AANGELEGENHEDEN VAN DEN HEER HENRY FOKER.

Sedert dien noodlottigen maar heerlijken avond op Grosvenor Place had

mijnheer Henry Foker’s hart in zulk een staat van ontroering verkeerd,

als men niet lichtelijk zou gedacht hebben, dat zulk een groot wijsgeer

kon ondervinden. Wanneer wij ons herinneren hoeveel goeden raad hij in

vroegere dagen aan Pen gegeven had, hoeveel vroegtijdige wijsheid en

menschenkennis de begaafde jonkman aan den dag had gelegd, en hoe een

aanhoudend leven van genot, gelijk aan een heer van zijne middelen en

vooruitzichten paste, zijne onverschilligheid had moeten doen toenemen

en hem met elken dag al minder en minder belang in iemand anders dan in

mijnheer Henry Foker zelven had moeten doen stellen, – dan moet men

zich verwonderen, dat hij in het ongeval geraakt was, dat de meesten

onzer een paar malen in het leven overkomt, en dat zijne groote ziel

verontrust werd door eene vrouw. Maar hoe vroeg ook Foker wijs was

geworden, hij bleef altijd mensch. Hij kon het algemeene lot evenmin

ontgaan als Achilles of Ajax, of Lord Nelson, of onze stamvader Adam,

en nu zijn tijd gekomen was werd de jonge Henry een slaaf van de

alverwinnende Liefde.

Toen hij dien avond, na van Arthur Pendennis op Lamb Court afscheid

genomen te hebben, naar de Achterkeuken ging, had de grog en de

gebraden kalkoen niets bekoorlijks voor hem; de grappen zijner vrienden

lieten hem ongevoelig, en toen mijnheer Hodgen, de zanger van de

Lijkendief, een nieuw lied voordroeg, nog akeliger en humoristischer

dan het genoemde vermaarde gedicht, riep Foker, die de vriend van den

kunstenaar was, wel „Bravo, Hodgen!” gelijk de beleefdheid en zijne

positie als steunpilaar van de Achterkeuken van hem eischte, maar hij

hoorde eigenlijk geen woord van het lied, hetwelk Hodgen onder den

titel van de Kat in het kastje zoo beroemd heeft gemaakt. Laat en zeer

vermoeid sloop hij naar zijne kamer en zocht de donzen peluw op; maar

zijn slaap werd gestoord door de onrust, welke hem kwelde, en zoodra

hij uit zijne koortsige sluimering ontwaakte, stond het beeld van

jufvrouw Amory voor hem en voegde hem de woorden toe: „Hier ben ik, ik

ben uwe prinses en uwe schoone; gij hebt mij gezien en zult u verder om

niets anders meer bekommeren!”

Goede hemel wat kwamen hem zijne vroegere vermaken en

vriendschapsbetrekkingen nietswaardig en smakeloos voor! Tot nog toe

was hij niet veel gewoon geweest aan het gezelschap van vrouwen van

zijn eigen stand. Als hij van zulke dames sprak, noemde hij ze

„fatsoenlijke vrouwen.” Die deugd, die wij hopen dat zij ook bezaten,

woog tot nog toe bij mijnheer Foker niet op tegen het gemis der

levendigheid, waarmee de dames zijner eigen familie niet bedeeld waren,

en die hij daarentegen bij mesdemoiselles, de dames van het tooneel,

aantrof. Ofschoon zijne moeder goed en liefderijk was, vermaakte zij

hem niet, en zijne nichten, de dochters van zijn oom van moederszijde,

den achtbaren graaf van Rosherville, verveelden hem bovenmate. De eene

was eene geleerde vrouw en hield zich met de geologie bezig; de andere

reed te paard en rookte sigaren; de derde behoorde tot de uiterste

gelederen der vrijzinnige kerk en koesterde in godsdienstzaken de meest

kettersche gevoelens; zooals ten minste de vierde beweerde, die, van

haar kant, tot de fijnste aanhangsters der rechtzinnige kerk behoorde,

haar kabinetje tot een bidvertrekje had ingericht en, het gansche jaar

door, elken Vrijdag vastte. Foker liet zich zelden bewegen, het

ouderlijk huis dier dames te Drummington te bezoeken. Hij zwoer, dat

hij liever naar het armenhuis wilde gaan dan dáár te logeeren. Hij was

er dan ook niet zeer bemind. Lord Erith, de zoon van Lord Rosherville,

beschouwde zijn neef als een gemeen persoon van jammerlijk slechte

manieren, terwijl Foker, met evenveel recht, Erith voor een kwast en

een domkop uitmaakte, en beweerde dat hij het Lagerhuis in slaap

praatte, dat hij een steen des aanstoots voor den voorzitter was en dat

hij tot de vervelendste der zoogenaamde philanthropische redenaars

behoorde. En evenmin kon ook George Robert, graaf van Gravesend en

Rosherville, ooit vergeten, dat zijn neef, op zekeren avond, toen hij

zich had willen verwaardigen met dien jongen heer te biljarten, zijne

lordschap met de queue in de ribben gestooten had onder den uitroep:

