Onze lezers zijn reeds bekend gemaakt met Sir Francis Clavering’s
rondborstige meening over de dame, die hem haar fortuin geschonken en
de middelen verschaft had om in zijn vaderland en in de voorvaderlijke
woning terug te keeren, en het is maar al te waar, dat de baronet zich
niet geheel vergiste in zijn oordeel over zijne echtgenoote en dat Lady
Clavering niet tot de verstandigste of best opgevoede vrouwen behoorde.
Zij had gedurende een paar jaren eene Europeesche opleiding genoten in
de voorstad Hackney te Londen, die zij tot haar laatsten levensdag
’Ackney bleef noemen, en van daar had haar vader haar op
vijftienjarigen leeftijd naar Calcutta terug ontboden. Op die terugreis
aan boord van den Oostindievaarder Ramchunder, kapitein Bragg, met welk
schip zij twee jaar te voren naar Europa gekomen was, maakte zij kennis
met mijnheer Amory, haar eersten man, die op dat vaartuig den post van
derden stuurman bekleedde.
Wij zullen niet in de bijzonderheden van dat vroegere leven van Lady
Clavering treden; maar kapitein Bragg, onder wiens opzicht jufvrouw
Snell naar haar vader terugreisde – die een der patroons van den
kapitein en aandeelhouder in den Ramchunder en vele andere schepen was,
– zag zich genoodzaakt zijn oproerigen stuurman in de boeien te doen
slaan en hem vervolgens aan de Kaap achter te laten, en leverde
eindelijk het meisje aan haar vader te Calcutta uit, na eene
stormachtige en noodlottige reis, waarbij de Ramchunder met zijne
lading en passagiers groot gevaar liep en veel schade leed.
Eenige maanden daarna verscheen Amory, die vóór den mast van de Kaap
gekomen was, weer te Calcutta, trouwde de dochter van den rijken
procureur tegen wil en dank van dien ouden duitendief, vestigde zich
als indigoplanter en ging failliet, beproefde zijn geluk als
handelsagent en ging andermaal failliet, werd redacteur van den
Sunderbund Pilot en ging ten derden male failliet, gedurende al welke
ondernemingen en tegenspoeden hij aanhoudend met zijn schoonvader en
zijne vrouw overhoop lag, en besloot eindelijk zijne loopbaan met zeker
opzienbarend geval, dat hem verplichtte Calcutta te verlaten en naar de
straf koloniën van Nieuw Zuid-Wallis te reizen. Het was in deze
rampspoedige omstandigheden, dat mijnheer Amory waarschijnlijk Sir
Jasper Rogers, den hooggeschatten president van het hoog gerechtshof te
Calcutta, leerde kennen; en, als wij de waarheid moeten zeggen, was het
ten gevolge van het ongepast gebruik van den naam van zijn schoonvader,
die heel goed kon schrijven en geen hulp noodig had, dat de Fortuin
mijnheer Amory voorgoed in den steek liet en hem noodzaakte allen
verderen strijd met haar op te geven.
Daar het Europeesche publiek de gerechtelijke verslagen uit Calcutta
niet zeer trouw leest, kende het die gebeurtenissen niet zoo goed als
de ingezetenen van Bengalen, en vermits mevrouw Amory en haar vader het
verblijf in Indië niet meer zeer aangenaam vonden, werd er bepaald, dat
de dame naar Europa zou terugkeeren, met haar dochtertje Betsy, of
Blanche, toenmaals vier jaar oud. Zij werden vergezeld door Betsy’s
min, die wij in het voorgaande hoofdstuk aan den lezer voorgesteld
hebben als jufvrouw Bonner, Lady Clavering’s vertrouwde kamenier, en
kapitein Bragg nam voor de vrouwen een huis in de nabijheid zijner
eigene woning in Pocklington Street.
