De oneenigheid tusschen de meisjes duurde niet lang. Laura was altijd
te zeer gezind om te vergeven en zich te laten vergeven, en jufvrouw
Blanche’s boosheid, die nooit zeer langdurig of blijvend was, werd niet
opgewekt door het tooneel, dat wij geschilderd hebben. Niemand trekt
het zich aan, dat hij van verdorvenheid beschuldigd wordt; die
aantijging kwetst niemands ijdelheid. Blanche was eerder gestreeld dan
geërgerd door de verontwaardiging van hare vriendin, die nooit zou
losgebroken zijn zonder de reden, die beiden wel wisten, schoon geen
van beiden er van sprak.
Laura moest dus met een zucht bekennen, dat het romantische gedeelte
van hare eerste vriendschap afgeloopen was, en dat het voorwerp dier
vriendschap op niet meer dan eene zeer alledaagsche soort van achting
aanspraak kon maken.
Blanche, van haar kant, schreef dadelijk een roerend gedicht, waarin
zij schetste hoe men haar verlaten had en hoe haar de oogen waren
opengegaan. Het was niets dan de oude geschiedenis van liefde, die met
koelheid, en trouw, die met ontrouw beloond wordt; en daar juist
omstreeks dezen tijd eenige familiën uit Londen, die dochters hadden
zich in den omtrek kwamen vestigen, had jufvrouw Amory de gelegenheid,
om voor eeuwig eene vriendin onder deze jonge dames te kiezen en hare
smarten en teleurstellingen aan die nieuwe vertrouwde mee te deelen. De
lange lakeien brachten nu zelden briefjes aan de lieve Laura, en de
hittenwagen werd slechts enkel naar Fairoaks gezonden ten behoeve van
de dames aldaar. Blanche nam, toen Laura haar kwam bezoeken, een
voorkomen van onderworpen lijden aan. Laura lachte over de
sentimenteele buien van hare vriendin en behandelde die met eene
luchtigheid, die volstrekt niet eerbiedig was.
Maar zoo jufvrouw Blanche nieuwe vriendinnen vond om haar te troosten,
rust op den waarheidlievenden geschiedschrijver ook de plicht om te
verklaren, dat zij kennissen van het andere geslacht ontdekte, die haar
ook heel wat troost schenen te schenken. Waar dit argelooze schepseltje
een jonkman ontmoette en een onderhoud van tien minuten met hem in den
tuin, aan het venster der gezelschapszaal, of in de tusschenpoozen van
eene wals had, schonk zij hem haar vertrouwen, liet zij hare mooie
oogen spelen, sprak hem op een toon van teedere belangstelling
eenvoudig en roerend toe – en liet hem staan, om dat zelfde aardige
dramaatje ten genoegen van zijn opvolger te spelen.
In den eersten tijd nadat de Clavering’s op het park gekomen waren,
deden zich voor jufvrouw Blanche weinige gelegenheden op om hare
kunsten te vertoonen, zoodat Pen uitsluitend begunstigd werd met hare
lonkjes en vertrouwde mededeelingen, en het onderhoud aan het venster,
of de wandeling in den tuin met niemand behoefde te deelen. In het
stadje Clavering, gelijk wij reeds gezegd hebben, waren in het geheel
geen jonge heeren, en in de geheele omstreek slechts een paar
hulppredikers of een boersche landjonker met groote voeten en slecht
gemaakte kleederen. De baronet richtte geen uitnoodigingen tot de
dragonders, die te Chatteries in garnizoen lagen, want het was
ongelukkig zijn eigen regiment; toen hij het verliet, stond hij op
slechten voet met sommige officieren van het corps; er liepen leelijke
geruchten over het verkoopen van een paard, over eene betwiste
speelschuld, over hazard-spel, over het weigeren van een duel; maar wat
behoeven wij ons daarin te verdiepen? wij zijn niet geroepen om te veel
in het vroegere leven onzer personages door te dringen, tenzij zulke
tot opheldering der onderhavige geschiedenis noodig mocht zijn.
Maar in het najaar, toen de zitting van het parlement en het Londensche
seizoen geëindigd was, kwamen een paar der voorname plattelands
familiën op hare buitenplaatsen terug. Dit jaargetijde deed het
naburige badplaatsje Baymouth tamelijk vol loopen, den koninklijken
schouwburg van onzen vriend Bingley te Chatteries openen, en het gewone
gezelschap op de bals bij het houden der assises en der wedrennen
bijeenkomen. Tot dusverre hadden de oude familiën van het graafschap
zich op een afstand van onze vrienden op Clavering Park gehouden,
zooals de Fogy’s van Drummington, de Square’s van Tozely Park, de
Welbore’s van de Barrow, enz. Er liepen in die kringen allerlei
praatjes over de familie te Clavering. Niemand, die hen over hunne
buren had hooren spreken, zou hebben kunnen volhouden, dat de menschen
op het platteland geen verbeeldingskracht bezitten. Er liepen ontelbare
vertelseltjes, die wij hier niet behoeven te herhalen, over Sir Francis
en zijne vrouw, en hare afkomst en familie; over jufvrouw Amory en over
kapitein Strong; zoodat de familie van het Park drie maanden in het
graafschap gewoond had, alvorens de groote lui bezoeken kwamen
afleggen.
Maar toen de graaf van Trehawk, lord-stadhouder van het graafschap, op
het einde van het seizoen naar het kasteel Eyrie gekomen was en de
gravin-douairière van Rockminster, wier zoon ook tot de aanzienlijken
des lands behoorde, een huis op de Marine Parade te Baymouth betrokken
had, brachten die voorname lui dadelijk en in staatsie een bezoek aan
de familie op Clavering Park; en nu volgden de rijtuigen der overige
familiën van het graafschap spoedig in het spoor, door de hoogadellijke
wielen nagelaten.
