Op den bepaalden dag vervoegden onze beide vrienden zich aan de deur
van mijnheer Bungay in Paternoster Row, niet de publieke toegang waar
de boekverkoopersjongens uitkwamen met zakken vol boeken, die Bungay
uitgegeven had, en waar bedeesde, pas beginnende letterkundigen met
hunne maagdelijke handschriften rondzwierven, die zij gaarne aan den
sultan Bungay wilden verkoopen; maar de afzonderlijke deur van het
woonhuis, waaruit de prachtig gekleede mevrouw Bungay te voorschijn
kwam om in haar rijtuigje te stappen en een ritje te doen, waarbij zij
zich op de kussens neervlijde en uitdagende blikken naar de vensters
van mevrouw Bacon aan den overkant wierp – van mevrouw Bacon, die tot
nog toe eene vrouw zonder rijtuig was.
Bij zulke gelegenheden en wanneer mevrouw Bacon meer dan gewoonlijk
verontwaardigd was over het prachtvertoon van hare schoonzuster, schoof
zij het raam harer huiskamer op en keek met hare vier kinderen naar het
rijtuig, alsof zij zeggen wilde: „Kijk die vier engeltjes eens aan,
Betsi Bungay! Dit is de reden waarom ik geen rijtuig kan houden; maar
gij zoudt eene koets met vier paarden willen missen, om hetzelfde te
kunnen zeggen.” En met deze pijlen uit haar koker schoot Emma Bacon
Betsi Bungay dood, als zij wangunstig en kinderloos in haar zegewagen
zat.
Toen Pen en Warrington aan Bungay’s deur kwamen, hielden eene koets en
eene vigilante bij Bacon stil. Uit de koets steeg Dr. Slocum heel
langzaam; zijne equipage was even zwaar als zijn omgang met hem saai
was, doch beiden maakten een allerweldadigsten indruk op de uitgevers
in de Row. Uit de vigilante kwamen twee blinkende witte vesten te
voorschijn.
Warrington moest lachen. „Ge ziet,” zeide hij, „dat Bacon ook een diner
geeft. Dat is Dr. Slocum, de schrijver der Gedenkschriften van de
vergifmengers. Men zou onzen vriend Hoolan bijna niet herkennen met dat
prachtige witte vest. Doolan echter behoort tot de volgelingen van
Bungay, en waarlijk, daar komt hij.” De heeren Hoolan en Doolan waren
in ééne vigilante uit het Strand gekomen en hadden onderweg kruis of
munt geraden wie den shilling betalen zou. Doolan stapte van de andere
zijde der straat over; hij was in het zwart uitgedost en had een paar
groote witte handschoenen, die hij onwillekeurig met genoegen bekeek,
over zijne handen uitgebreid.
De huisportier in avondcostuum en heeren met handschoenen, zoo groot
als die van Doolan, maar van het vermaarde Berlijnsche garenfabricaat,
stonden in den gang bij Bungay, om de hoeden en overjassen der gasten
aan te nemen en hunne namen de trap op te schreeuwen. Er waren reeds
eenige gasten aanwezig toen de drie laatstgekomenen binnentraden; maar
het schoone geslacht was nog alleen vertegenwoordigd door mevrouw
Bungay, in rood satijn en met eene toque op het hoofd. Zij maakte eene
neiging voor elken genoodigde, die de gezelschapskamer binnenkwam, maar
haar geest werd blijkbaar door andere gedachten bezig gehouden. Het was
mevrouw Bacon’s diner, dat hare kalmte verstoorde, en zoodra zij iemand
van hare eigen gasten ontvangen had, vloog zij naar het venster terug,
van waar zij de rijtuigen van Emma Bacon’s vrienden kon opnemen, die
door de Row kwamen aanrollen. Het gezicht van Dr. Slocum’s groote
koets, met de magere huurpaarden, sloeg Betsi Bungay geheel ter neer,
want er hadden dien dag nog niets anders dan huurrijtuigen voor hare
eigene deur stilgehouden.
