Academische collegiën, scholen en Inns of court koesteren nog eenigen
eerbied voor den ouden tijd en hebben een groot aantal gebruiken en
instellingen van onze voorvaderen in stand gehouden, welke door de
menschen, die aan onze voorouders geen bijzondere hoogachting
toedragen, of misschien niet heel goed met hen bekend zijn, sinds lang
zijn afgeschaft. Voor gezondheid, gemak en zindelijkheid is in een goed
ingericht werkhuis of gevangenis veel beter gezorgd dan op eene
voorname school, die in den ouden tijd gesticht is, of in eene Inn,
waar de geleerdheid troont. Op deze laatste plaats vinden de bewoners
goed, in donkere vertrekjes te wonen, en voor eene zitkamer en de kast,
die zij tot slaapkamer moeten gebruiken, een prijs te betalen, waarvoor
zij eene villa met tuin in de voorsteden, of een ruim huis op een der
minder bezochte pleinen van Londen zouden kunnen huren. De armste
ambachtsman in Spitalfields heeft een regenbak, en kan over eene
onbepaalde hoeveelheid water beschikken; maar voor de heeren in de Inns
of court en aan de academiën wordt de hoeveelheid, die zij van dit
kosmetiek behoeven, door waschvrouwen en beddenopmaaksters in kannen
gehaald, en genoemde heeren wonen in huizen, die reeds lang gebouwd
waren eer zindelijkheid en fatsoenlijkheid onder ons in de mode kwamen.
Er leven nog personen, die op het volk smalen en er met verachtelijke
bijnamen van spreken. Maar, mijne heeren, het lijdt weinig twijfel, dat
uwe voorouders tot het groote gilde der ongewasschenen behoorden, en
het is vrij zeker, dat de deugd der reinheid, die men zegt, dat het
naast aan de vroomheid grenst, vooral in den Temple slechts onder
groote bezwaren en in zeer beperkte mate in beoefening kon gebracht
worden.
De oude Grump, die als advocaat de zittingen van het hof van assises te
Norfolk bijwoonde, en dertig jaar de kamers onder die van Warrington en
Pendennis bewoond had, werd doorgaans wakker van de kletterende
stortbaden, welke die heeren in hunne vertrekken namen (en waarvan een
gedeelte nu en dan door de zoldering in zijne kamer droop), en
verklaarde, dat deze gewoonte eene dwaze en fatterige nieuwigheid was,
terwijl hij dagelijks de waschvrouw verwenschte, die door het halen van
water de trappen, welke hij beklimmen moest, glibberig maakte. Grump,
die op het oogenblik veel meer dan eene halve eeuw oud was, had zich
dan ook nooit de bedoelde weelde veroorloofd. Hij was er zeer goed
zonder water gekomen, en onze vaderen vóór hem ook. Was er onder al de
ridders en baronets, lords en gentlemen, wier wapens op de muren der
vermaarde zaal in den Upper Temple geschilderd zijn, niet één
menschlievend genoeg, om warme baden te stichten voor de
rechtsgeleerden, die toen zijne makkers waren, of na hem zouden komen?
De geschiedschrijver van den Temple meldt niet, dat er ooit zulk een
plan bestaan heeft. Wel heeft men daar het Pomp-plein en het
Fontein-plein met hunne watertoestellen; maar men heeft nooit vernomen,
dat een rechter zich in de kom van de fontein verlustigd heeft, en men
komt onwillekeurig tot de overtuiging, dat de pomp aan menigen
advocaat, die in het recht van den ouden tijd zeer ervaren was, goed
zou gedaan hebben.