Toen eerst begon Mirobolant gelegenheid te krijgen om zijne kunst ten
toon te spreiden en onder dien arbeid de kwellingen der liefde te
vergeten. Toen was het, dat de lange lakeien het te druk hadden op
Clavering Park om boodschappen over te brengen of een glas dun bier met
de arme dienstmeisjes op Fairoaks te ledigen. Toen was het, dat Blanche
andere boezemvriendinnen dan Laura vond, en andere wandelplaatsen dan
den oever der rivier, waar Pen zat te visschen. Hij kwam den eenen dag
na den anderen; maar de visch wilde niet bijten en de Nimf niet
verschijnen. En hier mogen wij wel een woordje zeggen over zekere
kiesche zaak, waarop wij reeds vroeger gezinspeeld hebben; maar onder
de roos, en met verzoek om het niet verder te vertellen. Wij hebben
vroeger al gesproken van zekeren hollen boom, bij welken Pen zich
plaatste toen hij nog dol was op jufvrouw Fotheringay, en in welks
holte hij later andere dingen dan zijn aas en vischtuig verborg. Om de
waarheid te zeggen, herschiep hij dien boom in eene brievenbus. Onder
wat mos en een steen legde hij gedichtjes, of even dichterlijke
brieven, gericht aan zekere Ondine of Najade die den stroom bezocht, en
die een paar malen vervangen werden door een reçu in den vorm van eene
bloem, of een paar woordjes tot dank, met een fijn handje in het
Fransch of Engelsch, op geparfumeerd rosé papier geschreven. Het is
zeker, dat jufvrouw Amory, gelijk wij gezien hebben, wel eens langs het
riviertje wandelde, en dat zij geparfumeerd rosé papier voor hare
brieven gebruikte. Maar sinds de grootelui Clavering Park bezocht
hadden en de staatsiekoets den eenen avond na den anderen het hek
uitreed en den weg naar de andere groote buitenplaatsen insloeg, kwam
er niemand meer om Pen’s geschriften uit de brievenbus te halen; het
witte papier werd niet tegen rosé verwisseld, maar bleef onaangeroerd
onder den steen en het mos liggen, terwijl de boom zich in het water
weerkaatste en de Brawl onvermoeid voortkabbelde. Er stond echter in
die brieven niet veel, en in de rosé briefjes ternauwernood iets,
hoogstens een paar half schertsende half meewarige woordjes, gelijk
elke jonge dame ze zou kunnen schrijven. Maar, malle Pendennis, als gij
dit meisje wildet hebben, waarom deedt gij dan uw mond niet open?
Misschien meende geen van beiden het ernstig. Gij speeldet slechts den
verliefde, en de schalksche kleine Ondine liet u met dat spelletje
begaan.
Maar als men in zijn spel gedwarsboomd wordt, maakt men zich wel eens
boos, en toen Pen’s gedichten door niemand meer werden afgehaald, begon
hij die producten met een zeer ernstig oog te beschouwen. Hij gevoelde
zich weer bijna zoo tragisch en sentimenteel als ten tijde van zijne
eerste liefdesgeschiedenis, en in ieder geval had hij besloten, dat het
tot eene verklaring moest komen. Den eenen dag begaf hij zich naar het
Heerenhuis en vond de kamer vol bezoekers; den anderen dag kon hij
jufvrouw Amory niet te zien krijgen, daar zij des avonds naar een bal
moest en nu vooraf wat rust nam. Pen verwenschte de bals, de
bekrompenheid zijner beurs en de onbeduidende plaats, die hij in het
graafschap innam, zoodat zij, die zulke partijen gaven, hem
voorbijgingen. Bij eene derde gelegenheid was jufvrouw Amory in den
tuin en toen spoedde hij zich daarheen; maar zie, zij wandelde er met
geen minder personage dan den bisschop van Chatteries, diens vrouw en
hunne kinderen, die hem zuur aanzagen en eene stijve houding aannamen,
toen hij aan hen werd voorgesteld en zij zijn naam hoorden. De
hoogeerwaarde prelaat had dien reeds vroeger vernomen, evenals dat
grapje in den tuin van den deken.
„De bisschop zegt, dat gij een losbandig jongmensch zijt,” fluisterde
hem de goedhartige Lady Clavering toe. „Wat hebt gij toch gedaan? Ik
hoop toch – niets, wat zulk eene lieve mama als de uwe verdriet zou
kunnen doen? Hoe vaart uwe lieve ma? Waarom komt zij niet eens aan? Ik
weet niet, in hoe langen tijd wij haar niet gezien hebben! Wij gaan
tegenwoordig veel uit, zoodat wij weinig met onze buren kunnen omgaan.
Doe haar en Laura mijn compliment, en komt allen hier morgen eten.”
Mevrouw Pendennis gevoelde zich te ongesteld om uit te gaan, maar Laura
en Pen voldeden aan de uitnoodiging en vonden een groot gezelschap
verzameld, zoodat Pen slechts in der haast een woordje met jufvrouw
Amory kon wisselen. „Gij komt,” zeide hij, „tegenwoordig in het geheel
niet meer aan de rivier.”
„Ik kan niet,” antwoordde Blanche, „want ons huis is tegenwoordig vol
gasten.”
„Ondine heeft den stroom vaarwelgezegd,” hernam Pen, die trachtte
poëtisch te zijn.
