Opgetogen bij het denkbeeld, dat hij nu het leven zou zien, bezocht Pen
honderderlei zonderlinge plaatsen te Londen. Hij maakte zich gaarne
diets, dat hij met allerlei soort van menschen omging. Hij zag dus
kolendragers in hunne herbergen; boksers in hunne gelagkamers; eerzame
burgers, die een uitstapje in de buitenwijken of op de rivier deden.
Hij had zelfs wel kennis willen maken met beroemde zakkenrollers of
eene kan bier willen drinken met dieven, als het toeval hem geholpen
had om kennis met deze standen der maatschappij te maken. Het was
aardig te zien, met hoeveel ernst Warrington naar den „lieveling van
Tutbury” of den „weergaloozen bokser van Brighton” in de Champion’s
Arms luisterde; of welke belangstelling hij aan den dag legde voor het
gilde der kolendragers, dat in den „Vos in het hol” vergaderde. Hij
bezat eene verbazende kennis van de herbergen der hoofdstad en de
bezoekers harer gelagkamers. Hij was persoonlijk bevriend met de
kasteleins en de kasteleinessen en even welkom aan het buffet als in de
gelagkamer. Hij hield, naar hij zeide, meer van dien omgang dan van
dien met menschen uit zijn eigen stand, wier manieren hem ergerden,
terwijl hun onderhoud hem verveelde. „In den gezelligen omgang,” placht
hij te zeggen, „gelijkt de een op den ander, en draagt dezelfde
kleeren, eet en drinkt op dezelfde wijze en zegt dezelfde dingen. De
eene jonge dandy in de club spreekt en doet zich voor juist als de
andere; de eene jonge dame gelijkt volkomen op de andere. Hier vindt
men daarentegen kenmerkende eigenschappen. Ik praat gaarne met den
sterksten man van Engeland, of met den man, die in gansch Engeland het
meeste bier kan drinken, of met dien vervaarlijken republikein van een
hoedenmaker, die Thistlewood den grootsten man in de geschiedenis
vindt. Ik geef aan jenevergrog de voorkeur boven wijn, houd meer van
een met zand bestrooiden vloer op Carnaby Market, dan van een
gepolitoerden in Mayfair. Kortom, ik wil het gaarne bekennen: ik houd
van ploerten!” Inderdaad was deze gentleman dan ook een republikein op
maatschappelijk gebied; en als hij met Klaas en Piet praatte, kwam het
niet bij hem op, dat hij hun meerdere was, ofschoon de eerbied, welken
zij hem betoonden, hem misschien wel heimelijk streelde.
Pen volgde hem dus met groot genoegen en zeer getrouw naar al die
verschillende plaatsen. Maar hij was veel jonger en, bijgevolg,
aanmerkelijk voornamer en deftiger dan Warrington; hij deed zich voor
als een vermomde jonge prins, die de armen van zijn vaders rijk
bezoekt. En deze eerbiedigden hem als een jonkman van aanzien, een
aardigen kerel, een eersten „piet.” Hij had zekere hooghartige
welwillendheid over zich, eene flinke rondheid en majesteit, ofschoon
hij niets anders dan de vermoedelijke erfgenaam was van een paar
dubbeltjes en de zoon van een likkepot. Als wij in zulk een toestand
geplaatst worden, schikken wij er ons vrij gemakkelijk in, en zijn wij
altijd bereid eene meerderheid aan te nemen over personen, de evenveel
beteekenen als wij zelven. Pen’s nederbuigende goedheid in dit tijdperk
zijns levens was aardig om te zien. Bij knappe menschen gaat deze
aanmatiging en onbescheidenheid met de eerste jaren der jeugd voorbij;
maar het is aardig de verwaandheid van een edelgezinden en talentvollen
jonkman bij te wonen; er ligt bijna iets roerends in die vroegtijdige
tentoonspreiding van onnoozelheid en dwaasheid.
Na dus des morgens vrij wat gelezen te hebben, en, naar ik vrees, niet
enkel rechtsgeleerde boeken, maar ook staatkunde en geschiedenis en
fraaie letteren, die voor de vooruitzichten en de ontwikkeling van een
jongmensch even noodzakelijk zijn als het dorre recht, – na zich
tamelijk vlijtig verdiept te hebben in brieven, tijdschriften, eerste
leerboeken over het recht en bovenal in nieuwsbladen, tot het etensuur
naderde, – gingen de beide jonge heeren, met een opgeruimden geest en
een scherpen eetlust de stad in, met het voornemen om een even
genoeglijken avond door te brengen als zij een aangenamen voormiddag
hadden gehad. Het was een vroolijke leeftijd, die van vier en twintig
jaar, toen lichaam en ziel even gezond en levendig waren, toen de
wereld nog al hare nieuwheid bezat, en men ze bezocht met een opgeruimd
gemoed en de heerlijke vatbaarheid om te kunnen genieten. Zoo wij ons
ooit daarna weer jong gevoelen, is het met onze makkers uit dien tijd;
de wijzen, die wij in onzen ouderdom neuriën, hebben wij dàn geleerd.
