WAARIN PEN IN DE STAD EN TEN PLATTEN LANDE OPTREEDT.

Men zal ons wel vergunnen eenige maanden in het leven van mijnheer

Arthur Pendennis met stilzwijgen te laten voorbijgaan, in welke

misschien vele gebeurtenissen hebben plaats gehad, die belangrijker en

treffender voor hem zelven waren dan zij waarschijnlijk voor den lezer

dezer gedenkschriften zouden zijn. Wij zagen hem in het vorige

hoofdstuk geregeld werkzaam als broodschrijver, zooals mijnheer

Warrington zich zelven en zijn vriend geliefde te betitelen; en wij

weten, dat al wat men om den broode doet, hetzij op rechtsgeleerd of

letterkundig gebied, hetzij als hulpprediker, of als krijgsman, of als

kantoorklerk, een vervelend en langdradig routinewerk is. De arbeid van

den eenen dag gelijkt maar al te zeer op dien van den anderen. Een

letterkundige moet dikwijls, evenals ieder ander loonbediende, zijn

werk verrichten als het hem walgt, of tegen zijn zin en ondanks

ziekelijkheid of luiheid, of al stuit de zaak, waaraan hij juist zijne

kunst moet toonen, hem tegen de borst. Wanneer gij uw brood met Pegasus

moet verdienen (gelijk licht het geval kan zijn met dengeen, die niets

anders geldwaardigs bezit), vaarwel dan poëzie en hemelvlucht; Pegasus

gaat voortaan, evenals mijnheer Green’s luchtbol, op vooraf bepaalde

tijdstippen omhoog, als de toeschouwers hun geld neergepast hebben.

Pegasus loopt in het tuig met eene kar, of een rijtuig achter zich,

over den steenweg. Dikwijls hijgt Pegasus onder het werk en knikken hem

de knieën, en niet zelden krijgt hij van den koetsier nog een zweepslag

op den koop toe.

Laat ons medelijden met Pegasus echter niet al te groot zijn. Er

bestaat niet ééne reden waarom dit dier, meer dan eenig ander schepsel

op Gods wereld, van arbeid, ziekte of achteruitgang bevrijd zou zijn.

Als Pegasus de zweep krijgt, heeft hij die dikwijls verdiend, en ik,

voor mij, protesteer gaarne met mijn vriend George Warrington tegen de

leer, welke sommige dichterlijk-gezinde bewonderaars ingang zouden

willen doen vinden, dat de letterkundigen, de zoogenaamde menschen van

genie, bevrijd zouden moeten zijn van de prozaïsche verplichtingen van

het dagelijksche, broodbehoevende, belastingbetalende leven, en niet

zouden moeten werken en betalen gelijk hunne naasten.

Daar de Pall Mall Gazette voorgoed gevestigd en Arthur’s verdienste als

een levendig, geestig en onderhoudend recensent erkend was, werkte hij

iedere week zeer vlijtig aan beoordeelingen van werken, die binnen den

kring van zijn gebied lagen, en schreef hij zijne beschouwingen

ontegenzeglijk luchtig, maar eerlijk, en zoo goed hij kon. Misschien

werd een geschiedschrijver van vijf dozijn jaren, die het vierde eener

eeuw besteed had aan het samenstellen van een werk, waarover onze jonge

heer, na een paar dagen zoekens in het Britsch Museum, den staf brak,

wel eens niet geheel naar verdienste behandeld door zulk een vlug

beoordeelaar; of werd een dichter, die verhevene sonnetten en oden

zoolang gepolijst had tot hij ze het publiek en zijn roem waardig

achtte, geërgerd door twee of drie dozijn scherpe regels van mijnheer

Pen, waarin de verdiensten van den dichter werden geschat door den

criticus, alsof deze een rechter op zijn zetel was en de ander een

ellendig beschuldigde, die voor hem sidderde. De tooneelspelers

beklaagden zich ook bitter over hem, en zeer waarschijnlijk is het, dat

hij te bar jegens hen was. Doch, alles wel beschouwd, richtte hij niet

veel schade aan. Tegenwoordig is het anders, gelijk wij weten; maar er

waren in Pen’s tijd zoo weinige groote geschiedschrijvers, groote

dichters of groote acteurs, dat er bijna geene optraden, om aan zijn

lessenaar hun vonniste komen vernemen. Degenen, die eene kleine

afstraffing ondergingen, kregen over het geheel niets anders dan hun

verdiend loon, ofschoon de rechter niet veel knapper of wijzer was dan

de personen, die hij vonniste, en zich ook niet als zoodanig

beschouwde. Pen bezat veel gevoel voor humor en rechtvaardigheid en

koesterde daarom geen overdreven ingenomenheid met zijne eigen werken;

bovendien had hij zijn vriend Warrington aan zijne zijde – een geducht

criticus zoodra de jonkman overhelling tot verwaandheid aan den dag

legde, en onbarmhartiger voor Pen dan deze ooit was voor degenen, die

bij zijne letterkundige rechtbank hun vonnis vernamen.