„Zij had dien nooit moeten bezoeken,” zeide jufvrouw Amory. „En zij zal
er ook niet heengaan. Het was heel dwaas en verkeerd; het was ook maar
scherts. Bovendien hebt gij een anderen troost thuis,” en bij die
woorden zag zij hem een oogenblik vlak in het gelaat en sloeg toen de
oogen neder.
Waarom sprak hij toen niet, indien hij haar had willen hebben? Zelfs
toen nog zou zij wellicht „ja” hebben gezegd. Doch toen zij van een
anderen troost sprak, dacht hij aan Laura, die zoo teeder en rein was,
en aan zijne moeder, wier liefderijk hart op zijne verbintenis met hare
pleegdochter gezet was. „Blanche!” begon hij dus op spijtigen toon:
„jufvrouw Amory!”
„Laura ziet naar ons, mijnheer Pendennis,” zeide de jonge dame. „Ik
moet mij weer bij het gezelschap voegen,” vervolgde zij en liet hem
staan, zoodat hij in verlegenheid op de nagels stond te bijten en in
den door de maan verlichten tuin te staren.
Laura keek inderdaad naar den kant van Pen. Zij was in gesprek met den
heer Pynsent, den zoon van Lord Rockminster, of scheen althans naar hem
te luisteren. Hij was de zoon der douairière Rockminster, die, op de
eereplaats gezeten, met een deftig gezicht Lady Clavering’s slecht
Engelsch aanhoorde en den suffen Sir Francis, wiens invloed in het
graafschap zij ten voordeele van haar kleinzoon wenschte aangewend te
zien, patroniseerde. Pynsent en Pen hadden samen te Oxbridge
gestudeerd, waar de laatste, gedurende den korten tijd toen hij geld
bezat en in de mode was, boven den jongen patriciër gestaan en hem
misschien wel wat uit de hoogte behandeld had. Sedert hun afscheid van
de academie hadden zij elkander aan dit diner voor het eerst ontmoet en
elkander met dat hoogst impertinente en te gelijk kluchtige halve
knikje van herkenning begroet, dat alleen in Engeland gebruikelijk is
en slechts door studenten naar den vollen eisch wordt uitgevoerd, en
waarmee men schijnt te willen zeggen: „Wat drommel! wat heb jij hier te
maken?”
„Ik heb dien heer te Oxbridge als student gekend,” zeide mijnheer
Pynsent tegen jufvrouw Bell: „zekere mijnheer Pendennis, geloof ik.”
„Ja,” antwoordde zij.
„Hij schijnt een goed oogje op jufvrouw Amory te hebben,” ging hij
voort. Laura keek naar die beiden, en was misschien van hetzelfde
gevoelen, maar zeide er niets van.
„Hij heeft hier in het graafschap groote goederen, niet waar? Hij sprak
er van, dat hij voor dit district in het parlement dacht te komen. In
de debatteerclub voerde hij dikwijls het woord. Waar liggen toch zijne
goederen?”
„Zijne goederen liggen aan de overzijde der rivier, dicht bij de
portierswoning,” antwoordde Laura glimlachend. „Hij is mijn neef, en ik
woon daar ook.”
„Waar?” vroeg mijnheer Pynsent met een lachje.
„Wel, aan den overkant der rivier, op Fairoaks,” hernam jufvrouw Bell.
„Zijn daar veel fazanten? Ik zou het wel denken, naar het hout te
oordeelen,” zeide de argelooze man.
Laura glimlachte nogmaals. „Wij hebben negen kippen en een haan, een
varken en een ouden jachthond.”
„Heeft Pendennis dan geen eigen jacht?” hervatte de heer Pynsent.
„Gij moet hem maar eens een bezoek komen brengen,” antwoordde het
meisje lachend, daar zij het zeer kluchtig vond, dat men haar Pen voor
een rijk landbezitter hield en dat hij zelf zich misschien daarvoor
uitgegeven had.
„Wel, het zal mij zeer veel genoegen doen onze kennis voort te zetten,”
antwoordde mijnheer Pynsent beleefd en met een blik, die duidelijk
zeide: „U zou ik eigenlijk wenschen te bezoeken,” welken blik en
toespraak mejufvrouw Laura met een lachje en eene kleine buiging
beloonde.
Op dit oogenblik kwam Blanche met haar betooverendste lachje en lonkje
hare lieve Laura verzoeken, de tweede partij te zingen van een duo.
Laura was tot alles bereid wat genoegen kon geven en zette zich aan de
piano; zoolang het duet duurde, bleef mijnheer Pynsent er bij staan
luisteren, maar toen jufvrouw Amory alleen begon te zingen, ging hij
weg.
„Wat is dat een aardig, rondborstig, lieftallig, welopgevoed meisje,
Wagg,” zeide mijnheer Pynsent tegen een heer, die met hem van Baymouth
was gekomen; „ik meen die lange met die krullen en die roode lippen –
verbazend rood, niet waar?”
„En wat zegt gij van de dochter des huizes?” vroeg mijnheer Wagg.
„Die houd ik voor eene magere, schrale bedriegster,” zeide mijnheer
Pynsent met de grootste openhartigheid. „Zij steekt hare schouders zoo
hoog mogelijk uit hare japon, zij kan hare oogen niet stilhouden, en
zij lacht en lonkt met evenveel gemaaktheid als eene Fransche
kamenier.”
„Pynsent, pas op,” riep de ander, „daar staat iemand, die hooren kan
wat ge zegt.”
„O, het is Pendennis van Bonifacius,” antwoordde mijnheer Pynsent. „Een
mooie avond, mijnheer Pendennis; wij hadden het juist over uwe
bekoorlijke nicht.”
„Zijt gij familie van mijn ouden vriend, majoor Pendennis?” vroeg
mijnheer Wagg.