Soms komt de feesttijd van dat levensperk ons nog wel eens voor den
geest; maar wat is de pleiziertuin dan verwilderd geworden, wat zien de
bloemkransen er verlept uit, wat is het gezelschap klein en oud, en wat
zijn er een aantal lichten sinds dien tijd uitgegaan! Grijze haren zijn
er binnen gekomen, gelijk het daglicht – daglicht en te gelijk
hoofdpijn. Het vermaak is naar bed gegaan met het blanketsel op de
wangen. Welnu, vriend, laten wij nuchter en ernstig, maar altijd
welwillend gezind, den dag trachten door te komen.
Wat zouden Laura en Helena wel gezegd hebben, indien zij de heeren Pen
en Warrington hadden kunnen zien, – en daartoe zou dikwijls gelegenheid
geweest zijn, indien zij op waren geweest en zich te Londen bevonden
hadden, – zooals zij, in den zeer vroegen morgen, als de bruggen
begonnen te blozen in het licht van den dageraad, na een hunner woeste
avonden over de weergalmende straatsteenen ratelend naar den Temple
reden, – woeste avonden; maar niet zoo slecht als zulke avonden
somtijds zijn, want Warrington was een vrouwenhater en Pen was, gelijk
wij reeds vermeld hebben, te hooghartig om zich tot eene gemeene
minnarij te vernederen. Onze jonge prins van Fairoaks kon nooit anders
dan met eerbied en beleefdheid tegen iemand van het schoone geslacht
spreken en huiverde, uit aangeboren gevoel van kieschheid, voor een
grof woord of gebaar; want ofschoon wij hem zien verlieven op eene
malloot, evenals met zijne meerderen en minderen wel eens gebeurd is,
en dit hem waarschijnlijk wel meer dan eens in zijn leven overkwam,
beschouwde hij haar toch, gedurende den tijd zijner verblinding, altijd
als eene godin, die hij als zoodanig diende. Op hunne knieën zijn de
mannen gewoon de vrouwen te dienen; zoodra zij opstaan, gaan zij heen.
Dit waren de woorden, die een oude kennis op zijne onbewimpelde en
onopgesmukte wijze tegen Pen zeide; een oud vriend, die hij te Londen
weer ontmoet had; kortom, niemand anders dan de goede mijnheer Bows,
van den schouwburg te Chatteries, die tegenwoordig op de piano den
uitstekenden liedjeszanger accompagneerde, die elken avond het publiek
in het Fielding’s Head in Covent Garden verrukte, waar ook eene kleine
club vergaderde, die de Achterkeuken heette.
Een aantal van Pen’s vrienden bezochten deze allervroolijkste
bijeenkomsten. Het Fielding’s Head was, bijna onafgebroken, eene plaats
van publieke uitspanning geweest, sedert den tijd toen de beroemde
schrijver van Tom Jones, als magistraat, in de naburige Bow Street
fungeerde: men wees nog zijne plaats aan, en de stoel, waarop men zeide
dat hij gezeten had, was de zitplaats van den president der
avondbijeenkomsten. Meestal werd die plaats door den waardigen Cutts,
den kastelein van het Fielding’s Head, bekleed, als de jicht of eenige
andere ongesteldheid hem niet verhinderde. Sommige mijner lezers
herinneren zich misschien nog wel zijn prettig voorkomen en zijne mooie
stem; hij was, in den loop van zulk een gezelligen avond, gewoon
onophoudelijk te zingen, en wèl de liederen van hetgeen men de Britsche
grogschool zou kunnen noemen, zooals „de oude Britsche gentleman,”
„lieve Tom, mijn bruine kruik,” en meer van dien aard, – liederen,
waarin gevoel zich aan gulheid paarde en de lof van den drank en van
het huiselijk leven met eene bariton-stem bezongen werd. De
bekoorlijkheden onzer vrouwen en de heldendaden onzer land- en
zeebevelhebbers worden in de balladen dier school dikwijls herdacht, en
menigmaal heb ik het bewonderd, hoe Cutts als zanger, na ons allen tot
patriottische geestdrift te hebben opgewonden door voor te stellen, op
welke wijze de dappere Abercrombie zijne doodwonde ontving, of ons tot
tranen bewogen te hebben, die hij zelf even rijkelijk stortte, als hij
met eene bevende stem bezong, hoe het vallen der herfstbladeren „den
ouden man – zijn naadrend eind voorspelde,” – hoe dan, zeg ik, Cutts de
zanger eensklaps weer Cutts de kastelein werd, en eer het
applaudissement wegstierf, dat wij tot loon zijner hartroerende
melodieën met onze vuisten op de tafel sloegen, uitriep: „Kom aan,
heeren, bestelt wat gij hebben wilt, de knecht is juist in de zaal –
John, een glas champagne voor mijnheer Green! Hebt gij niet gezegd
gestoofde aardappelen en saucijzen, mijnheer? John, bedien dien heer
eens!”
