Aanzienlijker lui dan Morgan de kamerdienaar waren niet zoo goed als
die heer onderricht omtrent het bedrag van Lady Clavering’s rijkdom; en
toen mylady in de hoofdstad aankwam, ging de roep van haar uit, dat zij
een onmetelijk fortuin bezat. Als de bronnen van hare schatten noemde
men indigo-fabrieken, opium-schepen, banken, die van roepijen
overstroomden, diamanten en juweelen van indische vorsten en
ontzaglijke interesten, welke deze betaalden voor geld, dat zij zelven,
of hunne voorgangers, bij Lady Clavering’s vader hadden opgenomen. Hare
rekening bij haar Londenschen bankier kende men tot op een stuiver, en
die som bevatte zooveel nullen, dat zij den verbaasden toehoorder
evenveel O’s van bewondering deed slaken. Het was eene bekende zaak,
dat een afgevaardigde van een Indisch vorst, zekere kolonel Altamont,
eerste gunsteling van den nabob van Lucknow, een zeer buitengewoon man,
die, naar men zeide, het Mohammedaansche geloof omhelsd en duizenden
hachelijke en gevaarlijke avonturen beleefd had, zich op het oogenblik
in het land bevond, om met de begum (Indische vorstin) Clavering te
onderhandelen over den verkoop van den vermaarden diamant uit den
neusring van den nabob, „het licht van den Dewan.”
Onder den titel van „begum” begon reeds de faam van Lady Clavering in
Londen zich te verspreiden, eer zij zelve nog in de hoofdstad was
gekomen: en gelijk Delolme en Blackstone en alle andere lofredenaars
van de Britsche Constitutie het ten hoogste prijzen, dat wij
verdiensten van allerlei aard onder onze aristocratie opnemen en de
laagstgeboren man, als hij het maar verdient, met het pairsgewaad kan
bekleed worden en naast een Cavendish of een Stanley zitting nemen: zoo
kunnen onze voorname kringen er zich op verhoovaardigen, dat, hoe
trotsch zij zijn, hoe jaloersch op hunne voorrechten, hoe nauwlettend
op degenen, die zij opnemen, echter alle slagboomen dadelijk vallen,
als een mensch slechts rijk genoeg is, en dat hij of zij verwelkomd
wordt gelijk de rijkdom dat verdient. Deze omstandigheid stelt onze
Britsche onafhankelijkheid en de eerlijkheid van ons hart in het licht;
onze hoogere standen zijn niet zulke trotsche aristocraten als de
domkoppen beweren; integendeel, als iemand maar geld genoeg heeft,
zullen zij hem de hand toesteken, zijne diners komen eten, op zijne
bals dansen, zijne dochters trouwen of hunne eigene lieftallige meisjes
aan zijne zoons ten huwelijk geven, en wel met evenveel voorkomendheid
als de geringste roturier dat zou doen.
Evenals onze vriend, de chevalier Strong, het bestuur had gevoerd over
de inrichting van het landelijk verblijf stond hij aan de voorname
Londensche behangers, die het huis in de stad voor de ontvangst der
familie Clavering gereedmaakten, met zijn raad en zijn smaak ten
dienste. Bij de opsiering van dit elegante verblijf was de brave Strong
even verheugd alsof hij er zelf de eigenaar van geweest ware. Hij hing
de schilderijen op en liet ze weer verhangen, hij maakte eene studie
van de plaatsing der canapé’s, hij had bijeenkomsten met de kooplieden
en leveranciers, die het benoodigde voor de nieuwe huishouding moesten
verschaffen; en te gelijk nam de zaakwaarnemer en vertrouwde vriend van
den baronet deze gelegenheid waar, om zijne eigene kamers behoorlijk in
te richten en zijn eigen keldertje te voorzien; zijne vrienden maakten
hem hun compliment over het nette voorkomen zijner vertrekken, en de
uitverkoren gasten, die eene côtelet bij Strong kwamen eten, vonden ook
eene flesch uitmuntenden wijn om het maal te kruiden. De chevalier was
thans goed af, gelijk hij het noemde, en had zeer pleizierige kamers in
Shepherd’s Inn. Hij werd bediend door een voormalig soldaat van het
Spaansche legioen, een zijner krijgsmakkers, dien hij in de bres van
een Spaansch fort achtergelaten en in een dwarsstraatje in
Tottenhamcourt Road teruggevonden had, en dien hij had verheven tot den
rang van lijfknecht voor hem zelven en voor den kameraad, die op dit
oogenblik zijne kamers met hem deelde. Die kameraad was niemand anders
dan de gunsteling van den nabob van Lucknow, de manhaftige kolonel
Altamont.
