Het nieuwe blad maakte aanvankelijk veel opgang. Algemeen geloofde men,
dat het door eene invloedrijke staatkundige partij ondersteund werd, en
onder de medewerkers noemde men aanzienlijke namen. Bestond er grond
voor die geruchten? Wij mogen ons niet uitlaten of zij juist of onjuist
waren, maar wel mededeelen, dat een artikel over de buitenlandsche
politiek, hetwelk men algemeen toeschreef aan een lord, wiens
betrekkingen tot het departement van buitenlandsche zaken zeer goed
bekend waren, eigenlijk gesteld was door kapitein Shandon in de
gelagkamer der herberg the Bear and Staff in de nabijheid van Whitehall
Stairs, waar de drukkersjongen hem op het spoor was gekomen, en waar
een zijner letterkundige handlangers, zekere mijnheer Bludyer,
tijdelijk zijn verblijf hield; en dat eene reeks artikelen over de
financiën, die ieder afkomstig achtte van een groot staatsman in het
Lagerhuis, in waarheid uit de pen van den heer George Warrington, van
den Upper Temple, gevloeid waren.
Het is echter zeer mogelijk, dat er eenige betrekkingen tusschen de
Pall Mall Gazette en deze invloedrijke partij bestaan hebben. Men zag
Percy Popjoy (wiens vader, Lord Falconet, tot die partij behoorde) niet
zelden de trap naar Warrington’s kamer opklimmen; en er kwamen eenige
berichten in het blad voor, die de aandacht trokken en alleen uit zeer
bijzondere bronnen afkomstig konden zijn. Er verschenen ook
verscheidene gedichten, schraal van gedachte, doch gezwollen en
opgeblazen van toon en met de letters P. P. onderteekend, in de Pall
Mall Gazette voor, en het valt niet te ontkennen, dat Popjoy’s roman op
het overdrevenste in het nieuwe blad geprezen werd.
Aan het staatkundige gedeelte van het blad nam mijnheer Pen geen deel,
maar bij de rubriek Letterkunde behoorde hij tot de ijverigste
medewerkers. Het bureau der Pall Mall Gazette was, gelijk wij vernomen
hebben, in Catherine Street, in het Strand, en dikwijls liep Pen met
zijne manuscripten op zak en met groote drukte en genoegen daarheen –
een genoegen zooals men bij den aanvang zijner letterkundige loopbaan
smaakt, als het nog iets nieuws is, zich gedrukt te zien en men zich
nog vleit met de gedachte, dat men door zijn schrijven eenig opzien in
de wereld baart.
Hier was het, dat de heer Jack Finucane, als onderredacteur, met behulp
van schaar en stijfsel, het blad „opmaakte”, eene zorg, die aan hem
opgedragen was. Hij liet een arendsoog over al de dagbladberichtjes
gaan, die met de voorname wereld, welke zijne rubriek was, in eenig
verband stonden. Hij liet geen sterfgeval of geen diner onder de
aristocratie voorbijgaan, zonder ze in de kolommen van zijn blad te
vermelden; en uit de meest onbeteekenende provinciale blaadjes en de
verst verschijnende Schotsche en Iersche couranten vischte hij
verbazende berichten en nieuwtjes betrekkelijk de hoogere kringen der
maatschappij op. Het was een verheven, ja een treffend gezicht voor een
wijsgeer, den weledelen heer Jack Finucane, met een bord eten uit de
restauratie en een glas porter uit de herberg, hetgeen zijn middagmaal
uitmaakte, de feesten der grooten te zien beschrijven alsof hij mede
aangezeten had, en hem in eene gelapte broek en morsige hemdsmouwen de
schitterendste partijen der voorname wereld met opgeruimden zin te zien
schetsen en rangschikken. De tegenstrijdigheid tusschen Finucane’s werk
en zijne manieren en kleeding kwam zijn nieuwen vriend Pen zeer
kluchtig voor. Sedert Jack het dorp verlaten had, waar hij geboren was
en vermoedelijk geene zeer hooge positie had bekleed, had hij zelden
ander gezelschap gezien dan dat der gelagkamers waar hij verkeerde,
terwijl men daarentegen uit hetgeen hij schreef zou afgeleid hebben,
dat hij met ambassadeurs dineerde en dat het groote venster der club
van White de plaats was, waar hij zich gewoonlijk ophield. Wel is waar
vergiste hij zich wel eens in zijne beschrijvingen; maar het was de
Ballinafad Sentinel, waarvan hij de particuliere correspondent was, die
daarvan te lijden had, en niet de Pall Mall Gazette, want Jack mocht
daarin niet veel schrijven, omdat zijne Londensche patroons van oordeel
waren, dat hij de schaar en den stijfselpot beter hanteerde dan de pen.