„Wel, ouwe jongen ik heb menigen leelijken stoot gezien, maar nog nooit

zoo’n leelijken als dien van jou!” De graaf speelde het spel met

engelachtige zelfbeheersching af, want Henry was èn zijn gast èn zijn

neef; maar het scheelde weinig of mylord kreeg in den nacht eene

beroerte, en hij bleef op zijne kamer tot de jonge Foker Drummington

verliet en naar Oxbridge terugkeerde, waar de opvoeding van dien

belangwekkenden jongeling, ten dien tijde, voltooid werd. Het was een

vreeselijke slag voor den achtbaren graaf; er werd in de familie nooit

over het voorgevallene gesproken; hij ontweek Foker, als deze hem te

Londen of buiten kwam bezoeken, en kon ternauwernood van zich

verkrijgen om den jongen verworpeling stotterend te vragen: „Hoe vaart

ge?” Doch de graaf wilde het hart zijner zuster Agnes niet breken door

Henry geheel uit de familie te bannen; en, om de waarheid te zeggen,

schikte het hem ook niet, om met mijnheer Foker senior te breken, met

wien mylord vele vertrouwelijke zaken had gehad, bestaande in eene

uitwisseling van orderbriefjes op Foker’s bankier en van eigenhandige

geschriften van den graaf zelven, met de woorden „neme aan op vertoon

te betalen” boven zijne doorluchtige handteekening.

Buiten de vier dochters van Lord Gravesend, wier verschillende

eigenschappen wij reeds hierboven hebben opgesomd, was mylord nog met

eene vijfde dochter gezegend, Lady Anna Milton, die sedert hare

vroegste jeugd, ja van de wieg af, eene bestemming had gehad. Hare

ouders hadden met hare tante vastgesteld, dat Lady Anna de vrouw van

Henry Foker zou worden, zoodra deze den vereischten leeftijd bereikt

had. Met dat denkbeeld was zij reeds gemeenzaam geweest, toen zij nog

de kinderkleeren droeg en Henry, de slordigste van alle knapen, met

blauw geslagen oogen van de school naar Drummington kwam, of naar zijn

vaders buitenplaats Logwood, waar Lady Anna dikwijls bij hare tante

logeerde. De beide jongelieden hadden zich zonder tegenwerpingen of

verzet naar de beschikkingen hunner ouders gevoegd. Lady Anna kwam

evenmin op de gedachte om zich tegen de bevelen van haar vader te

verzetten, als het bij Esther zou opgekomen zijn de bevelen van

Ahasverus te betwisten. De vermoedelijke erfgenaam van het huis Foker

betoonde zich ook gehoorzaam, want toen de oude heer zeide: „Henry, ik

ben met uw oom overeengekomen, dat gij, als gij den vereischten

leeftijd hebt, Lady Anna zult trouwen. Zij zal geen geld ten huwelijk

brengen, maar zij heeft edel bloed in de aderen en ziet er goed uit, en

ik zal wel voor u zorgen. Als gij dat niet verkiest, zult gij hebben

wat uwe moeder ten huwelijk heeft gebracht en tweehonderd pond ’s jaars

zoolang ik leef,” – toen berustte Henry, die wist, dat hij zijn vader,

ofschoon deze geen man van vele woorden was, blindelings kon

vertrouwen, in het besluit der ouders en antwoordde: „Nu, vader, als

Anna het goedvindt, ben ik er mee tevreden. Zij ziet er in het geheel

niet kwaad uit.”

„En zij heeft het beste bloed van Engeland in hare aderen, Henry; uw

moeders bloed, uw eigen bloed,” zeide de bierbrouwer. „Daar gaat niets

boven.”

„Nu, vader, zooals gij het goedvindt,” hernam Henry. „Als het gebeuren

moet, zeg het mij dan maar. Er is echter geen haast bij, en ik hoop,

dat gij het nog lang zult uitstellen. Ik zou gaarne nog wat van de

wereld genieten, eer ik trouw.”

„Ga je gang maar, Henry,” antwoordde zijn liefderijke vader. „Niemand

verbiedt het u, niet waar?” Daarna werd er weinig meer over het

onderwerp gesproken, en mijnheer Henry joeg die genoegens des levens

na, die hem het meest toelachten; hij hing een klein portretje van

zijne nicht in zijne zitkamer op, midden tusschen Fransche prenten,

afbeeldingen van beroemde actrices en danseressen, tooneelen van

wedrennen en paardrijden, waarin hij den meesten smaak had, en die

zijne kunstgalerij uitmaakten. Het was een weinig beduidend portretje,

een eenvoudig rond gezichtje, met krullende lokken, dat, wij moeten het

bekennen, niet veel vertoon maakte naast mademoiselle Petitot, die op

een regenboog danste, of mademoiselle Redowa, die met roode laarsjes en

een lansiers-shako stond te grinniken.

