Arthur Pendennis vond goed zich met een somber en norsch gelaat onder
eenige katoenen draperieën in eene donkere venster-nis te plaatsen, van
waar hij het aanzag hoe jufvrouw Bell de eerste quadrille met mijnheer
Pynsent danste. Die heer zag er zoo plechtig en zuur uit, als een
Engelschman bij zulk eene gelegenheid gewoonlijk doet, en stapte in den
dans gelijk hij in de kerk naar zijne bank zou gestapt zijn, zonder een
lach op zijn gezicht en zonder zijne aandacht, door wat ook, te laten
aftrekken van den gewichtigen plicht, dien hij vervulde. Laura’s gelaat
echter straalde van genoegen en welwillendheid. Het licht en de menigte
aanwezigen en de muziek wonden haar op. Terwijl zij haar witte kleedje
uitspreidde en lachend en vroolijk deelnam, aan den dans waarbij hare
bruine lokken van haar oprecht en frisch gelaat achterwaarts over hare
blanke schouders vlogen, keek meer dan één heer in de zaal haar met
bewondering aan. Lady Fogy, die een huis in Londen bezat en zich, als
zij buiten vertoefde, zeer voornaam hield, vroeg aan Lady Rockminster
wie die jonge dame was, noemde eene gevierde schoone te Londen, op
welke het meisje, naar het oordeel der dame, geleek, en verklaarde, dat
zij zeer „voldeed.”
Het zou Lady Rockminster zeer verwonderd hebben, indien eene protégée
van haar niet voldaan had, en zij stond verbaasd over de
onbeschaamdheid van Lady Fogy, die daarover een gevoelen durfde uiten.
Zij nam Laura met majestueuse blikken door haar lorgnet op. Het
onschuldige voorkomen van het meisje en hare opgeruimde en eenvoudige
manieren bevielen haar. „Zij doet zich zeer goed voor,” dacht de lady.
„Hare armen zijn wel wat rood, maar dat is een gebrek van de jeugd.
Haar ton is veel beter dan die van die kleine nuffige jufvrouw Amory,
die in den dans haar vis-à-vis is.”
Jufvrouw Blanche was werkelijk Laura’s vis-à-vis, en lachte hare lieve
vriendin veelbeteekenend toe, knikte tegen haar, sprak haar aan, zij in
de figuren der quadrille bij elkander kwamen, en beschermde haar niet
weinig. Hare schouders waren de blankste in de gansche zaal en hielden
zich onder haar kleedje geen oogenblik stil, evenmin als hare oogen,
die onophoudelijk heen en weer zwierven, of als haar geheele figuurtje,
dat aan iedereen scheen toe te roepen: „Kijk maar eens naar mij, – niet
naar dat blozende gezonde, dikke boerinnetje, die juffer Bell, die
nauwelijks iets van dansen wist voordat ik het haar leerde. Dit is de
ware Parijsche manier, – dit is het mooiste voetje in de zaal, en het
mooiste schoentje ook. Let er maar eens op, mijnheer Pynsent! Kijk er
maar eens naar, mijnheer Pendennis, gij, die daar achter die gordijn
staat te gluren; ik weet, dat gij er naar snakt, om met mij te dansen!”
Laura bleef dansen en onderwijl den heer Pen in zijne venster-nis in
het oog houden. Hij verliet den schuilhoek gedurende de eerste
quadrille niet, maar pas bij de tweede, toen de goedhartige Lady
Clavering hem wenkte, onder het verhemelte op de eereplaats te komen,
waar de douairières zaten en waarheen Pen zich nu blozend, en even
weinig op zijn gemak als de meeste verwaande jongelui, begaf. Hij
maakte eene zeer stijve buiging voor Lady Rockminster, die zijn groet
ternauwernood beantwoordde, en naderde daarop de weduwe Amory, die met
diamanten, fluweel, kant, veeren en allerlei soort modemaaksters- en
goudsmidswerk pronkte.
