TWISTZIEK EN SENTIMENTEEL.

Er woedde een burgeroorlog, er vielen hooge woorden, de menschen

stieten en verdrongen elkander op eene onfatsoenlijke wijze nabij een

venster in den hoek der balzaal, dicht bij de deur, door welke de

chevalier Strong zich een weg baande. Dat venster stond open, zoodat

men de spottende aanmerkingen van het publiek op straat kon hooren,

zooals: „Sla maar toe!” „Daar komen de dienders!” en meer van dien

aard. Aan den éénen kant stond een kring van personen, onder welke

madame Fribsby vooral in het oog viel, rondom monsieur Alcide

Mirobolant geschaard, terwijl onze vriend Arthur Pendennis aan den

anderen kant door verscheidene heeren en dames omringd was. Strong

baande zich naar dit laatste groepje een weg, voorbij madame Fribsby,

die zich over de verschijning van den chevalier verheugde en hem op

angstigen en ontroerden toon toeriep: „Red hem, red hem!”

De verontwaardigde kleine chef van Sir Francis Clavering’s

keukendepartement bleek deze opschudding veroorzaakt te hebben. Kort na

dat Strong de zaal verlaten had en terwijl mijnheer Pen, ten hoogste

verbolgen over zijn val bij het walsen, die hem belachelijk had gemaakt

in de oogen van het publiek, en over jufvrouw Amory’s gedrag ten zijnen

aanzien, dat hem nog verder in zijne eer had getast, zijn lichaam en

ziel weer wat tot bedaren poogde te brengen door uit het venster naar

de zee te staren, die in de verte glinsterde en met de grootste kalmte

voortkabbelde, – terwijl hij, zeg ik, werkelijk tot rust trachtte te

komen en zich zelven misschien bekende, dat hij dien avond zeer dwaas

en onheusch was geweest, voelde hij eene hand op zijn schouder en zag

hij, omkijkende, tot zijne onbeschrijfelijke verbazing en afgrijzen,

dat die hand aan monsieur Mirobolant toebehoorde, wiens oogen uit zijn

bleek gelaat en tusschen zijne haarlokken mijnheer Pen

tegenglinsterden. Dat een Fransche kok hem op den schouder durfde

tikken was een staaltje van familiariteit, dat het bloed der

Pendennis’en in de aderen van hun afstammeling deed koken, en hem bijna

nog meer verstomd dan verontwaardigd deed staan over zulk eene

brutaliteit.

„Spreekt gij Fransch?” vroeg Mirobolant in zijne eigen taal aan Pen.

„Wat gaat u dat aan?” antwoordde Pen in het Engelsch.

„In ieder geval verstaat gij het,” vervolgde de ander met eene buiging.

„Ja, mijnheer,” hernam Pen, met zijn voet stampende; „ik versta u heel

wel.”

„Vous me comprendrez alors, monsieur Pendennis,” zeide de ander en liet

zijne r’s met Gasconsche kracht rollen, „quand je vous dis que vous

êtes un lâche, Monsieur Pendennis – un lâche, entendez-vous?”

„Wat?” vroeg Pen, zich snel naar hem omkeerende.

„Verstaat gij de beteekenis van dat woord en de gevolgen, die het onder

mannen van eer heeft?” ging de artiste voort, terwijl hij zijne hand op

zijne heup plaatste en Pen strak aankeek.

„De gevolgen zijn, dat ik u uit het venster zal werpen, – onbeschaamde

schurk!” bulderde mijnheer Pen, die op den Franschman toesprong en

waarschijnlijk zijne bedreiging verwezenlijkt zou hebben, want het

venster was dicht bij de hand en de artiste was geenszins tegen den

jongen heer opgewassen, indien niet kapitein Broadfoot en een ander

officier van de zware dragonders zich tusschen de twistenden hadden

geworpen, indien de dames niet waren begonnen te gillen, indien de

muzikanten niet hadden opgehouden met spelen, indien niet al de

aanwezigen waren komen toesnellen, indien niet Laura met een heel

verschrikt gelaat over de hoofden had heengekeken en verzocht had in ’s

hemels naam te mogen weten wat er gaande was, indien niet Strong, die

altijd bij de hand was als men hem noodig had, uit de ververschingszaal

te voorschijn ware gekomen, die onzen vriend Alcide, tandenknarsend en

in Gasconsch-Fransch vloekende, aantrof, terwijl Pen eene verbazend

wraakzuchtige houding had aangenomen, ofschoon hij, toen de dames en de

gasten kwamen aansnellen, er heel bedaard poogde uit te zien.

„Wat is er gebeurd?” vroeg Strong in het Spaansch aan den chef.

„Ik ben chevalier de Juillet,” antwoordde deze, terwijl hij op zijne

borst sloeg, „en hij heeft mij beleedigd.”

„Wat heeft hij tegen u gezegd?” ging Strong voort.

„Hij heeft mij – cuisinier genoemd!” bracht de kleine Franschman

sissend uit.

Strong kon met moeite zijn lachlust bedwingen en zeide:

„Ga met mij mee, arme chevalier! Wij moeten in tegenwoordigheid der

dames niet twisten. Ga mee; ik zal uwe uitdaging aan mijnheer Pendennis

overbrengen. – De arme man is niet wèl bij zijn hoofd,” fluisterde hij

aan een paar omstanders toe, terwijl andere personen, onder welke men

Laura’s beangst gelaat ontdekte, Pen omringden en hem naar de oorzaak

der opschudding vroegen.

Pen zeide, dat hij het niet wist, maar voegde er bij: „Die man stond op

het punt zijn arm aan eene jonge dame te geven, waarop ik zeide, dat

hij een kok was, en toen noemde hij mij een lafaard en daagde mij uit.

Ik moet bekennen, dat ik zóó verbaasd en verontwaardigd was, dat ik,

indien gij, heeren, mij niet hadt tegengehouden, hem uit het venster

geworpen zou hebben.”

„En dat zou hij ook verdiend hebben, die verwenschte, onbeschaamde

gek,” zeiden de heeren.

