzonderen kring uitmaakten. Dora, die maar vijf
duizend pond had, Flora, die in het geheel niets bezat, en Leonora, die
zich door rood haar onderscheidde, zouden gaan trouwen, en niemand was
om Blanche Amory gekomen!
„Gij oordeelt zeer juist over de wereld en over uwe positie, lieve
jufvrouw Amory,” zeide de majoor. „Gelijk gij wèl zegt, trouwt de prins
tegenwoordig niet, tenzij de prinses een goeden stapel effecten bezit,
of eene dame van zijn eigen rang is. De jongelui van groote familie
trouwen in de groote familiën; bezitten zij geen fortuin, dan hebben
zij toch elkanders hulp om in de wereld vooruit te komen, en dat is
bijna evengoed. Een meisje met uw fortuin kan bezwaarlijk op een groot
huwelijk rekenen; maar een meisje met uw genie en uw
bewonderenswaardigen tact en beschaafde manieren kan, als zij een
verstandig echtgenoot aan hare zijde heeft, elke plaats in de
samenleving innemen. Wij zijn verbazend republikeinsch geworden. Het
talent staat tegenwoordig op ééne lijn met rijkdom en geboorte; en een
schrander man met eene schrandere vrouw kunnen zich in onze dagen op
elk standpunt plaatsen, dat zij verkiezen.”
Jufvrouw Amory begreep natuurlijk in het allerminst niet, wat majoor
Pendennis bedoelde. Misschien ging zij sommige omstandigheden in haar
geest na en vroeg zij zich af, of hij een voorspraak voor een harer
vroegere aanbidders kon zijn en wellicht het oog had op Pen? Neen, dat
was onmogelijk. Hij was beleefd geweest maar niets meer. Derhalve vroeg
zij lachend: „Wie is die schrandere man, en wanneer zult gij mij dien
brengen, majoor Pendennis? Ik brand van verlangen, om hem te zien!”
Op dit oogenblik wierp een knecht de deur open en diende den heer Henry
Foker aan; en op dien naam en op het gezicht van onzen vriend barstten
de dame en de heer het van lachen uit.
„Dat is de man niet,” zeide majoor Pendennis. „Hij is met zijne nicht,
de dochter van Lord Gravesend, geëngageerd! Vaarwel, lieve jufvrouw
Amory.”
Werd Pen wereldsch, en zou een man geen ondervinding mogen opdoen en er
zich op beroemen? „Wat hem betrof,” zeide hij, „gevoelde hij, dat hij
zeer snel verouderde. Wat worden wij in deze stad vervormd en
veranderd,” zeide hij eens tegen Warrington. Zij waren elk van hunne
avondvermaken teruggekomen, en Pen zat zijne pijp te rooken en, volgens
zijne gewoonte, zijn opmerkingen en ervaringen van dien avond aan zijn
vriend te vertellen. „Wat ben ik veranderd,” riep hij uit, „sedert ik
die onnoozele knaap te Fairoaks was, die op het punt stond zijn hart te
breken over zijn eerste liefde! Lady Mirabel had heden avond receptie
en was zoo statig en bedaard als eene geboren hertogin, juist alsof zij
in haar gansche leven geen valluik gezien had. Zij bewees mij de eer
van een onderhoud en sprak op zeer beschermenden toon over Walter
Lorraine.”
„Wat eene genadige goedheid!” merkte Warrington aan.
„Niet waar?” zeide Pen met de meeste onnoozelheid, waarop de ander, als
naar gewoonte, weer in lachen uitbarstte. „Hoe is het mogelijk,” zeide
Warrington, „dat iemand op het denkbeeld komt, den uitstekenden
schrijver van Walter Lorraine beschermend te behandelen!”