Al de aanwezigen waren letterkundigen, ofschoon vooralsnog onbekend aan
Pen. Daar was mijnheer Bole, de eigenlijke redacteur van het magazijn,
waarvan Wagg in naam de bestuurder was: mijnheer Trotter, die
aanvankelijk als een dichter van tragisch allooi, niet vrij van
overhelling tot zelfmoord, voor het oog der wereld was opgetreden, maar
nu in een van Bungay’s achterkamers ondergegaan was als corrector van
dien heer; en kapitein Sumph, een voormalig modepop, die nog altijd in
de wereld verkeerde en in eene eenigszins duistere betrekking tot de
letterkunde en den adel stond. Men zeide, dat hij eenmaal een boek had
geschreven, dat hij een vriend van Lord Byron was geweest, dat hij
familie was van Lord Sumphington. Anekdotes betreffende Byron waren bij
hem dan ook schering en inslag, en zelden deed hij den mond open, of de
naam van dien dichter of van sommige zijner tijdgenooten kwam er uit,
bijv.: „Ik herinner mij, dat de arme Shelley op school eene goede
aanteekening kreeg voor verzen, waarvan ik, voor den drommel, elken
regel geschreven had;” of: „Ik herinner mij dat ik, toen ik met Byron
te Missolonghi was, op Gamba wilde wedden,” en meer van dien aard. Pen
merkte op, dat mevrouw Bungay met groote oplettendheid naar dezen heer
luisterde; zijne anekdotes van de aristocratie, waarvan hij een lid
was, bekoorden de uitgeversvrouw, en hij was in haar oog bijna een nog
grooter man dan de groote mijnheer Wagg zelf. Ware hij maar met eigen
rijtuig gekomen, mevrouw zou Bungay genoodzaakt hebben, elk werk van
zijne pen, onverschillig over welk onderwerp, te koopen.
Mijnheer Bungay ging bij zijne gasten rond naarmate zij aankwamen en
nam de honneurs van zijn huis met de grootste hartelijkheid waar. „Hoe
vaart ge, mijnheer? Mooie dag, mijnheer? Verheugd u te zien, mijnheer!
Betsi, mijne waardste, laat ik de eer hebben mijnheer Warrington aan u
voor te stellen. Mijnheer Warrington, mevrouw Bungay; mijnheer
Pendennis, mevrouw Bungay. Hoop dat ge goeden eetlust hebt, heeren. Gij
hebt dat zéker, Doolan, want gij hebt altijd eene drommels goede maag
gehad.”
„Heere, Bungay!” riep mevrouw Bungay uit.
„Nu, Bungay, die hier niet smakelijk eet, is moeielijk tevreden te
stellen,” antwoordde Doolan met een knipoogje, en sloeg met de groote
handschoenen op zijn mager been; terwijl hij te gelijker tijd eene
vriendschappelijke toenadering tot mevrouw Bungay beproefde, welke die
brave dame met verachting afwees. „Zij kon dien Doolan niet uitstaan,”
verklaarde zij in vertrouwen aan hare bekenden, en al zijne vleiende
pogingen om hare gunst te winnen, waren dan ook vruchteloos.
Onder die gesprekken kreeg mevrouw Bungay, die uit haar venster den
blik over het menschdom liet gaan, een heerlijk visioen van een
reusachtigen schimmel in het oog, dat met snelheid naderde. Achter het
paard werden een paar witte leisels zichtbaar, door kleine witte
handschoenen vastgehouden. Een gelaat, dat bleek, doch met een haarbos
aan de kin rijk versierd was, het hoofd van een dwergachtig knechtje,
dat boven de cab uitkeek, – deze heerlijke dingen openbaarden zich aan
de verrukte mevrouw Bungay. „Nu, ik moet zeggen, dat mijnheer Percy
Popjoy stipt op zijn tijd is,” riep zij uit en zweefde naar de deur om
den jongen edelman af te wachten.
„Het is Percy Popjoy, zeide Pen, toen hij uit het venster keek en een
heer met blinkende verlakte laarzen uit de heen en weer zwaaiende cab
zag stijgen; en het was inderdaad die jeugdige spruit van den adel –
Lord Falconet’s oudste zoon, zooals wij allen best weten – die gekomen
was, om met zijn uitgever, zijn uitgever in de Row, te dineeren.
„Op de school te Eton stond hij onder mij,” zeide Warrington; „ik had
hem een beetje meer moeten afrossen.” Percy en Pen hadden eenige
discussiën gehad in de debatteerclub te Oxbridge, waarvan de
laatstgenoemde altijd verreweg het best was afgekomen. Percy kwam nu
binnen met zijn hoed onder den arm en met een onbeschrijfelijken blik
van zelfbehagen en onnoozelheid op zijn rond gelaat, met kuiltjes in de
wangen, een gelaat, waarop de natuur een baardje onder de kin had doen
ontspruiten, met zooveel inspanning echter, dat zij het overige van
zijn gezicht geheel haarloos had gelaten.