De jonge heer Fogy, die toenmaals in de vijfde klasse op de school te
Eton zat en met vurig verlangen zijn baard en zijne benoeming tot
luitenant bij een regiment dragonders te gemoet zag, was de tweede
danser, die met de hand van jufvrouw Bell vereerd werd. Hij was in
bewondering van de jonge dame verzonken en geloofde nog nooit zulk een
bekoorlijk wezen gezien te hebben. „Ik houd veel meer van u dan van dat
Fransche meisje” (want de jonge heer had den vorigen dans met jufvrouw
Amory gedaan), voegde hij haar met de meeste openhartigheid toe. Laura
lachte er om en zag er vroolijker uit dan ooit; en daar zij midden
onder haar lachen Pen in het oog kreeg, die er allerdwaast deftig en
zuur uitzag, bleef zij aan het lachen. De daaropvolgende dans was eene
wals, en de jonge Fogy herinnerde zich met een zucht, dat hij niet kon
walsen, en besloot in de volgende vacantie daarin les te nemen.
Voor dezen dans vroeg mijnheer Pynsent jufvrouw Bell alweder, en Pen
zag vol inwendige woede hoe zij, terwijl die heer met zijn arm haar
middel omvat hield, door de zaal ronddraaide. Vroeger was hij nooit
boos, als op de zomeravonden, zoodra de stoelen en tafels uit den weg
geruimd waren en de gouvernante beneden geroepen was om op de piano te
spelen, door hem en den chevalier Strong (die een onverbeterlijk danser
was en als het vereischt werd eene Britsche horlepijp, eene Duitsche
wals of een Spaanschen fandango kon uitvoeren) en de beide jonge dames,
Blanche en Laura, kleine bals op Clavering Park geïmproviseerd waren.
Laura vond thans het dansen zoo pleizierig en was zoo opgewekt, dat zij
zelfs mijnheer Pynsent levendig maakte. Blanche, die zeer fraai kon
dansen, had een ongelukkig partner, kapitein Broadfoot van de
dragonders, die te Chatteries in garnizoen lag; want ofschoon de
kapitein zich met groote inspanning op de zaak toelegde, kon hij nooit
bijtijds rondkomen, en daar hij hoegenaamd geen gehoor voor muziek had,
merkte hij niet, dat zijne bewegingen te langzaam waren.
Jufvrouw Blanche zag dus, dat hare beste vriendin Laura zoowel in de
wals als in de quadrille al de eer van den dans had, en was met den
opgang, door jufvrouw Bell gemaakt, gansch niet ingenomen. Na een paar
toeren met den zwaren dragonder wendde zij vermoeidheid voor, zoodat
zij verzocht naar hare plaats gebracht te worden bij hare mama, met wie
Pen stond te spreken. Zij vroeg dezen, waarom hij haar niet voor de
wals gevraagd, maar haar aan de genade van dien akeligen grooten man
met zijn rooden rok en zijne sporen overgelaten had?
„Ik dacht, dat scharlaken en sporen voor jonge dames de
aantrekkelijkste dingen ter wereld waren,” gaf Pen ten antwoord. „Ik
zou mijn zwarten rok nooit hebben durven vertoonen naast dat
schitterende roode wambuis.”
„Gij zijt zeer onvriendelijk, hardvochtig, norsch, ondeugend,” zeide
jufvrouw Amory, weer met de schouders werkende „Ga maar weg! Uwe nicht
kijkt over den schouder van mijnheer Pynsent naar ons.”
„Wilt gij met mij walsen?” vroeg Pen.
„Niet deze wals, want ik heb zoo even dien armen grooten kapitein
Broadfoot weggezonden. Let eens op dien mijnheer Pynsent; hebt ge ooit
zulk een wezen gezien? Ik zal de volgende wals met u dansen en de
quadrille ook. Ik had mijn woord gegeven, maar ik zal mijnheer Poole
zeggen, dat ik mijne belofte aan u vergeten had.”