„En geef mij ook een glas punch, John; maar zorg, dat het water goed
kookt,” liet zich dan ook niet zelden eene stem hooren, die aan Pen
zeer goed bekend was en hem deed blozen en opspringen, toen hij ze weer
voor het eerst vernam – de stem van den achtbaren kapitein Costigan,
die nu te Londen woonde en een der steunpilaren was van de muzikale
bijeenkomsten in het Fielding’s Head.
Het gezelschap en de gesprekken van den kapitein trokken zeer veel
jongelieden naar die plaats. Hij was een zonderling, wiens faam zich na
zijne aankomst in de hoofdstad begon te verspreiden, en inzonderheid na
zijn dochters huwelijk. Hij was onbetaalbaar, wanneer hij tegen zijn
vriend van het oogenblik (hetgeen altijd degeen was, die naast hem zat
te drinken) over „me dochter” uitweidde. Hij verhaalde dan van haar
huwelijk en van de plechtigheden, die voorafgegaan en gevolgd waren;
van de rijtuigen, die zij hield; van Mirabel’s verzotheid op haar en op
hem; van de honderd pond, waarvoor hij altijd de vrijheid had op zijn
schoonzoon te trekken, als de nood er hem toe dwong. En na dan
verklaard te hebben, dat hij „stellig voornemens was aanstaanden
Zaterdag te trekken – ik geef je mijn heilig woord van eer, aanstaanden
Zaterdag, den veertienden, – en dan zal je me het geld bij Coutts zien
uitbetalen, zoodra ik mijn wissel maar vertoon,” vroeg de kapitein niet
zelden een daalder van zijn vriend te leen tot St. Juttemis, wanneer
hij die kleinigheid, op zijn woord van eer, als officier en gentleman,
zou terugbetalen.
Sir Charles Mirabel koesterde niet die vurige genegenheid voor zijn
schoonvader, waarop deze laatste somtijds snoefde, ofschoon Cos in
andere vlagen van aandoening wel eens met tranen in de oogen uitvoer
tegen de ondankbaarheid van het kind van zijn boezem en de schrielheid
van den ouden rijkaard, met wien zij getrouwd was. Doch Mirabel en
zijne vrouw hadden zich niet karig jegens Costigan betoond: zij hadden
hem een klein jaargeld toegelegd, dat regelmatig betaald werd en waarop
de arme Cos met nog meer regelmatigheid voorschotten nam; de termijnen
van betaling waren altijd welbekend aan zijn vriend in het Fielding’s
Head, waar de brave kapitein met de bankbriefjes in zijne hand dadelijk
heentrok en midden onder het zingen luid om kleingeld riep. „Zeg eens,
Cutts, ouwe jongen, dat bankje, daar verwed ik alles onder, zal bij de
Bank van Engeland niet geweigerd worden,” zeide kapitein Costigan dan.
„Bows, kan ik je met een glas dienen? Gij behoeft u van avond niet te
geneeren, en een glas punch zal u con spirito doen spelen.” Want hij
was overdadig mild met zijn geld, als hij bij kas was, en men zag hem
zijn broekzak niet dichtknoopen eer de laatste stuiver er weer uit was,
of er misschien een schuldeischer in zijne nabijheid kwam.
In een dier oogenblikken van opgewondenheid was het, dat Pen zijn ouden
vriend draaiende rondom de tafel der zangers in de Achterkeuken van het
Fielding’s Head vond, terwijl hij glazen brandewijngrog bestelde voor
alle kennissen, die de zaal binnenkwamen. Warrington, die op een
vertrouwelijken voet met den baszanger stond, begaf zich naar dat
gedeelte der zaal, en Pen volgde zijn vriend op de hielen.
Deze ontstelde en bloosde toen hij Costigan zag. Hij kwam juist van
Lady Whiston’s partij, waar hij de dochter van den kapitein voor het
eerst na die vroegere, nu lang verloopen dagen, weergezien en gesproken
had. Hij kwam met uitgestrekte hand naar den ouden man, dien hij
vriendelijk en met warmte verwelkomde; want de tijd, toen Costigan’s
dochter alles ter wereld voor hem was, stond hem nog duidelijk voor den
geest. Ofschoon onze jonge heer wel wat wispelturig in zijne minnarijen
was geweest en zijne genegenheid wel eens van de eene op de andere
vrouw had overgedragen, koesterde hij echter altijd ontzag voor de
plaats waar de liefde gewoond had en verlangde hij, gelijk de sultan
van Turkije, dat men de dame, wie hij eenmaal zijn vorstelijken zakdoek
had toegeworpen, de verschuldigde eer zou bewijzen.