„Ik ben zijn neef en heb het genoegen gehad u op Gaunt House te
ontmoeten,” zeide mijnheer Pen zoo voornaam mogelijk, – en in een
oogenblik was de kennis tusschen de heeren gemaakt.
Den volgenden namiddag vond mijnheer Pen, die uit visschen was geweest
en niets gevangen had, bij zijne terugkomst de beide heeren, die op
Clavering Park logeerden, in zijn moeders gezelschapskamer in druk
gesprek met de weduwe en hare pupil. De lange, schrale heer Pynsent,
met zijne groote bakkebaarden en een geduchten haarbos aan zijne kin,
zat zeer dicht bij jufvrouw Laura schrijlings op een stoel. Zijne
eenvoudige, oprechte taal, soms luimig en scherp, en doormengd met
studenten-uitdrukkingen, vermaakte haar. Het was het eerste exemplaar
van een jongen Londenschen dandy, dat Laura ooit gezien of gehoord had;
want zij was nog een kind toen mijnheer Foker op Fairoaks verscheen, en
die geestige heer was ook niet veel meer dan een knaap, met het vernis
van school en academie.
Toen mijnheer Wagg op Fairoaks kwam, nam hij alles nauwkeurig op. „Een
oude tuinman,” zeide hij, toen hij Jan in het portiershuisje zag; „een
oud rood livrei-vest – kleeren te drogen gehangen op de bessenstruiken
– blauwe voorschooten, eene witte broek – wel, dat moet de witte broek
van den jongen Pendennis zijn – niemand anders van de familie draagt er
een. Een nog al min plaatsje voor een parlementslid in den dop, – hè,
Pynsent?”
„Een aardig buitentje„” zeide mijnheer Pynsent; „een allerliefst
grasperkje.”
„Is mijnheer Pendennis thuis, ouwe heer?” vroeg mijnheer Wagg aan den
bejaarden bediende, die daarop antwoordde: „Neen, de jonge heer
Pendennis is uit.”
„Zijn de dames thuis?” ging de jongste der bezoekers voort, waarop Jan
van zijn kant antwoordde: „Ja, dat zijn ze.” Terwijl het tweetal over
de zindelijke kiezelpaden en langs het nette plantsoen naar het bordes
van het huis ging, waar Jan de deur opende, lette mijnheer Wagg op
alles wat onder zijne oogen kwam: den barometer en den brievenzak, de
paraplu’s en de overschoenen der dames, Pen’s hoeden en Schotsch
geruiten reisdoek, en op Jan, die de deur der kamer opendeed, om de
bezoekers binnen te laten. Zulke kleinigheden trokken Wags’s aandacht
en hij merkte ze op in weerwil van zich zelven.
„Die ouwe doet al het werk,” fluisterde hij Pynsent toe; „het is een
tweede Caleb Balderstone. Het zou mij niet verwonderen, als hij
bovendien keukenmeid was.” Een oogenblik later bevonden beiden zich in
tegenwoordigheid der dames van Fairoaks, welke Pynsent voor twee
volmaakt goed opgevoede dames moest verklaren, terwijl mijnheer Wagg
haar met sierlijke buigingen en overmatige beleefdheid begroette, maar
nu en dan een veelbeteekenend knipoogje naar zijn vriend wierp.
Mijnheer Pynsent toonde evenwel niet anders, dat hij dit merkte, dan
door mijnheer Wagg zeer uit de hoogte en de dames uiterst voorkomend te
behandelen. Zoo er iets bespottelijk was in het oog van Wagg, dan was
het de armoede. Hij bezat het gemoed van een lakei, die uit de
dienstbodenkamer is geroepen, om in de gezelschapszaal voor gek te
spelen. Hij kende een overvloed van aardigheden en zijn hart was zoo
kwaad niet; maar hij scheen niet te begrijpen, dat men een gentleman
kon zijn ofschoon men een kalen rok droeg, of dat eene dame aanspraak
op achting kon maken, indien zij er geen rijtuig, of geen Fransche
modemaakster op na hield.
„Een heerlijk buitentje, mevrouw,” zeide hij met eene buiging tegen de
weduwe; „een prachtig uitzicht. Het is een groot genot voor ons
Londenaars, die zelden iets anders dan Pall Mall te zien krijgen.”
Waarop de weduwe met de meeste eenvoudigheid antwoordde, dat zij
slechts ééns in haar leven te Londen was geweest, en wel vóór de
geboorte van haar zoon.
„Mooi dorp, mevrouw, mooi dorp,” ging mijnheer Wagg voort, „en met den
dag breidt het zich uit. Het is geen kwaad gekozen woonplaats, als men,
niet geheel buiten kan wonen, en het loont de moeite van een bezoek.”
„Mijn broeder, majoor Pendennis, heeft ons dikwijls van u gesproken,”
zeide de weduwe, „en wij hebben ons van harte vermaakt met eenige van
uwe geestige boeken, mijnheer.” Om de waarheid te zeggen, zij had nooit
smaak kunnen vinden in de boeken van mijnheer, en zij keurde den toon,
waarin die geschreven waren, geheel en al af.
„Het is een zeer goed vriend van mij,” antwoordde mijnheer Wagg met
eene diepe buiging; „hij komt bijna overal, en waar hij komt, stelt men
veel prijs op hem – dat verzeker ik u. Hij is nu met onzen vriend
Steyne te Aken. Steyne heeft een tikje van de jicht weg en – maar dit
blijft onder ons – dat heeft uw broeder ook. Ik ga naar Stillbrook om
fazanten te schieten, en vervolgens naar Bareacres, waar ik Pendennis
zeker wel ontmoeten zal;” en in dier voege ging hij voort met een vloed
van mededeelingen uit de groote wereld, waarin hij de namen van een
paar dozijn pairs wist te vlechten, en altijd doorpraatte, terwijl de
onschuldige weduwe hem met stille verwondering zat aan te hooren. „Wat
een man!” dacht zij; „zouden al de voorname lui te Londen op hem
gelijken? Ik ben zeker, dat Pen nooit op hem gelijken zal.”