Desniettemin bezitten die eerwaardige Inns, welke het Lam, de Vlag en
het Gevleugelde Paard tot zinnebeelden hebben, aantrekkelijkheden voor
degenen, die er wonen, en eene soort van behaaglijkheid en vrijheid,
die men zich altijd met genoegen herinnert. Ik weet niet, of de
beoefenaar van het recht zich de opwekking der geestdrift veroorlooft,
of zich aan dichterlijke herinneringen overgeeft wanneer hij historisch
geworden kamers voorbijgaat, en zegt: „Ginds heeft Eldon gewoond – hier
zat Coke over Lyttleton na te peinzen – hier sloofde Chitty zich af –
hier schreven Barnwell en Alderson te zamen hun beroemd werk – hier
maakte Byles zijn groot boek over het Wisselrecht af en bracht Smith
zijn onsterfelijk werk over de gerechtelijke antecedenten bijeen, –
hier arbeidt Gustavus altijd voort, met Salomo tot zijn bijstand;” –
maar de letterkundige kan niet anders dan liefde koesteren voor de
plaats, die zoovele zijner medebroeders bewoond of met scheppingen van
hun brein bevolkt hebben, scheppingen, die voor ons even wezenlijk zijn
als de schrijvers, wier vindingen zij waren. Sir Roger de Coverley, die
in den tuin van den Temple wandelt en zich daar met den Spectator
onderhoudt over de schoonen met hoepelrokken en mouches, die over het
gras drentelen, staat even duidelijk voor mijne oogen als de oude
Samuel Johnson, die, met den Schotschen heer op zijne hielen, door den
mist naar de kamer van Dr. Goldsmith in Brick Court draaft; of Henry
Fielding, die met inktvlekken op zijne lubben en een natten handdoek om
zijn hoofd, te middernacht artikelen voor het Covent Garden Journal
afroffelt, terwijl de drukkersjongen in den gang zit te slapen.
Indien wij de geschiedenis van één enkelen dag konden vernemen, gelijk
die wordt doorgebracht in elk dier huizen van vier verdiepingen op het
morsige binnenplein, waar onze vrienden Pen en Warrington woonden, zou
een of andere Asmodeus van den Temple er een merkwaardig boek over
kunnen schrijven. Misschien woont er gelijkvloers een voornaam
advocaat, die rechtszaken voor de balie van het parlement behandelt, en
die op den tijd van het diner naar Belgravia rijdt, als wanneer ook
zijn klerk een heer wordt, zijne vrienden onthaalt en in de wereld
gaat. Nog slechts kort geleden woonde hij uitgehongerd en zonder
bezigheden op een zolderkamertje; hij leefde van letterkundig werk, dat
hij tersluiks verrichtte; hij hoopte en wachtte en verloor den moed, en
er kwamen maar geen clienten; hij putte zijne eigen middelen en de
hulpvaardigheid zijner vrienden uit; hij moest nederig uitstel
verzoeken aan schuldeischers, en het geduld van arme crediteuren
inroepen. Met volle zeilen scheen hij het verderf te gemoet te gaan,
toen het rad der Fortuin plotseling eene wenteling maakte en den
geluksvogel een dier prachtige prijzen in den schoot wierp, die soms in
de groote loterij van het advocaatsberoep getrokken worden. Veel
knapper advocaten dan hij hebben geen vijfde gedeelte van het inkomen
van zijn klerk, die weinige maanden geleden ternauwernood krediet kon
krijgen voor het poetsen van zijn meesters onbetaalde laarzen. Op de
eerste verdieping zult gij misschien als bewoner een man met een
beroemden naam vinden, die reeds eene halve eeuw in de Inn gewoond
heeft en wiens brein vol boekengeleerdheid is, wiens planken buigen
onder klassieke en rechtsgeleerde werken. Hij heeft al die vijftig
jaren alleen geleefd, alleen en voor zich zelven, en geleerdheid
verzameld en geld opgestapeld. Hij komt nu des avonds uit de club, waar
hij heerlijk gedineerd heeft, op zijne eenzame kamers thuis, waar hij
als een ondeugende oude hermiet leeft. Wanneer hij sterft zal de Inn
eene marmeren plaat ter zijner gedachtenis in den muur laten metselen,
terwijl zijne erfgenamen een gedeelte zijner boekerij zullen
verbranden. Zoudt gij zulk een uitzicht voor uw ouden dag willen
hebben, zoudt gij geld en geleerdheid willen opstapelen en zóó
eindigen? Maar wij moeten niet te lang aan de deur van mijnheer
Doomsday blijven staan. Boven hem woont de achtenswaardige mijnheer
Grump, die ook een oud bewoner der Inn is, en als Doomsday thuis komt
en Catullus gaat zitten lezen, met drie deftige rechtsgeleerde heeren
van zijn leeftijd aan een stevigen rubber whist zit, na een diner, waar
zij hunne drie stevige flesschen port gedronken hebben. Zondags kunt
gij zien, hoe die oude knapen in de kerk van den Temple zitten te
dutten. Zelden komen procureurs hen lastig vallen met de opdracht van
eene zaak, en gelukkig hebben zij van zich zelven eenig vermogen. Aan
den anderen kant van het derde portaal, waar Pen en Warrington wonen,
zit mijnheer Paley, met den hoogsten graad gepromoveerd en tot fellow
van zijn Collegie benoemd, lang na middernacht, ja tot twee ure des
morgens, oude processen te lezen en er de hoofdpunten uit te noteeren;
’s morgens ten zeven ure staat hij weer op en zit dan op het kantoor
van den advocaat, bij wien hij leert, zoodra het open is, waar hij
werkt tot een uur vóór het diner; na den maaltijd, in de
gemeenschappelijke zaal, komt hij thuis en gaat hij weer processen
lezen en uittrekken tot het aanbreken van den volgenden dag, als
wanneer misschien mijnheer Arthur Pendennis en diens vriend mijnheer
Warrington van een of anderen hunner avontuurlijke tochten thuis komen.
