BABYLON.

De lezer hebbe nu de goedheid de bosschen en stranden van het westen

van Engeland, de praatjes van Clavering en het eentonige leven van het

onbeduidende en kleine Fairoaks te verlaten, om zich in gezelschap van

Arthur Pendennis met de diligence Alacrity naar Londen te verplaatsen,

waarheen hij zich begeeft om het nu eens voorgoed tegen de wereld op te

nemen en fortuin te maken. Terwijl het rijtuig in den nacht van het

ouderlijk huis wegrolt, wikt en weegt de jonkman menig plan voor zijn

verder leven en gedrag, waarbij hij zich voorstelt meer voorzichtigheid

in acht te nemen dan vroeger en wellicht geluk en roem te verwerven.

Hij weet, dat hij meer talent bezit dan menigeen, die hem tot nu toe op

den levensweg is vooruitgesneld; zijne eerste schipbreuk heeft hem met

wroeging vervuld en tot nadenken gebracht; maar zijn moed, of laten wij

liever zeggen, de goede gedachte, die hij van zich zelven had, is niet

vernietigd. Honderderlei schoone droombeelden en hoopvolle

verwachtingen houden hem wakker. Wat hebben zijne tegenspoeden en een

jaar nadenkens en zelf beproeving hem veel ouder gemaakt, sinds hij

twaalf maanden geleden dezen zelfden weg bereisde op zijn tocht van en

naar Oxbridge! In de stilte van den nacht keeren zijne gedachten met

onuitsprekelijke hartelijkheid en teederheid naar zijne liefhebbende

moeder terug, die bij het afscheid hem haar zegen gaf en hem, in

weerwil van al zijne vroegere misstappen en dwaasheden, nog altijd

vertrouwt en liefheeft. Terwijl hij naar de sterren opziet, bidt hij,

dat Gods zegen op haar nederdale. O hemel, schenk hem kracht om te

werken, te dulden, braaf te blijven, de verzoeking te ontwijken, en het

minnende hart, dat hem zoo onverdeeld lief heeft, waardig te blijven!

Zeer waarschijnlijk is zij op dat oogenblik ook wakker, en zendt zij

reiner gebeden voor het welzijn van haar zoon tot denzelfden Vader op.

De liefde dier vrouw is een talisman, waaraan hij zich vastklemt en

waardoor hij de veilige haven hoopt te bereiken. En Laura’s liefde? Ook

hare genegenheid zou hij gaarne met zich genomen hebben, maar zij heeft

hem die geweigerd, omdat hij die niet waardig is. Hij geeft dit met

schaamte en wroeging toe; hij erkent, dat haar karakter veel beter en

edeler is dan het zijne – hij bekent het, en is toch blij, dat hij vrij

is. „Ik ben niet goed genoeg voor zulk een schepseltje,” moet hij bij

zich zelven bekennen. Hij deinst voor hare vlekkelooze schoonheid

terug, als voor iets, dat hem schrik inboezemt. Hij gevoelt, dat hij

eene levensgezellin als deze niet verdient, gelijk menig losbol, die in

vroegere dagen vroom en schuldeloos was, uit de kerk wegblijft, die hij

voormaals placht te bezoeken en die hij nu schuwt, niet omdat hij haar

vijandig is, maar omdat hij gevoelt, dat hij geen recht heeft zich op

die heilige plaats te bevinden.

Daar zulke gedachten Pen bezig hielden, viel hij niet in slaap voordat

de kille dageraad van den October-morgen aanbrak; en toen de diligence

op de oude pleisterplaats B. stilhield, waar hij sinds zijn jongenstijd

menig vroolijk maal gebruikt had op zijn weg van en naar de school en

de academie, ontwaakte hij merkelijk verfrischt. Toen men van daar weer

vertrok, brak de zon helder door; de paarden liepen snel, de trompet

liet zich hooren, de mijlpalen vlogen voorbij, en Pen rookte en

schertste met den conducteur, de passagiers en de voorbijgangers op den

welbekenden weg; elk oogenblik werd het voller en levendiger; het

laatste span paarden kwam te H. voor den wagen en daarop reed die

Londen binnen. Welk jonkman heeft niet zekere ontroering gevoeld toen

hij die groote stad binnenkwam. Honderden andere rijtuigen, met hunne

duizenden passagiers, snelden daar ook heen. „Hier is mijne plaats,”

dacht Pen; „hier begint de strijd, waarin ik moet vechten en

overwinnen, of sterven. Tot nog toe ben ik een kwajongen en een luiaard

geweest. O, ik smacht om te toonen, dat ik een man kan zijn!” En van

zijne plaats boven op den wagen zag de vurige jongeling op de stad

neer, met dat soort van verlangen, hetwelk jonge krijgslieden

ondervinden, wanneer zij op het punt staan een veldtocht te beginnen.