Onderwijl had mijnheer Pynsent het druk met jufvrouw Laura. Hij noemde
eenige der buitenverblijven in den omtrek op, waar hij ging logeeren,
en drukte de hoop uit, dat hij haar in sommige dier huizen zou mogen
ontmoeten, en dat hare tante haar een seizoen te Londen zou laten
doorbrengen. Als het volgende parlement moest bijeenkomen, verhaalde
hij, zou hij zich in dit graafschap candidaat stellen, waarbij hij
hoopte, dat Pendennis hem met zijn invloed zou ondersteunen. Hij sprak
van den roem, dien Pen als redenaar te Oxbridge behaald had, en vroeg
of hij ook zou trachten zich tot parlementslid te doen verkiezen? Op
die wijze praatte hij zeer onderhoudend en tot Laura’s genoegen voort,
totdat Pen zelf verscheen en, gelijk wij gezegd hebben, deze heeren bij
de dames vond zitten.
Pen gedroeg zich jegens het tweetal, nu het eenmaal den weg naar zijne
kwartieren gevonden had, zeer beleefd, ofschoon hij zich met zekeren
angst een gesprek te Oxbridge herinnerde, in tegenwoordigheid van
Pynsent gevoerd, waarbij hij, na eene uitvoerige discussie in de
debatteerclub en onder eene groote opgewondenheid – het gevolg van een
souper met champagne – zijn voornemen had te kennen gegeven om zich in
het graafschap, waar hij het levenslicht had aanschouwd, tot candidaat
voor het parlement te stellen; zelfs had hij in eene sierlijke rede
ronduit zijn dank betuigd als nieuwgekozen lid. Pynsent was echter zoo
rond en hartelijk, dat Pen hoopte, dat de eerstgenoemde die kleine
snoeverij en alle ander gezwets, waaraan hij zich wellicht had schuldig
gemaakt, zou vergeten hebben. Hij voegde zich dus naar de manieren der
bezoekers en sprak over Plinlimmon en Magnus Charters en de oude
kennissen te Oxbridge met eene losse gemeenzaamheid en eene voorname
luchtigheid, alsof hij elken dag met markiezen omging en een hertog
voor hem niet meer dan een dorpsdominé te beteekenen had.
Maar toen onder dit gesprek zes uur geslagen was, kwam Betsy de meid,
die niet wist, dat er vreemden waren, zonder andere inleiding dan dat
zij de deur wijd openwierp, met het theeblad binnen, waarop drie kopjes
met een trekpot en een bord met dikke boterhammen stonden. Op dit
gezicht verdween al de voornaamheid van Pen, zoodat hij begon te
stotteren en geheel van zijn stuk geraakte. „Wat zullen zij van ons
denken?” was de vraag, die voor zijn geest oprees, en werkelijk stak
Wagg de tong in de wang omdat hij die theepartij vreeselijk
bespottelijk vond, en wenkte en knipoogde tegen Pynsent, om er diens
aandacht op te vestigen.
Maar naar Pynsent’s oordeel was de zaak zoo natuurlijk mogelijk. Hij
zag niet in, waarom men niet evengoed ten zes ure als op een ander uur
thee zou drinken, als men dit verkoos, zoodat hij, toen zij
terugkeerden, aan Wagg vroeg waarover hij, voor den drommel, zoo had
zitten grinniken en grijnzen, en wat hij toch zoo grappig had gevonden?
„Hebt gij dan niet gezien, hoe de hokkeling zich over de dikke
boterhammen schaamde? Ik wed, dat zij er stroop op gebruiken. Dat zal
ik den ouden Pendennis eens vertellen, als wij te Londen terug zijn,”
zeide mijnheer Wagg vol inwendig pleizier.
„Ik vat de aardigheid niet,” zeide mijnheer Pynsent.
„Dat had ik ook niet verwacht,” mompelde Wagg, waarop beiden tamelijk
ontstemd naar huis wandelden.
Met sterke kleuren en verwonderlijke nauwkeurigheid in de
bijzonderheden vertelde Wagg de geschiedenis aan het diner. Hij
beschreef den ouden Jan, de kleeren die te drogen hingen, de
overschoenen in de vestibule, en de huiskamer met hare meubelen en
schilderijen: „Een ouwe heer met een haviksneus en een kaal hoofd, – ik
wed twee tegen een, dat wijlen Pendennis er zoo uitzag; een levensgroot
portret van een jonkman met baret en tabbaard, – natuurlijk de
tegenwoordige markies van Fairoaks; de weduwe, als jeugdige schoonheid,
in miniatuur. Bij onze komst had zij eene ouderwetsche japon aan en
handschoenen, waarvan de vingertoppen waren afgesneden; zóó naait zij
zeker de boordjes van haar zoon. De meid kwam binnen met de thee voor
hun drieën en wij lieten hen dus bij hunne boterhammen.”
Blanche, die dicht bij hem zat en les hommes d’esprit aanbad, schaterde
het uit van lachen en noemde hem een schalk van het eerste water. Doch
Pynsent, die een geweldigen hekel aan hem begon te krijgen, zeide met
luider stemme: „Ik weet niet, mijnheer Wagg, aan welk soort van dames
gij in uwe eigen familie gewoon zijt, maar waarachtig, voor zooveel men
naar eene eerste kennismaking oordeelen kan, heb ik nooit in mijn leven
twee beter opgevoede vrouwen ontmoet, zoodat ik hoop, mama,” vervolgde
hij tegen Lady Rockminster, die aan de rechterhand van Sir Francis
Clavering zat, „dat gij haar een bezoek zult brengen.”
