ALSATIA.

Evenals een deurwaarder of verloopen praktizijn, in den omtrek der

zetelplaatsen van het recht groot gebracht, kan men Shepherd’s Inn

altijd dicht in de nabijheid van Lincoln’s Inn Fields en den Temple

vinden. Ergens achter de zwarte gevels en roeterige schoorsteenen van

Wych Street, Holywell Street, Chancery Lane ligt dat vierkant van

gebouwen voor het oog der buitenwereld verborgen, en men komt er binnen

door zonderlinge gangen en wonderlijk rookerige stegen, waarin de zon

vergeet te schijnen. De nauwe doorgangen en donkere vensters zijn

behangen met de waren van oude kleerenkoopers en handelaars in

zoetigheden en koek, in prenten voor de jeugd, in havelooze meubelen en

in beddegoed, dat aan alles doet denken behalve aan slapen. Aan de

deuren ziet men een aantal belknoppen, en zwermen slordige kinderen

spelen in ontelbare groepen op de deurstoepen, of omringen de

uitstallingen der vischverkoopers op deze pleinen, welker vochtig

plaveisel van het getrappel van houten klompen weergalmt en met nooit

ontbrekende modder overdekt is. Liedjeszangers komen hier met akelige

keelgeluiden satirieke liederen zingen tegen het Whig-ministerie, tegen

de bisschoppen en de geestelijken met vette prebenden, en tegen de

Duitsche verwanten van zeker doorluchtig koninklijk geslacht. Hier

plaatst zich de poppenkast, die zeker is een publiek te vinden en nu en

dan een halven stuiver te ontvangen van de talrijke bewoners dezer

huizen. Vrouwen roepen hier op krijschenden toon hare kinderen terug,

die in de goten morsen, of, wat erger is, varen tegen hare mannen uit,

die met waggelende schreden uit de herberg komen. Er heerscht een

eindeloos geraas en leven op die plaatsen, uit welke men op het stille

en ouderwetsche vierkante plein van Shepherd’s Inn komt. Op een

verwaarloosd grasperkje in het midden verheft zich het standbeeld van

Shepherd, dat door een ijzeren hek tegen de baldadigheid der jongens

beschermd wordt. De groote zaal der Inn, op welke het wapen van den

stichter geschilderd staat, neemt eene der zijden van het vierkant in;

de ruime en ouderwetsche kamers loopen twee andere zijden rond, en gaan

over de middelpoort heen, die naar Oldcastle Street en aldus naar de

groote Londensche Straten leidt.

De Inn is wellicht vroeger door rechtsgeleerden bewoond geweest; maar

sinds lang heeft men er leeken in toegelaten; en ik weet niet dat

tegenwoordig een enkel der groote kantoren van advocaten of procureurs

daar gevestigd is. In eenige der kamers gelijkvloers wordt het kantoor

der Polwheedle en Tredyddlum kopermijnen gehouden; in andere dat der

Maatschappij tot registreering van gepatenteerde uitvindingen, en tot

samenwerking van het genie met het kapitaal. De eenige heer, wiens naam

te gelijk hier en op de rol der advocaten voorkomt, is mijnheer

Campion, die snorren draagt, twee of driemaal ’s weeks in zijn rijtuig

hier komt, en in het West-End zijn kantoor heeft in Curzon Street,

Mayfair, waar mevrouw Campion de heeren van den hoogen en den kleinen

adel ontvangt, aan wie haar man geld uitleent. In die wijk en op zijne

geglaceerde kaartjes is hij Somerset Campion; hier is hij Campion en

Co., en hetzelfde haarbosje, dat zijne kin versiert, bot ook uit aan de

onderlip van de rest der firma. Als zijne vigilante voor de deur van

zijn kantoor stilhoudt, is het heerlijk te zien, hoe rijkelijk het tuig

van het paard met wapenschilden bezaaid is. Het schuim vliegt het dier

van den bek, terwijl het op het blinkende gebit knabbelt en den kop

schudt. De leidsels zijn, evenals de broek van den rijknecht,

schitterend wit. De glans dier equipage verspreidt een zonneschijn over

die schemerachtige plaats.