„De vrouwen vergeten zeer gemakkelijk,” merkte Pendennis aan.
„Maar komen altijd terug en gevoelen berouw en spijt over hetgeen zij
gedaan hebben,” antwoordde Blanche. „Kijk, daar komt de Pook aan, met
Laura aan zijn arm hangende. Wat ziet zij er lief uit!”
Laura naderde hen en reikte hare hand aan Pen, tegen wien Pynsent eene
soort van buiging maakte, die veel bevalliger was dan men van het stuk
huisraad, waarbij jufvrouw Amory hem vergeleek, had kunnen verwachten.
Laura’s gelaat stond zeer vriendelijk. „Ik ben heel blij, dat gij
gekomen zijt, lieve Pen,” sprak zij. „Ik heb nu gelegenheid om met u te
spreken. Hoe vaart mama? De drie dansen zijn nu afgeloopen, en ik ben
met u geëngageerd voor den volgenden, Pen.”
„Ik heb mij juist met jufvrouw Amory geëngageerd,” antwoordde deze,
terwijl Blanche knikte en hare gewone kleine nijging maakte.
„Ik zie niet van hem af, Laura-lief,” sprak zij.
„Goed, – dan zal ik den volgenden keer met hem walsen, lieve Blanche,”
hernam Laura; „niet waar, Pen?”
„Ik heb beloofd met jufvrouw Amory te walsen.”
„Nu, dat spijt mij zeer!” zeide Laura, die op hare beurt eene nijging
maakte en onder de breede vleugelen van Lady Rockminster ging schuilen.
Pen was verrukt over het kwaad, dat hij gebrouwen had. De twee mooiste
meisjes van het bal twistten om hem! Hij vleide zich, dat hij jufvrouw
Laura eene goede les had gegeven. Hij leunde nu in eene gemaakte
houding tegen den muur, terwijl hij met Blanche sprak en onbarmhartig
den draak stak met al de menschen in de zaal: met de zware dragonders
in hunne nauwsluitende uniformen, met de plattelandsjonkers en hun
zonderlingen opschik, en met de smakelooze toiletten der dames. Volgens
hem scheen de eene een vogelnestje op haar hoofd te dragen en de andere
zes pond druiven in haar haar te hebben, hare valsche paarlen niet
meegerekend. „Het is eene coiffure van amandelen en rozijnen,” zeide
Pen. „die voor een dessert zou kunnen dienen.” In één woord, hij was
verbazend satiriek en onderhoudend.
Gedurende de quadrille zette hij deze soort van conversatie met
onverminderde bitterheid en levendigheid voort en hield Blanche
onophoudelijk aan het lachen; want zijne hatelijkheden en aardigheden
kwamen beiden van pas en Laura was wederom beider vis-à-vis en kon zien
en hooren hoe vroolijk en vertrouwelijk zij waren.
„Arthur is van avond alleraardigst,” fluisterde Blanche Laura achter
den uniformrok van den dragonderluitenant Perch toe, terwijl Pen een
cavalier seul tegenover de dames danste en die figuur met een duim in
elk armsgat doordrentelde.
„Wie!” vroeg Laura.
„Arthur,” antwoordde Blanche in het Fransch. „Ik vind dat zoo’n lieven
naam!” Daarop gingen de jonge dames naar den kant van Pen over, en de
luitenant voerde op zijne beurt den pas seul uit. Hij had geen vest om
zijne duimen er in te steken, en zijne handen, die uit de nauwe mouwen
van zijn rok langs zijn lijf neerhingen, zagen er groot en gezwollen
uit.