Sir Francis fluisterde tegen den gast aan zijne linkerhand: „Daar heeft
hij Wagg mooi beet!” terwijl Lady Clavering den jongen edelman in
verrukking een tikje met haar waaier gaf en hem met een lonk van hare
zwarte oogen toevoegde: „Mijnheer Pynsent, gij zijt een juweel van een
jongen.”
Na den twist met Blanche kon men in Laura’s toon tegenover haar neef
een zeker verschil – hoe gering ook – waarnemen; iets weemoedigs, niet
onvermengd met bitterheid. Zij scheen hem te wegen en óók te licht te
bevinden; de weduwe zag hoe de heldere en openhartige oogen van het
meisje soms op den jonkman gevestigd waren en bijna eene minachtende
uitdrukking op haar gelaat verscheen als hij in de kamer bij de vrouwen
lanterfantte, of vadsig op het grasperk liep te rooken, of onder een
boom zat te suffen over een boek, waarvoor hij te lusteloos was om het
te lezen.
„Wat is er tusschen u beiden voorgevallen?” vroeg de scherpziende
Helena aan het meisje. „Er moet iets gebeurd zijn. Heeft die ondeugende
Blanche kwaad gestookt? Vertel het mij toch eens, Laura.”
„Er is in het geheel niets gebeurd,” gaf Laura ten antwoord.
„Waarom kijkt gij Pen dan zoo aan,” vroeg diens moeder driftig.
„Hem aankijken, moedertje-lief?” hernam het meisje. „Wij vrouwen zijn
geen gezelschap voor hem; hij stelt geen belang in ons; wij zijn niet
knap genoeg voor zulk een genie als Pen. Bij ons verbeuzelt hij zijn
leven en zijne krachten onder de pantoffel. Hij stelt nergens belang in
en het is hem nauwelijks de moeite waard, het tuinhek uit te gaan.
Zelfs kapitein Glanders en kapitein Strong vervelen hem,” liet zij er
met een bitteren glimlach op volgen, „en dat zijn toch mannen en onze
meerderen. Zoolang hij hier blijft, zal hij zich niet gelukkig
gevoelen. Waarom gaat hij de wereld niet in, waarom kiest hij geen
beroep?”
„Wanneer wij heel zuinig zijn, hebben wij genoeg daarvoor,” zeide de
weduwe, wier hart sterk begon te kloppen. „Pen heeft in vele maanden
niets uitgegeven. Het is een heel beste jongen, en ik ben overtuigd,
dat bij zeer gelukkig met ons zou kunnen zijn.”
„Wind u niet op, moedertje-lief,” hernam het meisje. „Ik zie dat niet
gaarne. Gij moet het u niet aantrekken, als Pen hier niet op zijn gemak
is. Zoo zijn alle mannen. Zij moeten bezigheid hebben en naam in de
wereld maken. Zie maar, die twee kapiteins hebben gevochten en zijn in
den oorlog geweest; mijnheer Pynsent, dien wij hier hebben gehad en die
eenmaal heel rijk zal zijn, is ambtenaar en werkt zeer hard, omdat hij
wil vooruitkomen. Naar hij zegt, was Pen een der beste redenaars te
Oxbridge en bezit hij zooveel talent als iemand onder de studenten. Pen
zelf lacht om de beroemdheid van mijnheer Wagg (dien ik ook akelig
vind) en zegt, dat hij een weetniet is en dat een boerenjongen zijne
boeken zou kunnen schrijven.”
„Ik vind hem ook onuitstaanbaar en onbeschaafd,” merkte de weduwe aan.
„En toch heeft hij reputatie. – Zie de County Chronicle maar; die zegt:
„De beroemde heer Wagg heeft zich te Baymouth opgehouden; onze groote
lui en onze zonderlingen kunnen zich wel weer voorbereiden op iets van
zijne satirieke pen.” Als Pen beter dan die heer schrijven en beter dan
mijnheer Pynsent spreken kan, waarom doet hij het dan niet? Tegen ons
kan hij geen redevoeringen houden, mama; hij kan zich hier niet
onderscheiden. Hij moet weg van hier, – wezenlijk, dat moet hij!”
„Laura-lief,” zeide Helena, terwijl zij de hand van het meisje greep,
„is dat nu lief van u, hem zoo te haasten? Ik heb de gelegenheid
afgewacht en reeds vele maanden gespaard om – om u – uw voorschot terug
te betalen.”
„Stil, moeder!” riep Laura uit, terwijl zij hare vriendin met drift
omhelsde, „Het was mijn geld niet, maar het uwe. Spreek er nooit meer
van! Hoeveel geld hebt gij opgespaard?”
Helena antwoordde, dat er meer dan tweehonderd pond in de bank stond en
dat zij in het laatst van het volgende jaar in staat zou zijn alles af
te betalen wat Laura geleend had.
„Geef hem die tweehonderd pond. Laat hem naar Londen gaan en advocaat
of iets anders worden; laat hem zijne moeder – en de mijne, mama-lief,
– waardig zijn,” sprak het goede meisje, waarop de teerhartige weduwe
met hare gewone innigheid en aandoening verklaarde, dat Laura een schat
voor haar was en dat er geen beter meisje bestond, – en in dit laatste
opzicht vertrouw ik, dat niemand haar zal tegenspreken.