Onze oude vriend kapitein Costigan heeft menigen namiddag, als hij op

zijne oude pantoffels, in zijne kamerjapon gehuld en met zijn ouden

hoed op één oor ronddrentelde, dit rijtuig en dat paard van Campion in

oogenschouw genomen. Hij drentelt dáár na het ontbijt in den

zonneschijn, als het goed weer is, en legt vervolgens een bezoek af in

de woning van den portier, waar hij de kinderen op de wangen tikt en

met jufvrouw Bolton over de schouwburgen en „me dochter Lady Mirabel”

spreekt. Jufvrouw Bolton was zelve vroeger bij het vak geweest en had

weleer in Sadler’s Wells gedanst als de dertiende der veertig

leerlingen van den heer Serle.

Costigan woont op de derde verdieping, No. 4, vroeger het verblijf van

mijnheer Podmore, wiens naam nog altijd op de deur staat (in het

voorbijgaan moeten wij aanmerken, dat op bijna al de deuren in

Shepherd’s Inn de naam van iemand anders staat dan van hem, die er

woont). Toen Charley Podmore (de verdienstelijke tenorzanger van den

Drury Lane schouwburg en de Concertzaal der Achterkeuken) zich in het

huwelijk begaf en eene woning in Lambeth betrok, deed hij zijne kamers

aan mijnheer Bows en kapitein Costigan over, die er nu samen wonen, en

dikwijls kan men er de klanken van mijnheer Bows’ piano hooren wanneer

op mooie dagen de vensters openstaan en hij voor zijn genoegen speelt

of een leerling – hij heeft er een paar – onderricht. Fanny Bolton, de

dochter van de portierster, die hare moeder van haar vroegeren

tooneelroem heeft hooren verhalen en nu van begeerte brandt om hare

voetstappen te drukken, is een van die leerlingen. Zij heeft voor het

tooneel eene goede stem en een lief gezicht en figuurtje; zij houdt de

kamers schoon, maakt de bedden op en zet het ontbijt voor de heeren

Costigan en Bows gereed, en tot vergoeding geeft deze laatste haar les

in de muziek en in het zingen Als de kapitein zich maar niet zoo

ongelukkig aan den drank te buiten ging (hetgeen zij echter

vooronderstelt dat alle voorname lui met hem gemeen hebben), zou zij

hem voor den knapsten heer ter wereld houden, en zij gelooft vast al de

verhalen, die hij haar opdischt. Ook van mijnheer Bows houdt zij veel

en zij is hem zeer erkentelijk, en dit schuwe en zonderlinge oude

heertje draagt haar ook eene vaderlijke genegenheid toe, want zijn hart

is door en door liefderijk en hij gevoelt zich nooit op zijn gemak als

hij niet iemand liefheeft.

De rijtuigen van voorname bezoekers hebben wel eens voor Costigan’s

nederige deur in Shepherd’s Inn gestaan; en als men hem ’s morgens

hoort spreken (want zijn avondzang is van vrij wat melancholischer

aard), zou men denken, dat Sir Charles Mirabel en diens vrouw hem

telkens op zijne kamer bezochten en de bloem van den adel meebrachten,

om bij „den ouden man, den braven gepensioneerden kaptein, den armen

ouden Jack Costigan”, zooals Cos zich zelven noemt, hunne opwachting te

maken.