„Het zou mij echter spijten, indien ik zijn gevoel gekwetst had,” liet

Pen er op volgen, en het deed Laura goed hem dit te hooren zeggen; maar

sommige jonge kwasten riepen uit: „Neen, laat de kerel naar den drommel

loopen; weg met die brutale buitenlanders, een pak slagen zou hem

goeddoen!”

„Gij zult hem toch de hand geven eer gij ter rust gaat, niet waar,

Pen?” vroeg Laura, zich bij hem voegende. „Vreemdelingen zijn misschien

gevoeliger dan wij en hebben andere gewoonten. Als gij het eergevoel

van den armen man gekwetst hebt, ben ik zeker, dat gij de eerste zult

zijn om hem vergiffenis te vragen. Gij doet het immers, Pen-lief?”

Terwijl zij dit zeide, scheen zij enkel vergevensgezindheid en

lieftalligheid, – een engel gelijk, – waarop Pen hare beide handen

vatte, haar in het vriendelijk gelaat zag en beloofde, dat hij het

waarlijk doen zou.

„Wat houdt dat meisje toch veel van mij!” dacht hij, terwijl zij hem in

de oogen zag. „Zou ik het haar nu niet zeggen? Neen, nu niet! Eerst

moet die gekke geschiedenis met den Franschman uit den weg geruimd

zijn.”

Laura vroeg of hij niet wilde blijven om met haar te dansen; want zij

was even verlangend om hem in de zaal te houden, als hij om er uit te

komen. „Blijf hier, en doe eene wals met mij, Pen! Ik ben niet bang, om

met u te walsen.”

Deze woorden getuigden voor hare liefderijkheid, maar waren ongelukkig

gekozen. Pen zag zich in gedachte op den vloer liggen, na over jufvrouw

Roundle en den dragonder gestruikeld te zijn en Blanche tegen den muur

te hebben gesmeten, – hij zag zich, zeg ik, op den grond liggende en

door al de toeschouwers, waaronder ook Laura en Pynsent, uitlachen.

„Ik zal nooit weer dansen,” gaf hij met een somber en vast besloten

gelaat ten antwoord, „Nooit weer! Het verwondert mij, dat gij het mij

vraagt.”

„Misschien, omdat gij Blanche niet tot dame kunt krijgen?” vroeg Laura

met ondeugende, maar ongelukkige spijtigheid.

„Neen, maar omdat ik geen mal figuur wil maken, om door anderen te

worden uitgelachen,” antwoordde Pen, – „om door u uitgelachen te

worden. Ik zag het van u en Pynsent. Bij den hemel, niemand zal mij

uitlachen!”

„Pen, Pen, wees zoo ondeugend niet!” riep het arme meisje uit, pijnlijk

getroffen door Pen’s akelige stijfhoofdigheid en verregaande ijdelheid.

Hij gluurde in de richting, waar Pynsent was, op eene manier alsof hij

dien heer bij den kraag wilde vatten, zooals hij den kok gedaan had.

„Wie zou het u euvel duiden, dat gij bij het walsen gestruikeld zijt?

Zoo Blanche het deed, wij doen het niet. Waarom zijt gij zoo

lichtgeraakt en kwalijknemend?”

Het ongeluk wilde weer, dat mijnheer Pynsent op dit oogenblik bij Laura

kwam en zeide: „Lady Rockminster heeft mij opgedragen u te vragen, of

ik u naar het souper mag geleiden?”

„Ik – ik zou met mijn neef gaan,” antwoordde Laura.

„Neen, toch niet!” zeide Pen. „Gij zijt in zulke goede handen, dat ik

niet beter kan doen dan u te verlaten. Ik ga naar huis.”

„Goeden avond, mijnheer Pendennis,” zeide Pynsent droogjes, hetgeen

eigenlijk beteekende: „Loop naar den drommel, onbeleefde, jaloersche,

brutale aap, dien ik de ooren wel eens zou willen wasschen!” Mijnheer

Pendennis verwaardigde zich tot geen ander antwoord dan eene buiging en

ging, in weerwil van Laura’s smeekende blikken, de zaal uit.

„Wat is het daar buiten prachtig helder en kalm,” zeide Pynsent, „en

wat bruist de zee! Het zou aan het strand aangenamer wandelen zijn dan

in deze benauwde zaal.”

„Ja zeker,” gaf Laura ten antwoord.

„Wat is het hier eene zonderlinge mengeling van menschen,” ging Pynsent

voort. „Ik ben genoodzaakt geweest bij allen een praatje aan te knoopen

en mij aangenaam te maken, – bij de dochters van den procureur, bij de

vrouw van den apotheker, ik weet waarlijk niet bij wie al. In de

ververschingszaal was een man, die mij volstrekt op champagne wilde

onthalen – het scheen wel een zeeman – hij was heel opzichtig gekleed

en waarschijnlijk half dronken. Als men het staatkundig gebied wil

betreden, is men genoodzaakt met al die menschen op goeden voet te

komen, maar het is eene zware taak, vooral indien men zoo gaarne ergens

anders zou willen zijn,” en bij die woorden bloosde hij een weinigje.

„Ik vraag verschooning,” zeide Laura, „ik – ik hoorde u niet heel goed.

Om de waarheid te zeggen, ik ben zoo verschrikt over die

woordenwisseling tusschen mijn neef en dien – dien – Franschman.”

„Uw neef is van avond niet gelukkig geweest,” antwoordde Pynsent. „Er

zijn verscheidene personen, wien hij niet behaagd heeft, zooals

kapitein Broadwood, of hoe heet hij ook? – dien officier, – en die

jonge dame in het rood, waarmee hij danste, – en jufvrouw Blanche, – en

dien armen chef, – en ik geloof, dat ik hem ook niet bijzonder beviel.”

„Heeft hij mij dan niet aan uwe zorg overgelaten?” vroeg Laura, terwijl

zij hare oogen naar Pynsent’s gelaat ophief, maar ze dadelijk, als eene

kleine coquette, die hem wat op de mouw wilde spelden, doch betrapt

werd, weer neersloeg.