Daar Lady Anna Milton geëngageerd en hare bestemming dus reeds

aangewezen was, ging zij niet zooveel uit als hare zusters, en dikwijls

bleef zij in het ouderlijke huis op Gaunt Square achter, als hare mama

met de andere dames uitging. Zij praatten en dansten met den eenen heer

na den anderen, en die heeren kwamen en gingen, en er waren

verschillende praatjes omtrent haar in omloop. Maar met betrekking tot

Lady Anna was het altijd dezelfde geschiedenis: zij was geëngageerd met

Henry Foker en mocht nooit aan iemand anders denken. Het was geen heel

vroolijke geschiedenis.

Welnu, op hetzelfde oogenblik toen Foker ’s morgens na het diner bij

Lady Clavering ontwaakte, stond Blanche’s beeltenis met hare heldere

grijze oogen en haar verleidelijken glimlach hem aan te staren. Haar

air klonk hem in de ooren: „Ik zweef soms hier rond, – ik zweef soms

hier rond,” hetgeen de arme Foker klaaglijk begon te neuriën, toen hij

onder de rood zijden sprei in zijn bed opzat. Tegenover hem hing eene

Fransche plaat, voorstellende eene Turksche dame met haar Griekschen

minnaar, die door een eerwaardig Muzelman, den echtgenoot der dame,

overvallen werden; aan de andere muur prijkte eene Fransche plaat van

een heer en eene dame te paard, die in vollen galop elkander kusten;

overigens was deze kuische slaapkamer met nog meer andere Fransche

platen behangen, de portretten van in gaas gehulde nimfen der opera, of

fraaie tooneelen uit romans, en met een paar Engelsche meesterstukken,

waarop jufvrouw Calverley van de koninklijke Engelsche opera afgebeeld

was in de engsluitende pantalon van hare geliefkoosde rol, als page, of

jufvrouw Rougemont als Venus, terwijl de waarde dezer voorstellingen

verhoogd werd door de handteekeningen dier dames, Mary Calverley, of

Frederika Rougemont, die in keurig facsimile onder de platen prijkten.

Aan zulke prenten haalde de eerzame Henry zijn hart op. Hij was niet

slechter dan vele zijner makkers; hij was een leegloopend, pretmakend,

welwillend, geldverkwistend jonkman; en als hij zijne kamers zoo

overvloedig met voortbrengselen van de Fransche kunst versierde, dat de

eenvoudige Lady Agnes, zijne mama, als zij in het vertrek trad, waar

haar lieveling in geurige wolken van Latakia gehuld zat, dikwijls

verstomd stond over al het moois, dat haar oog trof, moeten wij in

aanmerking nemen, dat hij rijker was dan de meeste jongelieden, zoodat

hij zijn smaak gemakkelijker kon bevredigen.

Op zijn bedtafeltje lag, te midden van sleutels, geldstukken,

sigarenkokers en een takje verbena, dat jufvrouw Amory hem had gegeven,

een brief van jufvrouw Calverley, die het fijne gewaterlijnde papier

met eene zeer ongedwongen spelling en schrift bekrabbeld had en, na

begonnen te zijn met mijnheer Henry haar „lieven Hoky-poky-foky” te

noemen, hem verder herinnerde, dat de dag genaderd was, waarop hij „dat

diner in the Elephant and Castle te Richmond moest geven, dat hij

beloofd had;” verder een kaartje voor eene afzonderlijke loge bij

jufvrouw Rougemont’s aanstaand benefice, een pakje toegangkaartjes voor

„Ben Budgeon’s voorstelling, de bokser uit Noord-Lancashire, bij Martin

Faunce in de Driekante Hoed in St. Martin’s Lane, waar Conkey Sam, Dick

the Nailor en Deadman (de bokser uit Worcestershire) de

bokshandschoenen zullen aantrekken en alle bewonderaars van de goede

oud Britsche lichaamsoefeningen uitgenoodigd worden te verschijnen,”

deze en nog verscheidene andere herinneringen aan de tijdverdrijven en

vermaken van mijnheer Foker lagen op tafel naast zijn bed, toen hij

wakker werd.

Ach, wat kwamen hem die zouteloos voor! Wat gaf hij om Conkey Sam of

dien bokser uit Worcestershire? Wat om die Fransche dames, die hem uit

alle hoeken zijner kamer toelonkten, om al dat verbazende moois? En wat

schreef die Calverley slecht, en hoe durfde dat onbeschaamde

vrouwspersoon hem Hoky-poky noemen? De gedachte van in the Elephant and

Castle te Richmond te moeten dineeren met dat oude wijf (zij was

stellig zeven en dertig jaar), vervulde hem nu met walging en ergernis,

in plaats van het genoegen, dat hij nog gisteren bij dat uitstapje

dacht te smaken.

Toen zijne teedere mama haar zoon dien morgen zag, merkte zij op hoe

bleek zijne wangen waren en hoe neerslachtig hij scheen. „Waarom blijft

gij toch zoo biljart spelen in die akelige zaal van Spratt?” vroeg Lady

Agnes. „Kindlief, dat biljart zal u nog den dood aandoen; dat zal het

zeker!”

„Het is het biljart niet,” antwoordde Henry somber.