De dronken kapitein beantwoordde den druk van Pen’s hand met al de
kracht zijner vingeren, die wat beverig waren geworden door het
aanhoudend oplichten van glazen brandewijngrog, en keek hem sterk in
het gelaat onder den uitroep: „Goede hemel, hoe is het mogelijk! Lieve
jongen, beste kerel, dierbare vriend!” maar toen kon hij niet verder en
eindigde dus met een vragenden, beschonken blik: „Ik ken u van aanzien,
lieve vriend, maar ik heb uw naam vergeten!” Er waren vijf jaren van
aanhoudend punchdrinken verloopen, sedert Pen en Costigan elkander
gezien hadden. Arthur was veel veranderd en men kan het den kapitein
dus niet kwalijk nemen, dat hij hem vergeten had; als iemand de dingen
van het tegenwoordige dubbel ziet, kan men wel verwachten, dat zijn
blik op het verledene wat beneveld zal wezen.
Pen zag in welken toestand hij verkeerde en lachte dus, maar was wel
een beetje spijtig „Herkent gij mij niet, kapitein?” vroeg hij. „Ik ben
Pendennis – Arthur Pendennis van Chatteries.”
De klank der vriendelijke stem van den jonkman wekte het bedwelmde
herinneringsvermogen van Cos op en bracht hem op den rechten weg, en
zoodra hij Arthur herkende, salueerde hij hem met eene volle laag van
welkomstgroeten. Pen was zijn beste jongen, zijn dappere jonge vriend,
zijn edele leerling, dien hij sedert hun scheiden steeds in zijn hart
had gedragen: – hoe ging het zijn vader, neen, zijner moeder, en zijn
voogd de generaal, neen, de majoor? „Ik maak uit uw voorkomen op, dat
gij in het genot van uwe bezittingen gekomen zijt; en ik ben zeker, dat
gij uw geld als man van de wereld besteden zult – daarvoor durf ik
borgstaan. Niet? zijt gij nog niet aan uw geld gekomen? Nu, als gij
eene kleinigheid noodig hebt, kom dan maar den armen ouden Jack
Costigan, die nog een paar guinjes op zak heeft; bij den hemel, gij
zult geen gebrek lijden, Arthur, mijn beste jongen! Wat zult ge
gebruiken? John, kom eens hier en rep je wat; geef dezen heer een glas
punch, voor mijne rekening. – is dat uw vriend? Dien heb ik meer
gezien. Vergun mij, mijnheer, mij aan u voor te stellen en te vragen,
of ik u met een glas punch kan dienen?
„Ik benijd Sir Charles Mirabel zijn schoonvader niet,” dacht Pendennis.
„En hoe vaart mijn oude vriend Bows, kapitein? Weet gij iets van hem en
gaat gij nog met hem om?”
„Ik denk, dat hij het heel wel maakt,” zeide de kapitein, met het geld
in zijn zak rammelende en the little Doodeen neuriënde, een lied,
waarmede hij in het Fielding’s Head grooten roem had verworven. „Mijn
beste jongen – ik heb alweer uw naam vergeten – maar de mijne is
Costigan, Jack Costigan, en gij zult mij pleizier doen, zooveel glazen
punch voor mijne rekening te nemen als gij lust. Gij weet hoe ik heet;
ik schaam mij niet over mijn naam.” En op deze en dergelijke wijze
bleef de kapitein voortsnateren.
„Het is bij den generaal betaaldag,” zeide mijnheer Hodgen, de
baszanger, met wien Warrington in druk gesprek gewikkeld was; „hij is
al ver boven zijn theewater. Even voor dat ik Ring Death zong, heeft
hij zijn Little Doodeen willen aanheffen, maar het bleef hem in de keel
steken. Hebt ge mijn nieuw lied de Lijkendief gehoord, mijnheer
Warrington? In de Saint Bartholomew-zaal heb ik het onlangs op
vereerend verlangen tweemaal op één avond moeten zingen. Het is
opzettelijk voor mij gecomponeerd. Misschien zoudt gij, of mijnheer uw
vriend, wel een exemplaar van het lied willen hebben? John, wees zoo
goed en geef eens een „Lijkendief” hier. Mijn portret staat op den
omslag, mijnheer; – in het costuum van den Dief, zooals ik het zing –
en het wordt als zeer welgelijkend beschouwd.”
„Ik dank je er voor,” zeide Warrington; „ik heb het al negenmaal
gehoord en ken het van buiten, Hodgen.”
Op dit oogenblik begon de heer, die aan de piano zat, zijn instrument
te bespelen, en toen Pen naar dien kant keek, zag hij mijnheer Bows in
eigen persoon, naar wien hij zoo even gevraagd had, en dien Costigan
tijdelijk geheel scheen vergeten te hebben. Het oude mannetje zat aan
de afgerammelde piano (die haar gestel erg ondermijnd had door zooveel
avonden op te blijven en nu slechts eene heesche en zwakke stem liet
hooren) en accompagneerde de zangen, of speelde in de pauzen, tusschen
de liederen met smaak en gevoel.