„Ja, daarom kan ik hem dan ook veel vergeven,” gaf Pynsent met blijde

haast ten antwoord, waarop zij zijn arm nam en hij zijn buit naar de

eetzaal geleidde.

Zij had niet veel smaak in het souper, ofschoon het met Rincer’s bekend

talent was aangericht, gelijk de courant van het graafschap zeide in

het verslag, dat later van de partij gegeven werd. Laura was ongemeen

afgetrokken en met zorg vervuld over Pen. Hij was vitzuchtig en

twistziek, jaloersch en zelfzuchtig, wispelturig en driftig en

onrechtvaardig, als de toorn hem het hoofd op hol bracht; en hoe kon

hare moeder nu van haar vergen (hetgeen Helena toch door duizenderlei

woorden en zinspelingen gedaan had), dat zij haar hart aan zulk een man

zou schenken? en, indien zij dit deed, zou het hem dan toch wel

gelukkig maken?

Maar eindelijk kreeg zij eenige verlichting, toen een knecht na een

half uur (dat haar eindeloos was toegeschenen) haar een kort briefje in

potlood van Pen bracht, luidende: „Ik vond den kok beneden, die met mij

wilde vechten; maar ik heb hem verschooning gevraagd en ben er blij om.

Ik had u heden avond willen spreken, maar zal nu wat ik te zeggen had,

bewaren tot gij thuis komt. God zegen u! Dans maar den ganschen nacht

door met Pynsent, en geniet zooveel mogelijk, Pen.” – Laura was innig

dankbaar, dat zij dit briefje ontvangen had, en dat er toch nog een

goed hart en vergevensgezindheid bij den zoon harer moeder gevonden

werden.

Pen ging de trap af, terwijl zijn hart hem zijn dwaas gedrag jegens

Laura verweet, wier lieftallige en smeekende blikken hem volgden en

folterden; en nauwelijks was hij buiten de deur, of hij gevoelde eene

opwelling om terug te keeren en haar vergiffenis te vragen. Maar nu

schoot het hem te binnen, dat hij haar met dien verwenschten Pynsent

had achtergelaten. In diens tegenwoordigheid kon hij zich niet jegens

haar verontschuldigen. Hij zou geduld oefenen, zijne ergernis vergeten,

en vrede sluiten met den Franschman.

De chevalier wandelde het voorhuis van het logement op en neer toen Pen

uit de balzaal kwam, en hij trad dezen te gemoet met een gezicht, dat

in de hoogste mate koddig en ondeugend stond.

„Ik heb hem daar in de gelagkamer met een paar pistolen en eene kaars,”

zeide hij. „Of geeft gij misschien de voorkeur aan een duel met degens,

op het strand? Mirobolant is een eerste meester op de punt en heeft op

de Juli-barricaden met eigen hand vier gardes-du-corps doorstoken.”

„Voor den duivel!” riep Pen verbolgen uit: „ik kan toch met geen kok

duelleeren!”

„Het is een chevalier de Juillet,” antwoordde Strong. „In zijn land

presenteeren de schildwachten het geweer voor hem.”

„En zoudt gij, kapitein Strong, van mij vergen, dat ik met een bediende

duelleerde?” vroeg Pen driftig; „ik zal een diender halen voor hem;

maar – maar –”

„Wilt gij mij ook te lijf?” vroeg Strong lachend. „Maar het zal niet

gebeuren; ik schertste slechts. Ik ben hier gekomen om geschillen bij

te leggen, – niet om te vechten. Ik heb Mirobolant wat neergezet en hem

verteld, dat met het woord „kok” niets beleedigends bedoeld was, maar

dat het met alle gebruiken van dit land strijdig is, dat een bezoldigd

beambte in eene familie, zooals ik het noemde, zijn arm aan de dochter

des huizes geeft!” En daarop vertelde hij aan Pen het groote geheim,

dat hij van madame Fribsby vernomen had, van de doodelijke

verliefdheid, waaraan de arme artiste ter prooi was.

Toen Arthur dit verhaal hoorde, barstte hij in een hartelijken lach

uit, waarmee Strong instemde, en was zijne verbittering tegen den armen

kok in eens vergeten. Hij was zelf den ganschen avond belachelijk

jaloersch geweest en had eene gelegenheid gezocht om Pynsent te

beleedigen. Hij herinnerde zich nog, hoe naijverig hij tijdens zijne

eerste liefdesgeschiedenis op Oaks was geweest, zoodat hij volkomen

bereid was alles te vergeven aan een man, die onder de heerschappij van

zulk een hartstocht stond. Hij trad dus de koffiekamer, waar Mirobolant

zat te wachten, met eene uitgestrekte hand binnen en hield eene

toespraak tot hem in het Fransch, waarin hij verklaarde te zijn

„sincèrement faché d’avoir usé une expression qui avait pu blesser

monsieur Mirobolant, et qu’il donnait sa parole comme un gentilhomme,

qu’il ne avait jamais, jamais – bedoelé,” zeide Pen in zijne pogingen

om een Fransch woord voor „bedoeld” te vinden – terwijl hij heimelijk

zeer voldaan was over zijn vlot en zuiver Fransch.

„Bravo, bravo!” riep Strong, die evenveel pleizier had in Pen’s

redevoering als in diens goedhartigheid. De chevalier Mirobolant trok

natuurlijk zijne uitdaging in, en verklaarde, dat de uitdrukkingen, die

hij gebezigd had, hem oprecht leed deden.

„Monsieur Pendennis heeft zelf mijne woorden gelogenstraft,” zeide

Alcide met de grootste wellevendheid; „hij heeft getoond, dat hij een

galant homme is.”

Zij gaven elkander dus de hand en gingen uiteen, terwijl Pen zijn

briefje aan Laura schreef, eer hij zich door Strong huiswaarts liet

rijden.