De fungeerende kamerheer galmde uit: „Jonkheer Percy Popjoy,” tot
groote verlegenheid van dien heer, dat hij zich zoo bij zijn titel
hoorde aandienen.
„Waarom wilde die knecht volstrekt mijn hoed wegnemen, Bungay?” vroeg
hij den uitgever. „Ik kan mijn hoed niet missen, – ik heb hem noodig om
mijn compliment aan mevrouw Bungay te maken. Wat ziet ge er vandaag
goed uit, mevrouw. Ik heb uw rijtuig niet in het park gezien; waarom
zijt ge er niet geweest? Ik heb u daar gemist, – wezenlijk, dat is
zoo!”
„Ik geloof, dat gij er eene aardigheid van maakt,” zeide mevrouw
Bungay.
„Aardigheid? Ik heb nog nooit eene aardigheid gezegd in mijn gansch –
Hé, wien zie ik hier? Hoe vaart ge, Pendennis? Hoe maakt ge het,
Warrington? Oude vrienden van mij, mevrouw Bungay. Wel, wel, hoe
drommel komt gij hier?” vroeg hij nogmaals en draaide zijne verlakte
hielen naar mevrouw Bungay toe, die eerbied voor de beide jeugdige
gasten van haar man begon te krijgen, nu zij zag, dat zij op
vertrouwelijken voet met den zoon van een lord stonden.
„Hoe! kennen zij hem?” vroeg zij haastig aan mijnheer B.
„Deftige jongelui, dat verzeker ik je; de jongste is familie van den
geheelen adel,” antwoordde de uitgever, en het echtpaar snelde
glimlachende en buigende voorwaarts om bijna even groote personages als
den jongen lord te verwelkomen; want er werden op dit oogenblik geen
mindere lui dan de groote mijnheer Wenham en de groote mijnheer Wagg
aangediend.
Mijnheer Wenham trad binnen met het stemmige gelaat en den half
onderdrukten glimlach, waarmee hij gewoonlijk naar de punten zijner
nette en kleine, glimmende laarzen, maar zelden naar den persoon, met
wien hij in gesprek was, keek. Het witte vest van Wagg daarentegen was,
als het ware, bestemd om de aandacht te trekken; zijn dik en rood
gezicht, stralende bij de gedachte aan levendige grappen en een goed
diner, schitterde daarboven uit. Hij deed gaarne zijne intrede in een
gezelschap met een lachje en liet even gaarne, als hij des avonds
heenging, eene grap achter, waarover men, na zijn vertrek, kon lachen.
Geen rampen of tegenspoeden (waarvan deze humorist evenzeer zijn deel
had als de menschen, die geen grappen maken) konden zijne vroolijkheid
geheel dempen. Welk verdriet hij hebben mocht, het vooruitzicht op een
goed diner versterkte zijne verheven ziel weer, en zoodra hij een lord
zag, begroette hij hem met eene woordspeling.
Wenham naderde dus mevrouw Bungay met een veelbeteekenenden glimlach en
fluisterde haar iets toe, keek van onderen naar haar op en liet haar de
punten zijner laarzen zien. Wagg verklaarde, dat zij er bekoorlijk
uitzag, en ging daarop recht op den jonkheer los, dien hij kortaf Pop
noemde, en dadelijk op eene grappige historie onthaalde, die, met
hetgeen de Franschen gros sel noemen, gekruid was. Het deed hem
evenzeer genoegen dat hij Pen zag, dien hij de hand schudde en
gemeenzaam op den schouder klopte, want hij was zeer levendig en
opgeruimd. Hij sprak op zeer luiden toon over hunne laatste ontmoeting,
te Baymouth, en vroeg hoe het met hunne vrienden op Clavering Park ging
en of Sir Francis het seizoen niet te Londen kwam doorbrengen, en of
Pen een bezoek bij Lady Rockminster had afgelegd, die in de stad
gekomen was – knappe oude dame, die Lady Rockminster! Dit alles zeide
Wagg niet zoozeer om den wille van Pen, als wel tot stichting van het
gezelschap, dat hij gaarne op de hoogte wilde brengen dat hij bezoeken
op de buiterplaatsen van voorname lui aflegde en op een gemeenzamen
voet met den adel stond.
Ook Wenham drukte onzen jongen vriend de hand – al hetgeen mevrouw
Bungay met eerbied en genoegen opmerkte, zoodat zij later haar gevoelen
over den invloed van mijnheer Pendennis aan Bungay te kennen gaf – een
gevoelen, waarvan Pen meer voordeel trok dan hij vermoedde.