„Dan is het die verschrikkelijke Achterkeuken,” hernam Lady Agnes. „Ik

ben dikwijls voornemens geweest – weet ge, Henry – aan de kasteleines

te schrijven en haar te verzoeken maar heel weinig wijn in uw glas te

doen, en er op te letten dat gij uw doek omslaat, voordat gij in uw

brougham stapt.”

„Ga uw gang maar, mama; jufvrouw Cutts is zeer vriendelijk en eene

echte moeder,” zeide Henry. „Maar het is de Achterkeuken óók niet,”

liet hij er met een akeligen zucht op volgen.

Daar Lady Agnes haar zoon nooit iets weigerde en in al zijne

handelingen met de teederste inschikkelijkheid berustte, werd haar dit

door het volkomenste vertrouwen van de zijde van den jongen Henry

vergolden, die nooit voor haar ontveinsde welke plaatsen hij gewoon was

te bezoeken: hij deelde haar integendeel eene keur van anekdotes uit de

clubs en de biljartzalen mede, waarin de eenvoudige dame veel genoegen

schepte, al begreep zij ze niet. „Mijn zoon gaat naar Spratt,” sprak

zij tot hare vertrouwde vriendinnen. „Al de jongelui gaan naar Spratt,

als zij van de bals komen. Het is de rigueur, mijne waardste; en zij

spelen nu biljart, gelijk men in de dagen van mijnheer Fox macao en

hazard speelde. Ja, mijn lieve vader heeft mij dikwijls verteld, dat

zij in de club van Brooke altijd tot negen ure den volgenden morgen

opzaten met mijnheer Fox, dien ik mij nog herinner met een geel vest en

eene zwart satijnen kniebroek te Drummington gezien te hebben, toen ik

een klein meisje was. Mijn broeder Erith heeft als jongmensch nooit

gespeeld, noch laat opgezeten; zijne gezondheid liet het niet toe; maar

mijn jongen moet met zijne vrienden meedoen, weet ge. En dan gaat hij

ook dikwijls naar eene plaats, die de Achterkeuken heet, waar alle

menschen van genie en schrijvers bijeenkomen, die men op gezelschappen

niet ontmoet, maar wier omgang Henry als een groot voorrecht en

genoegen beschouwt; daar hoort hij dan de vraagstukken van den dag

bespreken; en mijn lieve vader zeide dikwijls, dat wij verplicht waren

de letterkunde aan te moedigen, en hij had nog gehoopt Dr. Johnson te

Drummington te ontvangen; – maar die stierf juist in dien tijd. Ja,

mijnheer Sheridan kwam ook bij ons en dronk heel veel wijn – iedereen

dronk veel wijn in dien tijd, en papa’s wijnkoopersrekening was

tienmaal hooger dan die van Erith, die zijn wijn, als hij dien noodig

heeft, van Fortnum en Mason neemt en er in het geheel geen kelder op

nahoudt.”

„Dat was gisteren een bijzonder goed diner, mama,” merkte de listige

Henry aan. „Hunne soep was beter dan de onze. Moufflet doet te veel

kruiden in alles. De suprême de volaille was zeer lekker – buitengewoon

lekker, en de confituren waren beter dan die van Moufflet. Hebt ge de

plombière geproefd, mama, en die maraskino-gelei? Verbazend lekkere

maraskino-gelei!”

Lady Agnes stemde zoowel met deze gevoelens van haar zoon als met

schier al zijn andere oordeelvellingen in, waarop hij het gesprek

behendig voortzette met de woorden:

„Mooi huis, dat van die Clavering’s. Gemeubeld zonder naar de kosten te

vragen. Prachtig zilverwerk, mama,” welke opmerkingen de moeder mede

toestemde.

„Aardige menschen, die Clavering’s.”

„Hm!” zeide Lady Agnes.

„Ik weet wat gij bedoelt. Lady C. is niet heel distinguée, maar uiterst

goedhartig.”

„Dat is zij,” erkende mama, die zelve eene der goedhartigste der

vrouwen was.

„En Sir Francis spreekt niet veel in tegenwoordigheid van dames, maar

na het diner valt hij verbazend mee, mama; dan blijkt het, dat hij een

hoogst onderhoudend en zeer knap mensch is. Wanneer zult ge hen te

dineeren vragen? Doe het zoo spoedig mogelijk;” en daarop het zakboekje

van Lady Agnes inziende, koos hij een dag, die slechts veertien dagen

verwijderd was (ofschoon die veertien dagen den jongen heer eene eeuw

toeschenen), waarop de Clavering’s in Grosvenor Street zouden genoodigd

worden.

De volgzame Lady Agnes schreef de gewenschte uitnoodiging. Zij was

gewoon dit te doen zonder voorkennis van haar man, die zijne eigen

kringen en gewoonten had, en zijne vrouw hare vrienden alleen liet

ontvangen. Henry keek het kaartje in en ontdekte een verzuim, dat hem

niet beviel.

„Ge hebt jufvrouw – hoe heet zij ook? – jufvrouw Emery, Lady

Clavering’s dochter, niet gevraagd.”