Onderweg had Pen kennis gemaakt met een vroolijken mede-passagier in

een kalen mantel, die heel veel over de letterkundigen sprak, die hij

kende, en zelf de correspondent van een Londensch nieuwsblad was, voor

hetwelk hij eene groote bokspartij in het westen van Engeland was gaan

bijwonen. Deze heer scheen al de voorname letterkundigen van zijn tijd

familiaar te kennen en sprak over Tom Campbell, Tom Hood, Sydney Smith,

kortom over iedereen, alsof hij tot hunne boezemvrienden behoorde. Toen

men Brompton voorbijreed, maakte hij onzen vriend Pen opmerkzaam op

mijnheer Hurtle, den recensent, die daar met zijne paraplu onder den

arm wandelde. Pen boog zich voorover, om den grooten Hurtle goed op te

nemen, en zeide, dat deze in het Bonifacius Collegie gestudeerd had,

waarop mijnheer Doolan, van het dagblad de Ster (gelijk zijn naam en

adres luidde op het kaartje, dat hij Pen overhandigde) ten antwoord

gaf, dat dit ook inderdaad zoo was „en dat hij hem heel goed kende.”

Pen beschouwde het als eene eer, den grooten Hurtle gezien te hebben,

wiens werken hij bewonderde. Tot nog toe geloofde hij oprecht aan

schrijvers, recensenten en redacteurs; zelfs Wagg, wiens boeken hem

niet als meesterstukken van vernuft voorkwamen, vereerde hij heimelijk

als een gevierd schrijver. Hij zeide, dat hij Wagg buiten ontmoet had,

waarop Doolan hem verzekerde, dat die vermaarde auteur driehonderd pond

per deel voor elk zijner romans ontving, en dadelijk begon Pen te

berekenen, of hij zelf op die wijze niet vijf duizend pond ’s jaars zou

kunnen verdienen.

De eerste bekende, dien Arthur in het oog kreeg toen de diligence voor

het Gloster koffiehuis stilhield, was zijn oude vriend Henry Foker, die

met witte handschoenen en witte leidsels achter een reusachtig paard

Arlington Street in een open rijtuigje kwam afrennen. De natuur had hem

thans met een belangrijken haarbos aan zijne kin versierd. Achter op

Foker’s rijtuig zwaaide een klein knechtje heen en weer, met kromme

knieën en in de nauwst mogelijke lederen broek, welk ventje den eervol

ontslagen Domkop was opgevolgd. Foker keek naar het bestoven rijtuig en

de dampende paarden der Alacrity, waarmee hij in vroeger tijd ook

gereisd had. „Dag, Foker!” riep Pendennis uit, – „Hola, Pen! ouwe

Jongen!” antwoordde de ander en wuifde tot vriendschapsteeken en groet

met zijne zweep naar Arthur, die zeer verheugd was het kluchtige

gezicht van zijn ouden kennis weer te zien. Mijnheer Doolan vatte

grooten eerbied voor Pen op, die een bekende had, die zulk een prachtig

rijtuig bezat, terwijl Pen zeer opgewonden en blij was, dat hij zich in

vrijheid te Londen bevond. Hij noodigde Doolan uit, met hem te dineeren

in het Covent Garden koffiehuis, waar hij zijn intrek zou nemen, en met

groote opgewektheid riep hij eene vigilante en rolde derwaarts. Met

genoegen zag hij den drukken knecht en den beleefd buigenden kastelein

weer. Hij vroeg naar de vrouw van den kastelein, betuigde zijne spijt,

dat de oude laarzenpoetser weg was, en zou wel iedereen de hand geschud

hebben. Hij had honderd pond op zak. Hij kleedde zich zoo sierlijk

mogelijk, dineerde in de koffiekamer met een bescheiden pintje sherry

(want hij had besloten zeer zuinig te zijn) en begaf zich daarop naar

den naburigen schouwburg.