Met dezen critischen arbeid en door nu en dan hoofdartikelen aan het

blad te leveren, als onze uitstekende publicist zijn gevoelen kon

openbaren zonder nadeel voor het blad, verdiende mijnheer Arthur

Pendennis met vrij wat moeite de som van vier pond vier shillings ’s

weeks. Hij leverde ook opstellen aan magazijnen en tijdschriften en

wordt verdacht gehouden (ofschoon hij zich daarover nooit heeft willen

uitlaten) de Londensche correspondent van de Chatteries Champion te

zijn geweest, die toenmaals verscheidene zeer levendige en keurig

geschreven brieven uit de hoofdstad bevatte. Op deze wijze gelukte het

den voorspoedigen jonkman bijna vierhonderd pond ’s jaars te verdienen,

en de tweede Kerstmis na zijne aankomst te Londen kon hij werkelijk

honderd pond voor zijne moeder meebrengen, als korting op hetgeen hij

aan Laura verschuldigd was. Elk lezer, die de zoon-aanbidding van

moeders heeft bijgewoond, die de argelooze liefde kent, waarmee vrouwen

ten platten lande de loopbaan harer lievelingen te Londen volgen, zal

zich kunnen voorstellen, dat mevrouw Pendennis al de werken van haar

zoon tot de laatste letter las en hem voor den diepzinnigsten denker en

den sierlijksten schrijver van zijn tijd hield; dat zij die betaling

van honderd pond als een bewijs van engelendeugd beschouwde; dat zij

vreesde, dat hij door dit werken zijne gezondheid knakken zou, en dat

zij verrukt stond toen hij haar vertelde van de kringen, waarin hij

verkeerde, en van al de mannen, groot in de letteren en in de wereld,

waarmee hij in aanraking kwam. Welke zaligheid vervult het hart der

moeders en zusters thuis in Somersetshire, als aan Jan eene rechtszaak

is opgedragen, als Piet op een of ander bal is genoodigd, als Klaas

dezen of genen grooten en vermaarden man op een diner ontmoet heeft!

Wat worden de brieven van den veelbelovenden lieveling herlezen en in

het geheugen bewaard! Wat leveren zij stof tot dorpsgesprekken en

gelukwenschingen van vrienden! In den tweeden winter kwam Pen voor zeer

korten tijd over en bracht vroolijkheid in de eenzame woning te

Fairoaks. Helena had haar zoon nu geheel voor zich zelve; Laura was uit

logeeren bij de oude Lady Rockminster; de bewoners van Clavering Park

waren afwezig; de enkele oude huisvrienden, met doctor Portman aan het

hoofd, kwamen een bezoek bij mijnheer Pen afleggen en behandelden hem

met in het oog loopenden eerbied. Er heerschte niets dan liefde,

vertrouwen en genegenheid tusschen moeder en zoon. Het waren de

gelukkigste paar weken, die de weduwe, en misschien haar zoon ook, tot

nog toe beleefd had. Die vacantie ging maar al te spoedig voorbij: Pen

keerde in het gewoel der wereld terug en de teerhartige weduwe bleef

weer eenzaam achter. Zij zond Arthur’s geld aan Laura. Ik weet niet

waarom deze jonge dame de gelegenheid aangreep om het huis te verlaten

toen Pen daarheen kwam, en evenmin of hare afwezigheid Pen speet dan

hem wel verlichting schonk.

En ten gevolge van zijne eigen verdiensten èn door de aanbevelingen van

zijn oom was hij in dezen tijd te Londen goed geïntroduceerd en zoowel

in de letterkundige als in de voorname kringen bekend. In de

eerstgenoemde was zijn roep van voornaamheid hem van geen geringen

dienst. Men hield hem voor een heer van ruime middelen, die nog meer te

wachten had, en die voor zijn genoegen schreef, en beter aanbeveling

dan dit laatste bestaat er niet voor een jongmensch, die de

letterkundige loopbaan wil betreden. Bacon, Bungay en Co. achtten zich

vereerd, dat zij artikelen van hem ontvingen; mijnheer Wenham vroeg hem

te dineeren; mijnheer Wagg beschouwde hem met een gunstig oog, en zij

vertelden overal, hoe zij hem ten huize van voorname lui ontmoet

hadden, waar hij zeer welkom was, daar men er zich om zijne

tegenwoordige of toekomstige middelen niet bekommerde en hij zich goed

wist voor te doen en den naam van knapheid had. Ten slotte werd hij in

het eene huis gevraagd, omdat men hem in het andere gezien had; en op

die wijze vertoonde zich het Londensche leven in al zijne

verscheidenheid aan zijn oog; hij werd met allerlei slag van menschen,

van Paternoster Row tot Pimlico, gemeenzaam bekend, en was evengoed

thuis op de diners in Mayfair als aan de tafels in de herbergen, waar

verscheidene zijner pengenooten gewoonlijk bijeenkwamen.