Niemand was minder nieuwsgierig, of, zoo men wil, meer bescheiden dan
Ned Strong, zoodat hij den eigenlijken aard der geheimzinnige
betrekkingen, die zeer spoedig na hunne eerste ontmoeting te Baymouth
tusschen Sir Francis Clavering en den afgevaardigde van den nabob
ontstonden, niet trachtte uit te vorschen. De kolonel kende blijkbaar
een geheim, dat den baronet in zekere mate in zijne macht leverde; en
Strong, die wist dat zijn patroon vroeger een vrij ongeregeld leven had
geleid en dat zijne loopbaan bij zijn regiment in Indië niet heel
eervol was geweest, onderstelde, dat de kolonel, die zwoer dat hij
Clavering te Calcutta zeer goed gekend had, een zeker gezag op Sir
Francis kon uitoefenen, waaraan deze genoodzaakt was zich te
onderwerpen. Strong had dan ook reeds lang ontdekt, dat Sir Francis
Clavering besluiteloos, zonder beginselen en zwak van verstand, kortom
naar lichaam en ziel een onbeduidend mensch en een lafaard was.
Zijne excellentie had na de ontmoeting te Baymouth een paar malen een
onderhoud met den armen Clavering gehad; de baronet deelde den aard
dier gesprekken aan Strong niet mede, hoewel hij door middel van dezen
heer, die zijn gevolmachtigde in allerhande zaken was, brieven aan
Altamont deed toekomen. Bij een van die gelegenheden moet de
afgevaardigde van den nabob echter in een zeer slecht humeur geweest
zijn, want hij frommelde Clavering’s brief in de handen samen en riep
op zijne eigenaardige manier en met nadruk uit:
„Honderd pond! laat hem naar den drommel loopen! Ik wil geen brieven
meer hebben en geen gekheden meer aanhooren. Zeg Clavering dat ik
duizend moet hebben, of dat ik, bij den hemel! spreken en hem
vernietigen zal. Als hij mij duizend pond wil geven, ga ik naar
buitensland en verpand mijn woord van eer, dat ik hem een jaar lang
niet meer lastig zal vallen. Breng hem die boodschap van mijnentwege
over, Strong, beste jongen; en zeg hem, dat, indien het geld
aanstaanden Vrijdag ten twaalf ure niet hier is, zoo waar als ik heet
gelijk ik heet, een bericht in de dagbladen van Zaterdag zal plaatsen
en de volgende week den ganschen boel in de lucht zal laten vliegen!”
Strong bracht die woorden aan zijn principaal over, op wien zij zulk
een indruk maakten, dat de chevalier op den dag en het uur, die bepaald
waren, met de geëischte som in Altamonts hotel te Baymouth verscheen.
Altamont zeide, dat hij een gentleman was, en gedroeg zich ook als
zoodanig; hij betaalde zijne rekening in het logement, en het dagblad
van Baymouth vermeldde, dat hij naar het buitenland vertrokken was.
Strong was er bij, toen hij zich te Dover inscheepte. „Het moet voor
het minst eene valsche handteekening zijn, waardoor Clavering zich in
de macht van dien kerel gegeven heeft,” dacht hij, „en die wissel zal
in het bezit van Altamont zijn.”