Pen, die eenige der werken van jufvrouw Bunion gelezen en zelfs
bewonderd had (en iemand in haar dacht te vinden, eenigszins
beantwoordende aan de beschrijving, die zij van zich zelve gegeven had
in de Passiebloem, volgens welke zij in hare jeugd was:
Een bloempje, dat zijn blaeren
Voor stormwind tracht te sparen,
Een schuchtre hinde, in schaûw der linde,
Die vrijwaart voor gevaren,
en wier rijpere schoonheid zeker wel eenigszins verschillen zou van de
ongekunstelde lieftalligheid harer eerste jeugd, maar die toch nog in
de hoogste mate bekoorlijk en wegslepend zou wezen), zag, tot zijne
verbazing en vermaak, eene groote en beenderige vrouw in eene satijnen
japon voor zich, die met een stap als een grenadier op krakende
schoenen de kamer binnenkwam. Wagg zag dadelijk, dat zij aan den
gekreukten zoom van haar kleed een stroohalmpje binnenbracht, en zou
zich gebukt hebben om het op te rapen; maar jufvrouw Bunion ontwapende
de kritiek door dit sieraad zelve op te merken; zij zette er een harer
groote voeten op, waardoor zij het van hare japon losmaakte, en bukte
toen om het op te nemen, waarbij zij tegen mevrouw Bungay zeide, dat
het haar speet, dat zij wat laat kwam omdat de omnibus zeer langzaam
ging, maar dat het toch een groot geluk was, dat men dien ganschen
langen weg van Brompton voor zes stuivers kon rijden. Niemand lachte om
deze ontboezeming der dichteres, daar zij er zoo eenvoudig mee voor den
dag kwam. De achtenswaardige dame dacht aan geen schaamte over eene
handeling, die het gevolg was van hare bekrompen omstandigheden.
„Is dat de Passiebloem?” vroeg Pen aan Wenham, naast wien hij stond.
„Op haar portret in het boek is zij eene jonge vrouw, die er zeer goed
uitziet.”
„Ge weet, dat passiebloemen, evenals alle andere, op den duur
verwelken,” zeide Wenham; „jufvrouw Bunion’s portret is waarschijnlijk
een aantal jaren geleden geschilderd.”
„Het neemt mij voor haar in, dat zij zich over hare armoede niet
schaamt.”
„Mij ook,” antwoordde Wenham, die liever broodsgebrek zou geleden
hebben dan met een omnibus naar een diner te rijden; „maar ik geloof
niet, dat zij dat strootje zoo behoefde heen en weer te zwaaien, – gij
wel, mijnheer Pendennis? Waarde jufvrouw Bunion, hoe vaart ge? Ik was
van morgen bij eene voorname dame, waar iedereen met uw laatste werk
dweepte. Dat vers op den doop van Lady Fanny Fantail perste der
hertogin tranen uit de oogen. Ik zeide, dat ik het genoegen dacht te
hebben u heden te zien, waarop zij mij verzocht u haar dank te betuigen
en u te zeggen, dat het haar een overgroot genoegen had gedaan.”
Deze op natuurlijken toon en met een glimlachend gelaat verhaalde
geschiedenis van eene hertogin, die Wenham pas dien zelfden morgen
gesproken had, sloeg de douairière en den baronet van den armen Wagg
geheel uit het veld en plaatste Wenham, als man van de groote wereld,
boven Wagg. Wenham zorgde dit onschatbaar voordeel te behouden, en daar
hij nu het woord geheel alleen had, liep hij van stapel met een aantal
anekdotes betreffende de aristocratie. Hij trachtte Popjoy in het
gesprek te trekken door het woord op deze of dergelijke wijze tot hem
te richten: „Ik zeide nog heden morgen tegen uw vader,” of: „Ik geloof
dat gij onlangs er bij waart, op die partij toen de hertog dit en dat
zeide;” doch mijnheer Popjoy wilde hem zijn zin niet geven door aan het
gesprek deel te nemen, maar voegde zich liever bij mevrouw Bungay aan
het boogvenster, om naar de rijtuigen te kijken, die voor de deur aan
den overkant stilhielden. Zoo hij niet wilde spreken, hoopte de
gastvrouw ten minste, dat die akelige Bacon’s het zien zouden, dat zij
zoo’n groot heer als Percy Popjoy op hare partij had weten te krijgen.