In het tijdsverloop tusschen de quadrille en de daaropvolgende wals nam
Pen geen notitie van Laura, uitgezonderd dat hij haar vroeg of haar
danser, luitenant Perch, nog al aardig was, en of zij zooveel met hem
op had als met haar anderen partner, mijnheer Pynsent. Na die twee
dolken in Laura’s teedere hart geplant te hebben, bleef mijnheer
Pendennis tegen Blanche Amory voortklappen en geestige of flauwe, maar
altijd luide aardigheden afvuren. Laura kon geene aanleiding voor de
bitsheid van haar neef opsporen en wist niet hoe zij hem beleedigd had;
maar maakte zich van haar kant niet boos over Pen’s norschheid, want
zij was de meest goedhartige en vergevensgezinde der vrouwen, en
bovendien, een beetje jaloezie van den kant van een man is eener dame
niet altijd ongevallig.
Daar Pen niet met Laura wilde dansen, nam zij gaarne de hand van den
levendigen chevalier Strong aan, die veel beter danste dan Pen; en daar
zij dol op het dansen was, zooals elk vroolijk en onschuldig, jong
meisje wel zijn zal, ging zij van den vloer zoodra de walsmuziek begon
en genoot volop. Bij deze gelegenheid was kapitein Broadfoot aan het
ronddraaien met eene dame, weinig minder kolossaal dan hij zelf, –
jufvrouw Roundle, eene zwaarlijvige jonge schoone in een krippen
kleedje van de kleur van frambozen-ijs, de dochter van de dame met de
druiven op het hoofd, wier trossen Pen bewonderd had.
En nu zijn oogenblik afwachtende, terwijl zijne schoone danseres
Blanche vertrouwelijk in den arm leunde, die haar omvatte, begon
mijnheer Arthur Pendennis zijne wals, waarbij hij zich overtuigd hield,
terwijl zij zoo op de maat der muziek ronddraaiden, dat hij met Blanche
een toonbeeld van danskunst opleverde. Het is niet onwaarschijnlijk,
dat hij eens uitkeek of jufvrouw Bell het daarvoor ook niet hield; maar
zij zag niet naar hem, of wilde niet naar hem zien, en was voortdurend
druk bezig met kapitein Strong. Maar Pen’s triomf was niet bestemd om
lang te duren, en het stond geschreven, dat de arme Blanche nog meer
tegenspoed zou hebben op dien onzaligen avond. Terwijl zij en Pen met
de lichtheid en vlugheid van een paar dansers van het corps de ballet
rondvlogen, draaide kapitein Broadfoot met de dame, wier middel hij
omvatte, overeenkomstig beider aard, op zijn gemak rond, zoodat zij
iedereen in den weg kwamen. Maar zij liepen Pen meer dan iemand anders
in den weg, want hij en Blanche bonsden in hunne vliegende
omwentelingen tegen den zwaren dragonder en diens dame aan, en wel met
zooveel kracht, dat alle vier de rondwentelende lichamen hun
zwaartepunt verloren; kapitein Broadfoot en jufvrouw Roundle rolden
letterlijk omver, evenals Pen, van zijn kant minder gelukkig dan
jufvrouw Amory, die slechts op eene bank tegen den muur werd
geslingerd.
Pendennis kwam dus vlak op den vloer te land en lag in de algemeene
verwarring bij Broadfoot en jufvrouw Roundle te spartelen. De dikke,
maar goedhartige kapitein was de eerste om het uit te schateren over
zijn tegenspoed, zoodat niemand er op lette. Maar jufvrouw Amory was
boos over haar ongeluk; jufvrouw Roundle, die op den grond zat en
verslagen rondkeek, leverde een schouwspel op, dat weinigen konden
aanzien zonder lachen; en Pen was woedend, toen hij de omstanders
hoorde giggelen. Hij behoorde tot dat soort van spotzieke jonge heeren,
die niet kunnen velen, dat men om hen lacht, en die voor niets zoo bang
zijn als dat zij een bespottelijk figuur zullen maken.