De jonkman, die vol levenslust en weetgierigheid was en zich

gemakkelijk schikte naar iedereen met wien hij in aanraking kwam,

gevoelde zich op zijn gemak onder die zonderlinge verscheidenheid en

mengeling van menschen en maakte het zich overal, waar hij kwam,

aangenaam of althans gemakkelijk. Zoo ontbeet hij bijv. heden of morgen

bij mijnheer Plover met een pair, een bisschop, een redenaar uit het

parlement, een paar voorname dames, een populair predikant, den

schrijver van den laatsten nieuwen roman, en den allerlaatsten lion,

die uit Egypte of Amerika was aangevoerd; en dit voorname gezelschap

verwisselde hij vervolgens met de achterkamer van het dagbladbureau,

waar hem pen en inkt en de vochtige proefbladen lagen te wachten. Daar

zat dan Finucane met de laatste nieuwstijdingen uit de Row; en een

oogenblik later kwam Shandon binnen, groette Pen met een hoofdknik, en

begon aan het andere eind der tafel, met een fleschje sherry naast

zich, dat de loopjongen altijd stilzwijgend kwam brengen zoodra hij den

kapitein in het oog kreeg, zijn hoofdartikel te krabbelen; of men

hoorde mijnheer Bludyer’s bulderende stem in het voorvertrek, waar die

bloeddorstige criticus de boeken op de toonbank in beslag nam, in

weerwil van het bedeesde verzet van mijnheer Midge, den uitgever van

het blad, en na de boeken dan doorgebladerd te hebben, verkocht hij ze

aan zijn gewone boekenstalletje, at en dronk in eene herberg van de

opbrengst, vroeg vervolgens om papier en inkt en begon den auteur van

zijn diner en van den roman „uit te kleeden.” Tegen den avond wandelde

mijnheer Pen den weg naar zijne club op en haalde Warrington daar af,

om eene wandeling voor hunne gezondheid te gaan doen. Door deze

lichaamsbeweging zetten zich de longen uit en verschafte men zich

eetlust, waarna Pen het geluk had zijne opwachting te mogen gaan maken

in verscheidene alleraangenaamste huizen, die voor hem openstonden; of

hij had de geheele stad voor zich tot zijne uitspanning. Dan had men

verder de opera; de herberg de Adelaar; of een bal in Mayfair; of een

stil avondje met eene sigaar en een boek en een lang gesprek met

Warrington; of een heerlijk nieuw lied in de Achterkeuken. In dezen

tijd zijns levens zag mijnheer Pen alle soorten van plaatsen en

menschen; en zeer waarschijnlijk is het, dat hij niet wist hoe goed hij

zich vermaakte dan eerst daarna, toen bals hem geen genoegen meer

opleverden, en kluchtspelen hem niet meer deden lachen, de aardigheden

in de koffiehuizen hem volstrekt niet meer troffen, en de lieftalligste

danseres, die ooit hare enkels liet zien, niet in staat was hem na het

diner van zijn stoel te lokken. Op zijn tegenwoordigen rijpen leeftijd,

zijn al deze genoegens voorbij, en de tijd daarvoor is ook voorbij. Het

is nog slechts zeer weinige jaren geleden – maar die jaren zijn

verdwenen, gelijk de meeste dier menschen. Bludyer zal nooit meer de

schrijvers vertrappen of de kasteleins oplichten. De geleerde en

verkwistende, de geestige en onverstandige Shandon is in den laatsten

slaap gewiegd. De eenvoudige Doolan is onlangs begraven; hij zal nooit

meer kruipen of pluimstrijken, nooit meer zwetsen of whisky-grog

drinken.

Het was thans in het drukste van het seizoen, en de bladen, die het

nieuws uit de voorname wereld behelsden, stonden vol berichten over de

groote feestmaaltijden, partijen en bals, die de aanzienlijke kringen

verlevendigden. De koning hield levers en receptiën in het

St.-Jamespaleis; aan de vensters der clubs zag men niets dan hoofden en

roode gezichten van deftige heeren, die de couranten zaten te lezen;

duizenden rijtuigen rolden langs de Serpentine, en geheele eskadrons

dandy’s te paard draafden door Rotten Row. In één woord, iedereen was

in de stad, en natuurlijk kon majoor Arthur Pendennis, die ook wat te

beteekenen had, niet afwezig zijn.

Het hoofd met een sierlijken zijden zakdoek omwikkeld en de magere

gestalte in eene bonte, Turksche kamerjapon gehuld, zat deze waardige

heer op zekeren morgen in het hoekje van den haard met de voeten in een

lauw warm bad, terwijl hij zijn eerste kopje thee dronk en de Morning

Post doorliep. Hij kon den dag niet ingaan, zonder twee uren aan zijn

toilet te besteden, zonder zijn kopje thee te drinken, zonder de

Morning Post te lezen. Ik geloof, dat niemand ter wereld buiten Morgan,

ja Morgan’s meester zelf niet, wist hoezeer de majoor verzwakte en

veranderde, en welk een aantal kleine gemakken hij noodig had.

Gelijk wij mannen, naar onze gewoonte, smalen op eene oude coquette, op

haar blanketsel, hare reukwateren, hare lokken, en op de ontelbare, ons

onbekende kunstgrepen, die men zegt dat zij aanwendt om de

verwoestingen van den tijd te verhelpen en de bekoorlijkheden weer

terug te roepen, waarvan de jaren haar beroofd hebben, zoo mogen wij

ook vooronderstellen, dat de dames van haar kant zeer goed weten dat de

mannen even ijdel zijn als zij, en dat het toilet van een ouden fat

even omslachtig is als het hare. Hoe houdt de oude Blushington dat

eeuwigdurende rozenblosje op zijne wangen? en waar haalt de oude

Blondel het middel vandaan, dat zijn zilverwit haar voor goudblond moet

doen doorgaan? Hebt gij ooit Lord Hotspur van paard zien stijgen, als

hij denkt dat niemand naar hem kijkt? Als hij uit de stijgbeugels

gelicht is, kunnen zijne blinkende laarzen ternauwernood de stoep van

Hotspur House opstrompelen. Wanneer hij door Rotten Row rijdt en men

hem van achteren ziet, is hij nog altijd een eerste dandy; maar als ge

hem te voet ontmoet, wat is hij dan oud! Hebt gij u ooit kunnen

voorstellen, hoe Dick Lacy (hij wordt nu al zestig jaar lang Dick

genoemd) er in zijn natuurlijken toestand en zonder zijn korset

uitziet? Al die mannen zijn voorwerpen, welke een nauwkeurig waarnemer

van het leven en de handelingen der menschen met evenveel nut kan

bestudeeren als de meest verouderde Venus in Belgravia, de meest

onverbeterlijke Jezabel in Mayfair. Een oude guit, die sinds vijftig

jaar niet gebeden heeft, behalve misschien in het publiek; een oude

fat, die nog zooveel van de gebruiken der jeugd bijhoudt als zijne

verzwakte gezondheid toelaat, die van de flesch heeft moeten afzien,

maar er onder een glas water en een stuk brood met jonge snaken bij

zit, en die geen bewonderaar van de schoonen meer zijn kan, maar er

even ondeugend over spreekt als de jongste roué van het gezelschap, –

zulk een oude kerel zou, indien een of andere dominé in Pimlico of St.

James hem door de kerkeknechts in het midden der gemeente op een

armstoel liet zetten en hem tot onderwerp eener preek nam, voor een

enkelen keer in zijn leven tot een goed doel gebruikt kunnen worden en

wellicht zelf verstomd staan bij de ervaring, dat er eenige nuttige les

uit hem te trekken was. Maar wij dwalen van ons onderwerp, den eerzamen

majoor af, wiens voeten onderwijl in het bad koud worden; Morgan neemt

ze dus uit die plaats der verkwikking, droogt ze voorzichtig af, zet

vervolgens den ouden heer op de beenen en voorziet hem eindelijk van

zijn lendeband en pruik, zijne gestijfde das en zijne smettelooze

laarzen en handschoenen.

Gedurende deze uren van het toilet hielden Morgan en zijn meester hunne

vertrouwelijke gesprekken, want zij kwamen op andere tijdstippen van

den dag niet veel met elkander in aanraking; de majoor toch

verafschuwde het gezelschap zijner eigen tafels en stoelen op zijne

kamers en Morgan had dus, na ’s morgens zijn heer gekleed en hem de

brieven, overhandigd te hebben, den tijd grootendeels tot zijne eigene

beschikking.