Pen gaf zich veel moeite om zijne recensiën zoo goed mogelijk te maken,
en daar hij vrij veel algemeene lectuur in zijne jeugdige jaren
verzameld had, en eene levendige verbeelding en eene zekere soort van
humor bezat, bevielen zijne artikelen aan de bestuurders van het blad
en aan het publiek, zoodat hij het fiere bewustzijn had, dat hij het
geld verdiende, dat hij ontving. Wij kunnen ons overtuigd houden, dat
de Pall Mall Gazette geregeld op Fairoaks ontvangen en daar door de
beide dames met verrukking gelezen werd. Ook op Clavering Park, waar
wij weten dat eene jonge dame, die grooten smaak had in de letterkunde,
woonde, was men er op geabonneerd; en de oude doctor Portman zelf, aan
wien de weduwe de nommers zond, nadat zij haar zoons artikelen van
buiten had geleerd, gaf zijne goedkeuring over de voortbrengselen van
Pen te kennen en zeide, dat de jongen geest, smaak en
verbeeldingskracht bezat en, zoo niet als een geleerde, althans als een
gentleman schreef.
En wat stond onze vriend majoor Pendennis verbaasd en verrukt, toen hij
in een zijner clubs, de Regent, Wenham, Lord Falconet en eenige andere
heeren van naam en rang, die daar bijeen waren, hoorde spreken over de
Pall Mall Gazette en over een artikel in dat blad, waarin bitter de
draak werd gestoken met een boek, dat de vrouw van een lid der
oppositie onlangs uitgegeven had. Het was eene Reis door Spanje en
Italië door de gravin van Muffborough, waarin men niet wist wat het
wonderbaarlijkste was, het Fransch of het Engelsch, welke beide talen
de lady even slecht schreef, zoodat de recensent met blijkbaar
leedvermaak hare „bokken” bij de horens had gegrepen. Die recensent was
niemand anders dan Pen; met de grootste dartelheid en uitgelatenheid
sprong en danste hij rondom zijn slachtoffer; en dit alles met
verwonderlijk goed voorgewenden ernst en wellevendheid. Er was geen
woord in het gansche artikel, dat onbeleefd was of een gentleman niet
zou betaamd hebben, en echter werd het ongelukkige voorwerp der kritiek
ontleed en gedurende de operatie uitgelachen. Op Wenham’s galachtig
gelaat verscheen een trek van boosaardig genoegen, terwijl hij die
kritiek las. Lady Muffborough had hem het gansche afgeloopen jaar niet
ééns op hare partijen genoodigd. Lord Falconet grinnikte en lachte
hardop, want hij en Lord Muffborough waren sedert hunne intrede in het
leven mededingers geweest. Deze heeren nu maakten hun compliment aan
majoor Pendennis, die tot dusverre ternauwernood acht had geslagen op
sommige wenken in de brieven van Fairoaks, betrekkelijk „het
aanhoudende en zware letterkundige werk van mijn lieven Arthur, die,
naar ik vrees, de gezondheid van den armen jongen ondermijnen zal,” en
het geheel beneden zijne waardigheid als majoor en gentleman had
gerekend, eenige notitie van mijnheer Pen en zijne courantwerkzaamheden
te nemen.
Maar toen het orakel Wenham het stuk van den jonkman prees; toen Lord
Falconet, die door Percy Popjoy was ingelicht, aan den jongen Pen genie
toekende; toen de groote Lord Steyne zelf, wien de majoor het artikel
toonde, er bij lachte en schaterde, en zwoer dat het „best” was en dat
die Muffborough er van zou krimpen als een walvisch onder den harpoen,
toen begon de majoor, door plichtgevoel gedreven, zijn neef zeer te
bewonderen, en riep hij uit: „Te drommel, er zit toch wat in den jongen
schavuit en hij zal het nog wel tot iets brengen; dat heb ik altijd
gezegd!” en met eene hand, die van genoegen beefde, schreef hij aan de
weduwe te Fairoaks al wat die groote lui tot lof van Pen gezegd hadden;
en tevens richtte hij eene uitnoodiging aan den „jongen schavuit” om
eene côtelet bij zijn ouden oom te komen eten, en voegde er bij, dat
hij in last had hem op een diner op Gaunt House mede te brengen, daar
Lord Steyne met iedereen ingenomen was, die hem door dwaasheid,
geestigheid, botheid, zonderlingheid, gemaaktheid, opgeruimdheid of
eenige andere eigenaardigheid vermaken kon. Pen wierp dien brief over
de tafel aan Warrington toe, en was wel wat te leur gesteld, dat de
ander er niet opgetogen van stond.