„Gij steekt den draak met ons beiden,” zeide Pen, een weinig blozende,
„daartoe zou ik zelf wel gekomen zijn. Zij vertelde mij, dat zij het
boek niet gelezen had (ik voor mij geloof, dat zij nooit in haar leven
een boek heeft gelezen), maar wel Lady Rockminster, en dat de hertogin
van Connaught het zeer mooi vond. Ik antwoordde, dat ik nu zalig kon
sterven, want dat het juist het hoofddoel mijns levens was geweest die
beide dames te behagen, en dat ik, nu zij mij hare goedkeuring
schonken, natuurlijk niet meer naar die van iemand anders behoefde uit
te zien. Lady Mirabel keek mij plechtig met hare mooie oogen aan en
zeide: „O zoo!” alsof zij mij begrepen had, en vroeg mij daarop, of ik
op de Donderdags-receptien der hertogin kwam, en toen ik „neen” zeide,
drukte zij de hoop uit mij daar te zien en verzekerde, dat ik ook moest
trachten te komen, want dat daar iedereen kwam – iedereen, die in de
groote wereld verkeerde. Vervolgens spraken wij over den nieuwen
ambassadeur van Timboektoe, die zooveel beter was dan de vroegere; en
dat Lady Mary Billington met een dominé, ver beneden haar rang, ging
trouwen; en dat Lord en Lady Ringdove drie maanden na hun huwelijk in
onmin waren geraakt over Tom Pouter van de Garde, Lady Ringdove’s neef
– en meer van dien aard. Als ge de deftigheid van die vrouw gezien
hadt, zoudt ge gedacht hebben, dat zij in een paleis geboren was en al
haar leven op Belgrave Square had gewoond.”
„En ik denk, dat gij deel genomen hebt aan het gesprek als de
afstammeling van den graaf uw vader en de erfgenaam van het kasteel
Fairoaks?” zeide Warrington. „Ja, ik herinner mij het verslag te hebben
gelezen van de feesten bij gelegenheid van uwe meerderjarigheid. De
gravin gaf eene schitterende thee aan den adel uit den omtrek, en de
boeren werden in de keuken op een schapebout en eene kruik bier
onthaald. Het overschot der lekkernijen is aan de armen van het dorp
uitgedeeld, en het parkhek was geïllumineerd totdat de oude Jan de
kaars uitdeed om naar bed te gaan.”
„Mijne moeder is geen gravin,” antwoordde Pen, „ofschoon zij zeer goed
bloed in de aderen heeft; en hoewel zij maar tot den burgerstand
behoort, heb ik nooit eene groote dame ontmoet, die meer dan hare
gelijke was, mijnheer George. Als gij een bezoek op het kasteel
Fairoaks wilt afleggen, kunt gij zelf over haar oordeelen en over mijne
nicht bovendien. Zij zijn niet zoo geestig als de Londensche vrouwen,
maar zonder tegenspraak evengoed opgevoed. De gedachten van de vrouwen
op het platteland loopen over andere onderwerpen dan die der Londensche
dames. Op het land heeft eene vrouw haar huishouden en haar armen, hare
lange kalme dagen en hare lange kalme avonden.”
„Verduiveld lang,” zeide Warrington, „en veel te kalm. Ik heb er
ondervinding van.”
„De eentonigheid van dat leven moet tot eene zekere hoogte iets
melancholisch hebben – gelijk de wijs van een lang lied; en er moet een
ernstige en liefelijke, eene droeve en teedere harmonie in gelegen
zijn, anders zou het onuitstaanbaar wezen. De vrouwen op het land
worden door haar eenzaamheid noodzakelijk zacht en sentimenteel. Daar
zij een leven van kalme plichtsbetrachting, eenzelvige werkzaamheden en
mystieke mijmering leiden, daar zij eene soort van nonnen zijn, aan wie
vrijheid van beweging gelaten is, zou te veel vroolijkheid of gelach
hare bijna heilige rust verstoren en daar even misplaatst zijn als in
de kerk.”
„Waar men onder de preek indut,” zeide Warrington.
„Gij zijt een onverbeterlijk vrouwenhater, maar ik geloof, dat gij een
hekel aan de schoone sekse hebt omdat gij haar zeer weinig kent,”
vervolgde Pen op vrij verwaanden toon. „Als gij een afkeer van de
vrouwen op het land hebt omdat zij zoo saai zijn, dan moeten de
Londensche vrouwen u toch vlug genoeg wezen. Het leven gaat te Londen
in een ontzaglijke vaart voorbij: ik verwonder mij hoe de menschen het
uithouden, mannen en vrouwen! Neem eens eene dame van de wereld tot
voorbeeld, en zie welk een leven zij gedurende het Londensche seizoen
leidt. Men moet vragen hoe zij het kan uithouden, en of zij op het
einde van Augustus niet in slaap valt, om met het voorjaar pas weer te
ontwaken? Zij gaat elken avond op partijen en zit er bij, om hare
huwbare dochters tot lang na het aanbreken van den dag te zien dansen.