Het licht en de muziek, de menschenmenigte en de levendigheid verrukten

Pen en stemden hem vroolijk, een invloed, dien zulke tooneelen

doorgaans op jongelieden uitoefenen, die van de academie of van het

platteland komen, en voor wie ze tamelijk nieuw zijn. Hij lachte om de

aardigheden en applaudisseerde de liedjes, tot vermaak van eenige der

oude lustelooze habitués der loges, die sinds lang niet de minste

opwekking meer vonden op die plaats, waar zij des avonds gewoon waren

te verschijnen, zoodat zij met genoegen iemand zagen, die nog zoo groen

was en zich zoo amuseerde. Na het voorstuk drentelde hij door de gangen

van den schouwburg, alsof hij zich op eene allervoornaamste plaats

bevond. Zou er wel één afgemat Londensch straatslijper zijn, die

dergelijke jeugdige illusiën niet gekoesterd heeft en ze niet gaarne

zou terugroepen? Daar was de jonge Foker weer, gelijk van zulk een

vurig najager des vermaaks te verwachten was. Hij wandelde op en neer

met Granby Tiptoff van de garde, Lord Tiptoff’s broeder, en Lord

Colchicum, den oom van kapitein Tiptoff, een eerwaardig pair, die

sedert de eerste Fransche omwenteling een man van de wereld was

geweest. Foker liep met drift naar Pen en liet niet af, voordat deze

was meegegaan naar zijne eigen loge, waar eene dame met de langste

krullen en de blankste schouders, die men zich kan voorstellen, gezeten

was. Dit was jufvrouw Blenkinsop, de talentvolle actrice. Achter in de

loge zat de oude Blenkinsop, haar papa, onder eene pruik te dutten. Op

de tooneelprogramma’s werd hij beschreven als „de veteraan Blenkinsop,”

– „de onmisbare Blenkinsop,” – „de lieveling van het publiek,

Blenkinsop.” Gewoonlijk vervulde deze veteraan op het tooneel de rollen

van père noble, en werkelijk speelde hij zoowel in het openbare als in

het bijzondere leven altijd de rol van tooneelvader.

Op dit oogenblik – het was omstreeks elf ure – lag mevrouw Pendennis op

Fairoaks, te bed, vol nieuwsgierigheid of haar lieveling, Arthur, nu

ook van zijne reis uitrustte. Ook Laura lag wakker. En op dit zelfde

uur gisterenavond deed Pen, terwijl de diligence over den stillen weg

voortrolde, langs de verlichte vensters van boerenwoningen en langs

donkere bosschages, onder den helderen hemel, waar de sterren

fonkelden, de gelofte, dat hij zich zou beteren en aan de verzoeking

het hoofd bieden, want zijn hart was nog thuis..... Inmiddels werd het

nastuk zeer vroolijk afgespeeld, en betooverde mevrouw Leary, in een

huzarenwambuis en eene gegalonneerde broek, de toeschouwers met haar

schalksch spel, hare bekoorlijke gestalte en hare overheerlijke

liedjes.

Daar Pen een nieuweling in Londen was, zou hij gaarne naar mevrouw

Leary geluisterd hebben; maar de anderen in de loge gaven niet om hare

liederen, of hare pantalon, en zaten aanhoudend te praten. Tiptoff wist

waar hare maillots vandaan kwamen. Colchicum had haar in 1814 voor het

eerst zien optreden. Jufvrouw Blenkinsop zeide, dat zij heel valsch

zong, tot ergernis en verbazing van Pen, voor wien zij zoo schoon was

als een engel en zoo zoet als een nachtegaal kweelde; en toen Hoppus,

als Sir Harcourt Featherby, den jeune premier, optrad, verklaarden de

heeren in de loge, dat hij te oud werd, terwijl Tiptoff jufvrouw

Blenkinsop’s bouquet aan Hoppus wilde toewerpen.

„Om alles ter wereld niet!” riep de dochter van den veteraan

Blenkinsop; „ik heb het van Lord Colchicum gekregen.”

Pen herinnerde zich den naam van dien edelman, en zeide buigend en

blozend, dat hij meende Lord Colchicum te moeten bedanken voor zijne

goedheid, dat hij hem op verzoek van zijn oom, majoor Pendennis, tot

lid van de Megatherium-club voorgehangen had.

„Zoo, zijt gij de neef van Pruikenburg, wezenlijk?” zeide de pair. „Ik

vraag u verschooning; – onder ons noemen wij hem altijd Pruikenburg.”

Pen werd rood, toen hij zijn achtbaren oom met zulk een spotnaam hoorde

bestempelen. „Wij hebben u verleden week geballoteerd, geloof ik; ja,

het was verleden Woensdagavond. Uw oom was er niet bij.”

Dat was een heerlijk nieuws voor Pen! Hij betuigde zijn innigen dank

aan Lord Colchicum, in eene sierlijke toespraak, die de ander met zijn

tooneelkijker voor de oogen aanhoorde. Pen was boven de wolken bij de

gedachte, dat hij lid van die voorname club was.

„Kijk niet altijd naar die loge, ondeugd!” riep jufvrouw Blenkinsop den

lord toe.

„Het is een duivelsch mooie vrouw, die Mirabel,” zeide Tiptoff,

„ofschoon Mirabel een verd– gek was, dat hij haar trouwde.”

„Een ouwe stommerik!” zeide de pair.

„Mirabel!” riep Pendennis uit.

„Ja, ja,” zeide Henry Foker lachende, „Wij hebben al vroeger van haar

gehoord, niet waar, Pen?”

Het was Pen’s eerste liefde: het was niemand anders dan jufvrouw

Fotheringay. Een jaar geleden was zij naar het huwelijksaltaar geleid

door Sir Charles Mirabel, grootkruis van de Bath-orde en oud-gezant aan

het hof van Pompernikkel, die zulk een belangrijk aandeel had genomen

in de onderhandelingen op het congres te Zwammerdam en namens hare

Britsche Majesteit den vrede van Pultusk had geteekend.