Het was een zeer ongunstige zomer en een tijdlang na mevrouw Amory’s
aankomst stortregende het dag aan dag. Bragg gedroeg zich zeer hoog en
onaangenaam; misschien schaamde hij zich om de Indische dame aan haar
lot over te laten en wellicht wenschte hij van haar af te zijn. Zij
geloofde, dat iedereen te Londen over de schande van haar man sprak en
dat de koning, de koningin en de directeuren der Oost-Indische
Compagnie hare ongelukkige geschiedenis kenden. Zij genoot een ruim
jaargeld van haar vader en er bestond geen reden waarom zij in Engeland
zou blijven wonen, zoodat zij besloot buitenslands te gaan. Zij vertrok
derhalve, blijde aldus aan het benauwende toezicht van dien akeligen
bullebak, kapitein Bragg, te kunnen ontsnappen. Niemand maakte
bedenking, in de steden van het vasteland waar zij stilhield en in de
onderscheidene kosthuizen waar zij flink betaalde, om haar te
ontvangen. Wel is waar noemde zij Hackney altijd ’Ackney (ofschoon zij
anders het Engelsch met een licht buitenlandsch accent uitsprak, dat
zeer aardig en niet onaangenaam was), kleedde zij zich opzichtig, trok
zij de aandacht door haar eet- en drinklust, en maakte curries en
pillaus gereed in elk kosthuis waar zij vertoefde; doch hare
eigenaardigheden in spreken en doen gaven juist iets ongemeens aan haar
omgang en mevrouw Amory was dus te recht populair. Zij was de
goedhartigste, opgeruimdste en edelmoedigste vrouw, die men zien kon.
Dadelijk was zij voor elk partijtje gereed, wie het ook had
voorgesteld, en bij de „picnics” bracht zij driemaal meer champagne,
gevogelte en ham mee, dan iemand anders. Zij nam tallooze plaatsen voor
den schouwburg en biljetten voor de gemaskerde bals, en gaf die aan
iedereen weg. Zij betaalde de houders der kosthuizen maanden vooruit,
en hielp arme, kale dandies met prachtige knevels en douairières, wier
remises maar niet aankwamen, aanhoudend met hare beurs. In dier voege
reisde zij Europa door en vertoonde zij zich te Brussel, te Parijs, te
Milaan, te Napels, te Rome, naarmate hare luim zulks ingaf. Zij ontving
de tijding van Amory’s overlijden in laatstgenoemde stad, waar kapitein
Clavering op dat oogenblik ook vertoefde, buiten machte om de rekening
in zijn logement te betalen, gelijk ook het geval was met zijn vriend,
den chevalier Strong; en de goedhartige weduwe trouwde den afstammeling
van het oude geslacht der Clavering’s, zonder veel verdriet over het
verlies van haar schavuit van een man aan den dag te leggen. Aldus
hebben wij hare geschiedenis geschetst tot op het tegenwoordige
oogenblik nu zij de meesteres van Clavering Park was, onder welks
geboomte de beroemde schilder Pinkney haar heeft afgebeeld met haar
zoontje aan hare zijde.
Juffie vergezelde mama op de meeste harer omzwervingen en kreeg aldus
heel wat van de wereld te zien. Een tijdlang had zij eene gouvernante
en na het hertrouwen van hare moeder genoot zij het voorrecht van eene
opleiding op madame de Caramel’s voorname kostschool in de Champs
Elysées. Toen de Clavering’s naar Engeland overkwamen, kwam zij
natuurlijk mede. Eerst eenige jaren na den dood van haar grootvader en
de geboorte van haar broertje begon zij te bemerken, dat hare positie
in het leven veranderd was en dat jufvrouw Amory, de dochter van een
onaanzienlijk man, een zeer onbeduidend personage in huis was, in
vergelijking met den jongen heer Francis Clavering, den erfgenaam van
een ouden baronetstitel en een aanzienlijk landgoed. Ware de kleine
Frans er niet geweest, zij zou eene erfdochter geweest zijn in weerwil
van den stand van haar vader; en ofschoon zij niet veel verstand had
van geld en er zich ook niet veel om bekommerde, omdat zij er nooit
gebrek aan had gehad, en hoewel zij eene romaneske kleine muze was,
gelijk wij gezien hebben, zoo kon men toch in redelijkheid niet
verwachten, dat zij jegens de personen, die zooveel hadden toegebracht
om haar te benadeelen, dankbaarheid zou koesteren; zij wist zelfs niet
eens nauwkeurig wat haar ware toestand was, voordat zij wat verder
gekomen was en eene juistere kennis van de wereld had verkregen.
Doch zooveel was duidelijk, dat haar stiefvader suf was en zwak van
karakter; dat mama de h’s wegliet waar zij behoorden, en niet
fatsoenlijk in manieren en voorkomen kon heeten; en dat de kleine Frans
een bedorven, ondeugende bengel was, die altijd zijn zin moest hebben,
haar altijd in den weg zat, altijd zijn eten op haar kleedje morste en
haar van haar erfdeel beroofde. Zij was overtuigd, dat geen van die
allen haar begreep; en haar eenzaam hart haakte dus naar andere banden
en zocht iemand, dien zij met de kostbare gave van hare onverdeelde
genegenheid kon gelukkig maken.