Bows had Pen, zoodra hij in de zaal kwam, gezien en herkend, en
opgemerkt met hoeveel voorkomendheid en warmte de jonkman de kennis met
Costigan hernieuwd had. Hij begon eene melodie te spelen, die Pen zich
dadelijk herinnerde, dat door het koor der dorpelingen in Menschenhaat
en berouw gezongen wordt, even voor dat Mevrouw Haller optreedt. Toen
Pen dit hoorde, werd hij aangedaan. Het kwam hem weer voor den geest,
hoe zijn hart klopte als dat air gespeeld werd voordat zijne goddelijke
Emily verscheen. Niemand buiten Arthur gaf eenig acht op het spelen van
den ouden Bows; men hoorde het nauwelijks te midden van het gekletter
van vorken en messen, het geroep om eieren en nieren, en het geloop van
gasten en knechts.
Pen ging naar Bows toen het stuk uit was en drukte hem hartelijk de
hand, terwijl Bows hem van zijn kant met veel eerbied en gelijke
hartelijkheid verwelkomde. „Zoo! gij hebt dus het oude wijsje niet
vergeten, mijnheer Pendennis?” zeide hij; „ik dacht wel, dat gij het u
herinneren zoudt. Ik geloof, dat het de eerste melodie van dien aard
was, die gij ooit hadt hooren spelen, – niet waar, mijnheer? Gij waart
toen nog zeer jong. De kapitein heeft het erg beet van avond, naar ik
vrees. Hij gaat zich op betaaldag altijd te buiten; en ik zal heel wat
moeite hebben, om hem naar huis te krijgen. Wij wonen bij elkander;
want wij zijn nog altijd compagnons, mijnheer, ofschoon jufvrouw Em –
Lady Mirabel uit de firma is getreden. En dus herinnert gij u den ouden
tijd nog? Zij was toch eene eerste schoonheid, niet waar, mijnheer? Op
uwe gezondheid;” – en bij die woorden nam hij eene teug uit de tinnen
kan met porter, die naast hem stond.
Pen had later nog menige gelegenheid om zijne vroegere bekenden te zien
en zijne betrekkingen met Costigan en den ouden muzikant te hernieuwen.
Terwijl zij dus in vriendschappelijk gesprek bijeen zaten, gingen
bezoekers van allerlei soort en stand deze plaats van uitspanning in en
uit, zoodat Pen het genoegen had zooveel verschillende exemplaren van
zijn ras te zien als de ijverigste waarnemer kon wenschen. Boeren en
handelaars van het platteland, wien de gezondheid op het gezicht
geschilderd stond en die zich voor zaken te Londen bevonden, kwamen
zich verkwikken aan de vroolijke liedjes en soupers in de Achterkeuken,
– groepen leerlingen en winkelbedienden, over wier arbeid de luiken
gesloten waren, kwamen herwaarts, zeker om een luchtje te scheppen, –
winderige, vroolijke en rumoerige studenten in de medicijnen, opzichtig
gekleed en toch (moeten wij het zeggen?) een beetje smerig, zaten hier
te rooken en te drinken en juichten de liedjes daverend toe, – jonge
studenten van de academie vond men hier ook, die zich kenbaar maakten
door dien onbeschrijfelijk gemaakten toon, dien men alleen aan de
knieën der Alma Mater leert, – en fatterige officieren van de garde en
pretentieuse dandy’s uit de clubs in St. James Street, – ja, Engelsche
en Iersche leden van het Lagerhuis, en zelfs leden van het Hoogerhuis.
De baszanger had ongeloofelijken opgang gemaakt met zijn lied de
Lijkendief en de gansche stad liep er heen, om het te hooren. Er werd
eene gordijn ter zijde geschoven, en nu zag men mijnheer Hodgen in de
rol van den Dief, op eene doodkist gezeten, met eene flesch jenever
vóór hem staande, en verder eene spade en eene kaars in een doodshoofd
gestoken. Hij zong het lied inderdaad op bewonderenswaardige wijze en
met huiveringwekkenden humor. De zanger liet zijne stem zoo diep dalen,
dat zij als het ware door de ontzette ziel van den toehoorder
heendaverde; en onder het koor stampte hij met zijne spade en liet hij
een duivelsch: „Ha! ha!” hooren, dat de glazen op tafel als van schrik
deed rammelen. Geen der andere zangers, zelfs Cutts niet, gelijk die
groothartige man zelf erkende, kon zich met de Lijkendief meten, en
doorgaans begaf hij zich ook naar de kamer van jufvrouw Cutts of in het
buffet, voordat dit noodlottige lied hem de nederlaag toebracht. Little
Doodeen, de ballade van den armen Cos, door Bows zoo lief op de piano
geaccompagneerd, werd slechts voor eene handvol bewonderaars gezongen,
die, na het vervaarlijke lied der lijkendieven, nog bleven hangen. Na
dat muziekstuk liep de zaal meestal leeg en bleven er alleen eenige
weinige volhardende najagers van het vermaak over.
Terwijl Pen en zijn vriend hier op zekeren avond, of liever morgen, bij
elkander zaten, kwamen er twee habitués dezer plaats bijna te gelijk
binnen. „Mijnheer Hoolan en mijnheer Doolan,” fluisterde Warrington aan
Pen toe, terwijl hij die heeren groette, en in den laatsten herkende
Pen zijn vriend van de diligence Alacrity, die, toen Pen hem
uitnoodigde om mede te gaan dineeren, daaraan niet had kunnen voldoen,
daar zijne beroepsbezigheden hem dit op Vrijdag beletten, gelijk hij
met zijne complimenten aan mijnheer Pendennis had doen weten.