Wat heeft mijnheer Paley zijn tijd geheel anders besteed! Die heeft
zich niet weggeworpen; hij heeft enkel en alleen een veelomvattend
verstand met inspanning neergedrukt tot het peil van een onbeduidend
onderwerp, en, om dit behoorlijk te overmeesteren, met vasten wil alle
verhevene denkbeelden, alle dingen, die méér waard zouden zijn, al de
wijsheid van wijsgeeren en geschiedschrijvers, al de vindingen der
dichters, allen geest, alle verbeelding, alle denkvermogen, alle kunst,
liefde, waarheid buitengesloten, opdat hij zich die onmetelijke fabel
van het recht zou mogen eigen maken, met welks toelichting hij zijn
onderhoud hoopt te verdienen. Warrington en Paley waren in vroeger
dagen mededingers naar de eereprijzen der universiteit geweest en
hadden elkander zeer na op de hielen gezeten; en iedereen verklaarde
nu, dat de eerstgenoemde zijn tijd en zijne talenten verspilde, maar
prees daarentegen Paley om zijne vlijt. Het zou echter nog de vraag
kunnen zijn, wie van beiden zijn tijd het best besteedde. De een kon
tijd vinden om te denken, en dat kon de ander nooit. De een kon
genegenheid opvatten en vriendschap bewijzen, en de ander moest
noodwendig altijd zelfzuchtig zijn. Hij kon geen vriendschapsband
aanhouden, of eene weldaad doen, of een werk van genie bewonderen, of
in geestdrift ontsteken op het zien van iets schoons, of op het hooren
van een roerend lied; hij had geen tijd en geen aandacht voor iets
anders dan zijne rechtsgeleerde boeken. Buiten den lichtkring zijner
studeerlamp was alles donker. De liefde, de natuur, de kunst (die de
uitdrukking is van onze lofprijzing van Gods heerlijke wereld en van de
mate van ons begrip daarvan) gingen hem niet aan. En als hij des avonds
zijne eenzame lamp uitdraaide, legde hij zich, met de vaste
overtuiging, dat hij zijn dag nuttig had besteed, zonder dankgevoel en
zonder zelfverwijt, ter ruste. Maar hij ijsde wanneer hij zijn oud
kameraad Warrington op de trap ontmoette, en schuwde hem als iemand,
die aan het verderf gewijd was.