„O, dat kleine nest!” riep Lady Agnes uit. „Neen, die niet!”

„Wij kunnen toch niet nalaten jufvrouw Amory te vragen,” hernam Foker.

„Ik – ik zou Pendennis ook willen noodigen, en – en die is dol op haar.

Vindt gij niet, mama, dat zij heel mooi zingt?”

„Zij kwam mij al te vrij voor, en naar haar zingen heb ik niet

geluisterd. Het had voor mij den schijn, dat zij alleen voor u en

mijnheer Pendennis zong. Maar als gij het zoo gaarne wilt, Henry, zal

ik haar ook vragen,” en derhalve werd jufvrouw Amory’s naam bij dien

harer moeder op de kaart geschreven.

Toen Henry er dit proefstuk van diplomatie zegevierend afgebracht had,

omhelsde hij zijne lieve moeder met de grootste innigheid, en begaf

zich naar zijne eigen kamers, waar hij zich op zijne ottomane

uitstrekte en in stil gepeins verzonken bleef, onder verzuchting naar

den dag, die de schoone jufvrouw Amory onder zijn vaders dak zou

brengen, en onder het smeden van honderderlei onuitvoerbare plannen om

haar te ontmoeten.

Mijnheer Foker junior had bij zijne terugkomst van zijne reis door

Europa een knecht meegebracht, die verscheidene talen sprak, de plaats

van Domkop vervulde en zich wel verwaardigen wilde aan het diner, bij

welke gelegenheid hij een geborduurd overhemd met tal van gouden

knoopjes en kettingen aanhad, zijn meester en de oudere leden van het

gezin te bedienen. Deze man, die eigenlijk tot geen bepaald land

behoorde en alle talen even slecht sprak, was onzen Henry in velerlei

opzichten van dienst; hij las de brieven van den argeloozen jonkman,

kende zijne geliefkoosde plaatsen van uitspanning en de adressen zijner

kennissen, en bediende bij de bijzondere diners, welke de jonge heer

gaf. Toen Henry na het gesprek met zijne mama op de sofa, in eene

prachtige kamerjapon, onder somber stilzwijgen aan zijne pijp lag te

trekken, moet ook Anatole wel bemerkt hebben, dat er iets was dat zijn

meester drukte, maar hij legde geene ongepaste meewarigheid met Henry’s

ontstemden gemoedstoestand aan den dag. Toen Henry zich begon te

kleeden, was hij zeer moeielijk te voldoen; hij was buitengewoon

kregelig en moeielijk ten opzichte van zijn toilet; hij paste en

verwenschte pantalons van allerlei strepen, ruiten en kleuren; al de

laarzen waren ellendig gepoetst; de hemden hadden te schreeuwende

patronen. Dien dag overstroomde hij zijne kleederen en zijn persoon met

reukwateren, en hoe verbaasd moet de knecht niet gestaan hebben toen de

jonge heer, na eenig blozen en aarzelen, vroeg: „Zeg eens, Anatole hebt

gij, toen ik u engageerde – hm! – hebt ge toen niet gezegd, dat ge –

dat ge kondt – kappen?”

„Ja,” antwoordde de knecht, „dat had hij gezegd.”

„Cherchy alors une paire de tangs – et – krully moi un piou,” zeide

mijnheer Foker, alsof het hem niet schelen kon. Nog onzeker of zijn

heer verliefd was dan wel naar een gemaskerd bal wilde, ging de knecht

de verlangde voorwerpen zoeken, – eerst bij den ouden knecht, die de

rol van kamerdienaar bij mijnheer Foker senior vervulde, op wiens kale

kruin de tang ternauwernood honderd haren zou gepakt hebben, en

vervolgens bij de dame, die met de zorg voor de kastanjebruine toer van

Lady Agnes belast was. En toen monsieur Anatole de tang was machtig

geworden, krulde hij de lokken van zijn jongen meester zoo lang, dat

Henry’s hoofd zoo kroezig als dat van een neger was; waarna de jonkman

zich met de uiterste zorg en pracht kleedde en zich gereedmaakte om uit

te gaan.

„Hoe laat moet ik het rijtuig bij jufvrouw Calverley laten voorkomen,

mijnheer?” vroeg de knecht fluisterend in zeer slecht Engelsch, toen

zijn meester heenging.

„Laat haar naar den duivel loopen! – Zeg het diner af! Ik kan niet

gaan!” zeide Foker. „Neen, voor den drommel – ik moet gaan. Poyntz en

Rougemont, en al die anderen komen. Laat het rijtuig maar ten zes ure

aan Pelham Corner zijn, Anatole.”