Eer het jaar echter verloopen was, had ons land het geluk den kolonel
weer op zijne stranden te zien aankomen. Een verwenscht ongeluk op het
rouge te Baden-Baden, zeide hij, had hem den hals gebroken; geen
gentleman kon het uithouden tegen eene kleur, die veertienmaal
achtereen bovenkwam. Hij was genoodzaakt geweest op Sir Francis
Clavering te trekken, om naar het vaderland te kunnen terugkeeren; en
ofschoon Clavering zelf aan geld gebrek leed (want hij moest uitgaven
voor zijne verkiezing tot lid van het parlement doen, hij had zijne
buitenplaats moeten inrichten en hij was bezig zijne Londensche woning
te meubileeren), wist hij toch middel te vinden om kolonel Altamont’s
wissel te accepteeren, hoewel tegen wil en dank, want Strong hoorde Sir
Francis, onder vele vloeken, den wensch uiten, dat de kolonel in
Duitschland voor zijn leven gevangen ware gezet, en dat hij op die
wijze voorgoed van hem bevrijd ware geworden.
Sir Francis was genoodzaakt deze gelden voor den kolonel buiten weten
van zijne vrouw op te nemen; want ofschoon de goede dame in hare
uitgaven zeer mild en zelfs overdadig te werk ging, had zij te gelijk
met het groote fortuin van haar vader Snell veel aanleg voor de
behandeling van geldzaken van hem geërfd, en legde zij haar man wel
eene ruime som toe, maar niet meer dan zij oordeelde dat voor een heer
van zijn stand noodig was. Nu en dan gaf zij hem nog iets extra of
betaalde eene openstaande speelschuld; maar zij vorderde altijd eene
vrij nauwkeurige opgaaf van de onderwerpen, waarvoor die gelden bestemd
waren: en wat de subsidiën aan den kolonel betrof, verklaarde Clavering
ronduit aan Strong, dat hij zijne vrouw daarover niet kon spreken.
Het verschaffen van deze en andere gelden aan zijn patroon was een
gedeelte van mijnheer Strong’s levenstaak; en op de kamers van den
chevalier in Shepherd’s Inn hadden talrijke onderhandelingen tusschen
heeren van de geldmarkt en Sir Francis Clavering plaats en werden vele
banknoten van aanzienlijk bedrag en reepen gezegeld papier over en weer
gewisseld. Het schijnt, dat, als iemand sedert zijne jeugd de gewoonte
heeft gehad zich in schulden te steken en zijne promessen, om over een
jaar te betalen, te verruilen tegen dadelijke geldsommen, een goed
geluk hem van duurzaam nut kan zijn; zeer korten tijd na dat tijdperk
van voorspoed is de geldschieter weer in huis en komen de wissels met
de oude onderteekening weer op de markt. Clavering vond het raadzamer
die heeren in Strong’s woning dan in zijn eigen huis te ontvangen; en
de chevalier droeg den baronet zulk eene vriendschap toe, dat men,
ofschoon hij geen duit bezat, zijn naam als trekker op de meeste
wissels kon zien, die Sir Francis Clavering accepteerde. Nadat zij van
die acceptatie voorzien waren, ging Strong ze in de City disconteeren.
Zoodra de vervaldag naderde, ging hij met de houders der wissels
onderhandelen en betaalde hun iets op rekening, of kreeg uitstel tegen
nieuwe acceptatiën. De menschen moeten leven, hoe het ook ga, op
regelmatige of onregelmatige wijze; en gelijk wij uit den Hongaarschen
opstand van 1849 weten, dat het garnizoen van Komorn onbekommerd en
vroolijk was, tooneelstukken opvoerde, op de bals danste en kalm de
rations opat, ofschoon zij met eene bestorming van de Oostenrijkers en,
indien deze de overwinning behaalden, met de galg bedreigd werd, – zoo
leven er honderden onversaagde lui te Londen, die levenslustig
rondwandelen, elken dag tamelijk vroolijk en overvloedig dineeren, des
nachts rustig slapen, en toch altijd een deurwaarder meer of minder
dicht in de nabijheid en een strop van schulden om den hals hebben, –
kleine beproevingen, welke Ned Strong, de oud-soldaat, zeer kalm
doorstond.