Dezen vrijen tijd besteedde die levendige en beleefde heer onder de

knechts en hofmeesters van den adel, die den kring zijner bekenden

uitmaakten; en Morgan Pendennis, gelijk men hem noemde – want de

knechts van gentlemen worden in hunne eigen kringen met aldus

samengestelde namen aangeduid – was een trouw en welkom bezoeker aan

verscheidene der aanzienlijkste tafels dezer stad. Hij was lid van twee

groote clubs in Mayfair en Pimlico, waardoor hij alle stadspraatjes

vernam en zijn meester zeer aangenaam gedurende de twee uren van het

toilet kon bezig houden. Hij kende honderd verhalen en legenden

betrekkelijk personen van den hoogsten ton, wier bedienden hunne

doorluchtige geheimen bespreken, eveneens, lieve mevrouw, als onze

eigene meiden en bedienden in de keuken over ons karakter, onze

schrielheid of mildheid, ons geld of ons geldgebrek en onze kleine

huiselijke of huwelijkstwisten en oneenigheden handelen. Als ik dit

handschrift open op tafel laat liggen, ben ik zeker dat Betje het zal

lezen en er heden avond met hare kameraden in de keuken over spreken;

en morgen zal zij mij met zulk een onschuldig, trouwhartig gezicht mijn

ontbijt komen brengen, dat niemand haar van spionneeren zou durven

verdenken. Indien gij en de kapitein ergens hooge woorden over hebt

gehad, hetgeen altijd mogelijk is, dan zullen de bijzonderheden van den

twist en uw beider karakters onpartijdig en welsprekend aan de

theetafel in de keuken besproken worden; en als de kamenier van mevrouw

Smith bij geval een kopje thee komt drinken bij de uwe, zal hare

tegenwoordigheid het aangeknoopte gesprek niet doen afbreken; zij zal

openhartig haar gevoelen zeggen, en den volgenden dag zal hare

meesteres waarschijnlijk weten, dat kapitein Jones en zijne vrouw, als

naar gewoonte, twist hebben gehad. Niets blijft geheim! Prent u maar

in, dat Jan alles weet, en dat het in onze nederige kringen gaat gelijk

in de grootste: een hertog is evenmin een held voor zijn kamerdienaar

als gij of ik; en in zijne club bespreekt de bediende van zijne genade,

in gezelschap van andere heeren van gelijken maatschappelijken rang,

het karakter en de zaken van zijn meester, met die onbewimpelde

waarheidsliefde, die mannen past als zij vertrouwelijk met elkaar

omgaan. Wie een gierigaard is en zijn geld oppot; wie in de handen van

geldschieters is gevallen en zijn edelen naam achter op wisselbrieven

schrijft; wie op vertrouwelijken voet staat met de vrouw van een ander;

wie hare dochter aan zeker iemand ten huwelijk wil opdringen (hetgeen

hij zich niet zal laten doen, neen, voor geen geld ter wereld!) – al

dergelijke zaken worden door de vertrouwde bedienden van gentlemen

onderling besproken, en worden gehoord en onderzocht door iedereen, die

eenige aanspraak op eene plaats in de voorname kringen heeft. Kortom,

daar de oude Pendennis den naam had van alles te weten en eene

wonderbaarlijke kwaadsprekendheid aan de loffelijkste discretie wist te

paren, is het niet anders dan billijk dat wij verklaren, dat de majoor

een groot gedeelte zijner nieuwtjes van Morgan vernam, die er voor hem

op uitging en ze opspoorde. En welken beteren weg kan men inslaan, om

de Londensche maatschappij te leeren kennen, dan door te beginnen van

den grond af, namelijk in de keukengewesten?

Mijnheer Morgan en zijn meester onderhielden zich dus met elkander

onder het toilet van dezen laatste. Er was den vorigen dag receptie ten

hove geweest, en de majoor las in zijn blad, dat Lady Clavering door

Lady Rockminster, en jufvrouw Amory door hare moeder, Lady Clavering

was voorgesteld, – en in eene andere kolom van het blad werd de

kleeding dier dames met eene nauwkeurigheid en in eene taal beschreven,

die den oudheidkenner in latere eeuwen verlegen zal doen staan, maar

die hem te gelijk vermaken zal. Het lezen van die namen deed den majoor

met zijne gedachten naar het platteland teruggaan. „Hoelang zijn de

Clavering’s reeds te Londen, Morgan?” vroeg hij. „Hebt gij iemand

hunner bedienden gesproken?”

„Sir Francis heeft zijn vreemden kamerdienaar weggezonden, mijnheer,”

antwoordde Morgan, „en een mijner vrienden in zijne plaats aangenomen,

mijnheer. Hij is er op mijn aanraden naar toe gegaan. Misschien

herinnert gij u Towler nog wel, mijnheer, – een lang man met rood haar,

maar dat geverfd is. Hij was kamerdienaar bij Lord Levant, tot de zaken

van mylord in de war raakten. Het is een achteruitgang voor Towler,

mijnheer, maar als men arm is, kan men niet kieskeurig zijn.” zeide de

knecht met eene aangedane stem.

„Wel, wel! dat is verduiveld hard voor Towler,” zeide de majoor, die er

zich mee vermaakte, „en voor Lord Levant ook niet pleizierig, hi hi!”

„Ik wist wel dat het daartoe komen zou, mijnheer. Nu St. Michiel vier

jaar geleden, heb ik er reeds van gesproken, toen mylady de diamanten

verpandde. Het was Towler, mijnheer, die ze in twee cabs naar Dobree

bracht, en een groot gedeelte van het zilver ging denzelfden weg.

Herinnert ge u niet, dat ge het te Blackwall gezien hebt, met het wapen

en de kroon van Lord Levant er op, terwijl mylord er zelf bij zat op

het diner van Lord Steyne? Ik vraag excuus, mijnheer; heb ik u

gesneden?”