Het ware van de zaak is, dat Lady Mirabel persoonlijk haar vader is

komen bezoeken – hoewel niet in den laatsten tijd – en een kaartje van

haar echtgenoot heeft meegebracht (hetgeen nu reeds vele maanden

tusschen het spiegeltje boven den schoorsteenmantel in de zitkamer van

No. 4 prijkt). Daar zij welwillend gezind is en ernstig hare plichten

tracht na te komen, had zij, bij haar huwelijk met Sir Charles, een

klein pensioen aan haar vader verzekerd, die ook nu en dan aan de tafel

van zijne dochter en zijn schoonzoon genoodigd werd. In den beginne

gedroeg de arme Cos zich vrij mal, doch niet geheel onbetamelijk „in de

hoogste kringen”, zooals hij het gezelschap ten huize van Lady Mirabel

betitelde. Gelijk hij zijn persoon in de fraaiste kleeren uitdoste,

koos hij de langste en hoogdravendste woorden uit zijn taalschat om

zijne gesprekken in te kleeden, en nam hij eene deftigheid aan,

waarover ieder, die het bijwoonde, verbaasd stond. „Was mylady vandaag

in het Park?” vroeg hij aan zijne dochter. „Ik heb tevergeefs naar uwe

equipage uitgezien: de arme oude man heeft zich niet mogen verblijden

in het gezicht van zijn dochters karos. Sir Charles, ik zag uw naam

onder de heeren vermeld, die op het lever bij zijne majesteit geweest

zijn; menig lever op het kasteel te Dublin heeft de arme oude Jack

Costigan in zijn tijd bijgewoond. Zag de hertog van Wellington er nogal

goed uit? Ik geloof, dat ik toch eens naar Apsley House zal gaan en een

kaartje afgeven. Geef me nog wat champagne, James!” Hij was

onovertreffelijk beleefd jegens iedereen, en richtte zijne gezegden

niet enkel tot den heer des huizes en de gasten, maar ook tot de

knechts, die aan tafel bedienden en moeite hadden om den ernst, in hun

beroep vereischt, te bewaren als zij kapitein Costigan moesten

bedienen.

De twee of drie eerste malen dat Costigan bij zijn schoonzoon dineerde,

nam hij de matigheid in acht en stelde zich dan later voor het

verlorene in de Achterkeuken schadeloos, waar hij zoo lang over den

bordeaux en den bourgogne van zijn schoonzoon zat te zwetsen tot hem de

tong bij zijn zesde glas whisky-punch begon dubbel te slaan. Maar

zoodra hij zich bij zijn schoonzoon meer thuis begon te gevoelen, begaf

hem zijne voorzichtigheid en de arme Cos bedronk zich jammerlijk aan de

tafel van Sir Charles Mirabel. Men liet een rijtuig voor hem halen en

sloot de deur van het gastvrije huis achter hem dicht. Dikwijls

verklaarde hij op weemoedigen toon aan zijne vrienden in de

Achterkeuken, dat hij op koning Lear uit het tooneelstuk van dien naam

geleek, dat hij voorwaar een ondankbaar kind had, dat hij een arm,

afgetobd, eenzaam oud man was en dat hij door die ondankbaarheid aan

den drank geraakt was en zijn hartzeer in de punch trachtte te smoren.

Het is eene pijnlijke taak de zwakheden eens vaders te moeten

vermelden, maar wij moeten nog verder van Costigan vermelden, dat hij

niet zelden, als zijn krediet uitgeput en zijn baar geld verdwenen was,

geld bij zijne dochter bedelde, en dan opgaven deed, die niet strikt

met de waarheid strookten. Op zekeren dag schreef hij, dat de

deurwaarders op het punt stonden hem in de gijzeling te brengen,

„tenzij gij de voor u onbeduidende som van drie pond vijf shillings

kunt meegeven om een armen grijsaard uit den kerker te redden.” De

goedhartige Lady Mirabel zond daarop het geld, dat voor de vrijmaking

van haar vader benoodigd was, met eene waarschuwing dat hij voortaan

zuiniger moest zijn. Bij eene andere gelegenheid had de kapitein een

schrikkelijk ongeluk gehad en eene winkelruit van spiegelglas in het

Strand gebroken, waarvoor de winkelier vergoeding eischte. Lady Mirabel

zond ook ditmaal het geld, benoodigd om haar papa’s ongeluk te

herstellen, en haar bediende overhandigde het aan den haveloozen bode

en adjudant van den kapitein, die den brief gebracht had waarin hij

zijn tegenspoed berichtte. Indien de bediende des kapiteins adjudant,

die het geld meenam, gevolgd had, zou hij gezien hebben dat die heer,

een landgenoot van Costigan, (want hebben wij niet gezegd, dat, hoe arm

een Iersch heer ook zij, hij altijd een nog armer Iersch heer onder

zich heeft, die zijne boodschappen doet en zijne geldzaken bezorgt?)

eene vigilante van de naaste standplaats riep en naar het Roscius’ Head

in Harlequin Yard bij Drury Lane rende, waar de kapitein inderdaad in

pand gehouden werd voor verscheidene glazen rumgrog of andere

geestrijke verfrisschingen, die hij en zijne vrienden gebruikt hadden.