„Emily is altijd zoo dom als eene eend geweest,” merkte jufvrouw

Blenkinsop aan.

„Eh! eh! pas si bête,” antwoordde de oude pair.

„O foei!” zeide de actrice, die er geen woord van verstond.

En Pen keek nog eens en zag zijne eerste liefde weer – en was

verwonderd, dat hij haar ooit had kunnen beminnen.

Op die wijze zag mijnheer Arthur Pendennis, den allereersten avond van

zijn verblijf te Londen, zich ingelijfd in eene club en in aanraking

gebracht met eene actrice, een père noble van het tooneel, en een

levendig gezelschap van oude en jonge vroolijke losbollen; want Lord

Colchicum, ofschoon gebogen onder den last der jaren, kaal van hoofd en

verzwakt van gestel, was nog altijd onvermoeid in het najagen van het

vermaak, en de achtbare burggraaf beroemde zich, dat hij nog evenveel

wijn kon drinken als het jongste lid van den kring, waarin hij

verkeerde. Hij ging met de jongelui der stad om, gaf hun diners te

Richmond en te Greenwich; onthaalde, als verlicht beschermer van het

tooneel in alle talen, en van de kunst van Terpsichore, de dramatische

kunstenaars van alle natiën op zijne partijen – Engelschen van de

schouwburgen in Covent Garden en het Strand, Italianen van dien in de

Haymarket, Franschen van hun eigen lief tooneeltje, of van de planken

der Opera, waar zij dansten. En op zijne villa aan den Theems gaf deze

steunpilaar van den Staat prachtige partijen aan dozijnen voorname

jonge heeren, die zich zeer minzaam aansloten bij de heeren en dames

van het tooneel – vooral bij de laatste; want de burggraaf Colchicum

verkoos haar gezelschap boven dat harer broederen, daar hij het

beschaafder en vroolijker vond.

Pen ging reeds den volgenden dag zijne entrée in de club betalen, welke

operatie precies een derde gedeelte van zijne honderd pond verslond,

waarna hij bezit nam van het gebouw en er met een onbeschrijfelijk

welbehagen ontbeet. Hij begroef zich in de leeskamer in eene voltaire,

en trachtte al de tijdschriften door te lezen. Hij was nieuwsgierig of

de leden ook naar hem keken en verwonderde zich, dat zij in zulke

prachtige vertrekken den hoed durfden ophouden. Hij ging op papier van

de club een brief naar Fairoaks schrijven waarin hij uitweidde over de

verpoozing, die deze plaats hem zou schenken, als zijn dagwerk was

afgeloopen. Vervolgens begaf hij zich niet zonder angst naar de kamers

van zijn oom in Bury Street, omdat het de stellige wensch zijner moeder

was geweest, dat hij dadelijk een bezoek bij majoor Pendennis zou

afleggen; en het nam hem een pak van het hart, toen hij hoorde, dat

zijn oom nog niet van zijne reis terug was. Ooms vertrekken zagen er

verlaten uit: de schrijftafel was met grijs linnen overtrokken, en op

den schoorsteenmantel lagen brieven en rekeningen kalm op den

geadresseerden te wachten. De majoor was, zooals zijne jufvrouw zeide,

met den markies van Steyne op het vasteland te „Badnbadn.” Pen legde

zijn kaartje, waarop nog Fairoaks stond, bij de overige op den

schoorsteenmantel.

Toen de majoor te Londen terugkwam, hetgeen nog tijdig genoeg

geschiedde om de November-misten te genieten, waarna hij zich

voorstelde den Kersttijd bij eenige vrienden op het land te gaan

doorbrengen, vond hij een tweede kaartje van Arthur, waarop Lamb Court,

Temple, gegraveerd was, met een briefje van dien jongen heer en van

zijne moeder, inhoudende, dat hij naar Londen gekomen was, zich in den

Upper Temple had laten inschrijven en nu vlijtig in de rechten

studeerde.

Lamb Court, Temple: – waar was dat? Majoor Pendennis herinnerde zich

wel eens van voorname dames gehoord te hebben, dat zij met mijnheer

Ayliffe, den advocaat, gedineerd hadden, die in „de wereld” kwam en in

King’s Bench woonde, van welke gevangenis zich vermoedelijk eene

afdeeling in den Temple bevond, waarvan Ayliffe dus, denkelijk, een

beambte was. Mijnheer Deuceace, de zoon van Lord Crabs, had daar ook

gewoond, naar hij zich te binnen bracht. Hij zond dus Morgan af, om uit

te vorschen waar Lamb Court was, en verslag te doen over de soort van

woning, die mijnheer Arthur gekozen had. Die snuggere afgevaardigde had

weinig moeite, om Pen’s verblijf te ontdekken. De stille Morgan had in

zijn tijd wel personen uitgevonden, die vrij wat moeielijker te

ontdekken waren dan Arthur.