Morgan was op dit oogenblik bezig aan de kin van den majoor, en

vervolgde zijn onderwerp, terwijl hij zijn kunstrijk scheermes op den

riem aanzette. „Zij hebben een huis in Grosvenor Place genomen,

mijnheer, en leven op een buitengewoon grooten voet. Mylady zal drie

partijen geven, behalve nog een diner elke week. Haar fortuin zal en

kan er niet tegen bestand zijn.”

„Te drommel, zij had zoo’n goeden kok toen ik op Fairoaks was,” zeide

de majoor, zeer weinig bekommerd om het geld der weduwe Amory.

„Hij heette Marobblan, mijnheer; – Marobblan is weg, mijnheer,” zeide

Morgan, waarop de majoor deze maal met innige sympathie hernam, „dat

het verduiveld spijtig was, dat zij hem verloren hadden.”

„Er is eene geweldige opschudding over dien mesjeu Marobblan geweest,”

ging Morgan voort. „Op een bal te Baymouth, mijnheer, – ik weet niet

hoe hij zoo onbeschaamd heeft durven zijn, – daagde hij mijnheer Arthur

tot een duel uit, mijnheer, en mijnheer Arthur stond op het punt om hem

neer te slaan en uit het venster te smijten, hetgeen hij ook verdiend

zou hebben; doch de chevalier Strong, mijnheer, kwam er bij en maakte

een einde aan het standje – ik vraag excuus, mijnheer, aan den twist –

want die Fransche koks zijn zoo trotsch en brutaal alsof zij echte

gentlemen waren.”

„Ik heb iets van die onaangenaamheid gehoord,” zeide de majoor; „doch

dáárvoor is Mirobolant toch niet weggezonden?”

„Neen, mijnheer, – dat geval (mijnheer Arthur vergaf het hem en heeft

zich daarin heel mooi gedragen) werd door de vingers gezien; maar het

was om jufvrouw Amory, mijnheer, dat hij zijn ontslag kreeg. Die

Franschen denken, dat ieder meisje op hen verliefd is, en hij klom dus

langs dien grooten wijngaard tegen haar venster op, mijnheer, en deed

moeite om binnen te dringen. Maar hij werd betrapt; mijnheer Strong

kwam naar buiten; men voerde de tuinspuit aan en spoot hem nat, en dat

gaf een allergeweldigst leven, mijnheer.”

„Wat een onbeschaamde kerel!” riep de majoor uit. „Maar gij wilt toch

niet zeggen, dat jufvrouw Amory hem voet had gegeven?” liet hij er op

volgen, plotseling getroffen door eene zeer bijzondere uitdrukking op

Morgan’s gelaat.

Morgan trok zijn gezicht weer in de stemmige plooi. „Ik weet er niets

van, mijnheer,” gaf hij ten antwoord. „Wij bedienden weten niets van

zulke dingen. Hoogst waarschijnlijk was er niets van aan; er worden

zooveel onwaarheden van de groote familiën verteld. Marobblan ging met

pak en zak, met potten en piano weg – want de kerel had eene piano en

schreef Fransche verzen; en hij nam eene kamer te Clavering en zwierf

rondom het huis, en men vertelde zelfs, dat madame Fribsby, die

modemaakster, brieven aan jufvrouw Amory overbracht, ofschoon ik geen

woord daarvan geloof, evenmin als dat hij zich door kolendamp van het

leven heeft willen berooven, hetgeen alles afgesproken werk was

tusschen hem en madame Fribsby; en het scheelde weinig of hij was door

den boschwachter van het park doodgeschoten.”

In den loop van denzelfden dag stond de majoor aan het groote venster

van Bays’ Club in St. James’ Street, op dat namiddaguur wanneer men een

dozijn oude fatten zich op dezelfde wijze ziet vermaken (Bays Club is

thans eene ouderwetsche societeit en vele van hare leden zijn den

middelbaren leeftijd reeds te boven; maar in den tijd van den

prins-regent stonden die oude snaken, die toen tot de grootste dandy’s

van het gansche rijk behoorden, reeds aan hetzelfde venster). Toen

majoor Pendennis zoo door dat groote venster naar buiten keek, zag hij

juist zijn neef Arthur met diens vriend, jonkheer Popjoy,

voorbijwandelen.

„Kijk eens!” zeide Popjoy onder het voorbijgaan tegen Pen, „zijt ge

ooit de club van Bays ten vier ure voorbijgegaan, zonder die

verzameling van oude pruiken daar te zien? Het is bepaald een museum.

Zij moesten in was afgebeeld en in het wassenbeeldenkabinet van madame

Tussaud ten toon gesteld worden.”

„In eene afzonderlijke „kamer der gruwelen””, zeide Pen lachende.

„In eene kamer der gruwelen! Heel aardig, drommels aardig!” riep Pop

uit. „De meesten zijn oude schelmen, dat is buiten tegenspraak. Daar

hebt ge den ouden Blondel; daar hebt ge mijn oom Colchicum, den

verfoeilijksten ouden zondaar in Europa; daar hebt ge – hola! daar tikt

iemand aan het venster en knikt tegen ons.”

„Dat is mijn oom de majoor,” zeide Pen. „Is dat ook een oude zondaar?”

„Een erkende ouwe zondaar,” zeide Pop, het hoofd schuddende. „Hij wenkt

u; hij wil u spreken.”

„Ga mee binnen,” zeide Pen.

„Neen, dat kan ik niet,” gaf de ander ten antwoord. „Ik heb twee jaar

geleden onaangenaamheden met oom Col gehad over mademoiselle

Frangipane,” en met die woorden nam de jonge zondaar afscheid van Pen

en van de club der bejaarde misdadigers en drentelde die van Blacquière

binnen, eene societeit in de nabijheid, die de verzamelplaats van

snoodaards van zijn eigen leeftijd was.

Colchicum, Blondel en de oudste fatten hadden juist staan spreken over

de familie Clavering, wier komst te Londen het onderwerp van het

morgengesprek van majoor Pendennis met zijn knecht had uitgemaakt.