Terwijl hij opstond, zag hij, dat Laura en Strong om hem lachten;
iedereen was aan het lachen; Pynsent en zijne dame lachten, en Pen was
zoo vervuld met woedenden toorn tegen dat paartje, dat hij beiden had
willen overhoop steken Hij wendde zich half razend van hen af en begon
excuses tegen jufvrouw Amory te stamelen. Het was, zeide hij, de schuld
van die andere menschen; die dame in het paarsch had het gedaan; hij
hoopte, dat jufvrouw Amory zich niet bezeerd had en dat zij niet zou
opzien tegen nog een dans.
Maar jufvrouw Amory antwoordde spijtig, dat zij zich heel erg bezeerd
had en niet meer wilde dansen, waarop zij met veel dank een glas water
aannam, dat een cavalier, die eene driepuntige ster aan een blauw lint
droeg, haastig voor haar was gaan halen, zoodra hij het jammerlijk
ongeval gezien had. Zij dronk van het water, beloonde den brenger met
een bevallig lachje, keerde op eene in het oog loopend trotsche wijze
haar blanken schouder mijnheer Pen toe, en verzocht den heer met de
ster, haar naar hare mama te geleiden, terwijl zij hare hand uitstak om
zijn arm te nemen.
De man met de ster trilde van genoegen bij dit gunstbewijs. Hij boog
over hare hand, drukte die vurig tegen zijn rok en zag zegevierend in
het rond.
Het was niemand anders dan de gelukkige Mirobolant, dien Blanche tot
haar geleider had uitverkoren. Maar het ware van de zaak was, dat de
jonge dame den artiste nog nooit van dichtbij had gezien sedert hij ten
huize van hare familie diende, en zich niet anders voorstelde, dan dat
het een buitenlandsch edelman moest zijn, op wiens arm zij leunde. Maar
toen zij heenging, vergat Pen in zijne verbazing zijne eigene
vernedering en riep uit: „Bij den hemel, het is de kok!”
Zoodra die woorden over zijne lippen waren, speet het hem, dat hij ze
gesproken had, want Blanche zelve had Mirobolant uitgenoodigd haar te
geleiden, en de artiste kon bezwaarlijk anders doen dan gevolg geven
aan het verzoek eener dame. Blanche vernam in hare ontroering niet wat
Pen zeide; maar Mirobolant had het opgevangen en wierp over zijn
schouder een woedenden blik op Pen, die dit buitengewoon grappig vond.
Hij was in een kwaad en kregelig humeur en had misschien wel twist met
dezen of genen willen zoeken; maar het denkbeeld, dat hij een kok had
kunnen beleedigen, of dat zoo iemand zelfs iets zou bezitten, dat naar
eergevoel geleek, rees niet eens op in den geest van onzen goedhartigen
jongen aristocraat, den zoon van een apotheker.
De arme artiste had er nooit aan gedacht, dat hij als een mensch niet
de gelijke zou zijn van ieder ander, of dat zijn beroep zoo onteerend
was, dat hij zijn arm niet zou mogen geven aan eene dame, die er om
vroeg. Hij had op de feesten in zijn eigen land deftige dames, hoewel
geen jonge jufvrouwen (maar hij wist, dat de demoiselles anglaises veel
meer vrijheid genoten dan de meisjes in Frankrijk), aan den dans zien
deelnemen met Blaise of Pierre; en dus zou hij Blanche ook naar Lady
Clavering geleid en haar misschien wel ten dans gevraagd hebben, indien
hij Pen’s uitroep niet gehoord had, die hem als een donderslag trof en
bitter vernederde en ergerde. Zij wist niet wat het was, dat hem
plotseling deed opschrikken en een Gasconschen vloek tusschen de tanden
mompelen.
Maar Strong, die den zielstoestand van den armen kerel kende, daar
madame Fribsby hem die interessante inlichting gegeven had, was
gelukkig dichtbij, toen men hem noodig had, en na haastig iets in het
Spaansch gezegd te hebben, dat de ander begreep, noodigde de chevalier
jufvrouw Amory uit om wat ijs te gebruiken eer zij naar Lady Clavering
terugkeerde. De rampzalige Mirobolant liet daarop den arm varen, dien
hij maar eene minuut had vastgehouden, en trad met eene allerdiepste
maar melancholische buiging terug. „Weet gij niet wie dat is?” zeide
Strong, terwijl hij jufvrouw Amory verder geleidde. „Dat is Mirobolant,
de chef.”