De klok der St.-Paulskerk verkondigde, dat het een half uur later was
dan het uur, waarop mijnheer Bungay zijne gasten genoodigd had, en het
gezelschap was nu voltallig, op twee personen na, die eindelijk voor
den dag kwamen en waarin Pen met genoegen kapitein Shandon en diens
vrouw herkende.
Toen beiden aan den heer en de vrouw des huizes hun compliment gemaakt
en meer of minder hartelijke groeten met de meesten der aanwezigen
gewisseld hadden, gingen Pen en Warrington naar hen toe en drukten met
warmte de hand van mevrouw Shandon, die eenigszins ontroerd was bij de
ontmoeting en de gedachte waar zij hem slechts weinige dagen te voren
gezien had. Shandon was zoo netjes mogelijk gekleed en zag er zeer goed
uit, met een rood fluweelen vest en een jabot, waarin zijne vrouw hare
mooiste speld gestoken had. In weerwil van mevrouw Bungay’s
voorkomendheid, of misschien juist ten gevolge daarvan, was mevrouw
Shandon zeer onthutst en bedeesd toen zij haar naderen moest. Mevrouw
Bungay was dan ook ontzagwekkender dan ooit met haar rood satijnen
kleed en den paradijsvogel op haar hoofd, en eerst toen zij met hare
zware stem naar het lieve meisje gevraagd had, kreeg mevrouw Shandon
weer wat moed en waagde zij het te spreken.
„Eene knappe vrouw,” fluisterde Popjoy tegen Warrington, „Stel mij aan
kapitein Shandon voor, Warrington. Ik heb gehoord, dat hij een
verbazend knappe kerel is, en zoo waar ik leef, ik aanbid al wat door
verstand uitmunt!” En dit was de waarheid: de hemel had den heer Popjoy
zelven niet met veel verstand toegerust, maar hem de gelukkige
vatbaarheid geschonken om het verstand van anderen, zoo niet te
begrijpen, althans te bewonderen. „En stel mij insgelijks aan jufvrouw
Bunion voor. Ik heb gehoord, dat die ook heel knap is. Zij ziet er
zeker wel wat wonderlijk uit, maar dat doet er niet toe. Wat drommel;
ik beschouw mij zelven als een letterkundige en wensch daarom alle
menschen van talent te kennen.” Aldus hadden de heeren Popjoy en
Shandon het genoegen kennis met elkaar te maken. En thans werden de
deuren der belendende eetzaal opengeworpen, waar de gasten binnentraden
en hunne plaatsen aan tafel innamen. Pen had aan den éénen kant
jufvrouw Bunion, en Wagg aan den anderen kant, want Wagg was met schrik
de ledige plaats naast de dichteres ontvlucht, zoodat Pen zich
genoodzaakt zag die te bezetten.
Het hoogbegaafde wezen sprak gedurende het diner niet veel, maar Pen
merkte op, dat zij met den grootsten smaak at en nooit voor den wijn
bedankte, dien de knecht haar aanbood. Nadat jufvrouw Bunion onzen
vriend Pen, die eene voorname houding aannam en uiterst prachtig
gekleed en versierd was met zijne mooiste kettingen, hemdknoopjes en
linnengoed, een oogenblik had bekeken, beschouwde zij hem – en niet
zonder reden – als een kwast, zoodat zij het beter achtte zich met haar
eten te bemoeien, dan eenige notitie van hem te nemen. In later tijd
vertelde zij hem dit, met hare gewone openhartigheid, zelve. „Ik hield
u voor een dier fatjes uit de groote wereld,” bekende zij aan Pen. „Gij
keekt zoo deftig als een kleine lijkbidder; en daar ik aan dien
akeligen vent aan den anderen kant een vreeselijken hekel had, begreep
ik, dat het beste was maar door te eten en te zwijgen.”
„En dat hebt gij allebei uitmuntend gedaan, beste jufvrouw Bunion,” gaf
Pen lachend ten antwoord.
„Dat is ook zoo, maar eene volgende maal zal ik heel veel met u
spreken; want gij zijt niet zoo deftig of dom, of ingebeeld als gij er
uitziet.”
„Nu, jufvrouw Bunion, ik snak naar die „volgende maal,”” zeide Pen met
lachende galanterie. Maar wij moeten nu tot den dag van heden en het
diner in Paternoster Row terugkeeren.