Het kan het aanschouwen van die ziellooze vlijt en zelfbehaaglijke
kleingeestigheid, die op Paley’s vaal gelaat te lezen stond en uit
zijne half gesloten oogen sprak, of eene natuurlijke overhelling tot
vermaak en gezelligheid, waarop wij bekennen moeten, dat mijnheer Pen
buitengemeen verzot was, geweest zijn, welke dien rampzaligen jonkman
weerhield zijn streven naar de waardigheden van opperrechter of
lord-kanselier met dien ijver, of liever die volharding te vervolgen,
die onmisbaar is voor heeren, welke tot die eerezetels willen
opklimmen. Hij genoot het leven in den Temple met groote opgewektheid;
zijne geachte familie meende, dat hij zoo vlijtig studeerde als een
rechtgeaard student betaamde, en zijn oom schreef brieven vol
gelukwenschen aan de liefhebbende weduwe op Fairoaks en berichtte haar,
dat de jongen uitgeraasd had en de bestendigheid zelve werd. Maar het
ware van de zaak was, dat het leven, hetwelk Pen nu leidde, eene nieuwe
soort van prikkel voor hem bezat, en, nadat hij eenige der fatterige
manieren en voorname airs had laten varen, welke hij aangenomen had
onder zijne aristocratische medestudenten, waarmee hij nu weinig meer
verkeerde, de minder verfijnde vermaken en uitspanningen van een
ongetrouwd heer te Londen hem zeer nieuw en aangenaam waren, gelijk hij
ze dan ook volop genoot. Er was een tijd, dat hij de dandy’s hunne
fraaie paarden in Rotten Row benijd zou hebben, maar thans was het hem
genoeg in het Park te wandelen en naar hen te zien. Hij was nog te jong
om zonder een grooter naam en een aanzienlijker fortuin dan hij bezat,
in de Londensche wereld opgang te maken, en te vadsig, om zonder die
hulpmiddelen vooruit te komen. De oude Pendennis streelde zich met de
overtuiging, dat hij zwaar in het recht studeerde, omdat hij van de
gelegenheid, om in voorname wereld te verkeeren, geen gebruik maakte
en, na een half dozijn bals en partijen bijgewoond te hebben, voor de
verveling en eentonigheid dier bijeenkomsten terugdeinsde; en wanneer
men den waardigen majoor naar zijn neef vroeg, gaf de oude heer ten
antwoord, dat de jonge schavuit zich gebeterd had, zoodat men hem bijna
niet van zijne boeken weg kon krijgen. Doch de majoor zou bijna even
erg geijsd hebben als mijnheer Paley, indien hij geweten had welk een
leven mijnheer Pen eigenlijk leidde en hoezeer hij zijne rechtsgeleerde
studiën met vermaken afwisselde.
Eenige uren lezens des morgens, eene wandeling in het Park, een
roeipartijtje op de rivier, een tochtje den heuvel op naar Hampstead en
een bescheiden diner in eene restauratie, een avond hier of daar in
vroolijkheid, maar niet in ondeugd doorgebracht (want Arthur Pendennis
koesterde zulk eene oprechte bewondering voor de vrouwen, dat hij er
geene in zijn gezelschap dulden kon, die niet braaf en rein waren,
althans in zijn oog), een stil avondje thuis met een vriend, een pijpje
en een matig teugje Britschen drank, waarvan vrouw Flanagan, de
waschvrouw, steeds de qualiteit onderzocht: – dit waren de bezigheden
van onzen jongen heer, zoodat men zal moeten erkennen, dat hij geen
onpleizierig leven leidde. Gedurende den studietijd legde mijnheer Pen
eene prijzenswaardige stiptheid aan den dag in de vervulling van ten
minste één onderdeel der plichten van een student, namelijk het
nuttigen van zijn diner in de eetzaal der Inn. De eetzaal van den Upper
Temple levert ook inderdaad een belangwekkend gezicht op, en behoudens
eenige onbeduidende veranderingen en anachronismen, die daar
langzamerhand zijn ingevoerd, zou men er zich kunnen neerzetten, in de
overtuiging, dat men aan een maaltijd in de zeventiende eeuw deel nam.
De gepromoveerde advocaten en de studenten hebben hunne afzonderlijke
tafels; degenen, die het reeds tot de waardigheid van rechter gebracht
hebben, zitten aan de voornaamste tafel op eene verhevenheid, omringd
van de portretten van opperrechters en vorstelijke personen, die de
feestmaaltijden in deze zaal met hunne tegenwoordigheid, of met blijken
van hunne goedkeuring, vereerd hebben. Toen Pen hier voor het eerst
werd binnengeleid en rondkeek, vond hij het tooneel, dat zich aan zijn
oog vertoonde, zeer aardig. Als medestudenten zag hij hier heeren van
allerlei leeftijd, van zestig tot zeventien jaar; zwaarlijvige
procureurs met grijze hoofden, die den als hooger beschouwden
advocaatsrang wilden bekomen, dandy’s en heeren van de wereld, die, om
de eene of andere reden, eenmaal wilden kunnen zeggen, dat zij sinds
zeven jaar advocaat waren; bruinachtige, zwartoogige inboorlingen der
koloniën, die overgekomen waren om hier te promoveeren en later op de
eilanden, waar zij thuis behoorden, te praktizeeren, en eindelijk vele
heeren van Iersche afkomst, die eenigen tijd in Middle Temple Lane
doorbrengen, alvorens zij naar hun groen geboorteland terugkeeren. Er
waren kleine groepjes hardwerkende studenten, die gedurende den
ganschen maaltijd over het recht spraken; anderen, die hunne hoofdzaak
van roeien maakten en wier gesprek over wedstrijden, den Vauxhall, de
opera enz. liep; nog anderen, die ver waren in de politiek en in de
debatteerclubs der studenten het woord voerden; en met al die soorten
van studenten – uitgezonderd de eerste, wier gesprekken eene bijna
onbekende en, in elk geval, in eene geheel onverschillige taal voor hem
waren – maakte mijnheer Pen allengs kennis, daar hij in vele punten met
hen sympathiseerde.