Onderweg maakte Strong aan Pen zijn compliment, zoowel over diens

gedrag als over zijne bedrevenheid in het Fransch. „Ge zijt een goede

kerel, Pendennis, en, op mijn woord, ge spreekt Fransch als

Châteaubriand.”

„Ik ben er van jongs af aan gewoon geweest,” antwoordde Pen, en Strong

had de barmhartigheid om vijf minuten lang zijn lach in te houden, maar

toen schaterde hij het meer dan eens uit, waarvan Pen misschien tot den

huidigen dag de reden niet begrepen heeft.

De dag brak aan toen zij aan den Brawl kwamen, waar zij van elkander

gingen. Op dat oogenblik was het bal te Baymouth ook afgeloopen. Madame

Fribsby en Mirobolant waren met de huurkoets van Clavering op weg naar

huis; Laura lag met een gerust hart te slapen ten huize van Lady

Rockminster, en de Clavering’s rustten uit in het logement te Baymouth,

waar zij kamers genomen hadden. Weinige oogenblikken na den twist

tusschen Pen en den chef was Blanche, zoo bleek als de dood, uit de

ververschingszaal gekomen. Daar zij geen andere vertrouwde bij de hand

had, vertelde zij aan hare kamenier, dat zij het meest romantische

avontuur gehad, den meest zonderlingen man ontmoet had, – iemand, die

den oorsprong haars levens gekend had – haar vervolgden, rampzaligen,

heldhaftigen, vermoorden vader, en eer zij zich te bed begaf, begon zij

een sonnet aan zijne schim te schrijven.

Pen was dus met zijn vriend den chevalier naar Fairoaks teruggekeerd,

zonder een woord van de boodschap te reppen, die hij zoo gaarne aan

Laura te Baymouth zou hebben overgebracht. Hij kon echter wachten tot

hare terugkomst, die den volgenden dag zou plaats hebben. Hij was niet

erg jaloersch op de vorderingen, die mijnheer Pynsent in hare gunst kon

gemaakt hebben, en hield zich volkomen overtuigd, dat hij, gelijk bij

alle andere huiselijke beschikkingen, het maar voor het vragen zou

hebben, en dat Laura, evenmin als zijne moeder, hem niets zou kunnen

weigeren.

Toen de nieuwsgierige blikken van Helena hem vroegen wat er te Baymouth

gebeurd was, en of haar geliefkoosd plan was verwezenlijkt, vertelde

Pen haar op vroolijken toon welke ramp hem getroffen had en voegde er

lachend bij, dat geen mensch bij zulk een ongeval aan eene declaratie

kon denken. Hij stapte, kortom, luchtig over de zaak heen. „Er zal, als

Laura terugkomt, ruimschoots tijd zijn om aan ons hart lucht te geven,

moedertje-lief,” zeide hij, en hij keek met het air van een overwinnaar

in den spiegel, waarop zijne moeder hem het haar van het voorhoofd

wegstreek, terwijl zij hem kuste, en zich natuurlijk overtuigd hield,

dat geen vrouw hem weerstaan kon; in één woord, zij was dien dag boven

de wolken.

In de oogenblikken, dat Pen niet in haar gezelschap was, hield hij zich

bezig met het inpakken van boeken, het vullen van valiezen, het

verbranden en ordenen van papieren, en het schoonmaken van zijn geweer,

dat hij in het kistje borg: hij maakte, om de waarheid te zeggen,

toebereidselen tot vertrek, want ofschoon de jonge heer bereid was om

te trouwen, was hij ook zeer begeerig naar Londen te gaan; zeer te

recht oordeelde hij, dat het op zijn drie en twintigste jaar hoog tijd

werd de ernstige taak des levens te beginnen en zoo spoedig mogelijk

fortuin te maken.

Hij had de middelen, om dat doel te bereiken, reeds bij zich zelven

overlegd. „Ik zal mij bij een der Inns of Court laten inschrijven en

daar kamers nemen,” sprak hij. „Met een paar honderd pond zal ik het

eerste jaar wel rondkomen, en daarna twijfel ik niet, of ik zal mijn

bestaan wel met mijne pen vinden, evengoed als verscheidene

oud-studenten van Oxbridge, die thans te Londen zijn. Ik heb een

treurspel, een blijspel en een roman, alle nagenoeg voltooid, in

portefeuille, waarvoor ik zeker geld zal krijgen. Ik zal dus, zonder

van mijne moeder te veel te vergen, vrij wel kunnen rondkomen, tot ik

naam zal gemaakt hebben als advocaat. En dan zal ik op een fraaien dag

terugkomen en haar verblijden door Laura te trouwen Het is een meisje

met zoo’n goed hart en humeur als men maar wenschen kan; daarbij ziet

zij er waarlijk zeer lief uit, en het engagement zal mij tot rust

brengen, niet waar, Ponto?” Onder het rooken van zijne pijp en het

praten tegen zijn hond, terwijl hij te midden der bloembedden en

boschjes van het kleine domein van Fairoaks ronddrentelde, bouwde de

jonge droomer aldus zijne luchtkasteelen. „Ja, het zal mij tot rust

brengen, niet waar? En gij zult mij wel missen als ik weg ben, ouwe

jongen, niet waar?” Op die vragen begon Ponto te kwispelstaarten en

wrong zijn bruinen neus in de hand van zijn meester. Het dier likte

Pens hand en laars, zooals allen in dat huis deden, en mijnheer Pen

liet zich aller hulde welgevallen, gelijk anderen ook doen, als zij

gevleid worden.

Laura kwam vrij laat op den avond van den tweeden dag terug, en het

ongeluk wilde, dat mijnheer Pynsent haar met het rijtuig uit Clavering

thuis bracht. Het arme meisje kon zijn aanbod niet van de hand wijzen,

maar zijne verschijning deed Arthur Pendennis de wenkbrauwen fronsen.