Dat rijtuig was geen van Foker’s eigen equipages, maar werd bij

feestelijke gelegenheden van een stalhouder gehuurd; Foker nam echter

dezen morgen zijn eigen rijtuig in gebruik; en met welk oogmerk denkt

de geachte lezer wel? Niet anders dan om naar Lamb Court in den Temple

te rijden, waarvoor hij zijn weg over Grosvenor Place nam (hetgeen,

gelijk ieder weet, in de rechte lijn van Grosvenor Street naar den

Temple ligt), bij welke gelegenheid hij het genoegen had naar de

paarsche venstergordijnen van jufvrouw Amory te kunnen opzien, na welk

genoegen hij naar Pen’s kamer reed. Waarom verlangde hij zoo sterk om

zijn vriend Pen te zien? Waarom haakte en snakte hij zoo naar hem en

scheen Foker’s leven als het ware er van af te hangen, dat hij Pen dien

morgen nog zag, nadat hij hem pas den vorigen avond in de bloeiendste

gezondheid verlaten had? Pen woonde reeds twee jaren te Londen en Foker

had nog geen half dozijn bezoeken bij hem afgelegd. Wat deed hem nu zoo

haastig daarheen snellen?

Wat? – Ik heb alleen maar te zeggen aan de jonge dames, die deze

bladzijden lezen, dat, indien haar hetzelfde ongeval overkomt, dat nu

sinds meer dan twaalf uren geleden Henry Foker getroffen had, menschen,

om wie zij nog den vorigen dag geen zier gaven, haar belangstelling

zullen inboezemen; evenals zij aan den anderen kant personen, van welke

zij meenden dat zij veel hielden, vervelend en onaangenaam zullen gaan,

vinden. Dan zal uwe liefste Eliza of Maria van onlangs, aan wie gij

brieven zondt en haarlokken van eene el lang u, plotseling even

onverschillig worden als uwe bekenden, bij wie niets zit; terwijl gij

daarentegen zulk eene vurige belangstelling voor zijne familie zult

opvatten! zulk eene genegenheid en begeerte zult koesteren, om bij

zijne mama in een goed blaadje te staan! zooveel zult gaan houden van

dien goeden ouden man, zijn vader! Wat zult gij eene moeite doen,

indien Hij gewoon is in zeker huis te komen, om daar ook visites te

mogen afleggen! Wanneer Hij eene gehuwde zuster heeft, zult gij gaarne

heele ochtenden bij haar doorbrengen. Gij zult uwe dienstboden

afbeulen, door haar twee of driemaal daags briefjes te zenden, waarbij

de dringendste haast is. Gij zult in tranen uitbarsten, als uwe mama u

verbiedt zoo dikwijls naar zijne familie te gaan. De eenige van dat

gezin, dien gij niet lijden moogt, zal wellicht zijn jongere broeder

zijn, die met de vacantie thuis is en die altijd in de kamer blijft als

gij uwe pas gevonden boezemvriendin, zijn engel van eene jongere

zuster, komt bezoeken. Iets van dezen aard zal u overkomen, jonge

dames, of laten wij althans hopen, dat het u overkomen zal. Ja, gij

moet de heete en koude vlagen van die genoeglijke koorts doorstaan. Als

uwe moeders het maar bekennen wilden, zouden zij u zeggen, dat zij dat

ook doorstaan hebben voordat gij geboren waart, en dat natuurlijk uw

lieve papa – want wie had het anders kunnen zijn dan hij? – het

voorwerp dier genegenheid was. En gelijk gij de ziekte ondergaat, zal

het ook met uwe broeders op hunne manier en naar hun aard het geval

zijn; zelfzuchtiger, levendiger en eigenzinniger dan gij, zullen zij

hun lot te gemoet snellen, zoodra de voorbeschikte toovenares

verschijnt. Of indien dit met u en met hen het geval niet is, dan sta

de hemel u bij! Gelijk de speler van zijne dobbelsteenen zeide:

liefhebben en winnen is het allerbeste, en dan volgt liefhebben en

verliezen. Men sterft niet aan die ziekte; dat overkomt slechts

weinigen. Het brave maar gewonde hart lijdt en overleeft het. Hij is

geen man en zij is geen vrouw, die er in den strijd niet door

overwonnen wordt en het daarna niet zelf weer overwint..... Indien wij

dan nu vragen waarom de heer Henry Foker zoo’n haast maakte om Arthur

Pendennis op te zoeken, hem plotseling op zoo hoogen prijs stelde en

zooveel achting voor hem koesterde, dan kunnen wij gerust zeggen, dat

dit daaruit voortsproot, dat Pen werkelijk veel waard was geworden in

de oogen van mijnheer Foker, omdat Pen, indien hij niet de roos was,

althans in de nabijheid van die geurige bloem der liefde had vertoefd.

Was hij niet gewoon ten haren huize in Londen te komen? Woonde hij niet

dicht bij haar op het land? Wist hij niet alles van de toovergodin? Wat

zou Lady Anna Milton, de nicht en verloofde van mijnheer Foker, wel

gezegd hebben, indien zij alles geweten had wat er in den boezem van

dat luchtige heertje omging?