Bij eene derde droevige gelegenheid schreef hij, dat hij ziek was

geworden en geld noodig had om den dokter te betalen, dien hij

genoodzaakt was geweest te ontbieden. Lady Mirabel, die over haar vader

ongerust werd en zich wellicht verweet, dat zij hem in den laatsten

tijd te weinig bezocht had, liet ditmaal haar rijtuig voorkomen en reed

naar Shepherd’s Inn, waar zij afstapte en haar weg zocht naar de kamers

van haar vader, „No. 4 op de derde verdieping, waar de naam van Podmore

op de deur staat,” zeide de portierster met een aantal nijgingen,

terwijl zij naar de deur van het huis wees, waar de liefhebbende

dochter binnentrad en de smerige trap besteeg. Helaas! de deur,

waarboven Podmore’s naam prijkte, werd door den armen Cos zelven in

zijne hemdsmouwen geopend, met den rooster in de hand, bestemd om de

lamscôteletten te ontvangen, die jufvrouw Bolton was gaan halen.

Ook was het niet aangenaam voor Sir Charles Mirabel, dat hij in de club

telkens brieven ontving met de bijvoeging, dat kapitein Costigan in de

vestibule op antwoord stond te wachten; of dat hij, als hij in de

Reizigers-Club zijn rubber whist ging spelen, als een pijl uit den boog

uit zijn brougham moest schieten en de stoep opvliegen, om niet door

zijn schoonvader aangevallen te worden; of dat hij de overtuiging met

zich moest omdragen, dat, terwijl hij de nieuwsbladen las, of zijn

whist speelde, de kapitein met dien naren ouden hoed en de oogen

onafgewend op de vensters der club gericht, aan den overkant van Pall

Mall op en neer wandelde. Sir Charles was zwak van karakter; hij was

een oud man met verschillende kwalen; schreiend beklaagde hij zich over

zijn schoonvader tegen zijne vrouw, die hij met de dwaze aanbidding van

een grijsaard liefhad; hij verklaarde, dat hij zich naar het buitenland

zou moeten begeven, of dat hij naar zijne buitenplaats zou moeten gaan

als hij dien man nogmaals zag, zou hij het besterven, of weer eene

beroerte krijgen dat wist hij zeker. Alleen dus door een tweede bezoek

bij kapitein Costigan af te leggen en hem voor te houden, dat zijn

pensioen voor altijd zou ingetrokken worden indien hij Sir Charles nog

verder met brieven lastig viel, hem op straat aansprak, of wederom geld

ter leen vroeg, gelukte het Lady Mirabel haar papa in toom te houden en

haar man tot rust te brengen. Bij gelegenheid van dit bezoek gaf zij

tevens aan Bows haar ernstig misnoegen te kennen, dat hij niet beter op

den kapitein paste; zij verlangde, dat men hem niet zoo schandelijk zou

laten drinken en dat de menschen in die afschuwelijke kroegen, waar hij

gewoon was te komen, gewaarschuwd zouden worden hem onder geen

voorwendsel hoegenaamd krediet te verleenen. „Papa’s gedrag sleept mij

naar het graf,” sprak zij (hoewel zij er heel welvarend uitzag), „en

gij, mijnheer Bows, een oud man, die voorgaf belang in ons te stellen,

moest u schamen hem daarin te stijven.” Dit was de dank, dien de

eerzame Bows voor zijne vriendschap en zijne toewijding aan haar

ontving. Ik geloof echter niet, dat die oude wijsgeer er slechter

afkwam dan vele andere mannen, of grooter redenen van ontevredenheid

had dan zij.

Op de tweede verdieping van het huis naast dat van Bows in Shepherd’s

Inn, op No. 3, wonen twee andere van onze bekenden: kolonel Altamont,

agent van den nabob van Lucknow, en de kapitein chevalier Edward

Strong. Op hunne deur staat in het geheel geen naam. De kapitein

wenscht niet, dat iedereen weten zal waar hij woont, en op zijne

kaartjes staat het adres van een hotel in Jermyn Street. De

gevolmachtigde minister van den Indischen potentaat is niet

geaccrediteerd bij de hoven van St. James, of van de Oostindische

Compagnie, maar bevindt zich hier op eene vertrouwelijke zending,

geheel buiten de Compagnie of het Departement voor Indische zaken.

„Daar kolonel Altamont’s zending van financieelen aard is,” zegt

Strong, „en den verkoop van eenige der kostbaarste diamanten en

robijnen uit de kroon van Lucknow ten doel heeft, wenscht hij zich niet

aan te melden op het India House, of in Cannon Row, maar liever met

particuliere kapitalisten te onderhandelen, waarmee hij dan ook zoowel

hier te lande als op het vasteland zaken heeft gedaan.”