Jonge recensenten bezitten een ongeloofelijken moed. Zij klimmen op den
rechterstoel en vellen, bijna zonder aarzelen, een oordeel over de
ingewikkeldste of diepzinnigste werken. Als men in die dagen Macaulay’s
Geschiedenis, of Herschel’s Sterrekunde aan Pen had voorgelegd, zou hij
de deelen doorbladerd, onder het genot eener sigaar zijn oordeel
gevestigd en daarop zijne hooge goedkeuring over die beide schrijvers
te kennen gegeven hebben, alsof hij van nature hun meerdere en hun
toegevende meester en patroon ware geweest. Met behulp van de
Biographie universelle of van het Britsch Museum maakte hij een beknopt
overzicht van een of ander tijdperk der geschiedenis, en haalde namen,
datums en feiten op zulk eene meesterlijke en ongedwongen wijze aan,
dat hij zijne mama op Fairoaks, die zich verwonderde waar haar zoon zoo
verbazend veel kon gelezen hebben, verstomd deed staan; wat hem zelven
ook overkwam, als hij zijne artikelen na verloop van twee of drie
maanden herlas en het onderwerp, dat hij toen behandelde, en de boeken,
die hij raadpleegde, vergeten had. Mijnheer Pen erkent, dat hij in dat
tijdperk zijns levens niet geaarzeld zou hebben, binnen vier en twintig
uren over de grootste geleerden een gevoelen te uiten, of een oordeel
over de Encyclopaedie te vellen. Gelukkig was Warrington dáár, om hem
uit te lachen en door aanhoudende en heilzame spotternijen zijne
aanmatiging te temperen; anders zou hij wellicht onuitstaanbaar
verwaand zijn geworden, want Shandon was met de voortvarendheid en
luchtigheid van zijn jongen adjudant zeer ingenomen, en Pen’s vlugge en
geestige stijl beviel hem werkelijk beter dan dergelijke betoogen van
den ouderen medewerker.
Maar ofschoon men Pen wegens zijne onbescheidenheid en eene zekere
voorbarigheid in zijn oordeel te recht moest misprijzen, was hij een
volkomen eerlijk recensent en zelfs veel te onschuldig voor de
bedoelingen van Bungay, die meer dan eens bitter gromde over Pen’s
onpartijdigheid. Zelfs geraakte Pen daarover op zekeren dag in
woordenwisseling met zijn patroon den kaptein. „Wat hebt gij daar in ’s
hemels naam gedaan, mijnheer Pendennis,” riep Shandon uit; „daar hebt
gij een van Bacon’s boeken geprezen! Bungay kwam heden morgen woedend
bij mij, toen hij eene gunstige beoordeeling van een der werken van die
gehate firma aan den overkant in het blad vond.”
Pen zette van verbazing groote oogen op. „Wilt gij daarmee zeggen, dat
wij geen boek moeten prijzen, dat bij Bacon uitgegeven is?” vroeg hij;
„of dat wij, al zijn de boeken goed, ze slecht moeten noemen?”
„Beste jonge vriend – denkt gij, dat een welgezind uitgever een
kritisch blad opricht om zijn mededinger te bevoordeelen?” vroeg
Shandon.
„Natuurlijk om zich zelven te bevoordeelen, maar tevens om de waarheid
te spreken,” antwoordde Pen: „ruat coelum, om de waarheid te spreken!”
„En mijn prospectus dan?” vervolgde Shandon met een spottenden lach;
„zoudt gij, wat daarin gezegd is, voor evangelie houden?”
„Met uw verlof, dat is de vraag niet,” zeide Pen, „en ik geloof ook
niet, dat gij sterk op een antwoord aandringt. Ik had wel eenig
gemoedsbezwaar over dat prospectus en heb er met mijn vriend Warrington
over gesproken. Wij kwamen echter daaromtrent overeen,” vervolgde Pen
lachend, „dat, ofschoon het prospectus vrij winderig en dichterlijk
gesteld was en de reus buiten op het uithangbord veel grooter was
geschilderd dan het origineel binnen in de tent, ons die kleine
onnauwkeurigheid niet behoefden aan te trekken, maar ons deel in de
vertooning konden spelen zonder onze eer te verbeuren of er
gewetenswroeging bij op te doen. Wij zijn de vedelaars en spelen onze
deuntjes; maar gij zijt de spelleman.”
„En de aanvoerder van de karavaan,” zeide Shandon. „Nu, het doet mij in
ieder geval pleizier, dat uw geweten u de vrijheid geeft, voor ons te
spelen.”