Laura zag dit en het griefde haar; doch de opgewonden weduwe merkte

niets en maakte zich, kort na Laura’s thuiskomst, gereed om naar bed te

gaan, daar zij zeker verlangde, dat de gewichtige vraag ten spoedigste

gedaan zou worden; zij stond dus van de sofa op, waar zij tegenwoordig

meestal rustte en naast welke Laura bij haar kwam zitten werken of

lezen. Maar toen Helena oprees, zeide Laura blozende en met eene

eenigszins benauwde stem, dat zij ook zeer vermoeid was en zich gaarne

te bed zou begeven; zoodat de weduwe althans voor dezen avond in haar

plan te leur gesteld en mijnheer Pen nog één dag in onzekerheid omtrent

zijn lot gelaten werd.

Het kwetste hem in zijn gevoel van eigenwaarde, dat hij aldus in de

antichambre moest blijven, terwijl hij eene audiëntie verlangde. Zulk

een sultan als hij was behoorde men niet te laten wachten. Evenwel ging

hij te bed en sliep daar, in weerwil van zijne teleurstelling, tamelijk

gerust, zoodat hij niet vóór den vroegen morgen ontwaakte, toen hij, de

oogen opslaande, zijne moeder in zijne kamer zag.

„Beste Pen, sta op,” zeide die dame, „wees niet lui! Het is de

heerlijkste morgen, dien men zich kan voorstellen. Ik heb sinds het

aanbreken van den dag geen oog meer kunnen toedoen en Laura is al een

uur in den tuin. Op zulk een morgen als dezen behoorde iedereen in den

tuin en buiten te wezen.”

Pen begon te lachen, want hij zag welke gedachten de eenvoudige vrouw

bezielden. Zijn gulle lach beurde de weduwe op. „O gij ondeugd,” zeide

hij, terwijl hij zijne moeder kuste. „Slim schepseltje! Mag dan niemand

vrij loopen van uwe aanslagen? en wilt gij uw eenigen zoon tot uw

slachtoffer maken?” Helena begon ook te lachen, te blozen en te

stamelen en was zichtbaar ontroerd.

Na dus nog eenige veelbeteekenende wenken en afgebroken woorden met

Arthur gewisseld te hebben, verliet Helena haar zoon, waarop onze jonge

held uit zijn bed verrees, en tot het opsieren van zijn mooien persoon

en het scheren van zijne bewonderenswaardige kin overging. Een half uur

later kwam hij uit zijne kamer te voorschijn en trad den tuin in, om

Laura op te zoeken. Onder het maken van zijn toilet was hij aan

tamelijk sombere overdenkingen ten prooi geweest. „Ik ga mij voor mijn

leven binden, om mijne moeder genoegen te doen,” dacht hij; „Laura is

een uitmuntend meisje en – heeft mij met haar geld geholpen. Ik gaf er

wel wat voor, dat ik het nooit ontvangen had, en ik wenschte wel, dat

ik dezen plicht niet juist op dit oogenblik moest vervullen. Maar daar

allebei die vrouwen haar hart op dit huwelijk gezet hebben, zal ik haar

zin wel moeten doen. Dus er maar op los! Men zou slechter kunnen varen

dan twee van de beste schepseltjes ter wereld gelukkig te maken.” Toen

het er dus begon op aan te komen, was Pen zeer ernstig gestemd en

volstrekt niet opgetogen, want hij hield zich overtuigd, dat hij een

groot offer ging brengen.

Jufvrouw Laura was gewoon zich bij hare werkzaamheden in den tuin in

een soort van uniform te kleeden, die, hoe eenvoudig ook, haar, naar

veler oordeel, gansch niet kwaad stond. Zij droeg dan een grooten

strooien hoed met breede linten, die waarschijnlijk tot niets nut

waren; doch de hoed beschermde het lieve gezichtje zijner eigenares

behoorlijk tegen de zon. Over haar gewone kleedje droeg zij een hoog

voorschoot, dat door een netten gordel rondom haar fijn middeltje werd

vastgehouden, en hare handen waren tegen de doornen van hare

geliefkoosde rozestruiken beschermd door een paar dikke handschoenen,

wat aan de jonge dame een krijgshaftig voorkomen gaf.

Het scheen of zij denzelfden glimlach op haar gelaat had, waarmee zij

Pen den vorigen avond had uitgelachen, en de herinnering aan zijn

rampspoed kwetste dien jongen heer weer. Doch ofschoon Laura hem het

pad zoo somber en zorgelijk zag opkomen, begroette zij hem met het

bekoorlijkste en innemendste lachje en ging hem te gemoet, terwijl zij

hem een harer handschoenen reikte, opdat hij dien zou kunnen drukken

indien hij het goedvond, – en mijnheer Pen verwaardigde zich daartoe

inderdaad. Zijn gelaat verloor echter door dat gunstbetoon zijne

tragische uitdrukking niet en hij bleef haar somber en plechtstatig

aanzien.

„Excuseer mijn handschoen,” zeide Laura lachend, terwijl zij er Pen’s

hand vriendelijk mee drukte. „Wij zijn toch niet meer boos, niet waar,

Pen?”

„Waarom lacht gij mij uit?” sprak Pen. „Dat deedt gij gisterenavond

ook, en daardoor hebt gij mij een mal figuur laten maken bij die

menschen uit Baymouth.”

„Beste Arthur, ik bedoelde niets kwaads,” gaf het meisje ten antwoord.

„Gij en jufvrouw Roundle zaagt er zoo kluchtig uit, toen gij – toen gij

dat kleine ongeluk hadt, dat ik er wezenlijk niet om schreien kon.

Beste Pen, gij hebt u toch bij dien val niet bezeerd, en bovendien was

jufvrouw Roundle het meest te beklagen.”

„Ik wou, dat jufvrouw Roundle in de maan zat,” bulderde Pen.