Mijnheer Blondel’s huis stond naast dat van Sir Francis Clavering op

Grosvenor Place. Daar hij zelf zeer goede diners gaf, had eenige

beweging in de keukens van zijn buurman zijne aandacht getrokken. Sir

Francis bezat werkelijk een nieuwen kok, die meer dan eens bij mijnheer

Blondel was overgekomen om diens diners te regelen; want daar die heer

slechts ééne vaste vrouwelijke artiste bezat, die echter buitengewoon

knap was, gebruikte hij, wanneer hij groote feestmalen gaf, die koks

van naam uit de buurt, die dan juist vrij waren. „Zij maken, naar ik

hoor, verduiveld groote uitgaven en ontvangen verduiveld slecht

gezelschap,” zeide mijnheer Blondel „zij loopen waarachtig de straten

af, om menschen te zoeken, die bij hen willen dineeren. Champignon zegt

dat zijn hart er van breekt, dat hij voor hun gezelschap diners moet

klaarmaken. Het is schande, dat zulk volk geld heeft!” riep mijnheer

Blondel wiens grootvader met veel lof leeren broeken had gemaakt,

terwijl zijn vader geld had geleend aan de prinsen.

„Ik wenschte maar, dat ik zelf de weduwe ontmoet had,” zuchtte Lord

Colchicum, „en dat die verwenschte jicht mij niet te Livorno had terug

gehouden. Ik zou het mensch zelf getrouwd hebben. Ik heb gehoord, dat

zij zesmaal honderd duizend pond in de drie percents bezit.”

„Zóóveel niet,” zeide majoor Pendennis. „Ik heb hare familie in Indië

gekend; haar vader was een oude, schatrijke indigo-planter. Ik weet

alles van haar. Clavering’s landerijen liggen naast de onze. Ha, daar

gaat mijn neef met–” „Met den mijnen, dien vervloekten jongen rekel!”

zeide Lord Colchicum, onder de zware wenkbrauwen naar Popjoy glurende,

en verliet het venster toen majoor Pendennis er op begon te tikken.

De majoor was bijzonder opgeruimd. De zon scheen helder en de lucht was

frisch en versterkend. Hij had besloten dien dag een bezoek bij Lady

Clavering te gaan afleggen, en het viel hem in, dat Arthur een goede

tochtgenoot op de wandeling door het Groene Park naar het huis van

mylady zou wezen. De jonge heer wilde dien tocht gaarne met zijn

voornamen oom doen, die hem op den korten weg door St. James’ Street

een dozijn groote mannen aanwees, en groeten ontving van een hertog

toen zij over de straat staken, van een bisschop te paard en van een

minister met eene paraplu onder den arm. De hertog reikte den ouden

Pendennis een vinger van een met pijpaarde witgemaakten handschoen,

welken de majoor met den grootsten eerbied aanraakte; en het bloed

tintelde in al de aderen van Pen, toen hij zich dus als het ware in

aanraking bevond met dien beroemden man (want Pen had des majoors

linkerarm vast, terwijl de andere vleugel van dien heer de rechterhand

van zijne genade vasthield), zoodat Pen wel gewenscht had, dat de

gansche Grauwebroeders-school, de gansche universiteit van Oxbridge,

gansch Paternoster Row en de Temple, met Laura en zijne moeder van

Fairoaks, langs beide zijden van de straat geschaard hadden gestaan, om

de ontmoeting van hem en zijn oom met den beroemdsten hertog der

christenheid te aanschouwen.

„Dag, Pendennis, – mooi weer,” waren de merkwaardige woorden, die zijne

genade sprak, en met een knik van zijn doorluchtig hoofd ging hij weer

door – met een blauwen rok, eene vlekkelooze witte broek, en eene witte

stropdas met een blinkenden gesp van achteren.

De oude Pendennis, wiens gelijkenis met zijne genade wij reeds vermeld

hebben, begon hem, nadat zij van elkander waren gegaan, onwillekeurig

na te bootsen, door, naar het voorbeeld van den grooten man, in zeer

korte volzinnen te spreken, ieder onzer heeft ongetwijfeld meer dan één

officier ontmoet, die aldus de manieren van zekeren grooten veldheer

dezer eeuw navolgde, en misschien zijn natuurlijken aard en aanleg

veranderd heeft, omdat het lot hem met een haviksneus had begiftigd.

Hebben wij niet gelijkerwijze menig ander zich zien verhoovaardigen,

omdat hij een hoog voorhoofd had en eenigszins op den heer Canning

geleek? Hebben wij niet menig ander het levenspad zien bewandelen,

opgeblazen van zelf behagen op grond eener gewaande gelijkenis met den

grooten en vereerden George IV (wij zeggen „gewaand”, omdat het

onmogelijk is, dat iemand inderdaad op dien schoonsten en volmaaktsten

der mannen zou geleken hebben)? Anderen droegen omslagen boordjes,

omdat zij meenden dat zij er dan uitzagen als Lord Byron. En heeft het

graf zich niet pas onlangs boven den armen Tom Bickerstaff gesloten,

die, met even weinig verbeeldingskracht als mijnheer Joseph Hume, zich,

als hij in den spiegel zag, verbeeldde dat hij op Shakespeare geleek?

zijn voorhoofd schoor om nog meer op dien onsterfelijken dichter te

gelijken, onophoudelijk treurspelen schreef, en stapelgek stierf, als

een slachtoffer van zijn voorhoofd? Deze en dergelijke grillen der

ijdelheid moeten de meesten, die in de wereld verkeerd hebben, met

eigen oogen hebben gezien. De snaaksche Pen lachte in zijn vuistje over

de wijze, waarop zijn oom den grooten man begon na te bootsen, dien zij

zoo even verlaten hadden; maar mijnheer Pen was in zijne soort even

ijdel als de oude heer en stapte dus zelf met eene tamelijk hooge borst

naast den majoor voort.