De maaltijd was van den uitgezochtsten aard: „in den bloemrijken
Gothischen stijl, zou ik het noemen,” fluisterde Wagg met zachte stem
tegen Pen, die naast den humorist zat. De mannen met krakende laarzen
en garen handschoenen waren talrijk en deftig, en voerden afgebroken
gesprekken achter den rug der gasten, terwijl zij met de gerechten heen
en weer liepen. Doolan, die er een iets wilde vragen, riep: „Jan!” en
bloosde bij de gedachte hoe erg hij zich vergist had. Het knechtje van
mevrouw Bungay was verloren onder al die statige en zwartgerokte
knechts.
„Let eens op dien vreeselijk dikken kerel,” zeide Wagg. „Dat is een
lijkbidder uit Amen Corner, die begrafenissen en diners waarneemt. Hij
zorgt voor warm en koud vleesch, begrijpt ge? Hij speelt hier voor
keldermeester, en ik verzeker u, waarde heer Pendennis, zooals gij in
uw leven ook zult ondervinden, dat, wanneer men bij een Londensch diner
een nagemaakten keldermeester ziet, men ook nagemaakten wijn te drinken
krijgt. Wat een bocht van sherry! – Zeg eens, Bungay, vriend, waar hebt
gij deze heerlijke sherry vandaan gekregen?
„Het doet mij pleizier, dat ze u bevalt, mijnheer Wagg. Mag ik een glas
met u drinken?” zeide de uitgever, „ik heb een partijtje uit den kelder
van alderman Benning gekregen, en ik kan u verzekeren, dat ik er een
goeden prijs voor betaald heb. Mijnheer Pendennis, doet gij mede? Op
uwe gezondheid, heeren!”
„Die ouwe guit! denkt hij ons beet te hebben? Zijne sherry komt
rechtstreeks uit de herberg,” zeide Wagg. „Zij is zoo buitengewoon
koppig, dat men twee man noodig heeft om een paar glazen daarvan weg te
dragen! Ik wou, Pendennis, dat ik hier eene flesch van den wijn van den
ouden Steyne had; ik heb er met uw oom menige geledigd. Hij zendt dien
wijn naar de menschen, waar hij gaat dineeren. Ik herinner mij nog, dat
bij den armen Rawdon Crawley, den broeder van Sir Pitt Crawley –
gouverneur van het Coventry-eiland Steynes’ chef altijd ’s morgens kwam
en de keldermeester hem volgde met de champagne van Gaunt House, die
reeds in het ijs stond.”
„Wat is dat lekker!” zeide Popjoy goedaardig. „Gij moet een cordon bleu
in uwe keuken hebben.”
„Ja zeker,” antwoordde mevrouw Bungay, die hoogst waarschijnlijk in het
denkbeeld verkeerde, dat hij van een braadspit sprak.
„Ik meen een Franschen kok,” zeide de wellevende gast.
„O ja, mylord,” hernam de gastvrouw van haar kant.
„Zegt uw artiste, dat hij een Franschman is, mevrouw?” riep Wagg.
„Dat weet ik niet!” antwoordde de vrouw van den uitgever.
„Als hij het zegt, dan is hij een farceur,” galmde mijnheer Wagg uit;
maar niemand vatte de aardigheid, hetgeen den grappenmaker eenigszins
in verlegenheid bracht. „Het diner is van Griggs op het plein der
St.-Paulskerk; dat van Bacon ook,” fluisterde hij Pen toe. „Bungay
schrijft, dat hij een daalder per couvert méér geeft, – en dat doet
Bacon ook. Zij zouden elkanders ijs vergiftigen, als zij er bij konden
komen. En wat de gemaakte schotels betreft, die zijn niets anders dan
vergif. Deze – hm – ha – deze brimborion à la Sévigné is uitmuntend,
mevrouw,” zeide hij, zich van een gerecht bedienende, dat de lijkbidder
hem aanbood.
„Het doet mij genoegen dat het u smaakt,” antwoordde mevrouw Bungay
rood wordende, daar zij niet wist of het gerecht zoo heette als Wagg
het noemde, maar een duister vermoeden had, dat die heer den draak met
haar stak. Bij gevolg begon zij mijnheer Wagg met vrouwelijke
hartstochtelijkheid te haten, en zij zou hem van het kommando over
Bungay’s tijdschrift ontzet hebben, indien zijn naam niet zoo beroemd
ware geweest onder de boekhandelaars en zijne reputatie niet zoo groot
in den lande.