Helaas toen Foker in Lamb Court kwam en zijn rijtuig ter bewondering

overliet aan de klerkjes, die onder den booggang slenterden welke naar

Flag Court loopt, van waar men in Upper Temple Lane komt, bevond

Warrington zich wel op de kamers, maar Pen was afwezig; hij was naar de

drukkerij gegaan om proeven te corrigeeren. Warrington vroeg of Foker

eene pijp wilde rooken, en of hij de schoonmaakster naar het Haantje

zou zenden om eene kan bier, terwijl hij aangenaam verrast was door het

schitterende toilet van dezen jeugdigen aristocraat, met zijne fijne

geuren en blinkende laarzen. Maar Foker had hoegenaamd geen trek in

tabak of bier; hij had zeer belangrijke zaken omhanden, zeide hij, en

dus ijlde hij heen naar het bureau der Pall Mall Gazette, altijd in de

hoop van Pen aan te treffen. Toen hij daar kwam, was Pen weer

vertrokken. Foker had hem noodig, om met hem een bezoek bij Lady

Clavering te gaan afleggen. Foker reed hopeloos weg en bracht een paar

uren in de clubs zoek, en toen het visite-tijd werd, oordeelde hij, dat

het niet anders dan fatsoenlijk en beleefd zou zijn, dat hij naar

Grosvenor Place reed en een kaartje voor Lady Clavering afgaf. Hij had

den moed niet, naar haar te vragen toen de deur geopend werd, en hij

gaf dus slechts in stomme smart aan James twee kaartjes over, waarop

Henry Foker gegraveerd stond. James nam ze aan en boog zijn gepoeierd

hoofd. De geverniste deuren werden weer toegeslagen. Het geliefde

voorwerp, ofschoon zoo nabij, was even ver van hem als ooit. Hij

meende, dat hij de klanken van eene piano en van eene zingende sirene

uit de zaal hoorde galmen en over het balkon met geraniums zweven. Hij

zou gaarne gebleven zijn om te luisteren, maar dat mocht niet. „Rijd

naar Tattersall,” zeide hij met eene door aandoening gesmoorde stem

tegen den knecht, „en breng mijn paard hier,” voegde hij er bij, waarop

de man snel wegreed.

Het geval wilde, dat de prachtige barouchet van Lady Clavering, die in

een vorig hoofdstuk verre beneden verdiensten beschreven is, juist voor

hare deur opreed, toen Foker het paard besteeg, dat hem wachtte. Hij

beklom het vurige dier, slenterde rondom den ingang van het Groene Park

en hield het rijtuig nauwkeurig in het gezicht, tot hij Lady Clavering

zag instappen en te gelijk met haar – wie kon die engelachtige gedaante

anders zijn dan de toovergodin, in een soort van hemelsch gewaad

gehuld, met een paarschen hoed en eene lichtblauwe parasol, – wie

anders dan jufvrouw Amory?

Het rijtuig voerde zijne schoone eigenaressen naar den mutsen- en

kantwinkel van madame Rigodon, naar den tapisseriewinkel van jufvrouw

Walsey, en wie weet naar hoeveel andere magazijnen van vrouwelijke

handelsartikelen? Vervolgens reden de dames naar Hunter, om een glas

ijs te gebruiken, want Lady Clavering was verzot op vertoon in hare

gewoonten en uitspanningen, en hield er niet alleen van, in het

opzichtigste rijtuig door Londen te rijden, maar ook zich daarin te

laten zien; en derhalve at zij, met een witten hoed door eene gele

veder gekroond, eene portie rozenkleurig ijs in den zonneschijn voor

Hunter’s deur, totdat Foker op zijn paard en de rijknecht, die hem

vergezelde, schier doodmoe waren geworden van het wachten.

Eindelijk echter sloeg zij den weg naar het Park in, en de vlugge Foker

snelde voorwaarts. En om wat te doen? Om een knikje van herkenning van

jufvrouw Amory en hare moeder te ontvangen; om beiden op den wandelrit

zesmaal voorbij te rijden; om van den overkant van den vijver, waar de

heeren te paard zich verzamelen als de muziek in de Kensington Gardens

speelt, haar in het oog te houden en te belonken. Wat heeft men er aan,

over een vijver heen naar eene dame met een paarschen hoed te kijken?

Welk voordeel ter wereld kan men uit een hoofdknik trekken? Het is

zonderling, dat de mannen met een dergelijk genoegen tevreden zijn, of,

zoo niet tevreden, er toch zoo naar verlangen. Henry, wien het spreken

anders zoo vlot afging, wisselde dien dag geen enkel woord met de godin

van zijn hart. Zwijgend zag hij haar naar haar rijtuig terugkeeren en

wegrijden, onder de eenigszins ironische groeten der jonge heeren in

het park. De een zeide, dat de Indische weduwe de roepijen van haar

vader snel onder de menschen wist te brengen; een ander beweerde, dat

zij zich levend had moeten verbranden en het geld aan hare dochter

nalaten. Eén vroeg er naar, wie Clavering was; en de oude Tom Eales,

die iedereen kende en geen dag liet voorbijgaan zonder op zijn schimmel

in het park te komen, was zoo goed hem in te lichten, dat Clavering een

landgoed geërfd had, dat tot de volle waarde gehypothekeerd was, dat er

verduiveld leelijke praatjes over hem geloopen hadden toen hij een

jongmensch was, dat men van hem vertelde dat hij aandeel had in een

speelhuis of zoogenaamde „hel,” en dat het zeker was, dat hij zich bij

zijn regiment als een lafaard had doen kennen. „Hij speelt nog altijd,”

besloot Eales, „en zit bijna elken avond in eene hel.”