„Wat soort van plaats is het, Morgan?” vroeg de majoor den volgenden

morgen van achter zijne bedgordijnen in Bury Street, toen de knecht te

midden van den dikken, gelen Londenschen mist de toiletbenoodigdheden

rangschikte.

„De plaats is een beetje raar,” antwoordde Morgan. „Er wonen daar

procureurs en advocaten en hunne namen staan op de deur. Mijnheer

Arthur woont op de derde verdieping, mijnheer. Mijnheer Warrington

woont daar ook, mijnheer.”

„Van de Warrington’s uit Suffolk, denkelijk! Eene heel goede familie,”

dacht de majoor; „de jongere zonen van vele onzer voorname familiën

kiezen de rechtsgeleerdheid tot hun beroep. Zijn het mooie kamers, hé?”

„Ik heb alleen de deur van buiten gezien, mijnheer, met den naam van

mijnheer Warrington en dien van mijnheer Arthur er op geschilderd,

terwijl op een stuk papier geschreven stond: „Ten zes uur weer thuis.”

Maar ik heb geen bediende kunnen vinden, mijnheer.”

„Dat is in ieder geval goedkoop,” zeide de majoor.

„Ja wel, mijnheer. Drie verdiepingen, mijnheer. Zoo’n vuile, donkere

trap heb ik nog nooit gezien. Het verwondert mij, hoe een gentleman op

zulk eene plaats kan wonen.”

„Zeg eens, wie heeft u geleerd waar gentlemen al of niet moeten wonen,

Morgan? Mijnheer Arthur, vriendje, gaat studeeren voor advocaat,

begrijpt ge?” zeide de majoor met groote deftigheid, maakte een einde

aan het gesprek en begon zich onder den gelen mist te kleeden.

„Jongelui blijven jongelui,” overlegde de verteederde oom bij zich

zelven. „Hij heeft mij een drommels aardigen brief geschreven.

Colchicum zegt, dat hij hem te dineeren heeft gehad en vindt, dat hij

zich als gentleman voordoet. Zijne moeder is het beste vrouwtje ter

wereld. Als hij uitgeraasd heeft en zich op zijne zaken wil toeleggen,

kan er nog iets van hem komen. Dat Charley Mirabel, die ouwe gek, dat

vroegere liefje van hem, die Fotheringay, getrouwd heeft! Hij wil

liefst niet hier komen voordat ik hem daartoe verlof geef en zet dat op

eene echt fatsoenlijke en kiesche wijze uiteen. Ik was verduiveld boos

op hem na zijne dwaasheden te Oxbridge en liet het hem ook gevoelen

toen hij de laatste maal hier was. Wel, ik zal hem eens gaan bezoeken,

– voor den drommel, dat zal ik doen!”

En na van Morgan vernomen te hebben, dat hij zonder veel moeite in den

Temple kon komen en dat een der omnibussen hem daar aan de poort zou

afzetten, stapte de majoor op zekeren dag, na in zijne club ontbeten te

hebben – niet de Polyanthus, waar mijnheer Pen juist tot lid aangenomen

was, maar eene andere, want de majoor was veel te slim om een neef tot

bestendig bezoeker eener societeit te willen hebben, waar hij gewoon

was zelf zijn tijd door te brengen – stapte de majoor, zeggen wij, op

zekeren dag in een omnibus, en verzocht den conducteur hem aan de poort

van den Upper Temple te laten uitstappen.

Toen de majoor die sombere poorten bereikte, was het ongeveer twaalf

uren op den middag. Een beleefd persoon, aan zijne kleeding een bode,

geleidde hem door eenige donkere gangen en verschillende sombere

gewelven over pleinen, waarvan het eene nog donkerder was dan het

andere, tot hij eindelijk Lamb Court bereikte. Indien het donker was in

Pall Mall, wat was het dan wel in Lamb Court? Er brandden daar kaarsen

in vele van de vertrekken – op het kantoor van den heer Hodgeman, den

voornamen advocaat, waar zes leerlingen bij het kaarslicht zaten te

schrijven; in de kamer van den klerk van Sir Hokey Walker, waar de

klerk, verreweg deftiger en innemender van voorkomen dan de beroemde

rechtsgeleerde zijn meester, aan de deur met veel deftigheid stond te

praten met den eersten klerk van een procureur; en in den winkel van

Curling den pruikmaker, alwaar, bij het flauwe schemerlicht van een

paar kaarsen, groote advocaten- en rechters-pruiken somber neerhingen,

terwijl de pruikebollen naar den lantarenpaal op het binnenplein

schenen te kijken. Twee kleine klerkjes speelden kruis en munt onder

het schijnsel van die gaspit. In eene der deuren ging eene

schoonmaakster op klompen binnen: uit eene andere kwam een

courantenjongen te voorschijn. Een kruier, wiens wit voorschoot slechts

flauwtjes zichtbaar was, liep op en neer. Men kon zich onmogelijk eene

somberder plaats voorstellen, en de majoor sidderde bij de gedachte,

dat iemand daar zijn verblijf kon vestigen. „Goede Hemel!” zeide hij,

„hier moet de arme jongen niet blijven wonen!”