„Hoe zou ik dat weten?” vroeg Blanche. „Hij heeft een croix; hij is
zeer distingué en hij heeft heel mooie oogen.”
„De arme kerel is dol op uwe beaux yeux, geloof ik,” hernam Strong.
„Het is een zeer goede kok, maar hij is niet heel wel bij zijn
verstand.”
„Wat hebt gij in die vreemde taal tegen hem gezegd?” vroeg jufvrouw
Blanche.
„Hij is een Gascogner en komt van de grenzen van Spanje,” gaf Strong
ten antwoord. „Ik zeide hem, dat hij zijne betrekking zou verliezen,
indien hij met u ging.”
„Die arme monsieur Mirobolant!” zeide Blanche.
„Hebt gij gezien hoe hij Pendennis aankeek?” vroeg Strong, die pleizier
had in het aangerichte kwaad. „Ik geloof, dat hij den kleinen Pen wel
aan een braadspit zou willen rijgen.”
„Het is een akelig, verwaand, lomp wezen, die mijnheer Pen,” zeide
Blanche.
„Broadfoot zag er ook uit alsof hij hem zou willen vermoorden, en
Pynsent eveneens,” zeide Strong. „Welk ijs zult gij gebruiken? gewoon,
of à la créme?”
„Gewoon. Wie is die zonderlinge man, die mij zoo aankijkt? – die is ook
décoré.”
„Dat is mijn vriend, de kolonel Altamont, een zeer vreemd personage,
die in dienst is bij den nabob van Lucknow. Hè! wat is dat voor een
lawaai? Ik kom dadelijk terug,” zeide de chevalier en vloog weer naar
de balzaal, waar men een grooten oploop en luide stemmen hoorde.
De ververschingszaal, waar jufvrouw Amory zich thans bevond, was
bestemd voor het souper, dat Rincer de kastelein à vijf shillings per
persoon gereed had voor degenen, die er deel aan wilden nemen. Hier
waren ook ververschingen van het fijnste soort te bekomen voor de
heeren en dames van de voorname familiën uit het graafschap, die het
bal bezochten; doch de minder aanzienlijken werden buiten het vertrek
gehouden door een knecht aan de deur, die zeide, dat dit eene
bijzondere kamer was voor de gezelschappen der Lady’s Clavering en
Rockminster, en dat ze voor het publiek eerst opengesteld zou worden op
het oogenblik van het souper, namelijk na middernacht. Pynsent, die met
de dochters der kiezers danste, welke hij hoopte, dat hunne stem op hem
zouden uitbrengen, leidde er die dames en hare mama’s binnen om eenige
ververschingen te gebruiken, Strong, die overal waar hij kwam directeur
en ceremoniemeester was, had er natuurlijk vrij entrée, en de eenige
persoon, die zich nu in het vertrek bevond, was de heer met de zwarte
pruik en de ridderlinten in zijn knoopsgat, de officier in dienst van
zijne hoogheid den nabob van Lucknow.
Deze heer had reeds vroeg in den avond in die kamer zijn hoofdkwartier
opgeslagen, waar hij, uitroepende, dat hij een verwenschten dorst had,
eene flesch champagne had besteld. Uit zulk eene bestelling leidde de
knecht dadelijk af, dat hij met een groot heer te doen had, en dus
zette de kolonel zich neer en begon te eten en te drinken en met
iedereen, die het vertrek binnentrad, een gezellig praatje aan te
knoopen.