Doolan’s blad de Dageraad lag, erg met porter bevlekt, op tafel,
rakelings bij Hoolan’s blad, dat wij de Dag zullen noemen; de Dageraad
was liberaal en de Dag ultraconservatief. De staf van vele onzer bladen
bestaat uit Iersche heeren, wier dappere brigade onder ons de pen
voert, gelijk hunne voorouders in geheel Europa het zwaard voerden; zij
verhuren zich onder allerlei vlag en zijn onderling goede vrienden
zoodra de strijd voorbij is.
„Nieren, John, en een glas stout,” roept Hoolan. „Hoe gaat het, Morgan?
hoe vaart mevrouw Doolan?”
„Dank je, heel wel, Mick, ouwe jongen – en bovendien zij is er aan
gewoon,” zeide Doolan. „Hoe vaart de dame, die u in eigendom heeft?
Misschien kom ik Zondag wel eens aanwippen om een glas punch te halen,
op Kilburnsche manier.”
„Breng uw Patsey niet mee, Mick, want onze George heeft de mazelen,”
zeide de welwillende Morgan, en dadelijk begonnen zij te spreken over
zaken van hun beroep; de buitenlandsche posten, wie de correspondent te
Parijs was en wie de brieven uit Madrid schreef; wat de koeriers wel
aan het Morgenblad kostten, hoe groot de oplaag van de Avondster was,
enz.
Lachend nam Warrington de Dageraad op, die vóór hem lag, en wees op een
der hoofdartikelen van het blad, dat aldus begon:
„Gelijk de schurken in vroeger tijd, die een werk der duisternis in den
zin hadden, zooals het uit den weg ruimen van een vijand, het in omloop
brengen van valsch geld, het uitstrooien van een leugen, of het plegen
van een moord, een meineedige of moordenaar van beroep gebruikten om
het werk te doen, dat zij te bekend of te laf waren om zelven te
verrichten, zoo bezigt onze beruchte zuster de Dag schavuiten
buitensdeurs, om lastertaal tegen bijzondere personen te verspreiden,
en roept bandieten te hulp, om den goeden naam dergenen, die haar
hinderen, te bezwalken. Een schelm, die zijn gelaat met een zwart
masker bedekt (maar dien wij zullen ontsluieren), en die onder den
pseudoniem van Klaverblad schrijft, is op dit oogenblik een der
voornaamste sluipmoordenaars op het bureau onzer zuster. Hij is de
gesnedene, die de zijden koord overbrengt en op order van de Dag de
slachtoffers worgt. Wij kunnen dezen lafhartigen slaaf beschamen en
zullen dit ook doen. De beschuldiging, die hij heeft ingebracht tegen
Lord Bangbanagher, omdat hij een liberaal Iersch pair is, en tegen de
Commissie van verpleging van het armendistrict van Bangbanagher, is,”
enz.
„Hoe vonden zij dit artikel op uw bureau, Mick?” vroeg Morgan; „als de
kapitein er zich mee bemoeit, kan geen mensch het hem nadoen in de
kunst om een moorddadig artikel te schrijven. Hij schreef het in twee
uren – in de – ft! – gij weet wel waar, – terwijl de drukkersjongen zat
te wachten.”
„Onze ouwe gelooft, dat het publiek geen pijp tabak geeft om al dat
courantengekibbel,” antwoordde de ander. „Zij bespraken met hun beiden
de zaak, op mijne kamer. De doctor had het nog wel willen voortzetten,
want hij zegt, dat het zoo gemakkelijk van de hand gaat en men er niets
voor behoeft na te zoeken en na te lezen, zooals voor de andere
artikelen; maar de ouwe sneed hem den pas af.”
„De smaak voor de welsprekendheid sterft uit, Mick,” zeide Morgan.
„Ja, dat is zoo, Morgan,” zeide Mick. „Dat mocht eerst mooie stijl
heeten, toen de doctor in de Phenix schreef, en hij en Condy Roony
elkander dag op dag in de veeren zaten.”
„En evengoed met kruit en kogels als met papier,” zeide Morgan. „Ge
weet, de doctor duelleerde tweemaal, en Condy Roony raakte hem in zijne
vlerk.”
„Zij spreken over doctor Boyne en kapitein Shandon,” zeide Warrington,
„de beide Iersche kemphanen van de Dageraad en de Dag; doctor Boyne is
de kampioen der protestanten en kapitein Shandon de woordvoerder der
liberalen. Ik geloof dat zij de beste vrienden ter wereld zijn, in
weerwil van hunne gevechten in de nieuwsbladen; en ofschoon zij het
uitschreeuwen, dat de Engelschen hun vaderland belasteren, durf ik
verzekeren, dat zij zelve in één enkel artikel meer kwaad daarvan
spreken, dan wij in een dozijn boekdeelen. Hoe vaar je, Doolan?”