De flauwe en smerige olielampen, waarmee de trappen in den Upper Temple

des avonds verlicht worden, brandden natuurlijk niet over dag, en nadat

majoor Pendennis met moeite den naam van zijn neef onder dien van

mijnheer Warrington, op den muur van nº. 6 gelezen had, kostte het hem

nog meer moeite om de afschuwelijke donkere trap te beklimmen, langs

wier leuningen, die hare kille vochtigheid aan zijne handschoenen

mededeelden, hij al tastende den weg zocht, tot hij op de derde

verdieping aankwam. In den gang van een der twee reeksen kamers brandde

eene kaars; de deuren stonden open, en de namen van Warrington en A.

Pendennis waren voor den majoor zeer duidelijk leesbaar toen hij

binnenging. Eene Iersche werkvrouw, met emmer en bezem toegerust, deed

de deur voor den majoor open.

„Is daar het bier?” riep eene zware stem uit. „Geef het gauw hier!”

De heer, die dit zeide, zat met ongeschoren gezicht op eene tafel, een

kort pijpje te rooken, en iets verder zat Pen op een stoel, met eene

sigaar in den mond en de beenen bij het vuur. Een kleine jongen, die

het ambt van klerk bij deze heeren waarnam, grinnikte in het gezicht

van den majoor over het denkbeeld, dat men hem voor het „bier” had

gehouden. Hier op de derde verdieping waren de vertrekken iets lichter,

zoodat de majoor zien kon waar hij zich bevond.

„Pen, mijn jongen, ik ben het, – het is – het is uw oom,” zeide deze,

half gestikt door den rook. Doch daar de meeste jongelui van aanzien

ook, sigaren gebruikten, vergaf hij die praktijk gaarne.

Warrington sprong van de tafel af en Pen, vrij onthutst, van zijn stoel

op. „Ik vraag verschooning, dat ik mij zoo straks in u vergiste,” zeide

Warrington op openhartigen en luiden toon. „Mag ik u eene sigaar

presenteeren, mijnheer? Ruim die dingen daar van den stoel weg,

Pidgeon, en zet hem bij het vuur.”

Pen wierp zijne sigaar in den haard en was verheugd, dat zijn oom hem

met zooveel hartelijkheid de hand drukte. Zoodra de majoor den invloed

van het trappenklimmen en den rook te boven gekomen was en spreken kon,

begon hij met veel vriendelijkheid Pen te ondervragen over zijn eigen

toestand en dien zijner moeder; want het bloed doet zich toch altijd

gelden en het verschafte hem genoegen den knaap weer te zien.

Pen gaf de gevraagde inlichtingen en stelde daarop aan zijn oom

mijnheer Warrington voor – oud-student van het Bonifacius-Collegie –

met wien hij deze kamers bewoonde.

De majoor was volkomen voldaan, toen hij hoorde, dat mijnheer

Warrington een jongere zoon was van Sir Miles Warrington in Suffolk.

Hij had, jaren geleden, met een oom van hem in Indië en Nieuw

Zuid-Wallis gediend.

„Die is daar schapen gaan houden en heeft fortuin gemaakt, mijnheer, –

dat was een beter baantje dan advocaat of soldaat,” zeide Warrington.

„Ik geloof, dat ik ook maar daarheen zal gaan.” En toen, op dit

oogenblik, het bier in eene kan met een glazen bodem binnenkwam, zeide

Warrington lachend, dat de majoor daar zeker niet van gediend zou zijn,

waarop hij er zelf eene lange teug uitnam en vervolgens zijn baard met

de vuist afveegde, met de meeste voldoening. De jonkman was volkomen op

zijn gemak en volstrekt niet verlegen. Hij droeg een oud, versleten

jachtbuis en had een borsteligen, blauwen baard; hij dronk bier als een

zakkendrager, en toch herkende men dadelijk in hem den fatsoenlijken

man.

Na nog een paar minuten gezeten te hebben, ging hij heen en liet de

kamer aan Pen en diens oom over, opdat zij hunne familiezaken zouden

kunnen bespreken, als zij er roeping toe gevoelden.

„Uw kameraad schijnt een vrij ongegeneerd heer te zijn,” sprak de

majoor, „van eenigszins anderen stempel dan uwe dandyachtige vrienden

te Oxbridge.”