„Daar zag zij ook net naar uit,” zeide Laura schalks. „Gij waart in een

oogenblik op de been; maar dat arme meisje, zooals zij daar in haar

rood krippen kleedje op den grond zat en met dat verslagen gezicht

rondkeek, zal ik nooit vergeten.” En daarom begon Laura het gezicht,

dat Jufvrouw Roundle in haar ongeluk trok, na te bootsen, maar zij

hield zich dadelijk in, want zij kreeg er berouw over en zeide: „Nu,

wij mogen haar niet uitlachen; maar u zouden wij wel moeten uitlachen,

Pen, indien gij om zulk eene kleinigheid boos waart.”

„Gij althans behoordet mij niet uit te lachen,” zeide Pen met zekere

bitterheid; „gij het minst van allen.”

„En waarom? Zijt gij zulk een groot man?” vroeg Laura.

„O neen, Laura, maar ik ben zulk een arm man,” gaf Pen ten antwoord.

„Hebt gij mij niet reeds genoeg getergd?”

„En waarmee dan, beste Pen?” riep Laura uit. „ik dacht waarlijk niet,

dat gij u over zulk eene kleinigheid boos zoudt maken. Ik meende, dat

zulk een knap mensch als gij eene onschuldige grap van zijne zuster zou

kunnen verdragen,” voegde zij er bij, terwijl zij hem nogmaals de hand

toestak. „Lieve Arthur, heb ik u beleedigd, dan vraag ik u

verschooning.”

„Uwe vriendelijkheid vernedert mij nog meer dan uwe spotternij, Laura,”

hernam Pen. „Gij zijt altijd mijne meerdere.”

„Hoe! Meer dan de groote Arthur Pendennis? Hoe zou dat mogelijk zijn?”

riep jufvrouw Laura, in wier karakter zoowel een klein beetje

ondeugendheid als eene groote mate van beminnelijkheid vereenigd was.

„Gij wilt toch niet zeggen, dat er ééne vrouw is, die op gelijke lijn

met u staat?”

„Die weldaden bewijst moet niet plagen,” zeide Pen. „Ik kan niet

verdragen, dat mijne weldoenster mij uitlacht, Laura: dat maakt de

verplichting te drukkend voor mij. Gij veracht mij, omdat ik uw geld

aangenomen heb, en ik verdien verachting; maar het is hard, dat mij die

slag door u wordt toegebracht.”

„Geld! Verplichting! Foei, Pen, dat is laag!” zeide Laura met een

gloeienden blos. „Heeft moeder niet recht op al wat wij bezitten? Ben

ik haar niet al het geluk verschuldigd, dat ik op de wereld geniet,

Arthur? Wat komt het op eenige ellendige guinjes aan, als wij haar

liefderijk hart tot kalmte kunnen brengen, wanneer wij haar ten uwen

aanzien kunnen geruststellen? Ik zou voor haar in het veld gaan werken,

of mij als meid verhuren, – ik zou voor haar sterven! Gij weet, dat ik

dat doen zou.” zeide jufvrouw Laura zeer opgewonden, „en durft gij dan

dat ellendige geld eene verplichting noemen? Dat is wreedaardig, Pen;

het is beneden u, het zoo op te nemen. Wie zou met mij mogen deelen wat

voor mij overtollig is, zoo niet mijn broeder? Of, wat zeg ik! Het kwam

mij niet eens toe: het was alles van mama, die er mee doen kon wat zij

goedvond, gelijk haar alles behoort wat ik bezit, tot zelfs mijn

leven,” zeide Laura; en bij die woorden zag het opgewonden meisje naar

de vensters van de kamer der weduwe en zegende in haar hart de

vriendin, die zich daar bevond.

Ongezien gluurde Helena uit dat venster, waar Laura’s oogen en hart

onder het spreken heentrokken, en beschouwde hare beide kinderen met de

meeste belangstelling en aandoening, hopende en wenschende, dat de

begeerte haars levens nu vervuld zou worden. Wie weet hoeveel

verzoekingen Arthur Pendennis bespaard zouden zijn, of welke geheel

andere beproevingen hij ondergaan zou hebben, indien Laura nu gesproken

had zooals Helena hoopte! Wellicht zou hij zijn leven lang op Fairoaks

gebleven en als een landjonker gestorven zijn. Doch zou hij daarmede

gered zijn geweest? De verzoeking is een volgzaam bediende, die niets

tegen eene betrekking ten platten lande heeft; zij neemt, gelijk wij

weten, zoowel in kluizenaarswoningen als in steden haar intrek, en

vergezelt den hermiet, die haar tracht te ontvluchten, tot in de

afgelegenste en ontoegankelijkste woestijn.

„Behoort uw leven aan mijne moeder?” zeide Pen, terwijl hij begon te

beven en op eene zeer zenuwachtige wijze te spreken. „Weet gij, Laura,

wat het groote doel van haar leven is?” en bij die woorden vatte hij

nogmaals hare hand.

„Wat, Arthur?” vroeg zij, terwijl zij hare hand liet zakken, en nu eens

naar hem, dan weer naar het venster zag, waarop zij de oogen neersloeg,

om Pen’s blik te ontwijken. Ook zij beefde, want zij gevoelde, dat de

crisis, waarop zij zich reeds lang heimelijk had voorbereid, gekomen

was.

„Onze moeder koestert één wensch boven alle andere in de wereld,

Laura,” sprak Pen, „en ik geloof, dat gij het weet. Ik moet u bekennen,

dat zij er mij over gesproken heeft; en indien gij hem wilt vervullen,

zusje-lief, ben ik bereid. Ik ben wel is waar nog zeer jong; maar ik

heb reeds zooveel smart en teleurstellingen ondervonden, dat ik mij oud

en afgetobd gevoel. Ik heb ternauwernood een hart meer om het u aan te

bieden. Bijna eer ik den strijd des levens begonnen ben, gevoel ik mij

uitgeput. Mijne loopbaan is bedorven; ik ben beschermd door degenen,

die ik rechtens had moeten beschermen. Ik beken, lieve Laura, dat uw

grootmoed en uwe edelmoedigheid mij beschaamd doen staan, ofschoon zij

mij met dankbaarheid vervullen. Toen ik van onze moeder hoorde wat gij

voor mij hadt verricht en dat gij het waart, die mij de wapenen in de

hand hadt gegeven om den strijd nogmaals op te vatten, toen smachtte ik

om mij aan uwe voeten te werpen en te zeggen: „Laura, wilt gij meegaan

en dien strijd gezamenlijk met mij voeren? Uwe deelneming zal mij,

zoolang die strijd duurt, opbeuren. Ik zal dan een der teerhartigste en

edelmoedigste wezens onder de zon hebben, om mij te steunen en te

vergezellen. Zult gij ja zeggen, Laura, om onze moeder gelukkig te

maken?”