De weduwe had over dit punt nog meer dan één onderhoud met hare dochter
en gaf aan de dringende redenen van het oprechte en standvastige meisje
toe, want, als er door Helena een offer gebracht moest worden, dan was
die lieve dame maar al te begeerig om het te doen. Maar zij volgde
daarbij haar eigen weg en verloor, bij het mededeelen dezer nieuwe
vooruitzichten aan Pen, het doel, waarnaar zij streefde, niet uit het
oog. Op zekeren dag dus verhaalde zij hem, dat die plannen bestonden en
dat het Laura was, die er op aangedrongen had, dat hij naar Londen zou
gaan om te studeeren; dat Laura er niet van wilde hooren nu de
geldelijke verplichtingen af te doen, die aangegaan waren toen hij van
Oxbridge terugkwam; en eindelijk, dat het Laura was, die hij er voor
danken moest, indien hij óók van meening was, dat hij naar Londen
behoorde te gaan.
Bij die woorden begon Pen’s gelaat van genoegen te schitteren en drukte
hij zijne moeder aan zijn hart met een vuur, hetwelk die liefhebbende
vrouw, vrees ik, een beetje pijn deed; doch het werd haar weder goed,
toen hij zeide: „Het is toch een edel meisje, en God Almachtig zal haar
zegenen! O moeder, ik heb hier maanden lang gekwijnd en gesmacht naar
werk, zonder te weten wat ik doen moest. De gedachte aan mijne schande,
mijne schulden en mijne verwenschte buitensporigheden en dwaasheden
heeft mij verpletterd. Ik heb helsche folteringen uitgestaan. Mijn hart
is er half van gebroken, – maar dat doet er nu niet toe. Indien zich
eene kans aanbiedt om het verledene uit te wisschen en mijne plichten
jegens mij zelven en de beste der moeders te vervullen, dan zal ik die,
op mijn woord, gretig aangrijpen. Ik zal mij uwer nog waardig betoonen.
God zegene u en Laura! Waarom is zij niet hier? Dan zou ik haar mijn
dank kunnen betuigen.” En zoo ging Pen onsamenhangend voort; hij liep
de kamer op en neer, dronk het eene glas water na het andere, viel
zijne moeder duizendmaal om den hals, begon te lachen en te zingen, en
was blijder dan zij hem ooit gezien had sedert zijn jongelingsleeftijd
en sedert hij geproefd had van dien ontzagwekkenden Boom des Levens,
die sinds den beginne het gansche menschelijke geslacht in verzoeking
heeft gebracht.
Laura was niet thuis, want zij logeerde bij de deftige Lady
Rockminster, dochter van Lord Bareacres, zuster van wijlen Lady
Pontypool, en bij gevolg verre familie van Helena, zooals de lady, die
ver in de geslachtrekenkunde was, het eerst de beleefdheid had gehad,
aan de bescheidene plattelandsbewoonster te herinneren. Pen was zeer
verheugd, dat de familiebetrekking erkend werd, maar minder dat Lady
Rockminster jufvrouw Bell voor een paar dagen meenam naar Baymouth,
zonder de geringste uitnoodiging tot mijnheer Arthur Pendennis te
richten. Er was te Baymouth een bal op til, waar jufvrouw Laura voor
het eerst in het publiek zou verschijnen. De douairière kwam haar met
het rijtuig af halen en zij vertrok met een wit balkleed in haar
koffer, en blij en blozend, gelijk de roos, waarbij Pen haar vergeleek.
Het was thans de avond van het bal, eene publieke bijeenkomst in het
Baymouth Hotel. „Te drommel!” zeide Pen: „ik ga er te paard heen. –
Neen, ik ga niet te paard, maar ik zal er toch naar toe gaan!” Zijne
moeder was verheugd dat hij gaan zou, en terwijl hij nog stond te
beraadslagen met welk soort van rijtuig hij zich naar Baymouth zou
begeven, kwam kapitein Strong als geroepen en verklaarde, dat hij ook
ging, zijn paard Butcher Boy voor de sjees zou spannen en hem zou
meenemen.
Wanneer het huis op Clavering Park vol aangenaam gezelschap was,
vertoonde de chevalier Strong, die, gelijk zijn patroon zeide, nooit te
dicht bij of te ver af was, zich zelden in dien kring, maar zocht
elders zijne uitspanning. „Ik heb in mijn tijd groote diners genoeg
bijgewoond,” zeide hij, „en aan eene tafel gegeten, waar een koning en
een prins van den bloede aan het hooger- en aan het lagereind zaten en
ieder gast ten minste zes ridderorden op zijn rok had; maar waarachtig,
Glanders, ik heb geen pleizier in die deftigheid, en de Engelsche dames
met hare verwenschte hoogheid en de landjonkers met hunne politieke
gesprekken doen mij na tafel in slaap vallen; ik mag sterven, als het
niet waar is! Ik zit liever ergens waar ik eene sigaar kan rooken na
tafel en, als ik dorst heb, mijn bier in de kan krijg.” Wanneer het dus
gala op Clavering Park was, vergenoegde zich de chevalier met het
oppertoezicht over de inrichting van de tafel en met het drillen van
den majordomo en de bedienden; doch na het menu met monsieur Mirobolant
te hebben vastgesteld, verkoos hij niet het geringste deel aan het
feestmaal te nemen. „Bezorg eene côtelet en eene flesch wijn op mijne
kamer,” zeide onze philosoof en wierp uit de vensters van dat vertrek,
hetwelk over het terras en de oprijlaan uitzag, een blik op het
gezelschap, dat in zijne rijtuigen aankwam, of sloeg een oogje op de
dames in de vestibule door een rond venstertje in zijn gang, dat in het
voorhuis uitkwam. Als de gasten eindelijk aangezeten waren, stapte
Strong het park door naar het huisje van kapitein Glanders te
Clavering, of legde een bezoek bij de buffetjufvrouw in het Wapen van
Clavering af, of zocht madame Fribsby bij haar roman en hare thee op.