Het lieve meisje was dus zoo aangenaam in huis uit gebrek aan
sympathie, of om andere redenen, en maakte hare moeder zoo zenuwachtig
en ergerde haar stiefvader zoo zeer, dat allen even sterk wenschten als
zij zelve, dat zij maar trouwen zou. Vandaar de wensch, dien Sir
Francis Clavering in het vorige hoofdstuk aan zijn vriend ontboezemde,
dat mevrouw Strong sterven mocht en dat de chevalier dan Blanche tot
zijne tweede echtgenoote zou nemen.
Daar dit echter niet gebeuren kon, zou men haar gaarne aan ieder ander
gegund hebben; en een knap jonkman van een goed uiterlijk en eene goede
opvoeding, zooals onze vriend Arthur Pendennis, had haar vrij mogen
vragen, indien hij er lust toe had gevoeld, en zou door Lady Clavering
met open armen als schoonzoon zijn ontvangen, wanneer hij moed genoeg
had bezeten om naar jufvrouw Amory’s hand te staan.
Behalve andere gebreken evenwel, die Pen bezat, verkoos hij ook eene
groote nederigheid ten opzichte van zich zelven te gevoelen. Hij was
beschaamd over het mislukken zijner plannen in den laatsten tijd, over
zijn lui en nutteloos leven, over de armoede, waarin hij zijne moeder
door zijne dwaze streken gestort had, en onder dat weifelen en die
bedeesdheid school evenveel ijdelheid als berouw. Hoe kon hij ooit op
zulk een hoogste lot uit de loterij als de schitterende Blanche Amory
hopen, die op een prachtig park en kasteel woonde en door een dozijn
kerels als boomen, in livrei, bediend werd, terwijl op Fairoaks een
dienstmeisje het sober maal binnenbracht en zijne moeder verplicht was
uit te zuinigen en te berekenen om rond te komen? Hij zag hinderpalen,
die van zelf zouden verdwenen zijn indien hij er dapper op ware
losgegaan, voor onoverkomelijk aan en wilde liever wanhopen, of zijne
wenschen bedwingen (die hij zich echter misschien nog niet duidelijk
had voorgesteld), dan te trachten het doelwit zijner begeerte manmoedig
te veroveren. Menig jonkman, die het maar voor het vragen zou hebben,
mist zijn doel door die soort van ijdelheid, die men bedeesdheid noemt.
Wij willen daarmede echter niet zeggen, dat Pen hiervan tot nog toe een
helder bewustzijn had, of dat hij veel meer deed dan zich voor te nemen
verliefd te worden. Jufvrouw Amory was een bekoorlijk en levendig
meisje, dat hem door duizenderlei kunstgreepjes of natuurlijke
bevalligheden en vleierijen betooverde en streelde. Maar er waren,
buiten bedeesdheid en ijdelheid, verborgen redenen, die hem
terughielden. Pen’s moeder had het meisje, in weerwil van hare talenten
en betuigingen en bekoorlijkheden, doorzien en vertrouwde haar niet.
Mevrouw Pendennis zag, dat Blanche lichtvaardig en grillig was, en
ontdekte in haar vele gebreken, die bij de reine en godsdienstige vrouw
afkeuring verwekten; onder anderen een gemis van eerbied voor hare
ouders en, gelijk Helena meende, voor nog veel heiliger zaken, kortom
wereldzin en zelfzucht, onder mooie woorden en lieve uitdrukkingen
vermomd. In den beginne bestreden Laura en Pen de weduwe met vuur, want
Laura was voor het oogenblik nog vol geestdrift voor hare nieuwe
vriendin, en Pen was nog niet verliefd genoeg om eenige poging te doen
om zijne ware gevoelens te verbergen. Hij lachte om Helena’s
bedenkingen en zeide: „Bah! moeder, gij zijt jaloersch op Blanche –
alle vrouwen zijn jaloersch!”