Maar wij zullen nog wel nader gelegenheid hebben, met deze en andere
belangwekkende bewoners van Shepherd’s Inn kennis te maken, en
ondertusschen laten wij Lady Clavering met hare vrienden veel te lang
op de stoep in Grosvenor Place wachten.
Het allereerst kwamen zij in de prachtige eetzaal, die op
middeleeuwschen stijl was ingericht, ofschoon Lady Clavering, al had
het haar leven gegolden, niet had kunnen zeggen waarom dat was
geschied, „tenzij,” merkte de eenvoudige vrouw lachend aan, „omdat
Clavering en ik menschen van middelbaren leeftijd zijn,” – en thans
werd den bezoekers het rijkelijke overschot van het ontbijt aangeboden,
waarvan Lady Clavering en Blanche zoo even gebruik hadden gemaakt.
Wanneer er niemand bij was, wist onze kleine sylphide, die aan het
diner nauwelijks meer dan zes rijstkorreltjes at, gelijk Amina, de
vriendin der Ghouls in de Arabische Nachtvertellingen, een geducht
gebruik van mes en vork te maken en at zij eene belangrijke hoeveelheid
lamscôteletten, in welk soort van huichelarij zij, naar men gelooft, op
andere voorname jonge dames geleek. Pen en zijn oom bedankten voor het
onthaal, doch betuigden met de noodige complimenten hunne bewondering
over den stijl der eetzaal, dien zij „zeer zuiver” noemden, hetgeen de
vereischte uitdrukking was. Er stonden Hollandsche stoelen met hooge
ruggen uit de zeventiende eeuw; er was een gebeeldhouwd buffet uit de
zestiende; een kastje, samengesteld uit de gesneden beschotten eener
kerk in de Nederlanden, en eene groote koperen kerkkroon boven de ronde
eikenhouten tafel; men zag er oude familieportretten, gekocht bij de
kunstkoopers in Wardour Street, en tapijtbehangsels uit Frankrijk,
stukken van wapenrustingen, slagzwaarden en strijdbijlen van
carton-pierre, spiegels, heiligenbeeldjes en Saksisch porselein, – in
één woord, niets kon zuiverder zijn. Achter de eetzaal lag het
boekvertrek, voorzien van borstbeelden en boeken, alle van één formaat,
en heerlijke armstoelen en statige bronzen groepen in den streng
klassieken stijl. Hier, achter dubbele deuren, kwam Sir Francis na het
diner eene sigaar rooken, Bell’s Life in London lezen en een slaapje
doen, als hij niet in zijne clubs bij het biljart stond te rooken, of
in de speelhuizen in St. James op rouge en noir zette.