„Het zijn nu andere tijden,” zeide Arthur en werd rood. „Warrington is

pas kortelings advocaat geworden en heeft nog niets omhanden; maar hij

is vrij goed op de hoogte in de rechten, en zoolang ik niet in de leer

kan komen bij een advocaat met drukke praktijk, gebruik ik zijne boeken

en laat mij door hem voorlichten.”

„Is dat één van die boeken?” vroeg de majoor met een glimlach, want

naast den poot van Pens stoel lag een Fransche roman.

„Dit is geen werkdag, oom,” zeide de knaap. „Wij waren gisterenavond

zeer laat op eene partij gebleven – bij Lady Whiston,” voegde hij er

bij, daar hij zijn ooms zwak kende. „Wij zagen daar alle voorname lui,

die in de stad waren, behalve u; graven, ambassadeurs, Turken, ridders

van den Kouseband, ik weet al niet wie – zij staan allen in de courant

– en mijn naam ook,” liet Pen er met groote opgetogenheid op volgen.

„Ik heb daar nog een oud liefje van mij ontmoet, oom,” zeide hij met

een lach. „Gij weet wel wie ik meen, oom, – Lady Mirabel, – aan wie ik

opnieuw werd voorgesteld. Zij gaf mij de hand en was zeer vriendelijk.

Ik heb u nog altijd te danken, dat gij mij uit dien valstrik gered

hebt. Zij stelde mij ook aan haar man voor – een ouden kwast met eene

ridderorde en eene blonde pruik, en die niet hoog schijnt te timmeren.

Zij heeft mij uitgenoodigd, haar een bezoek te brengen, oom, en ik kan

er nu heen gaan, zonder de minste vrees van mijn hart te verliezen.”

„Hoe, hebben wij nieuwe minnarijen aan de hand gehad?” vroeg de majoor

uiterst vroolijk.

„Een stuk of twee drie,” gaf Pen lachend ten antwoord. „Doch ik vat het

thans niet meer doodernstig op; dat gaat er na de eerste

liefdesgeschiedenis af.”

„Zeer goed ingezien, mijn jongen! Minnevuur en liefdeschichten en

verliefdheid tot den dood en zoo voorts is heel goed voor een knaap, en

gij waart niets anders toen dat geval met die Fotheringill – of

Fotheringay (hoe heet zij eigenlijk?) – plaats had. Doch een man van de

wereld laat die dwaasheden varen. Gij kunt nog zeer goed vooruitkomen.

Gij zijt gekwetst geworden, maar gij kunt nog herstellen. Gij zult een

klein inkomen erven, dat iedereen voor vrij wat grooter houdt dan het

is. Gij bezit een goeden naam, goede vermogens, goede manieren en een

goed voorkomen – en ik zie voor den drommel niet in, waarom gij niet

eene vrouw met geld zoudt trouwen – waarom gij niet in het parlement

zoudt komen en u daar onderscheiden – en zoo voorts. Bedenk, dat het

even makkelijk gaat eene rijke als eene arme vrouw te trouwen; en het

is verduiveld veel pleizieriger zich neder te zetten tot een fijn diner

dan tot een schapebout, op gemeubileerde kamers. Prent u dat goed in.

Eene vrouw met een goeden bruidschat te trouwen is verduiveld veel

gemakkelijker dan de advocatenpraktijk, dat kan ik u verzekeren. Kijk

maar eens goed uit de oogen; ik zal het van mijn kant ook voor u doen;

en ik zal mijn hoofd gerust neerleggen, beste jongen, als ik u

verbonden zie met eene vrouw, die eene echte dame is, en gij er een

goed span paarden op nahoudt, in de wereld verkeert en uwe vrienden

ontvangt, als een gentleman. Zoudt gij gaarne willen wegkwijnen,

evenals uwe beste moeder op Fairoaks? Verduiveld, jongen! zonder geld

en omgang in de groote wereld is het leven niets waard.” Op deze en

dergelijke wijze was het, dat de liefhebbende oom sprak en zijne

eenvoudige wijsbegeerte voor Pen uiteenzette.

„Ik zou wel eens willen weten, wat mijne moeder en Laura van dit alles

zouden zeggen?” dacht de jongeling. Maar de zedeleer van den ouden

Pendennis was niet de hare en zijne wijsheid was niet hare wijsheid.