Door de verschikking der gasten was Warrington aan de rechterhand van
mevrouw Shandon gekomen, die in een eenvoudig zwart zijden kleedje, met
verkleurde sieraden naast den welgedanen uitgever zat. De weemoedige
glimlach der dame bewoog zijn niet licht te verteederen hart tot
medelijden. Niemand trok zich harer aan en zij zat naar haar man heen
te zien, die zelfs eenige verlegenheid scheen te gevoelen tegenover
sommige leden van het gezelschap. Wenham en Wagg kenden hem en zijne
omstandigheden. Hij had met dezen laatste gewerkt en stond verre boven
hem in geest, genie en kunde; maar Wagg schitterde als eene ster in de
wereld en de arme Shandon was daar onbekend. Hij kon, onder het
luidruchtig geschreeuw van dien minder beschaafden maar meer
voorspoedigen man, niet aan het woord komen en dronk dus in stilte zijn
wijn – zooveel wijn als men hem geven wilde; want hij stond onder
toezicht. Bungay had den lijkbidder gelast, het glas van den kapitein
niet te dikwijls te vullen en niet te vol te schenken. Het was eene
treurige voorzorg, en des te treuriger omdat ze noodzakelijk was. Ook
mevrouw Shandon wierp over de tafel heen onrustige blikken op hem, om
zich te vergewissen, dat hij de palen niet te buiten ging.
Daar Wagg door het mislukken zijner eerste aardigheid uit het veld
geslagen was, want hij was onbeschaamd en toch nog spoedig van zijn
stuk gebracht, beperkte hij zijne conversatie gedurende het overige van
het diner meerendeels tot Pen en sprak natuurlijk hoofdzakelijk over
hunne buren. „Dit is een van Bungay’s groote revues,” zeide hij. „Wij
allen hier zijn Bungavianen. Hebt ge Popjoy’s roman gelezen? Het was
een oud verhaal, dat de arme Buzzard jaren geleden in een tijdschrift
had geschreven, en dat geheel vergeten was, totdat Trotter (die dáár
met dat groote halsboord is Trotter) het opvischte en op de gedachte
kwam, dat het op de jongste schaking toepasselijk kon gemaakt worden.
Bob schreef dus eenige hoofdstukken, die daarop betrekking hadden,
Popjoy vergunde hem het gebruik van zijn naam en voegde er misschien
hier en daar eene bladzijde bij, – en zoo verscheen de Verdwijning, of
de Vlucht der hertogin. Het aardigste is, Popjoy naar zijn werk te
vragen, want hij weet er geen woord van, – Zeg eens, Popjoy, wat is dat
een heerlijk tooneel in het derde deel, waar de vermomde kardinaal,
nadat de bisschop van Londen hem bekeerd heeft, de dochter der hertogin
ten huwelijk vraagt.”
„Ik ben blij, dat gij het mooi vindt,” antwoordde Popjoy; „ik beschouw
het ook als een mijner beste bladzijden.”
„Er staat geen woord van in het heele boek,” fluisterde Wagg Pen toe.
„Ik heb het zelf uitgevonden. Nu, het zou geen slecht onderwerp voor
een roman op kerkelijk gebied zijn.”
„Ik herinner mij, dat de arme Byron, Hobhouse, Trelawny en ik bij
kardinaal Mezzocaldo te Rome dineerden,” begon kapitein Sumph, „en wij
kregen Orvieto wijn aan tafel, waarvan Byron veel hield. Ik herinner
mij nog hoe de kardinaal zich beklaagde, dat hij ongetrouwd was. Twee
dagen later vertrokken wij naar Civita Vecchia, waar het jacht van
Byron lag, – en, waarlijk, de kardinaal stierf binnen drie weken, en
Byron was er zeer bedroefd over, want hij hield veel van hem.”
„Waarachtig! eene verduiveld boeiende geschiedenis,” zeide Wagg.
„Gij moest eenige van die verhalen in het licht geven, kapitein Sumph,”
zeide Shandon, „wezenlijk, dat moest gij doen! Zulk een bundel zou
onzen vriend Bungay rijk maken.”
„Waarom verzoekt gij Sumph niet, ze in uw nieuw blad – de – Hoe heet
het ook? – te plaatsen, Shandon?” galmde Wagg uit.
„Waarom vraagt gij hem niet, ze af te staan voor uw oud magazijn, het
Wissewasje?” riep Shandon terug.
„Komt er een nieuw blad uit?” vroeg Wenham, die het heel goed wist,
maar zich over de betrekking, waarin hij tot de drukpers stond,
schaamde.