„Ja, beste jongen,” zeide de oude jonkman terwijl zij het Groene Park

doorgingen, waar zich een aantal arme kinderen met groote pret

vermaakten en loopjongens kruis of munt speelden, en zwarte schapen in

den zonneschijn liepen te grazen, en een acteur op eene bank zijne rol

zat te leeren, en kindermeiden met de aan hare zorgen toevertrouwde

kleinen heen en weer drentelden, en verscheidene paartjes op hun gemak

wandelden; „ja, geloof mij, beste jongen, dat er voor iemand, die arm

is, niets boven het bezit van voorname vrienden gaat. Wie denkt ge wel,

dat die heeren waren, waarmee ge mij aan het venster bij Bays zaagt

staan? Twee daarvan waren pairs des rijks. Hobananob wordt pair, zoodra

zijn oudoom, die nu reeds zijne derde beroerte heeft, sterft; en onder

de andere vier is er niet één, die minder dan zeven duizend pond ’s

jaars heeft. Hebt gij dien donkerblauwen brougham, met dat ontzaglijk

groote paard, aan de deur der club zien staan? Gij zult dien wel eens

meer zien. Die brougham behoort aan Sir Hugh Trumpington; men heeft hem

nog nooit zien loopen; nooit ziet men hem op straat te voet, nooit.

Zelfs als hij twee deuren ver gaat om zijne moeder, de oude douairière,

te bezoeken (waar ik u stellig zal introduceeren, want zij ontvangt van

het beste gezelschap te Londen), wel, mijnheer, dan stijgt hij aan No.

23 te paard en klimt aan No. 25 A weer af. Hij zit nu op de bovenzaal

in de club van Bays met graaf Punter piket te spelen; hij is op één na

de beste speler in Engeland, en dit is natuurlijk, want elken dag zijns

levens, uitgezonderd des Zondags (daar Sir Hugh een buitengewoon

godsdienstig man is), speelt hij van ’s middags half vier tot half acht

en gaat zich dan kleeden voor het diner.”

„Eene zeer godsdienstige manier om zijn tijd door te brengen,” zeide

Pen lachende en niet vreemd aan het denkbeeld dat zijn oom begon te

bazelen.

„Voor den drommel, mijnheer, dat is de questie niet! Een man van zijne

positie in de maatschappij mag zijn tijd doorbrengen zooals hij

verkiest. Als gij baronet zijt en lid van het parlement, met tien

duizend bunders van het beste land in Cheshire en zulk een landgoed als

Trumpington (ofschoon hij er nooit heengaat), dan kunt gij óók doen wat

gij goedvindt.”

„En dat was dus zijn brougham, oom?” vroeg neef bijna spottend.

„Zijn brougham – o ja, ja – dat brengt mij weer op mijn onderwerp –

revenons à nos moutons. Ja, voor den drommel, revenons à nos moutons.

Welnu, als ik het verkies, is die brougham tusschen vier en zeven ure

tot mijne beschikking, zoo goed alsof ik ze bijv. van Tilbury voor

dertig pond ’s maands gehuurd had. Sir Hugh is de beste kerel ter

wereld, en indien het niet zulk mooi weer was, zoudt gij op het

oogenblik met mij in dien brougham op weg naar Grosvenor Place zijn

geweest. Dat voordeel heeft men er bij, als men met rijke lui omgaat: –

ik dineer voor niets, Arthur; – voor niets ga ik naar buiten en krijg

ik paarden. Anderen houden jachthonden en boschwachters voor mij. Sic

vos non vobis, gelijk wij bij de Grauwebroeders zeiden, niet waar? Ik

ben het eens met mijn ouden vriend Leech, van het 44ste regiment, een

verduiveld goede maar slimme kerel, gelijk de meeste Schotten. Leech

zeide altijd, dat hij arm was, om er arme kennissen op te kunnen

nahouden.”

„Gij handelt niet naar uwe beginselen, oom,” zeide Pen goedhartig.

„Niet naar mijne beginselen, mijnheer? Hoe meent ge dat?” vroeg de

majoor min of meer geraakt.

„Gij hadt mij in St. James’ Street zeker niet moeten kennen, oom,”

zeide Pen, „indien gij in de practijk niet toegeeflijker waart dan in

de theorie. Gij, die met hertogen en de grootsten des lands omgaat,

zoudt dan van een armen drommel als ik ben geen notitie genomen

hebben.” Uit deze kleine reden kunnen wij zien, dat mijnheer Pen

vorderingen maakte in de wereld en evengoed kon vleien als in zijn

vuistje lachen.

Majoor Pendennis was dadelijk tevreden en zeer in zijn schik. Na zijn

neef hartelijk op den arm geklopt te hebben, waarop hij leunde, zeide

hij: „Gij, neef, zijt van mijn eigen vleesch en bloed. Wat drommel! ik

ben zeer trotsch op u en houd veel van u, als ge maar zulke verwenschte

dwaasheden en buitensporigheden niet begaan hadt. Ik hoop, dat gij

uitgeraasd hebt, dat hoop ik van harte. Ik zou een man van u willen

maken, Arthur; ik zou u eene plaats in de wereld willen zien innemen,

die aan uw naam en den mijnen past. Gij hebt nu eenige reputatie

verworven met uwe letterkundige talenten, die ik verre ben van gering

te achten, ofschoon, voor den drommel, poëzie en genie en al dat soort

van dingen in mijn jongen tijd verduiveld gemeen waren. Daar hadt ge,

bij voorbeeld, den armen Byron, die er zich door ruïneerde en door zijn

omgang met dichters en dagbladschrijvers en lui van dat slag de

slechtste gewoonten aannam. Maar de tijden zijn nu veranderd – de

letterkunde is in de mode – knappe kerels worden in de beste huizen der

stad toegelaten. Tempora mutantur, mijnheer; en ik geef toe, dat „al

wat is, is goed,” zooals Shakespeare zegt.”

Pen achtte het niet noodig zijn oom in te lichten welke auteur het

eigenlijk was, die deze merkwaardige uitdrukking gebezigd had, en het

paar, dat nu juist het Groene Park verliet, sloeg den weg naar

Grosvenor Place in en naar het huis, door Sir Francis en Lady Clavering

bewoond.