Waarschijnlijk heeft zij thuis de kinderkamer vol kleintjes, aan welke
zij een goed voorbeeld moet geven en liefde betoonen; te gelijk moet
zij haar oog laten gaan over boter en brood, den catechismus, de muziek
en het Fransch, en zorgen dat er ten één ure een gebraden schapebout op
de tafel staat; zij moet bezoeken bij dames van haar eigen rang
afleggen, hetzij als een beleefdheidsvorm, hetzij in hare hoedanigheid
van lid van liefdadige genootschappen, of balcommissiën, of commissiën
voor de landverhuizing, of commissiën voor Queen’s College, en ik weet
niet hoeveel andere plichten eener Britsche staatsvrouw zij nog
vervult. Waarschijnlijk houdt zij er nog eene lijst van armenbezoek op
na; of zij deelt met den dominé soep of kleedingstukken uit, of zorgt
voor een doelmatig godsdienstig onderricht in hare wijk, en, als zij
althans in zekere gedeelten der stad woont, gaat zij vermoedelijk naar
de vroegpreek. Zij moet de couranten lezen en voor het minst weten wat
de partij van haar man doet, om er met hare buren aan het diner over te
kunnen spreken; en het staat vast, dat zij alle nieuwe boeken leest,
die uitkomen; want zij weet over die alle te spreken, en dat wel zeer
juist en goed, en men ziet ze ook alle op de tafel in haar salon
liggen. Verder drukt op haar de zorg om het huishouden goed te
besturen, om met het geld rond te komen; om de modistenrekeningen harer
dochters zoodanig in te richten, dat zij den vader en betaalmeester der
familie niet te ijzingwekkend voorkomen; om hier en daar heimelijk een
klein buitengewoon postje van uitgaaf af te schaffen en het bedrag in
de gedaante van een bankbiljet aan hare jongens op de hoogeschool of op
zee te zenden; om de inhaligheid der leveranciers te keer te gaan en de
geldelijke abuizen der huishoudster te herstellen; om de bedienden te
beletten met elkander te kibbelen, – in één woord, om het geheele huis
in orde te houden. Voeg hier nu bij, dat zij een heimelijken smaak voor
de een of andere kunst of wetenschap koestert, dat zij in klei
boetseert, scheikundige proeven neemt, of in stilte op de violoncel
speelt – en ik durf, zonder overdrijving, zeggen, dat vele Londensche
dames iets dergelijks doen – dan hebt gij een tafereel voor u, waarvan
onze voorouders nooit gehoord hebben, en dat uitsluitend aan onzen tijd
en onzen trap van beschaving eigen is. Groote goden! wat leven en
groeien wij snel! In negen maanden kweekt mijnheer Paxton een ananas
zoo groot als een reiskoffer, terwijl er vroeger eene, niet grooter dan
eene Hollandsche kaas, drie jaar noodig had om tot rijpheid te komen;
en gelijk met het geslacht der ananassen, zoo gaat het met het geslacht
der menschen. Hoiaper – wat is het Grieksche woord voor ananas,
Warrington?”
„Houd op, om ’s hemels wil, houd met het Engelsch op en begin maar niet
aan het Grieksch!” riep Warrington lachend uit. „Ik heb u nog nooit
zulk eene lange rede hooren uitspreken, evenmin als ik wist, dat gij
zoo diep in de vrouwelijke verborgenheden waart doorgedrongen. Wie
heeft u dat alles geleerd, en in welke boudoirs en kinderkamers hebt
gij rondgegluurd, terwijl ik hier op mijn stroozak mijne pijp lag te
rooken en mijn boek te lezen?”
„Gij zit aan den oever ouwe jongen, en ziet het aan hoe de golven door
den wind opgezweept worden en hoe anderen tegen het geweld der zee
worstelen,” antwoordde Pen „Ik ben nu midden in den stroom, en, bij den
hemel, het bevalt mij! Wat gaan wij pijlsnel met den vloed af, niet
waar? sterken en zwakken, ouden en jongen, aarde potten en ijzeren
potten het lieve kleine porseleinen bootje dobbert vroolijk voort tot
de groote en zware koperen schuit er tegen aanvaart en het in den grond
boort – eh, vogue la galère! – men ziet iemand in dien wedstrijd zinken
en roept hem het vaarwel toe; maar zie, hij is slechts onder de beenen
van een ander heengedoken en komt een heel eind verder weer boven en
zwaait zijne riemen. Eh, voque la galère, zeg ik! Het is heel
genoeglijk, Warrington, – niet enkel het winnen, maar zelfs het
wedijveren.