„Dat geloof ik wel, sedert zijn huwelijk,” zeide een grappenmaker.

„Hij geeft drommels goede diners,” merkte Foker aan, die voor zijn

gastheer van den vorigen dag partij trok.

„Dat wil ik wel gelooven, en ook dat hij Eales niet uitnoodigt,” hernam

de snaak. „Zeg eens, Eales, dineert gij bij de Clavering’s – bij de

begum?”

„Ik daar dineeren?” riep Eales uit, die bij Beëlzebub zou gedineerd

hebben als er een goede kok was, en dan, na zijn vertrek, zijn gastheer

zwarter zou gemaakt hebben dan het noodlot reeds gedaan had.

„Het had licht het geval kunnen zijn, ofschoon gij zooveel kwaad van

hen spreekt,” zeide de grappenmaker weer. „Men zegt, dat het er zeer

prettig is. Clavering gaat na het diner zitten dutten, de begum drinkt

zich een roes aan kersenbrandewijn, en de jonge dame zingt liedjes voor

de jonge heeren. Zij zingt mooi, niet waar, Foker?”

„Heerlijk,” zeide Foker. „Weet je, Poyntz, ze zingt als eene – hoe is

het ook? – je weet wel wat ik meen – als eene meermin, weet je, maar

zoo heet het niet.”

„Ik heb nooit eene meermin hooren zingen,” zeide mijnheer Poyntz, de

grappenmaker. „Wie heeft ooit eene meermin gehoord? Eales, ge zijt oud

genoeg, – hebt gij er ooit eene gehoord?”

„Houd mij niet voor den gek, Poyntz,” zeide Foker, die rood werd en

bijna de tranen in de oogen kreeg; „ge weet wel wat ik bedoel; het zijn

die – die – in Homerus. Ik heb nooit gezegd, dat ik geleerd was.”

„En nooit heeft iemand anders het van u gezegd, beste jongen,”

antwoordde Poyntz, waarop Foker zijn paard de sporen gaf en met het

hart vol aandoeningen, vol wenschen, vol teleurstellingen, Rotten Row

afdraafde. Het speet hem erg, dat hij in zijn vroeger tijd zoo weinig

werk van zijne boeken had gemaakt; anders had hij al die jonge heeren,

die haar omringden, en die vreemde talen met haar spraken en verzen

schreven en teekeningen in haar album maakten en en zoo meer – de loef

kunnen afsteken. „Wat ben ik, bij haar vergeleken?” dacht de kleine

Foker. „Zij is geheel ziel, dat is zij, en kan verzen schrijven en

muziek componeeren, zoo gemakkelijk als ik een glas bier drinken. Bier?

– ja, voor den duivel, dat is het eenige, waarvoor ik geschikt ben –

voor bier drinken! Ik ben een arme, domme kleine rekel, goed voor niets

dan voor Foker’s bier. Ik heb mijne jeugd verspild en mijn werk door

mijne kameraden laten maken. En wat is nu het gevolg? O, Henry Foker,

wat zijt ge een verwenschte kleine ezel geweest.”

Onderwijl hij die moedelooze alleenspraak hield, draafde hij uit Rotten

Row het Park in en reed bijna eene groote oude familiekoets omver, die

hij niet gezien had, en waaruit een helder stemmetje hem toeriep:

„Henry! Henry!” Toen hij dus opkeek, zag hij zijne tante Lady

Rosherville met twee harer dochters, van welke zij, die hem aangeroepen

had, zijne verloofde, Lady Anna, was.

Met een bleek en verschrikt gelaat deinsde hij terug, want een

denkbeeld, dat nog den ganschen dag niet bij hem opgekomen was, schoot

hem door den geest. Daar zat zijne toekomst op de achterbank van het

rijtuig.

„Wat deert u, Henry, dat gij zoo bleek ziet?” vroeg Lady Anna. „Gij

zijt weer te veel uitgegaan en aan het rooken geweest, ondeugende

jongen.”

„Hoe vaart ge, – tante? Hoe vaart ge, Anna?” vroeg Foker, geheel van

streek, mompelde iets van weinig tijd te hebben (en inderdaad zag hij

op de klok van het Park, dat hij het bestelde rijtuig bijna een uur had

laten wachten) en wuifde de dames een vaarwel toe. Het mannetje en het

paardje waren binnen een oogenblik uit het gezicht, en de groote koets

rolde weer voort. Niemand daarin stelde veel belang in zijn komen of

gaan; de gravin hield zich bezig met haar schoothondje, Lady Lucy

vestigde hare oogen en gedachten op een bundel preeken, en Lady Anna de

hare op een nieuwen roman, dien de zusters juist uit de leesbibliotheek

ontvangen hadden.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 83 / 155 题