Maar wat kon den zuiveren smaak der gezelschapszalen evenaren? De
tapijten waren zoo dik en donzig, dat uwe voetstappen daarop even
weinig gedruis maakten als uwe schaduw; op den witten grond prijkten
rozen en tulpen zoo groot als beddepannen, in het rond stonden hooge
stoelen, stoelen met gedraaide pooten, stoelen zoo tenger, dat zeker
niemand anders dan eene sylphide er op zitten kon, ingelegde tafels met
zeldzame nesterijen, porseleinen sieraden uit alle tijden en landen,
bronzen beeldjes, vergulde dolken, prachtjaarboekjes, yatagans,
Turksche pijpen en doozen Parijsche bonbons. Waar men ook ging zitten,
had men herders en herderinnen van Saksisch porselein bij en naast
zich; voorts waren er lichtblauwe poedels en eenden en hanen en hennen
van porselein; er waren nimfen van Boucher en herderinnen van Greuze,
alles inderdaad zeer kuisch; nog zag men er mousselinen gordijnen en
brocade gordijnen, vergulde kooien met papegaaien en andere
buitenlandsche vogels, twee gillende kakketoes, waarvan de eene de
andere trachtte te overschreeuwen en te oversnateren; eene klok, die
deuntjes speelde, op eene console, en eene andere op den
schoorsteenmantel, die galmende slagen gaf als een torenuurwerk; er was
in één woord alles aanwezig, wat de weelde begeeren en de sierlijkste
smaak verzinnen kon. Eene Londensche gezelschapszaal, die ingericht is
zonder naar kosten te vragen, is ontegenzeglijk eene der
verrukkelijkste en merkwaardigste vertooningen van den tegenwoordigen
tijd. De Romeinen uit den laatsten tijd van het Romeinsche Rijk, de
lieve markiezinnen en gravinnen uit de dagen van Lodewijk XV, kunnen
ternauwernood een gekuischter smaak bezeten hebben dan onze
tijdgenooten aan den dag leggen; en ieder, die de receptiezalen van
Lady Clavering zag, was verplicht te erkennen, dat zij allerelegantst
waren, en dat de fraaiste zalen van Londen, die van Lady Harley Quin,
die van Lady Hanway, of die van mevrouw Hodge Podgson, de vrouw van den
grooten spoorwegkoning, met geen uitstekender „zuiverheid van smaak”
waren ingericht.
De arme Lady Clavering had echter weinig verstand van zulke zaken en
laboreerde aan een bedroevend gebrek aan eerbied voor de pracht, die
haar omringde. „Ik weet alleen, dat het ontzettend veel geld kost,
majoor,” voegde zij haar gast toe, „en dat ik niemand raden zou op die
teere vergulde stoelen te gaan zitten; één brak er onder mij, den avond
toen wij ons tweede diner gaven. Waarom zijt gij ons niet vroeger komen
opzoeken? Wij zouden u ook gevraagd hebben.”
„Gij hadt mama zeker gaarne dien stoel willen zien breken, mijnheer
Pendennis?” zeide Blanche op spottenden toon, want zij was boos dat Pen
met mama praatte en lachte, en omdat mama een aantal verkeerde woorden
had gebezigd toen zij haar huis beschreef – en om nog honderd andere
zeer geldige redenen.
„Ik had er bij willen zijn, om Lady Clavering den arm te bieden, als
zij hem noodig had gehad,” antwoordde Pen met eene buiging en een blos.
„Quel preux chevalier!” riep de sylphide uit en wierp haar hoofdje in
den nek.
„Herinner u, dat ik medelijden moet hebben met iedereen die valt;”
hernam Pen; „ik heb eenmaal zelf dat ongeluk ondervonden.”
„Maar gij keerdet naar kuis terug, om u door Laura te laten troosten,”
zeide jufvrouw Amory. Pen schrikte. Hij hoorde zich niet gaarne
herinneren aan den troost, dien Laura hem had toegediend, en het deed
hem zeer weinig genoegen, dat de afwijzing, die hij van haar ondergaan
had, aan de wereld bekend was. Daar hij dus niets wist te antwoorden,
begon hij eene verbazende belangstelling in de meubels, die hem
omringden, aan den dag te leggen, en den smaak van Lady Clavering ten
hoogste te prijzen.
„Prijs mij niet,” gaf de eerlijke Lady Clavering ten antwoord; „het is
alles het werk van den behanger en van Strong; zij deden het, terwijl
wij nog op het park waren – en – en – Lady Rockminster is hier geweest
en heeft gezegd, dat de salons er zeer goed uitzagen,” zeide Lady
Clavering, met een gelaat en op een toon, die van grooten eerbied
getuigden.