De oude en vrijgevige Inn van den Upper Temple verschaft in hare
eetzaal voor een zeer matigen prijs een uitmuntend, hoewel eenvoudig
diner, van soep, vleesch, gebak en portwijn of sherry, aan de advocaten
en studenten, die daar komen eten. Elk tafeltje is voor vier gasten
bestemd, en elk viertal krijgt een stuk ossevleesch of schapebout, een
appeltaart en eene flesch wijn! Maar de eerzame bezoekers dier eetzaal,
die tot den minderen stand der studenten behooren en desniettemin van
een goed leventje houden, kennen verscheidene onschuldige kunstjes om
hun maal te verbeteren; „loopjes”, zooals men in de gemeenzame
spreektaal zegt, – waardoor zij fijnere schotels trachten machtig te
worden, dan de gewone alledaagsche, waarmee de studenten zich moeten
vergenoegen.
„Wacht eens even,” zeide mijnheer Lowton, een dier gourmands van den
Temple, terwijl hij Pen aan zijn tabbaard trok; „de tafels hier zijn
zeer vol, en daar ginds zitten slechts drie rechters voor tien
schotels; als wij wachten, zullen wij misschien wel iets van hunne
tafel krijgen.” Op die woorden keek Pen met zekere nieuwsgierigheid,
gelijk Lowton met groote begeerigheid, naar de verheven tafel der
rechters, waar drie oude heeren achter een dozijn zilveren
schoteldeksels stonden, terwijl de kapelaan het gebed opdreunde.
Lowton was een groot man, wanneer het op de leiding van een diner
aankwam. Hij trachtte het zoo aan te leggen, dat hij de eerste, of
„kapitein” van de tafel was, waardoor hem het dertiende of laatste glas
uit de flesch portwijn ten deel viel. Als zoodanig had hij dan ook het
bestuur over het stuk vleesch, hetwelk hij op zijne geliefkoosde wijze
voorsneed, en wist zich dikwijls behendig van de saus te bedienen,
hetgeen Pen verbazend vermaakte. Arme Jack Lowton! wat gij van het
leven genoot, was zeer onschuldig; hoewel gij door en door een
epicurist waart, ging uwe begeerte de grenzen van anderhalve shilling
niet te buiten!
Pen was een weinig ouder dan vele zijner medestudenten en had, gelijk
wij reeds gezegd hebben, in houding en voorkomen iets voornaams en
vrijmoedigs, dat hem voor een man van de wereld deed erkennen, – iets
geheel anders dan die bleeke studenten, die met elkander over het recht
spraken, en die geweldige dandy’s, met fantasie-overhemden en
zonderlinge borstspelden en vesten, die het luierende gedeelte der
kleine maatschappij vertegenwoordigden. De bescheidene en goedhartige
Lowton had zich aangetrokken gevoeld door Pen’s voorname blikken en
houding, en had aan tafel kennis met hem gemaakt door het gesprek te
openen.
„Vandaag, geloof ik, dat het gekookt vleesch is, mijnheer,” zeide
Lowton tegen Pen.
„Ik geef u mijn woord, mijnheer, dat ik het niet weet,” zeide Pen,
nauwelijks in staat zijn lach te bedwingen; maar hij liet er op volgen:
„ik ben hier nog vreemd, het is mijn eerste jaar,” na welke mededeeling
Lowton hem de voornaamste personen in de zaal begon aan te wijzen.