„Gelooft gij, dat mama gelukkig zou zijn, indien gij het niet waart,

Arthur?” vroeg Laura op zachten en droeven toon.

„En waarom zou ik dat niet zijn met zulk een lief schepseltje als gij

zijt aan mijne zijde?” riep Pen met vuur uit. „Ik kan u mijne eerste

liefde niet schenken. Ik ben een ongelukkig mensch. Maar ik verzeker u,

dat ik u hartelijk en oprecht zou liefhebben. Ik heb menige

zinsbegoocheling en eerzuchtige gedachte verloren: doch ik ben nog niet

geheel zonder hoop. Talenten weet ik, dat ik bezit, hoe jammerlijk ik

ze ook misbruikt heb; zij kunnen mij nog van dienst wezen, en zouden

dat zijn, indien ik eene drijfveer bezat. Laat mij heengaan met de

gedachte, dat ik mijn woord verpand heb om tot u terug te keeren. Laat

mij heengaan om te werken, met de gedachte, dat gij mijn geluk met mij

zult deelen, als ik het herwin. Gij hebt mij zooveel gegeven, Laura;

wilt gij van mij niets aannemen?”

„Wat hebt gij te geven, Arthur?” vroeg Laura met een droevigen ernst in

hare stem, die Pen onthutst deed staan, daar hij inzag, dat hij zich

versproken had. Inderdaad was zijne liefdesverklaring ook niet zoodanig

als hij twee dagen vroeger zou hebben afgelegd, toen hij, vervuld met

hoop en erkentelijkheid, naar Laura, zijne redster, gesneld was, om

haar dank te zeggen voor zijne terugverkregen vrijheid. Had hij toen

mogen spreken, hij zou geheel anders gesproken en zij van haar kant

misschien geheel anders geluisterd hebben. Het zou toen een dankbaar

hart geweest zijn, dat haar om het hare vroeg, geen afgetobd hart, dat

haar werd aangeboden om het te nemen of niet. Laura gevoelde zich

beleedigd door de bewoordingen, in welke Pen haar zijne hand had

aangeboden. Hij had letterlijk gezegd, dat hij geene liefde koesterde,

en desniettemin wilde hij zich niet laten afwijzen. „Ik bied mij aan u

aan, om moeder genoegen te doen,” had hij gezegd; „neem mij maar, daar

zij verlangt, dat ik dit offer zal brengen.” De fierheid van het meisje

kwam in opstand tegen het denkbeeld, een echtgenoot onder zulke

voorwaarden te kiezen; zij was niet voornemens zich in zijne armen te

werpen, omdat Pen goedvond haar een wenk te geven, en uit haar toon,

toen zij Arthur beantwoordde, sprak dus haar besluit om vrij te

blijven.

„Neen, Arthur,” zeide zij, „ons huwelijk zou mama niet zoo gelukkig

maken, als zij verwacht; want het zou u niet zeer lang bevredigen. Ook

ik heb geweten wat zij begeerde, want zij is te openhartig om iets te

verbergen, dat haar op het hart ligt; en er was misschien eens een

tijd, dat ik dacht – maar dat is nu voorbij – dat ik u – dat het had

kunnen gebeuren, zooals zij wenschte.”

„Gij hebt iemand anders gezien,” zeide Pen, die zich aan haar toon

ergerde en wien de voorvallen der laatste dagen te binnen schoten.

„Die toespeling hadt gij kunnen laten,” hernam Laura en hief het hoofd

op. „Een hart, dat op zijn drie en twintigste jaar reeds de liefde

versleten heeft, zooals gij zegt, dat het uwe heeft gedaan, had ook de

jaloerschheid behooren te overleven. Ik zal mij niet verwaardigen om te

verklaren, of ik iemand anders heb gezien of aangemoedigd. Ik zal de

beschuldiging erkennen noch tegenspreken, en verzoek u, er niet op

terug te komen.”

„Ik vraag vergiffenis, Laura, indien ik u beleedigd heb. Maar als ik

jaloersch ben, ligt daar het bewijs niet in, dat ik nog een hart

bezit?”

„Niet voor mij, Arthur. Misschien gelooft gij, dat gij mij thans

liefhebt; maar dat is slechts voor een oogenblik en omdat gij nu te

leur gesteld zijt. Als er geen hinderpaal bestond, zoudt gij geen zucht

gevoelen om dien te overwinnen. Neen, Arthur, gij draagt mij geen

liefde toe. Gij zoudt mij in drie maanden moede zijn, zooals de meeste

dingen; en mama zou, als zij zag, dat ik u tegenstond, rampzaliger zijn

dan zij wezen zal, indien ik weiger de uwe te worden. Laten wij, gelijk

tot dusverre, broeder en zuster voer elkander zijn, Arthur, – maar meer

niet! Gij zult deze kleine teleurstelling wel te boven komen.”

„Ik zal het beproeven,” zeide Arthur met veel verontwaardiging.

„Hebt gij het niet reeds vroeger beproefd?” hernam Laura, met zekere

drift; want zij was reeds sinds lang op Arthur boos, en had nu

waarschijnlijk besloten haar hart lucht te geven. „En wanneer gij eene

vrouw nog eens uwe hand aanbiedt, Arthur, zeg dan niet, zooals gij

tegen mij deedt: „Ik heb geen hart, ik draag u geene liefde toe; maar

ik ben bereid u te trouwen, omdat mijne moeder dit huwelijk wenscht.”