Maar toen Helena binnen een paar maanden, terwijl zij het paar met die
angstvalligheid gadesloeg, waarmee bezorgde moeders nagaan aan wie hare
zonen hunne liefde wijden (en waarbij ik het voor zeker houd, dat de
moeder eene sexueele jaloezie en een heimelijk hartzeer ondervindt) –
toen Helena, zeg ik, zag, dat de kennismaking inniger werd en de beide
jongelieden aanhoudend voorwendsels wisten te vinden om elkander te
ontmoeten en dat jufvrouw Blanche elken dag op Fairoaks, of mijnheer
Pen op het Huis was, toen begon de moed der arme weduwe te verflauwen,
want haar geliefkoosd plan scheen in damp te vervliegen; zoodat zij op
zekeren dag aan haar gevoel toegaf en ronduit aan verklaarde, wat hare
bedoeling en hoop was geweest; dat zij gevoelde, dat zij zelve
verminderde en niet lang meer op deze wereld zou verwijlen, en dat zij
dus hoopte en bad, dat zij vóór haar verscheiden hare beide kinderen
vereenigd mocht zien. De voorvallen van den laatsten tijd, Pen’s leven
en zijne vroegere liefde voor de actrice hadden den moed dezer teedere
vrouw neergedrukt. Zij gevoelde, dat hij haar ontsnapt was en niet meer
tot het ouderlijk nest behoorde, en daarom klemde zij zich met eenige
wanhopige hartelijkheid aan Laura, aan die Laura, welke haar door
Francis in den hemel nagelaten was.
Pen gaf haar een kus en stelde haar op zijne voorname en beschermende
wijze gerust. Hij had er wel iets van gemerkt; hij had al sinds lang
vermoed, dat zijne moeder dit huwelijk tot stand wilde brengen. Wist
Laura er iets van? (Neen, antwoordde mevrouw Pendennis; voor geen geld
ter wereld zou zij er een woord van tegen Laura gerept hebben). Nu, nu,
men had er nog den tijd mee; zijne moeder zou zoo gauw niet sterven,
zeide Pendennis lachend; daarvan wilde hij niets weten; en wat de muze
betrof, die was eene veel te groote dame om aan een zoo onbeduidend
persoon als hij was, te denken; en Laura – wie wist of zij hem wel
wilde hebben! „Natuurlijk zal zij alles doen wat gij haar
voorschrijft,” sprak hij. „Maar ben ik haar waardig?”
„O Pen, dat zoudt gij kunnen zijn,” antwoordde de weduwe. Om de
waarheid te zeggen, had Pen daaraan nooit getwijfeld; een gevoel van
onbeschrijfelijke opgetogenheid en zelfbehagen beving hem, toen hij
over het voorstel nadacht en zich Laura voor den geest riep, gelijk hij
zich haar van jaren herwaarts herinnerde, altijd rond en eerlijk,
vriendelijk en vroom, opgeruimd, teeder en trouw. Zijn blik helderde
op, toen hij haar, aan het einde van het grasperk, uit den tuin zag
binnenkomen met tamelijk roode wangen, een open en lachenden blik en
een mandje rozen in de hand.
Zij nam er de mooiste van en bracht ze aan mevrouw Pendennis, die zich
verkwikte aan geur en kleur van die bloem, en het meisje omhelsde haar
hartelijk en gaf haar de roos over.
„En dien schat heb ik maar voor het vragen!” dacht Pendennis, met een
gevoel van triomf, terwijl hij zijn blik op het lieve meisje liet
rusten. „Zij is even schoon en liefelijk als hare rozen.” Het tafereel
van die beide vrouwen bleef voor altijd in zijne ziel geprent en nooit
kon hij het zich voor den geest roepen, zonder dat hem de tranen in de
oogen kwamen.
Voordat Laura nog heel lang op vertrouwelijken voet met hare nieuwe
vriendin verkeerd had, was zij verplicht in te stemmen met Helena’s
oordeel, dat de muze zelfzuchtig, hardvochtig en onbestendig was.
Natuurlijk nam Blanche hare boezemvriendin in het geheim van al hare
kleine grieven en huiselijke onaangenaamheden; zij vertelde haar, dat
niemand van het gezin haar kon begrijpen en dat zij dus te midden van
die allen alleen stond; dat hare arme mama eene slechte opvoeding
genoten had, zoodat zij over hare misslagen moest blozen; dat Sir
Francis zwak en jammerlijk dom was en zich alleen op zijn gemak
gevoelde als hij zijne akelige sigaren rookte; dat zij, na de geboorte
van haar broertje, opgemerkt had, dat hare moeder hare hooggeschatte
genegenheid, die zij op hooger prijs stelde dan iets anders op aarde,
aan hare eenmaal zoo geliefde dochter onttrokken had; en dat zij nu
alleen, alleen, alleen op de wereld stond.