De luiken der eetzaal van dit fraaie verblijf waren opnieuw verguld; de

klopper blonk als goud op de pas geschilderde deur; het balkon voor de

gezelschapszaal was een hangende tuin van de schoonste gewassen,

prijkende met witte, paarsche en roode bloemen; de vensters van de

bovenkamer (ongetwijfeld het heiligdom en de kleedkamer van mylady) en

zelfs een aardig klein venstertje op de derde verdieping, dat de

scherpziende mijnheer Pen onderstelde te behooren tot de maagdelijke

slaapkamer van jufvrouw Blanche Amory, waren op dezelfde wijze met

bloemen versierd, en het geheele huis leverde uitwendig het

schitterendste voorkomen op, dat nieuwe verf, blinkend spiegelglas, pas

schoongemaakte steen en vlekkelooze kalk er aan kunnen verschaffen.

„Wat moet Strong zich verheugd hebben toen hij al die pracht in het

leven riep,” dacht Pen, want hij herkende het genie van den chevalier

in den luister, die hem hier tegenblonk.

„Lady Clavering gaat uit rijden,” zeide de majoor. „Wij zullen dus onze

bordpapiertjes maar afgeven, Arthur.” Hij gebruikte het woord

„bordpapiertjes,” dat hij van eenige vernuftige adellijke jongelui

gehoord had, als eene moderne uitdrukking, die voor Pen’s jeugdige

jaren geschikt was. Inderdaad kwam er een wagen voor, juist toen de

beide heeren de deur bereikten, een prachtig geel rijtuig, van binnen

met brocaat of satijn van teedere roomkleur bekleed, en getrokken door

schoone schimmels met bonte linten en een tuig, dat overal met de

helmteekens der familie prijkte. Niet minder dan drie van die

heraldieke zinnebeelden pronkten boven de wapens op de portieren, die

uit een ongeloofelijk aantal kwartieren bestonden, ten bewijze van de

oudheid en den luister der huizen Clavering en Snell. Op het prachtige

kleed van den bok (waarop dezelfde wapens in koper herhaald waren) zat

een koetsier met eene eng sluitende witte pruik en hield de steigerende

schimmels in bedwang; het was nog een jonkman, maar met een plechtig

gelaat, een gegaloneerd vest en gespen op de schoenen, – kleine gespen,

geheel anders dan die, welke John en James, de lakeien, dragen, en die

wij weten, dat groot zijn en zich sierlijk over den voet uitspreiden.

Een der vleugels van de voordeur was open en John, een der zwaarsten

van zijn ras, stond tegen den deurpijler te leunen met poeier in zijn

geurig haar en met gekruiste beenen, met keurige zijden kousen en met

een stok in de hand, goudgeknopt, dolichoskion. James was onzichtbaar,

maar toch in den omtrek, want hij stond met den „gentleman” buiten

livrei in de vestibule te wachten en hield zich gereed eene rol kleed

uit te werpen, waarover mylady naar haar rijtuig zou treden.

Het vermelden van al deze mannen en voorwerpen, die het geoefende oog

met één blik opmerkt, kost tijd, zoodat de majoor en Pen nauwelijks de

straat waren overgestoken, toen de tweede vleugel der deur reeds werd

opengeworpen; het paardenharen kleed rolde van de treden der stoep naar

die van het rijtuig; John opende het aan de eene zijde en James aan de

andere, en twee dames naar de allerlaatste mode gekleed, gevolgd door

eene derde, die een jankend schoothondje aan een blauw lintje droeg,

kwamen naar buiten, om in het rijtuig te stijgen.

Jufvrouw Amory was de eerste, die er in moest gaan, hetgeen zij met de

vlugheid eener fee deed, waarop zij de plaats innam, die haar het best

behaagde. Toen volgde Lady Clavering, maar zij was van meerder leeftijd

en zwaarder van voet, zoodat een verrukt bewonderaar van vrouwelijk

schoon, indien hij juist op het oogenblik van deze indrukwekkende

plechtigheid daar ware voorbijgekomen, een dier voeten, in een groen

satijnen laarsje gevat, benevens een gedeelte van eene kous, die zeer

fijn was, – wat er dan ook ware van den enkel, die er door omsloten

werd. – had kunnen zien zwaaien op de trede van het portier, toen zij

op den arm van den onwrikbaren James leunde.

De Pendennis’en senior en junior aanschouwden die bekoorlijkheden toen

zij aan de deur kwamen, waarbij de majoor ernstig en hoffelijk keek en

Pen een weinig verlegen werd op het zien van het rijtuig en de dames,

want hij dacht aan ettelijke kleine gebeurtenissen te Clavering, die

zijn hart sneller deden kloppen.

Op dat oogenblik kreeg Lady Clavering, omziende, het paar in het oog;

zij stond op de eerste trede en zou een oogenblik later in het rijtuig

gezeten hebben; maar zij maakte eene beweging, die wat poeier uit het

haar van den geparfumeerden James deed vliegen, en riep uit: „Heere,

daar is Arthur Pendennis met den ouden majoor!” Dadelijk sprong de

goedhartige vrouw weer op terra firma, stak twee vette handen uit, die

in nauwe, oranjekleurige handschoenen geperst waren, en heette den

majoor en zijn neef hartelijk welkom.

„Komt binnen allebei! Waarom zijt gij niet vroeger gekomen? Kom er uit,

Blanche, en verwelkom uwe oude vrienden. Ik ben zóó blij, dat ik u zie!

Wij hebben u ik weet niet hoe lang al gewacht. Komt binnen, het ontbijt

is nog niet weggeruimd,” ging de gastvrije dame voort, terwijl zij

Pen’s handen in beide de hare drukte (zij had die van den majoor na

eene korte kneep van herkenning weer losgelaten), en daarop steeg

Blanche, na de oogen omhoog naar de schoorsteenen te hebben geslagen,

met een bedeesd, blozend en smeekend gezichtje ook uit het rijtuig en

reikte haar kleine handje aan majoor Pendennis.

De gezelschapsjufvrouw, met het schoothondje, keek besluiteloos rond,

alsof zij overlegde of zij Fido toch zijn luchtje niet moest laten

scheppen; maar ook zij maakte rechtsomkeert en trad na Lady Clavering,

hare dochter en de beide heeren binnen. Het rijtuig met de steigerende

schimmels bleef dus niemand anders dan den koetsier met de witte pruik

dragen.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 77 / 155 题