Wij eischen meer dan iets dergelijks in ruil voor onze liefde – dat

geloof ik ten minste. Ik heb er tot nog toe geen ondervinding van; ik

heb de – de ervaring niet gehad, die gij bij mij ondersteldet, toen gij

zoo even te kennen gaaft, dat ik iemand anders gezien had. Hebt gij ook

aan uwe eerste beminde verteld, Arthur, dat gij geen hart bezat? of aan

uwe tweede, dat gij haar niet liefhadt, maar dat zij u krijgen kon,

indien het haar behaagde?”

„Wat – wat bedoelt gij?” vroeg Arthur blozende en nog altijd heel boos.

„Ik bedoel Blanche Amory, Arthur Pendennis,” antwoordde Laura met

fierheid. „Het is nog pas twee maanden geleden, dat gij hebt zitten

zuchten aan hare voeten – dat gij gedichten op haar hebt gemaakt en die

aan den oever der rivier in holle boomen hebt verborgen. Ik wist alles.

Ik hield u in het oog – dat wil zeggen, zij heeft ze mij laten zien.

Geen van u beiden meende het wellicht ernstig; maar het is althans nog

te vroeg voor u, Arthur, om eene nieuwe verbintenis aan te knoopen.

Laat den tijd van uw – van uw weduwnaarschap eerst voorbijgaan en denk

niet aan trouwen eer gij uit den rouw zijt.” Bij deze woorden schoten

hare oogen, waarlangs zij hare hand streek, vol tranen. „Ik ben boos en

gegriefd, en heb echter geene reden daartoe, zoodat ik u nu op mijne

beurt vergiffenis vraag, Arthur-lief. Het stond u vrij, Blanche lief te

hebben. Zij was duizendmaal mooier en knapper dan ik – dan eenig meisje

in den omtrek; en gij kondt niet weten, dat zij geen hart bezat, zoodat

gij ook weer het recht hadt om haar te verlaten. Ik mag u niet

verwijten, dat gij het oog op Blanche Amory liet vallen en dat zij u

bedroog. Vergeef mij, Pen;” en andermaal reikte zij hem de vriendelijke

hand toe.

„Wij waren beiden jaloersch,” sprak Pen. „Laten wij elkander

vergiffenis schenken, lieve Laura;” en bij die woorden greep hij hare

hand en trachtte hij haar tot zich te trekken. Hij dacht, dat zij week

werd, en nam reeds de houding van een overwinnaar aan.

Maar zij trok zich terug; hare tranen verdwenen en zij sloeg een zoo

droefgeestigen en strengen blik op hem, dat de jonkman er op zijne

beurt voor terugdeinsde. „Vergis u niet in mijne woorden, Arthur,”

zeide zij; „het kan niet zijn. Gij weet niet wat gij eischt, en wees

niet al te boos op mij als ik zeg, dat gij het, geloof ik, niet

verdient. Wat biedt gij eene vrouw in ruil voor hare liefde, eer en

gehoorzaamheid aan? Indien ik ooit die woorden uitspreek, Pen, hoop ik

ze in vollen ernst uit te spreken en, met Gods hulp, mijne belofte te

houden. Maar gij – welke band houdt u? Aan vele dingen, die wij, arme

vrouwen, als heilig beschouwen, hecht gij niet. Ik zou niet gaarne

onderzoeken of vragen hoever uw ongeloof gaat. Gij wilt in het huwelijk

treden om uwe moeder genoegen te doen, en gij bekent, dat gij geen hart

hebt. O, Arthur, wat is het dan, dat gij mij aanbiedt? Welk eene

overijlde verbintenis zoudt gij lichtvaardig aangaan? Eene maand

geleden zoudt gij u aan eene andere weggeschonken hebben. Ik bid u,

speel niet zoo roekeloos met uw eigen hart en dat van anderen. Ga heen

en werk; ga heen en verbeter u, Arthur, want ik ken uwe gebreken en

durf er thans over spreken; ga en word beroemd, gelijk gij zegt, dat

gij kunt; en inmiddels zal ik voor mijn broeder bidden en thuis voor

onze lieve moeder zorgen.”

„Is dat uw laatste woord, Laura?” riep Arthur uit.

„Ja,” antwoordde Laura en boog het hoofd, en na hem nogmaals de hand te

hebben gegeven, ging zij heen. Hij zag haar onder het klimop van het

priëeltje doorgaan en in huis verdwijnen. Op hetzelfde oogenblik viel

de gordijn van het venster op de kamer zijner moeder neer, maar hij

merkte dit niet op, noch vermoedde zij, dat Helena getuige van het

voorgevallene was geweest.

Was hij verheugd of verslagen over den afloop? Hij had haar gevraagd,

en een heimelijke triomf vervulde zijn hart bij de gedachte, dat hij

nog vrij was. Zij had hem afgewezen; maar had zij hem niet lief? Die

kleine trek van jaloerschheid deed hem gelooven, dat haar hart hem nog

altijd toebehoorde, wat hare lippen ook zeggen mochten.

En thans zouden wij wellicht een ander tooneel behooren te beschrijven,

dat op Fairoaks tusschen de weduwe en Laura voorviel, toen deze laatste

aan Helena verklaren moest, dat zij de hand van Arthur Pendennis had

geweigerd. Misschien was dit de zwaarste van alle beproevingen, die

Laura in deze zaak te verduren had en die haar het meeste leed

veroorzaakte. Doch daar wij eene brave vrouw niet gaarne onrechtvaardig

zien, zullen wij geen woord van den twist reppen, die nu tusschen

Helena en hare pleegdochter volgde, noch van de bittere tranen, die het

arme meisje dientengevolge storten moest. Het was het eenige geschil,

dat ooit tusschen haar en de weduwe was gerezen, en daarom was het des

te pijnlijker. Pen verliet het huis terwijl die oneenigheid nog

voortduurde, – en Helena, die bijna alles door de vingers kon zien, kon

eene rechtmatige daad van Laura’s zijde niet vergeven.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 58 / 155 题