„Mijne nicht Laura logeert thans bij haar,” zeide Pen.
„Ik bedoel de douairière niet, maar de jonge Lady Rockminster.”
„Zoo?” riep majoor Pendennis uit, toen hij dien naam uit de groote
wereld hoorde. „Als mylady het goedgekeurd heeft, Lady Clavering, dan
kan er niet veel aan ontbreken. Lady Rockminster is, als het ware, het
middelpunt van den kring der lieden van aanzien en smaak, Arthur. En de
zalen zijn inderdaad zeer fraai!” en toen de majoor dit van de groote
dame zeide, sprak hij op fluisterenden toon; en met een eerbied en een
ontzag, alsof hij zich in de kerk bevond, liet hij zijn oog door de
vertrekken gaan.
„Ja, Lady Rockminster is het eindelijk, die ons onder den arm heeft
genomen,” zeide Lady Clavering.
„Eigenlijk, mama,” riep Blanche haar met eene schelle stem toe.
„Nu, eigenlijk dan,” zeide mylady: „het is zeer vriendelijk van haar,
en wij zullen er ons wel in schikken; maar het is eindelijk – och,
eigenlijk – niet altijd pleizierig. Zij regelt onze bals voor ons, en
wil de gasten opgeven, die voor onze diners genoodigd moeten worden.
Maar dat kan ik niet toelaten; ik wil mijne oude vrienden bij mij zien,
en daarom wil ik haar niet al de kaarten laten uitzenden en als een
stomme aan het hoofd van mijne eigen tafel zitten. Gij moet bij ons
komen eten, Arthur, en gij ook, majoor, – laat eens zien, – den 14den.
Het is geen van onze groote diners, Blanche,” sprak zij en keek om naar
hare dochter, die zich op de lippen beet en voor eene sylphide een heel
zuur gezicht zette.
De majoor antwoordde met een lach en eene buiging, dat hij veel liever
in een klein, stil gezelschap dan aan een groot diner wilde komen. Hij
had genoeg van die groote partijen gehad en gaf de voorkeur aan de
eenvoudigheid van den huiselijken kring.
„Ik vind altijd, dat een diner den tweeden dag het best smaakt,”
vervolgde Lady Clavering in de meening dat zij hare eerste rede
verbeterde. „Den 14den zullen wij een prettig gezelschapje uitmaken,”
bij welken tweeden misslag jufvrouw Blanche hare handen in wanhoop
ineensloeg en uitriep: „O mama, vous êtes incorrigible!” Majoor
Pendennis verklaarde, dat hij dol was op prettige gezelschapjes, en
verwenschte in zijn hart de onbeschaamdheid van mylady, dat zij een man
als hem op het overschot van een groot diner durfde vragen. Maar hij
was van zuinigen aard, en dus bedenkende, dat hij deze menschen kon
laten loopen zoodra zich iets beters opdeed, nam hij de uitnoodiging
met een heel kalm gezicht aan. Wat Pen betreft, deze had nog geen
dertig jaren dineerens achter den rug en het denkbeeld van een fijn
diner in een prachtig huis lachte hem nog altijd toe.
„Wat was dat voor eene kleine woordenwisseling tusschen u en jufvrouw
Amory?” vroeg de majoor aan Pen, toen zij heengingen. „Ik dacht, dat
gij vroeger met haar au mieux waart?”
„Vroeger is eene rekbare uitdrukking als het eene vrouw betreft,” gaf
Pen op fatterigen toon ten antwoord, „Was en is zijn twee verschillende
woorden, oom, vooral als er vrouwenharten bij betrokken zijn.”