„Dank je, heel wel, mijnheer Warrington. Het doet mij genoegen,
mijnheer Pendennis, dat ik u weer mag zien. Die nachtreis boven op de
Alacrity was een der aangenaamste, die ik van mijn leven gedaan heb, en
het was uwe opgeruimdheid en wellevendheid, die dat tochtje zoo
genoeglijk maakte. Ik heb nog dikwijls aan dien pleizierigen avond
geacht, mijnheer, en met mijne vrouw er over gesproken. Uw eleganten
jongen vriend, mijnheer Foker, heb ik ook dikwerf hier gezien. Hij komt
tusschenbeide hier, waar men het ook inderdaad zeer goed heeft. Toen ik
met u reisde, mijnheer Pendennis, was ik aan het Tom en Jerry Weekblad;
thans heb ik de eer onderredacteur van de Dageraad te zijn, een der
best geschreven bladen in het land,” – en hierbij maakte hij eene
lichte buiging tegen mijnheer Warrington. Hij sprak zalvend en
bescheiden en legde eene oostersche wellevendheid aan den dag, terwijl
zijn toon, als hij met de beide Engelschen sprak, geheel verschillend
was van dien, waarop hij zich met zijn makker onderhield.
„Te drommel! waarom maakt de kerel zooveel complimenten?” bromde
Warrington op een spottenden toon, dien hij zich nauwelijks de moeite
gaf te verbergen. „Zoo! wie komt daar aan? De gansche Parnassus schijnt
van avond uit te zijn! Daar is Archer. Nu zullen wij pret hebben! Wel,
Archer, is de parlementszitting gedaan?”
„Ik ben niet daar geweest. Ik was ergens,” zeide Archer met een zeer
geheimzinnig gezicht, „van waar ik niet wegblijven kon. John, geef mij
iets te eten – iets stevigs. Ik heb een hekel aan die voorname lui,
waar men niets te eten krijgt. Als ik bij den hertog van Wellington, op
Apsley House, was geweest, zou het een heel ander geval zijn. De hertog
weet waarvan ik houd en zegt tegen zijn kamerdienaar: „Martijn, laat
naar gewoonte wat koud vleesch, niet al te gaar, en eene flesch pale
ale met wat sherry in mijn kabinet gereed zetten; Archer komt van
avond.” De hertog zelf eet ’s avonds niet, maar hij ziet een mensch
gaarne smakelijk eten en weet, dat ik vroeg dineer. Voor den drommel,
men kan niet van de lucht leven!”
„Laat ik u mijn vriend, mijnheer Pendennis, voorstellen,” zeide
Warrington met den grootsten ernst. „Pen, dit is mijnheer Archer, over
wien gij mij hebt hooren spreken. Gij, mijnheer Archer, die iedereen
kent, moet Pen’s oom, den majoor, kennen?”
„Ik heb eergisteren nog met hem op Gaunt House gedineerd,” zeide
Archer. „Wij waren met ons vieren: de Fransche ambassadeur, Steyne, en
wij beiden burgerlui.”
„Wel! mijn oom is in Schot–”, wilde Pen uitbarsten, maar Warrington
trapte hem onder tafel op de teenen, tot teeken, dat hij zich moest
stilhouden.
„Het was over dezelfde zaak, dat ik van avond op het paleis moest
zijn,” ging Archer argeloos voort, „waar men mij vier uren in eene
anti-chambre heeft laten wachten, met niets tot afleiding dan de Times
van gisteren, die ik van buiten kende, daar ik zelf drie der
hoofdartikelen geschreven had; en ofschoon de lord-kamerheer viermaal
binnenkwam, eens zelfs met het theekopje en schoteltje voor den koning
in zijne hand, zeide hij niet eens tegen mij: „Wilt ge een kop thee,
Archer?”
„Wel, wat is er dan nu weer gaande?” vroeg Warrington, en vervolgde
tegen Pen: „Gij weet zeker wel, dat, als men ten hove in de eene, of
andere moeielijkheid verkeert, altijd de heer Archer ontboden wordt.”
„Er bestaat inderdaad eene moeielijkheid,” zeide mijnheer Archer, „en
daar het toch over een paar dagen in de geheele stad bekend zal zijn,
kan ik het wel vertellen. Toen ik, bij de laatste wedrennen te
Chantilly, Brian Boru voor mijn ouden vriend, den hertog van
Saint-Cloud, bereed, zeide de oude koning tegen mij: „Archer, ik maak
mij ongerust over Saint-Cloud. Ik heb zijn huwelijk met prinses Marie
Cunegonde in orde gebracht; de vrede van Europa hangt er van af, – want
Rusland zal den oorlog verklaren, indien het huwelijk niet doorgaat, en
de jonge gek is zoo dol op mevrouw Massena, dat hij tot het huwelijk
niet wil toetreden.” Nu, mijnheer, ik heb er Saint-Cloud over
onderhouden, en daar ik hem in goed humeur gebracht had, door den
wedren en nog een aardig sommetje op den koop toe voor hem te winnen,
zeide hij tegen mij: „Archer, zeg den ouwe maar, dat ik er nog eens
over denken zal.”