„Gaat Bungay een blad uitgeven?” riep Popjoy uit, die integendeel
trotsch was op zijn letterkundigen naam en zijne bekendheid met
letterkundigen. „Gij moet er mij ook bij gebruiken. Mevrouw Bungay, doe
een goed woordje voor mij, dat hij mij gebruike! Wat moet het wezen:
proza of verzen? Novellen, gedichten, reisbeschrijvingen,
hoofdartikelen, wat ge maar wilt. Als Bungay maar betaalt, dan ben ik
tot zijne orders, – dat ben ik, lieve mevrouw Bungay, wezenlijk.”
„Het zal Keukenpraatjes heeten,” bromde Wagg, „en de kleine Popjoy
wordt belast met de rubriek Allerlei voor de jeugd.”
„Het zal de Pall Mall Gazette heeten, mijnheer, en het zal ons veel
genoegen doen, als gij tot de medewerkers wilt behooren,” zeide
Shandon.
„Pall Mall Gazette! Waarom Pall Mall Gazette?” vroeg Wagg.
„Omdat de redacteur te Dublin is geboren en de onderredacteur te Cork,
omdat de eigenaar in Paternoster Row woont en het blad in Catherine
Street, in het Strand, gedrukt zal worden. Vindt ge die redenen niet
voldoende, Wagg?” zeide Shandon, die boos begon te worden. „Elke zaak
moet een naam hebben. Mijn hond Ponto heeft ook een naam. Gij hebt ook
een naam, en eene faam, die gij in meerdere of mindere mate verdient.
Waarom maakt gij aanmerking op den naam van ons blad?”
„Elke andere naam zou evengoed zijn,” hernam Wagg.
„In ieder geval verzoek ik u, in gedachte te houden, dat het blad niet
Hoe heet het ook genaamd is, mijnheer Wagg,” zeide Shandon. „Gij kent
zijn naam zeer goed en – den mijnen ook.”
„En uw adres evenzeer,” zeide Wagg, maar op gedempten toon, en de
goedhartige Ier was bijna oogenblikkelijk na de ontboezeming zijner
drift weer kalm en noodigde Wagg met vriendelijke stem uit, een glas
wijn met hem te drinken.
Toen de dames de tafel verlaten hadden, werd het gesprek nog
luidruchtiger, en een oogenblik later stelde Wenham in eene beleefde
rede voor, dat men op het welslagen van het nieuwe blad zou drinken,
waarbij hij met hoogen lof over den geest en de geleerdheid van den
redacteur, kapitein Shandon, uitweidde. Hij had tot stelregel zich
nooit een dagbladschrijver tot vijand te maken, en in den loop van den
avond deed hij de ronde en vereerde hij elk letterkundige met een
opzettelijk voor hem bestemd compliment; den een verklaarde hij, dat
zijn laatste artikel een diepen indruk op den minister van
buitenlandsche zaken had gemaakt, en den ander vertelde hij, hoe
opgetogen zijn boezemvriend, de hertog van Dit en Dat, was geweest over
het talent, dat uit de laatste nommers van het tijdschrift sprak.
De partij liep af, en in weerwil van al de genomen voorzorgen stond de
arme Shandon onvast op zijne beenen, en keerde hij naar zijne nieuwe
woning terug met zijne trouwe gade aan zijne zijde, terwijl de koetsier
om hem lachte. Wenham had een eigen rijtuig, waarmee hij Popjoy thuis
bracht; en toen de „schuchtere” jufvrouw Bunion zag, dat mijnheer Wagg,
die dicht in hare nabijheid woonde, zich gereedmaakte om te vertrekken,
vroeg zij hem eene plaats in zijn rijtuig, tot groote spijt van dien
heer.
Pen en Warrington wandelden in den maneschijn naar huis. „En zeg mij nu
eens,” zeide Warrington, „nu gij de letterkundigen van nabij gezien
hebt, of ik ongelijk had toen ik zeide, dat deze stad duizenden
menschen bevat, die geen boeken schrijven en echter even knap en
geestig zijn als de personen, die het wèl doen?”
Pen moest bekennen, dat de letterkundige personages, waarmee hij kennis
had gemaakt, in den loop van den avond niet veel hadden gezegd, dat het
onthouden waard was. Eigenlijk was er gedurende de geheele partij geen
woord over letterkunde gesproken; en, onder de roos, willen wij aan die
oningewijden, die gaarne de levenswijze der letterkundigen en die
heeren zelven zouden willen kennen, wel toevertrouwen, dat er geen
lieden bestaan, die zoo weinig over boeken spreken, of ze misschien
lezen, als juist de letterkundigen.