Dáár vonden hem Sir Francis Clavering en mijnheer Wagg, toen zij de
balzaal verlieten, wat zij tamelijk vroeg deden, – Sir Francis om eene
sigaar te gaan rooken en een blik te werpen op de buiten de balzaal en
aan het strand vergaderde menigte, en mijnheer Wagg om aan den arm van
een baronet te hangen, gelijk hij altijd gaarne aan den arm van den
voornaamsten man uit het gezelschap hing. Kolonel Altamont had deze
heeren zoo raar aangekeken toen zij de „vrije” kamer doorgingen, dat
Clavering bij den kastelein gevraagd had wie dat was, en een sterk
vermoeden te kennen had gegeven, dat de officier van den nabob dronken
was.
Ook mijnheer Pynsent had de eer gehad in een gesprek met den dienaar
van den Indischen potentaat te geraken. Het was Pynsent’s belang met
iedereen te spreken (hetgeen hij, om hem recht te laten weervaren, op
de meest linksche wijze deed), en hij had den heer met de zwarte pruik
voor een kiezer, een zeekapitein, of een ander bewoner van het
plaatsje, die veel reisde, gehouden. Toen Pynsent met eene dame, de
vrouw van een kiezer, aan zijn arm deze ververschingszaal binnentrad,
vroeg de kolonel, of hij hem met een glas champagne dienen kon? Pynsent
nam het met veel deftigheid aan, maakte eene buiging, dronk eens van
den wijn, verklaarde, dat die uitmuntend was, en blies met de uiterste
beleefdheid den aftocht voor kolonel Altamont. Die deftigheid en
wellevendheid bracht den kolonel meer van zijn stuk dan eenige andere
handelwijze waarschijnlijk zou gedaan hebben; hij keek Pynsent verward
na en verklaarde over het buffet heen aan den kastelein, dat dat een
„rare vent” was. Mijnheer Rincer bloosde en wist niet recht wat hij
zeggen moest. Mijnheer Pymsent was de kleinzoon van een graaf uit die
streek, en zou zich candidaat voor het parlement stellen; en aan den
anderen kant droeg kolonel Altamont ridderorden en diamanten, liet
onophoudelijk de goudstukken in zijn zak klinken en betaalde royaal.
Rincer wist dus eigenlijk niet wat hij antwoorden moest en maakte er
zich af met te zeggen: „Ja, kolonel – ja, mevrouw, heeft UE. niet thee
gevraagd? Kop thee voor mevrouw Jones, vrouw!” In dier voege onttrok
hij zich aan het gesprek over den heer Pynsent, dat de officier van den
Nizam scheen te willen aanknoopen.
Om de waarheid te zeggen, had mijnheer Altamont, die den ganschen avond
bij het buffet gebleven was en daar niet stil had gezeten, zich zeer
opgewonden, en hij zat nog altijd door te drinken, toen Strong met
jufvrouw Amory binnentrad.
Toen de chevalier op het hooren van het gedruis naar de danszaal
wegvloog, stond de kolonel, wiens kleine roode oogen als kooltjes
gloeiden, van zijn stoel op en begaf zich eenigezins waggelend naar
Blanche, die haar glaasje ijs zat te gebruiken. Zij was geheel verdiept
in die bezigheid, daar het ijs bijzonder frisch en smakelijk was, of
zij was niet nieuwsgierig naar hetgeen er in de zaal voorviel, ofschoon
de knechts dat wèl waren, want zij liepen den chevalier Strong na. Toen
zij dus opzag, bemerkte zij, hoe die zonderlinge man haar met zijne
kleine roode oogen aanstaarde. Wie kon dat zijn? Het begon zeer
interessant te worden.
„En dus zijt gij Betsy Amory,” zeide hij, na haar aangekeken te hebben.
„Betsy Amory, zoo waar ik leef!”
„Wie – wie zijt gij?” vroeg Betsy, anders genaamd Blanche.
Maar het geweld in de balzaal wordt nu werkelijk zoo hevig, dat wij óók
daarheen moeten snellen, om te zien wat de reden van die opschudding
is.