„Och, zij veranderen evenals wij,” hernam de oude heer. „Ik herinner
mij nog, dat er, toen wij de Kaap de Goede Hoop bemachtigd hadden, eene
dame was, die voorgaf zich te willen vergiftigen om den wille van uw
onderdanigen dienaar; en voor den drommel, binnen drie maanden liep zij
van haar man weg en ging met een ander op de vlucht! Verslinger u niet
aan die jufvrouw Amory. Zij is vrijmoedig, nuffig en slecht opgevoed,
en hare positie is eenigszins – nu, dat doet er niet toe. Maar denk
niet om haar; tien duizend pond is niet genoeg voor u. Wat is tien
duizend pond, beste jongen? Men zou met de renten ternauwernood de
modemaakstersrekening van dat meisje kunnen voldoen.”
„Gij schijnt een kenner van modemaaksterszaken te wezen, oom,” zeide
Pen.
„Dat ben ik ook geweest, mijnheer,” antwoordde de majoor; „en een oud
krijgsros kan de trompet niet hooren, of het begint te brieschen,
begrijpt ge!” en te gelijk begroette hij een voorbijrijdend rijtuig,
dat het Park binnenrolde, met een blik en eene buiging, die bestemd
waren diepen indruk te maken, maar er wel wat ouderwetsch uitzagen.
„Het rijtuig van Lady Catherine Martingale,” zeide hij; „geweldig,
mooie meisjes, die dochters, ofschoon ik mij hare moeder nog zeer goed
herinner, die duizendmaal mooier was. Neen, Arthur, beste jongen, met
uw voorkomen en vooruitzichten moet gij eenmaal een goeden coup in
zaken van huwelijk doen; en ofschoon ik dit niet zou willen zeggen op
Fairoaks, jonge guit! ha, ha! doet eene reputatie van een beetje
ondeugend, ja een homme dangereux te zijn, een jonkman geen kwaad bij
de vrouwen. Het bevalt haar, mijnheer – zij hebben een hekel aan een
melkbaard. Jongelui moeten jongelui zijn, weet ge. Maar wat het
huwelijk betreft,” ging de oude zedemeester voort, „dat is geheel wat
anders! Trouw eene vrouw met geld. Ik heb u reeds vroeger gezegd, dat
men even gemakkelijk eene rijke als eene arme vrouw kan krijgen; en dat
het verduiveld veel pleizieriger is bij een goed toebereid diner aan te
zitten, met uwe kleine entrées behoorlijk opgediend, dan niets te
hebben dan een verd – koude schapebout voor u en uwe vrouw. Wij zullen
den 14den een lekker diner hebben, als wij bij Sir Francis Clavering
gaan; laat het daarbij blijven met die familie, mijn jongen. Houd hen
aan, maar alleen om te dineeren. Wacht u verder voor jeugdige
dwaasheden en dien onzin van liefde in een hutje van klei.”
„Het moet een hutje met koetshuis en stalling zijn, oom,” zeide Pen,
zinspelende op het algemeen bekende liedje van den Duivelstocht; maar
zijn oom kende dat gedicht niet (ofschoon het niet onmogelijk is, dat
hij Pen juist tot dat reisje voorbereidde) en ging met zijne
wijsgeerige opmerkingen voort, waarbij hij met de vatbaarheid van den
leerling, tot wien hij ze richtte, zeer ingenomen was. Arthur Pendennis
was ook inderdaad een handelbare jongen, die gereedelijk den toon van
zijn buurman aannam en dit maar al te gemakkelijk vond.
De brompot Warrington gromde, dat Pen zulk een fat werd, dat hij
spoedig onuitstaanbaar zou wezen. Maar eigenlijk was de voorspoed en de
levenslust van den jonkman een prettig iets voor zijn ouderen makker.
Deze zag Pen gaarne opgeruimd en dartel, overvloeiende van gezondheid,
leven en hoop, evenals iemand, die sinds lang geen vermaak meer vindt
in paillas en harlekijn, nog altijd genoegen schept in het genot, dat
een kind van de pantomime heeft. Mijnheer Pen’s vroegere
neerslachtigheid verdween met de komst van meerderen voorspoed, en toen
de zon hem begon te beschijnen, look hij weer op.