Dit aandoenlijke onderhoud tusschen oom en neef was ternauwernood

afgeloopen, toen Warrington weer uit zijne slaapkamer te voorschijn

kwam, nu niet langer in een haveloos gewaad, maar gekleed gelijk een

gentleman betaamde, met opgerichten hoofde en in eene opgeruimde

stemming. Hij nam de honneurs van zijne slordige zitkamer met evenveel

gemak waar, alsof het de fraaiste kamer in Londen ware geweest. En een

kluchtig vertrek was het, waarin de majoor zijn neef aantrof. Het

vloerkleed was vol gaten en de tafel stond vol kringen van Warrington’s

bierkannen. Er was eene kleine verzameling van rechtsgeleerde boeken,

dichtbundels en werken over de wiskunde, waarvan hij veel hield. (Hij

was in zijn tijd een der grootste pretmakers en ijverigste studenten te

Oxbridge geweest, waar de naam van Warrington den „Doordraaier” nog

beroemd was wegens het afkloppen van schuitenvoerders, het roeien om

het hardst, het winnen van prijzen en het drinken van melk met

brandewijn.) Boven den schoorsteenmantel hing eene afbeelding van het

oude Collegie, terwijl eenige vlijtig gelezen deelen van Plato, met het

welbekende wapen van het Collegie op het plat, op de boekenplanken

stonden. Verder zag men twee armstoelen, een staand lessenaar vol

rekeningen, en eenige nietsbeduidende processtukken op eene

schrijftafel met een verminkten poot. Er was om de waarheid te zeggen

bijna geen meubelstuk, dat niet in den oorlog was geweest en kwetsuren

had bekomen. „Kijk, mijnheer,” zeide Warrington, „hier naast is Pens

kamer. Het is een dandy, zoodat hij zich gordijnen om zijn bed heeft

aangeschaft; hij draagt verlakte laarzen en heeft eene zilveren

toiletdoos.” De kamer van Pen was dan ook met zekere coquetterie

ingericht, en er hingen een paar fraaie platen van opera-danseressen,

boven en behalve eene afbeelding van Fairoaks, aan den muur. In

Warrington’s kamer zag men ternauwernood eenig huisraad, buiten een

groot stortbad en een stapel boeken naast zijn bed, waar hij op stroo

lag en zijne pijp rookte en den halven nacht zijne geliefkoosde

dichters of in wiskundige werken las.

Toen dus mijnheer Warrington zijn eenvoudig toilet gemaakt had, kwam

hij uit zijne kamer te voorschijn en ging naar de muurkast om te zien

wat er voor het ontbijt was.

„Mag ik u eene lamscôtelet presenteeren, mijnheer? Wij braden die

zelven, heet van den rooster, en ik leer Pen de grondbeginselen van de

rechtsgeleerdheid, de kookkunst en de zedekunde allemaal te gelijk. Hij

is een luiaard, mijnheer, en nog veel te veel een dandy.”

En met die woorden veegde mijnheer Warrington een rooster met een stuk

papier af, zette dat werktuig op het vuur, legde er twee lamscôteletten

op en haalde uit eene kast een paar borden en wat messen en zilveren

vorken, benevens eene peperbus.

„Zeg het maar ronduit, majoor Pendennis,” vervolgde hij; „er ligt nog

eene côtelet in de kast, en anders gaat Pidgeon dadelijk halen wat gij

verkiest.”

Majoor Pendennis zat dit alles met verwondering en vermaak aan te zien,

maar zeide, dat hij pas ontbeten had en niets zou gebruiken. Warrington

braadde dus de côteletten en wipte ze nog sissende en knappende op de

borden.

Pen viel met een gezegenden eetlust op zijne côtelet aan, na een blik

op zijn oom, die hem deed zien, dat die heer nog altijd in goede luim

verkeerde.

„Begrijpt ge, mijnheer,” zeide Warrington, – „vrouw Flanagan is niet

hier om ze te braden, en aan den jongen hebben wij niets, want die

kleine schavuit is den ganschen dag bezig met de laarzen van Pen te

poetsen. En nu nog een teugje bier! Pen drinkt thee; maar dat is een

drank voor oude wijven.”

„En dus waart gij gisterenavond bij Lady Whiston?” zeide de majoor, die

waarlijk niet wist waarmee hij tegenover dezen ruwen diamant voor den

dag zou komen.

„Ik bij Lady Whiston? Neen, zóó gek niet, mijnheer! Ik geef niet om het

gezelschap van dames. Om de waarheid te zeggen, ik verveel mij daar. Ik

heb mijn avond wijsgeerig in de Achterkeuken doorgebracht.”

„In de Achterkeuken – wezenlijk?” zeide de majoor.

„Ik zie, dat gij die plaats niet kent,” hernam Warrington. „Vraag er

Pen maar eens naar. Hij is er nog geweest, toen hij van de partij van

Lady Whiston kwam. Kom, Pen, vertel majoor Pendennis eens wat van de

Achterkeuken – wees nu niet beschaamd.”

En zoo vertelde Pen dan, dat het een klein en wel wat zonderling

gezelschap van letterkundigen en pretmakers was, waarin men hem had

opgenomen; en de majoor begon te gelooven, dat de jonge snaak reeds

heel wat van het leven gezien had sedert hij te Londen was gekomen.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 60 / 155 题