Wij hebben reeds vermeld, dat deze stille kamers van Strong zeer

aangenaam gemeubeld en ingericht waren sedert de komst van Sir Francis

Clavering te Londen, en de chevalier had allen grond om zich tegen de

vrienden, die hem daar kwamen bezoeken, te beroemen, dat weinige

gepensioneerde kapiteins pleizieriger waren ingekwartierd dan hij in

zijn schuilhoekje in Shepherd’s Inn. Beneden waren er drie kamers het

kantoor, waar Strong zijne zaken behandelde – van welken aard die dan

ook mochten zijn – en waar nog altijd de lessenaars en hekjes der

beambten, die hem daar voorafgegaan waren, stonden, en des kapiteins

eigen slaap- en zitkamer. Uit het kantoor leidde eene trap naar twee

bovenkamers, waarvan de eene door kolonel Altamont bewoond werd, en de

andere tot keuken en slaapvertrek van Grady, den oppasser, ingericht

was. Deze kamers waren op gelijke hoogte met de vertrekken onzer

vrienden Bows en Costigan, No. 4 van het huis daarnaast; en als men

over de tusschenliggende goot heenreikte, kon Grady het potje reseda

grijpen, dat voor Bows’ venster bloeide.

Uit Grady’s keukenvertrek stegen dikwijls nog heerlijke geuren omhoog.

De drie oud-soldaten, die het garnizoen van No. 3 uitmaakten, waren

allen ervaren in de kookkunst. Grady was groot in het bereiden van

gestoofde gerechten op zijn Iersch; de kolonel was beroemd voor het

klaarmaken van pillau en curry: en wat Strong betreft, die kon alles

koken. Hij bereidde Fransche gerechten en Spaansche gerechten,

gestoofde schotels, fricassées en omelettes, alles onverbeterlijk; en

geen mensch in Engeland was gastvrijer dan hij, wanneer zijne beurs

gevuld of zijn krediet toereikend was. Op die gelukkige tijdstippen kon

hij, gelijk hij zeide, een vriend op een goed diner en een goed glas

wijn en daarna op een vroolijk liedje vergasten; en de arme Cos in

zijne kamer gezeten, zoo ver van die feestgelagen verwijderd en er toch

zoo dichtbij, hoorde dikwijls met nijd het galmen der koren bij Strong

en het harmonische klinken der glazen. Het was niet altijd raadzaam,

mijnheer Costigan er bij te noodigen; hij had eene jammerlijke gewoonte

van zich te bedrinken, en bovendien verveelde hij Strong’s gasten met

zijne verhalen als hij nuchter en met zijn aandoenlijke ontboezemingen

en krokodillentranen zoodra hij dronken werd.