„Ja maar,” zeide Pen, vervuld met de waardigheid zijner positie, „wij
zijn in Engeland allemaal partijmannen, en ik zal, als Brit, aan mijne
partij getrouw blijven. Ik zal de onzen zoo zacht mogelijk behandelen,
want men behoeft zijne eigen glazen niet in te smijten, en den vijand
zoo hard raken als gij verkiest, kapitein, maar met eerlijke wapenen.
Ik geloof, dat men niet altijd de volle waarheid kan vertellen; maar
men kan zorgen niets te vertellen dan de waarheid; en ik zou liever
honger lijden, bij den hemel, en nooit een duit meer met mijne pen
verdienen,” (Pen zwaaide dat geduchte wapen nu sinds zes weken en sprak
er met de grootste geestdrift en eerbied van) „dan een tegenstander op
verraderlijke wijze te treffen of hem, indien ik hem eene plaats moest
aanwijzen, lager te stellen dan hij verdiende.”
„Nu, mijnheer Pendennis, als wij Bacon willen verbrijzelen, zullen wij
een anderen hamer moeten zoeken,” zeide Shandon met onverstoorbare
goede luim, terwijl hij zeer waarschijnlijk bij zich zelven dacht:
„Over eenige jaren zal de jonge heer zoo moeielijk niet meer zijn.” De
oude aanvoerder zelf kende zulke gemoedsbezwaren niet meer. Hij had
sinds jaren aan zooveel verschillende zijden gevochten en gemoord, dat
zijn geweten niet meer sprak. „Wel, wel, wat hebt gij een fijngevoelig
geweten, mijnheer Pendennis,” riep hij uit. „Het is de schat van alle
nieuwelingen, en ik geloof dat ik eens zelf er ook een gehad heb; maar
die soort van waan verdwijnt, als men in de wereld komt, en ik zal de
moeite niet doen om een kunstmatig vernis over mij heen te leggen,
zooals onze vrome vriend Wenham, of die Wagg, dat toonbeeld van deugd.”
„Ik weet niet, kapitein, of de schijnheiligheid van sommigen niet nog
beter is dan de schaamteloosheid van anderen.”
„Het is in ieder geval voordeeliger,” zeide de kapitein, op de nagels
bijtende. „Die Wenham is zoo’n domme kwakzalver als ooit zijne kunsten
vertoond heeft, en echter ziet ge in welk een fraai rijtuig hij naar
zijne diners rijdt. Te drommel, het zal lang duren eer mevrouw Shandon
in haar eigen rijtuig rijdt. God sta het arme schepseltje bij!” En na
deze kleine woordenwisseling en samenspraak verliet Pen zijn chef en
trok zijne eigen moraal uit de beschouwingen van den kapitein. „Daar
hebben wij nu een man,” dacht hij, „toegerust met genie, geest,
geleerdheid en andere gelukkige natuurlijke begaafdheden; en zie nu hoe
hij die verwoest heeft door zijne eer te verkoopen en de achting voor
zich zelven te verspelen. Pas op u zelven, Pen! gij zijt al verwaand
genoeg! Wilt gij uwe eer voor een appel en een ei verkoopen? Neen, met
Gods hulp zullen wij, wat er gebeure, eerlijk blijven en zal onze mond,
als die zich opent, niets dan de waarheid spreken.”
Er was voor mijnheer Pen eene straf of ten minste eene beproeving in
aantocht. Uit het eerstvolgende nommer van de Pall Mall Gazette las
Warrington, gierende van het lachen, een artikel voor, dat onzen vriend
Arthur, die juist zelf aan eene recensie voor het volgende weeknommer
van dat blad zat te werken, in het geheel geen pleizier deed, want het
Lente-jaarboek werd daarin door een onbekend schrijver vreeselijk
gehavend. En geen der medewerkers van het jaarboek kwam er slechter af
dan juist Pen. Zijne verzen waren niet met zijn eigen naam, maar onder
een verdichten naam in het Lente-jaarboek verschenen. Hij had het werk
zelf niet willen recenseeren, waarop Shandon het aan Bludyer gegeven
had, met aanbeveling om het kort en klein te slaan. En dit had de ander
ook trouw gedaan. Bludyer, die geene geringe talenten bezat en tot een
ras van dagbladschrijvers behoorde, hetwelk, naar ik geloof,
tegenwoordig geheel uitgestorven is, bezat onder zijne beroepsgenooten
een zekeren naam, wegens zijn toomeloozen humor. Hij vernielde en
vertrapte de arme lentebloemen met even weinig barmhartigheid als een
os in een bloembed dat doet; en toen hij dat deeltje naar hartelust had
vermorzeld, verkocht hij het aan een boekenstalletje en onthaalde zich
voor de opbrengst op eene flesch cognac.