Waar de chevalier ook kwam, overal was hij welkom, en overal waar hij
heenging, liet hij een geur van warmen brandewijngrog achter.
De Butcher Boy – geenszins het slechtste paard uit Sir Francis’ stal –
was aan kapitein Strong tot zijn bijzonder gebruik toegekend; en de
oude krijgsman reed er, onder den man of voor de sjees, op alle uren
van den dag of den nacht mee uit en thuis, en rechts en links de
omstreken door. Waar maar eene herberg was, die goed bier schonk, een
heerenboer met eene mooie dochter, die piano speelde, – naar den
schouwburg of de kazerne te Chatteries, naar alle pretjes, die er te
Baymouth voorvielen, naar dorpskermissen en wedrennen, daarheen zag men
den chevalier met zijn bruintje aanhoudend op weg, en die waardige
krijgsman leefde als in een bevriend land op kosten der inwoners. De
Butcher Boy bracht Pen en den chevalier spoedig naar Baymouth over. De
laatstgenoemde was daar met het hotel en den kastelein even gemeenzaam
bekend als met elk ander logement of koffiehuis in den omtrek, en nadat
zij eene slaapkamer gekregen hadden, traden zij de balzaal binnen. De
chevalier maakte een schitterend figuur; hij droeg drie kleine gouden
kruisjes aan een gespje op de breede borst van zijn blauwen rok en zag
er als een buitenlandsch veldmaarschalk uit.
Het bal was publiek en allerlei personen werden toegelaten of waren
zelfs aangespoord om te komen, daar de jonge Pynsent wenschte, zich tot
parlementslid voor het graafschap te doen verkiezen, en Lady
Rockminster de beschermvrouw van het bal was. Aan het eene einde der
zaal zou er eene quadrille voor de aristocratie zijn en stonden er
afgezonderde banken voor de voorname lui. Heel dicht bij dat
afgezonderde gedeelte verkoos de chevalier niet te komen (daar hij,
naar zijn zeggen, om de „grooten” niet gaf); doch in het andere
gedeelte der zaal kende hij iedereen, de dochters der wijnkoopers,
herbergiers, zaakwaarnemers en boerenheeren, hare vaders en hare
broeders, en met die allen wisselde hij handdrukjes.
„Wie is die man met dat blauwe lint en die ster met drie stralen?”
vroeg Pen, een heer in het zwart met gefriseerd haar en een haarbosje
aan de kin bedoelende, die, met den duim zijner ééne hand in het
armsgat van zijn vest en in de andere zijne claque houdende, fier stond
rond te kijken.
„Zoo waar ik leef, het is Mirobolant!” riep Strong uit, terwijl hij het
van lachen uitschaterde. „Bonjour, chef! – Bonjour, Chevalier!”
„De la croix de juillet, Chevalier!” zeide de chef en legde de hand op
zijne decoratie.
„Kijk, weer een lintje!” zeide Pen, vol pret, want een man met zeer
zwart haar en bakkebaarden, blijkbaar met het purper van Tyrus geverfd,
met fonkelende oogen en witte wimpers en duizenden rimpels op zijn
gelaat, dat eene zonderlinge roode kleur vertoonde, met een vest,
groote handschoenen en handen, en een schat van diamanten en juweelen
op zijn vest en zijne stropdas, met lompe voeten, gewrongen in
reusachtig groote laarzen en een tweekleurig lint in zijn knoopsgat,
naderde op dit oogenblik en knikte den chevalier gemeenzaam toe.
De chevalier gaf hem de hand en zeide: „Mijn vriend, mijnheer
Pendennis; – Kolonel Alfamont, van de lijfwacht zijner hoogheid den
nabob van Lucknow.” De officier beantwoordde met eene buiging den groet
van Pen, die op dit oogenblik ongeduldig uitzag of de persoon, waarnaar
hij verlangde, de zaal reeds binnengetreden was.
Dit was het geval nog niet, maar het orkest begon spoedig te spelen:
„Daar komt de overwinnaar aan,” en eene groep voorname lui trad binnen:
de douairière gravin van Rockminster, de heer Pynsent en jufvrouw Bell,
de baronet Sir Francis Clavering van Clavering Park, Lady Clavering en
jufvrouw Amory, de baronet Sir Horace Fogy, Lady Fogy, kolonel Higgs
met zijne echtgenoote en de „weledelgeboren heer Wagg” (zooals de
courant van het graafschap hem later vermeldde).
Pen ijlde voorbij Blanche heen naar Laura en greep hare hand met de
woorden: „God zegene u! Ik moet u spreken – ik moet u noodzakelijk
spreken! Laat mij met u dansen!”
„Dat kan pas na de drie eerste dansen, Pen,” gaf zij met een lachje ten
antwoord, waarop hij, van ergernis op de nagels bijtende, afdroop en
Pynsent vergat te groeten.
Na het gezelschap van Lady Rockminster volgde dat van Lady Clavering in
den optocht.
Kolonel Altamont nam het nauwkeurig op en schaterde het van lachen uit
achter een sterk geparfumeerden zakdoek, dien hij voor zijn gezicht
hield.
„Wie is die meid in het groen daar bij hen, kapitein?” vroeg hij aan
Strong.
„Dat is jufvrouw Amory, de dochter van Lady Clavering,” gaf de
chevalier ten antwoord.
De kolonel kon zijn lachlust ternauwernood bedwingen.