Die vrienden van den chevalier maakten eene zonderlinge en veelsoortige

vergadering uit; en ofschoon majoor Pendennis niet veel genoegen in hun

bijzijn zou gesmaakt hebben, waren Arthur en Warrington er niet weinig

mee ingenomen, en Pen vond de aanwezigen even onderhoudend als de

voornaamste heeren in de aanzienlijkste huizen, die hij de eer had te

bezoeken. Elk lid van dit gezelschap bezat een eigen geschiedenis, en

allen schenen een eb en vloed van geluk en van tegenspoed gekend te

hebben. De meesten hadden heerlijke plannen en ontwerpen in den zak, om

terstond een ontzaglijk vermogen te verwerven. Jack Holt, die in het

leger van Don Carlos de wapenen had gedragen, toen Ned Strong voor de

tegenpartij streed, had nu eene kleine onderneming op touw gezet, om

tabak in Londen binnen te smokkelen, hetgeen dertig duizend pond ’s

jaars moest opbrengen aan ieder die de vijftienhonderd pond wilde

voorschieten, juist nog benoodigd om den laatsten tolbeambte om te

koopen, die zich niet had willen laten vinden en die lucht had van het

ontwerp. Tom Diver, die op de Mexicaansche vloot gediend had, wist de

plaats waar in het eerste jaar van den oorlog een transportschip met

driehonderd tachtig duizend dollars en honderd tachtig duizend pond

sterling in staven en dubloenen gezonken was. „Geef mij achttienhonderd

pond,” zeide Tom, „en morgen ga ik op reis met vier man en eene

duikerklok, en binnen tien maanden kom ik terug om mij tot lid van het

parlement te laten verkiezen en, zoo waar ik leef, mijne

familiegoederen terug te koopen.” Keightley, de directeur der

Tredyddlum en Polwheedle kopermijnen (welke vooralsnog onder water

stonden), die evengoed de tweede partij kon zingen als een zanger van

beroep, hield niet enkel het Tredyddlum-kantoor, maar had eene

Smirna-sponzen-maatschappij en eene kleine speculatie in kwik op het

oog, die hem dadelijk tot een gegoed man zou maken. Filby was van alles

geweest: korporaal bij de dragonders, veldprediker, zendeling ter

bekeering van de Ieren en acteur bij een kermistroepte Greenwich, voor

welks tent hij door den procureur zijns vaders gevonden werd, toen die

oude heer overleden was en hem die fameuse bezittingen had nagelaten,

waarvan hij voor het oogenblik geen stuiver rente trok en welker juiste

ligging geen mensch kende. Eindelijk behoorde de baronet Sir Francis

Clavering tot dezen kring, waar het hem zeer behaagde, hoewel hij van

zijn kant niet veel tot de vroolijkheid bijdroeg, doch het gezelschap

stelde hem wegens zijn rijkdom en zijn aanzien in de wereld op hoogen

prijs. Met de meeste minzaamheid vertelde hij tusschenbeide ook iets en

zong hij een paar liedjes. Ook hij had, eer hij geld kreeg, zijn eigen

geschiedenis gehad, en meer dan ééne gevangenis van binnen leeren

kennen en zijn naam op menig blad gezegeld papier geschreven.

Toen Altamont het eerst van Parijs terugkwam en zich met Sir Francis

Clavering in betrekking had gesteld van uit het hotel waar hij zijn

intrek had genomen (en waar hij, de schatten aan diamanten en robijnen

in aanmerking genomen, welke aan dien eerlijken man waren toevertrouwd,

in een zeer armoedigen toestand aangekomen was), zond de baronet Strong

op hem af, die de kleine rekening in het logement betaalde en den

kolonel verzocht een paar nachten op zijne kamers te komen doorbrengen,

waar hij vervolgens zijn verblijf vestigde. Met dezen man te moeten

onderhandelen ging nog; maar zulk een persoon op zijne kamers te hebben

en aanhoudend met zijn gezelschap opgescheept te zijn, viel niet

bijzonder in den smaak van den chevalier, die daarover niet weinig

tegen zijn chef gromde.

„Ik zou wel wenschen, dat gij dien beer in iemand anders kooi wildet

plaatsen,” zeide hij tegen Clavering. „Die kerel is geen gentleman. Ik

zou niet gaarne met hem gezien worden. Hij kleedt zich als een neger in

zijn Zondagspak. Ik heb hem dezer dagen meegenomen naar den schouwburg,

en ik verzeker u dat hij den acteur, die voor verrader speelde,

uitschold en zoo erg tegen hem vloekte, dat de menschen in de loges

riepen, dat hij de zaal moest uitgezet worden. Tot nastuk gaf men de

Roover, waarin, zooals gij weet, Wallack gekwetst opkomt en sterft.

Toen hij stierf, begon Altamont als een kind te huilen en zeide, dat

het verd– schande was, en schreeuwde en vloekte zoo hard dat er weer

eene opschudding ontstond en iedereen zat te lachen. Daarop moest ik

hem wegbrengen, omdat hij met iemand, die om hem lachte, wilde vechten

en hem toebulderde, dat hij maar als een man moest opkomen. Wie is hij

toch? Waar drommel komt hij vandaan? Het beste zou zijn, dat gij mij de

heele historie verteldet, Frans, zooals gij toch vroeger of later zult

moeten doen. Ik houd het er voor, dat gij te zamen eene kerk bestolen

hebt. Het zou het beste zijn, Clavering, uw hart maar dadelijk lucht te

geven en mij te vertellen wie die Altamont is en welke macht hij over u

heeft?”

„Laat hem naar den duivel loopen! Ik wenschte dat hij dood was!” luidde

het eenig antwoord van den baronet, wiens gezicht zoo somber begon te

staan, dat Strong het niet raadzaam achtte voor dit oogenblik zijn

patroon verder te ondervragen, maar zich voornam, als het noodig was,

op zijn eigen manier te ontdekken, welke geheimzinnige band er tusschen

Altamont en Clavering bestond.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 89 / 155 题