„Die daar ginds is de rechter Boosey, die kale, die onder de schilderij
zit en nu soep eet; ik wou wel eens weten of het schildpadsoep is! Zij
krijgen dikwijls schildpadsoep. Die naast hem zit is Balls, de
rijks-advocaat, en Swettenham – van de firma Hodge en Swettenham, weet
ge. Dát is Grump, de oudste advocaat; men zegt, dat hij hier veertig
jaar gedineerd heeft. De rechters zenden dikwijls visch van hunne tafel
naar die van de oudste advocaten. Ziet ge die vier wel, die tegenover
ons zitten? Dat zijn eerste pieten – van je voornaamste jongelui, dat
kan ik u verzekeren: mijnheer Trail, zoon van den bisschop van Ealing,
jonkheer Fred Ringwood, broeder van Lord Cinqbars; ik wil wedden om
zooveel ge wilt, dat die wel eene goede betrekking zal krijgen; en Bob
Suckling, die altijd met hem omgaat – ook een groote hans. Ha! ha!” En
hier barstte Lowton in het lachen uit.
„Wat is er?” vroeg Pen, die in dit alles groot behagen schepte.
„Ik wil maar zeggen, dat ik met die jongelui gaarne dineer,” zeide
Lowton, met een veelbeteekenend knipoogje, terwijl hij zich inschonk.
„En waarom?” vroeg Pen.
„Wel, omdat zij – weet je – hier niet komen om te dineeren, maar zich
houden alsof zij het doen. Zij hier dineeren, de hemel bewaar me! Zij
gaan naar een of ander van de voorname clubs, of anders op een groot
diner. Gij kunt hunne namen in den Morning Post zien, als ergens eene
voorname partij in Londen gegeven is. Ik wed, om wat ge wilt, dat
Ringwood zijn cab en Trail zijn brougham (die Trail is een eerste
doordraaier en brengt het geld van den bisschop onder de menschen, dat
verzeker ik u) op dit oogenblik aan den hoek van Essex Street laat
wachten. Zij dineeren! Ik geef u mijn woord, dat zij nog in geen twee
uren dineeren!”
„En waarom zoudt gij gaarne met hen aanzitten, als zij toch niet
dineeren?” vroeg Pen, die het nog altijd niet begreep. „Er is hier toch
genoeg, niet waar?”
„Wat zijt gij toch groen!” zeide Lowton. „Ik vraag excuus, maar
inderdaad gij zijt groen. Gij ziet, dat zij geen wijn gebruiken, en als
men met die drie jongelui aanzit, heeft men de flesch alleen. Dat is de
reden waarom Corkoran zich bij hen heeft ingedrongen.”
„Nu, mijnheer Lowton, ik moet zeggen, dat gij een slimme vogel zijt,”
riep Pen zeer ingenomen met zijn nieuwen bekende; waarop de ander zedig
antwoordde, dat hij het grootste gedeelte zijns levens in Londen had
doorgebracht en zijne oogen natuurlijk niet op zak hield, waarna hij
met zijne opmerkingen tegen Pen voortging.
„Er zijn hier heel wat Ieren,” zeide hij; „die Corkoran is er één van,
en ik kan niet zeggen, dat ik het bijzonder op hem heb. Die knappe
jongen daar, met die blauwe das, dat paarsche overhemd en dat gele
vest, behoort er ook toe; het is Molloy Maloney van Ballymaloney, neef
van den generaal-majoor Sir Hector O’Dowd – hi, hi,” zeide Lowton, die
het Hibernisch accent poogde na te bootsen. „Hij bluft altijd op zijn
oom en kwam denzelfden dag, toen hij ten hove voorgesteld was, met eene
broek met zilveren strepen hier in de eetzaal. Die andere daar, naast
hem, met dat lange, zwarte haar, is een vreeselijke rebel; als gij hem
in de debatteerclub hoort, mijnheer, stolt u het bloed in de aderen!
Die volgende is ook een Ier, Jack Finucane, Londensche correspondent
van een dagblad. Al die Ieren hangen aan elkander. Het is uwe beurt om
uw glas te vullen. Hoe? wilt gij geen port meer? Houdt gij niet van
port onder het eten? Dan gaat dit op uwe gezondheid!” De goede man
gevoelde zijne genegenheid voor Pen toenemen, omdat deze bij het diner
niet van portwijn hield.