„Welnu, ga voort en overwin, jongen! Ik zal hier blijven zitten en naar
het spel kijken,” zeide Warrington, terwijl hij den vurigen jongeling
met bijna vaderlijke ingenomenheid aanzag. „Een edel karakter speelt om
het genoegen van het spel, een laag karakter om den inzet; en een oude
pruik zit bedaard zijne pijp te rooken, terwijl Piet en Klaas om den
prijs vechten.”
„Waarom treedt gij dan ook niet in den kring, George, en trekt de
bokshandschoenen eens aan? Gij zijt er groot en sterk genoeg voor,”
zeide Pen. „Beste ouwe jongen, gij kunt er tegen tien van mijn slag
opwegen.”
„Gij zijt stellig zoo groot niet als Goliath,” hernam de ander met een
forschen en toch welwillenden lach; „maar wat mij betreft, ik ben
machteloos geworden. In mijn vroeger leven heb ik een noodlottigen slag
ontvangen. Ik zal u dat wel eens, op een anderen tijd, verhalen. Gij
kunt ook uw meester nog vinden. Wees maar niet te voorbarig of te
vermetel, of te wereldsgezind, beste jongen.”
Werd Pendennis inderdaad wereldsgezind of keek hij maar eens in de
wereld rond of deed hij allebei? en is het een mensch zoo erg euvel te
duiden, dat hij, alles bijeengenomen, slechts mensch is? Wie is het
verstandigst en vervult zijn plicht het best: hij, die verre van den
strijd des levens staat en dien kalm aanziet, of hij die het perk
binnentreedt en deel aan den strijd neemt? „Die wijsgeer,” zeide Pen,
„die afgemat uit de wereld trad en verklaarde, dat alles ijdelheid was
en kwelling des geestes, had een aanzienlijke plaats onder de
voorgangers van het menschdom bekleed en volop het aanzien, den
rijkdom, den roem en het vermaak genoten, dat de wereld schenken kan.
Menig godsdienstleeraar, dien wij eerbied toedragen, en die uit zijn
rijtuig de rijk gebeeldhouwde hoofdkerk binnentreedt, zwaait zijne
linnen manchetten over het fluweelen kussen heen en roept uit, dat die
gansche strijd vervloekt is en dat al de werken der wereld boos zijn.
Menig dweeper, wiens geweten hem kwelt, ontvliedt haar geheel en al,
binnen wezenlijke of denkbeeldige kloostermuren, uit welke hij alleen
kan omhoog zien naar de lucht en den hemel beschouwen, buiten welke
geen rust en niets goeds bestaat.
„Maar de aarde, op welke onze voeten rusten, is het werk van dezelfde
macht, die daar ginds het onpeilbare blauw geschapen heeft, in hetwelk
de toekomst ligt, waarin wij met onzen blik zouden willen doordringen.
Hij, die den arbeid tot voorwaarde des levens stelde, beschikte ook
vermoeienis, ziekte, armoede, tegenspoed, voorspoed, – beschikte aan
dezen man de eerste plaats en aan den anderen een strijd, in stilte
gestreden, met den grooten hoop der menschen, – beschikte aan genen een
smadelijken val of eene verlamming der ledematen, of onverwacht onheil,
– aan iedereen eenig werk op den grond, dien hij betreedt, tot hij in
den schoot daarvan wordt neergelegd.”
Terwijl zij aldus spraken, begon de dageraad door de vensters te
schijnen, die Pen openwierp, om de frissche morgenlucht binnen te
laten. „Kijk, George,” zeide hij, „daar rijst de zon op; zij ziet den
boer naar het veld gaan; de naaister hare rampzalige naald hanteeren;
den rechtsgeleerde misschien aan zijn lessenaar zitten; de schoone op
haar donzen kussen slapen; of den uitgeputten losbol naar bed waggelen;
of den koortslijder er op rondwoelen; of den dokter de smarten der
moeder gadeslaan wegens het kind, dat geboren zal worden om zijn deel
te nemen aan het lijden en strijden, het weenen en lachen, de misdaad,
de wroeging, de liefde, de dwaasheid, de smart en de rust.”