„Hoe heet „ouwe” in het Fransch?” vroeg Pen, die zich niet weinig op
zijne grondige kennis van die taal liet voorstaan.
„O, wij spreken Engelsch. Ik leerde het hem toen wij nog jongens waren
en ik hem het leven te Twickenham redde, bij gelegenheid, dat hij uit
een schuitje in het water viel,” zeide Archer, „Ik zal nooit den blik
vergeten, dien de koningin op mij sloeg toen ik hem aan wal bracht. Zij
schonk mij dezen diamanten ring en noemt mij tot den huidigen dag bij
mijn vóórnaam, Charles.”
„Mevrouw Massena moet nu tamelijk oud zijn, Archer,” zeide Warrington.
„Verduiveld oud – oud genoeg om zijne grootmoeder te zijn, en dat heb
ik hem ook gezegd, gaf Archer zonder aarzelen ten antwoord. „Maar die
verliefdheden op oude vrouwen zijn drommelsche dingen! Dat gevoelt de
koning ook en dat brengt de arme koningin evenzeer van stuk. Verleden
Dinsdag hebben zij Parijs verlaten en op het oogenblik bevinden zij
zich in het Hotel Jaunay.”
„Zijn zij in het geheim getrouwd, Archer?” vroeg Warrington.
„Daar weet ik niets van,” hernam Archer, „ik weet alleen, dat men mij
op het paleis vier uren heeft laten wachten; dat ik nooit iemand zoo
ontroerd heb gezien als den koning van België toen hij bij mij kwam, om
mij te spreken, en dat ik een honger heb als een paard; maar daar komt
mijn souper.”
„Hij is heden avond vrij wel op zijn praatstoel geweest, zeide
Warrington toen hij met Pen naar huis ging; „maar ik heb hem vrij wat
erger hooren doorslaan, zoodat men niet wist hoe men het met hem had.
Als men die snoeverij buiten aanmerking laat, is Archer een knap en
braaf man – een vlijtig arbeider, een uitmuntend vriend, en als
echtgenoot, vader en zoon onberispelijk.”
„Om welke reden zwetst hij dan op zulk eene ongehoorde manier?”
„Dat is eene onschadelijke streep, die er doorheen loopt,” gaf
Warrington ten antwoord. „Hij heeft door zijn praten nooit iemand
benadeeld en van geen mensch ooit kwaad gesproken. In de politiek is
hij daarenboven zeer standvastig en zou hij nooit iets schrijven of
doen ten nadeele van zijne partij, gelijk velen van ons doen.”
„Van ons? Wie zijn dan wij?” vroeg Pen. „Wat is mijnheer Archer’s
beroep?”
„Hij behoort tot het gilde der mannen van de pen – of van de pers,
beste jongen, die de vierde macht in den staat is,” zeide Warrington.
„Behoort gij dan ook tot dat gilde?” vroeg Pendennis.
„Daarover zullen wij later nog wel eens spreken,” gaf de ander ten
antwoord. Dus pratende, kwamen zij door het Strand en voorbij een
dagblad-bureau, dat van boven tot onderen verlicht was en een
schitterenden glans verspreidde. Berichtgevers kwamen de deur uit, of
snelden in vigilantes aan; in de kamers der redacteurs stonden de
lampen helder te branden, en op de bovenverdieping waren de zetters aan
het werk; uit al de vensters van het gebouw straalde de gloed van
gaslicht naar buiten.
„Zie dat eens aan, Pen,” zeide Warrington. „Daar hebt gij het vóór u –
het groote werktuig, dat nooit rust. Het heeft zijne ambassadeurs in
alle werelddeelen; zijne koeriers rennen op alle wegen. Zijne
officieren trekken met alle legers uit, en zijne afgevaardigden treden
de kabinetten der staatslieden binnen. Zij zijn alomtegenwoordig. Dat
dagblad heeft een agent, die op het oogenblik te Madrid degenen
omkoopt, die hij noodig heeft, en een anderen, die den prijs der
aardappelen op de Covent Garden markt noteert. Kijk, daar komt de
buitenlandsche expresse aan. Morgen zullen zij den minister van
buitenlandsche zaken iets doen vernemen, dat hij nog niet weet. De
effecten zullen daardoor rijzen of dalen; het winnen of verliezen van
fortuinen zal er het gevolg van zijn; Lord B. zal in het Hoogerhuis met
het dagblad in de hand opstaan en, als hij ziet, dat de minister
aanwezig is, eene indrukwekkende rede houden. En mijnheer Doolan zal
van zijn souper in de Achterkeuken worden weggeroepen, want hij is
onderredacteur voor het buitenlandsche nieuws, en moet dit in de
persrevisie nalezen eer hij naar bed gaat.”
Onder deze en dergelijke gesprekken traden de vrienden hunne woning
binnen, op het oogenblik dat de dageraad begon aan te breken.