Terwijl Pen aan een dier diners met zijn bekende Lowton als „kapitein”
van de tafel deel nam, voegde zich iemand in advocaten-toga bij hen,
die geen plaats bij de heeren van zijn eigen rang scheen te kunnen
vinden en nu naar hunne tafel kwam, en op de bank, waar Pen zat, plaats
nam. Hij droeg oude kleeren en een valen tabbaard, dien hij nasleepte,
en een hemd, dat wel helder, maar zeer versleten was en veel verschilde
van het paarsche hemd van mijnheer Molloy Maloney, die aan de naaste
tafel eene in het oog loopende plaats bekleedde. Het is gebruikelijk,
dat de heeren, die in de zaal van den Upper Temple dineeren, hunne
deelneming aan den maaltijd te kennen geven, door hun naam op een
stukje papier te schrijven, dat daarvoor met een potlood op elke tafel
gereed ligt. Lowton schreef zijn naam het eerst, daarop volgde Arthur
Pendennis, en eindelijk kwam de heer met de oude kleeren. Hij
glimlachte toen hij Pen’s naam las en keek hem aan. „Wij moeten
elkander kennen,” sprak hij. „Wij zijn allebei studenten van het
Bonifacius-Collegie. Ik ben Warrington.
„Zijt gij Warrington de doord...?” riep Pen uit, wien het verheugde
dezen grooten man te zien.
„Ja, Warrington de doordraaier, ja wel!” antwoordde Warrington
lachende. „Ik herinner mij u nog als jong student. Maar gij schijnt mij
in het geheel niet meer te kennen.”
„In het Collegie spreekt men nog altijd van u,” zeide Pen, die eene
gulle bewondering voor talent en moed koesterde. „Bil Simes, de
schuitenvoerder, dien gij afgerost hebt – gij herinnert het u nog wel –
zou u nog wel eens te Oxbridge willen zien. De jufvrouwen Notley, de
dochters van de modemaakster –”
„St!” zeide Warrington; „het doet mij genoegen kennis met u te maken,
Pendennis. Ik heb veel van u gehoord.”
De jongelui waren dadelijk vrienden en verdiepten zich oogenblikkelijk
in een gesprek over de academie. Pen, die zich bij eene vorige
gelegenheid als een voornaam heer had willen voordoen, toen hij aan
Lowton te verstaan gaf, dat hij bij zijn diner geen portwijn kon
drinken, vond – tot groote spijt van den goeden Lowton, geen bezwaar
meer om nog wat te nemen, toen hij zag, dat Warrington zijn aandeel met
grooten smaak gebruikte. Na afloop van het diner vroeg Warrington waar
Arthur voornemens was heen te gaan?
„Ik wilde mij thuis kleeden, om Grisi in de Norma te hooren,”
antwoordde Pen.
„Moet gij daar met iemand in gezelschap zijn?” vervolgde Warrington.
„Neen,” zeide Pen, „ik ga enkel om de muziek, want daarvan ben ik een
groot liefhebber.”
„Ga liever met mij naar huis eene pijp rooken,” zeide Warrington, „eene
enkele pijp. Ga mee; ik woon in Lamb Court; dan praten wij nog wat over
de Academie en den ouden tijd.”
En dus gingen zij heen, terwijl Lowton hen zuchtend nazag. Hij wist,
dat Warrington de zoon van een baronet was, en met innigen eerbied zag
hij tegen de gansche! aristocratie op. Van dien avond af werden Pen en
Warrington groote vrienden. Warrington’s opgeruimdheid en
hartelijkheid, zijn gezond verstand, zijne ongegeneerde ontvangst en
zijne nooit falende pijp tabak bezaten groote bekoorlijkheden voor Pen,
die het aangenamer vond zich met hem naar publieke plaatsen te begeven,
waar men zich voor een shilling kon vermaken, dan in deftige
eenzaamheid, te midden der stille en wellevende bezoekers van den
Polyanthus, te dineeren.
Weldra zeide Pen zijne kamers in St. James op, waar hij na het verlaten
van zijn hotel zijn intrek genomen had; hij vond het veel voordeeliger
zijn verblijf bij Warrington in Lamb Court te nemen, en dáár de ledige
kamer van zijn vriend te meubileeren en te betrekken. Want het moet van
Pen gezegd worden, dat niemand gemakkelijker dan hij te bewegen was
iets te doen, als het iets nieuws was, of hij er lust toe had. Van nu
af deelden Pidgeon, de loopjongen, en Flanagan, de waschvrouw, hunne
trouw tusschen Warrington en Pen.