Maar hoe ernstig en hartverscheurend deze smarten mochten zijn voor
eene jonge dame met een overdreven gevoelig gestel, overtuigden zij
Laura niet, dat Blanche zich in vele kleine omstandigheden des levens
naar behooren gedroeg. Het kon bij voorbeeld zeer waar zijn, dat de
kleine Frans heel ondeugend was en Blanche van de genegenheid harer
mama beroofd had; maar dit was voor Blanche geen reden om het kind om
de ooren te slaan, omdat het een glas water over hare teekening had
gestort, en om het in het Engelsch en Fransch uit te schelden; en de
voorkeur, die den kleinen Frans betoond werd, gaf haar geen recht om
een vorstelijken toon van gezag tegenover de gouvernante van het kind
aan te nemen en die jonge dame door het gansche huis heen te zenden om
haar een boek te brengen, of om haar zakdoek te halen. Laura was altijd
erkentelijk en vriendelijk als een bediende eene boodschap voor haar
gedaan had; maar zij merkte op, dat de kleine muze niet het minste
bezwaar maakte hare bevelen uit te deelen aan allen, die haar
omringden, en ieders gemak aan het hare op te offeren. Het was Laura’s
eerste ondervinding in de vriendschap, en het smartte het lieve meisje,
dat zij de bekoorlijkheden en schitterende hoedanigheden, waarmede hare
verbeelding hare nieuwe vriendin had toegerust, één voor één als ijdele
droombeelden moest laten varen, en dat zij bevinden moest, dat de
betooverende kleine fee slechts eene stervelinge en, alles bijeen
genomen, geen heel beminnelijke stervelinge was. Zou er wel iemand van
edele inborst zijn, die in zijn tijd niet op dezelfde wijze te leur
gesteld is? en zou er wel iemand bestaan, die niet op zijne beurt
anderen aldus te leur gesteld heeft?
Toen de kleine Frans, die weerspannige zoon en erfgenaam van het huis
Clavering, de complimenten in het Fransch en Engelsch en den oorveeg
van zijne zuster ontving, kon Laura, die een humoristischen geest
bezat, niet nalaten zich de roerende en teere verzen te herinneren, die
de muze haar uit Mes Larmes voorgelezen had, aldus beginnende: „Slaap
zacht, mijn aardig broertje, Door de englenschaar bewaakt,” en waarin
de muze, na den zuigeling over den voornamen rang, dien hij in de
wereld bekleeden zou, gecomplimenteerd en dien met haar eigen verlaten
toestand vergeleken te hebben, desniettemin verzekerde, dat het
engelachtige knaapje nooit grooter genegenheid dan de hare, en in de
valsche wereld, die voor hem lag, nimmer iets standvastigers en
teerders zou leeren kennen dan het zusterhart. „Wellicht,” vervolgde de
verlatene, – „wellicht zult gij ’t versmaden, Mijn cherubijntje zoet!
Maar jaagt gij me uit uw boezem, Dan klem ik me aan uw voet! O laat mij
u beminnen, Want eens vindt gij, met rouw, De wereld valsch en
trouwloos, Maar ik blijf immer trouw!” En kijk, daar diende de muze nu
oorvegen aan haar cherubijntje van een broertje toe, in plaats van aan
zijne voeten te knielen, en gaf zij aan jufvrouw Laura hare eerste les
in de cynische wijsbegeerte (hoewel niet de allereerste). Iets wat op
deze zelfzucht en eigenzinnigheid, op dit contrast tusschen practijk en
poëzie, tusschen hoogdravende dichterlijke ontboezemingen en het
dagelijksche leven geleek, had zij thuis in den persoon van onzen
jeugdigen vriend Pen bijgewoond.
Maar met Pen was het toch een ander geval. Pen was een man, en het
scheen dus wel natuurlijk, dat hij koppig zou zijn en altijd zijn eigen
zin wilde volgen. En onder zijne weerbarstigheid en zelfzucht schuilde
inderdaad een welwillend en edelmoedig hart. Zulk een diamant tegen
zulk een valschen steen als die andere te verruilen, was hard. Om kort
te gaan, Laura begon genoeg te krijgen van hare bewonderde Blanche. Zij
had haar op den toetssteen gebracht en haar onecht bevonden; en hare
vroegere bewondering en opgetogenheid, die zij op hare gewone
eenvoudige wijze had te kennen gegeven, maakte plaats voor een gevoel,
dat geen verachting was, maar er zeer na aan grensde, ten gevolge
waarvan Laura een ernstigen en bedaarden toon van meerderheid jegens
jufvrouw Amory aannam, die aanvankelijk volstrekt niet naar den smaak
der muze was. Niemand wil gaarne betrapt worden, of, na eene hooge
plaats te hebben ingenomen, daarvan afdalen.
De overtuiging, dat dit haar boven het hoofd hing, strekte niet om
jufvrouw Blanche’s goede luim te vermeerderen, en daar zij er kregelig
en met zich zelve ontevreden door werd, maakte het haar nog
onaangenamer voor hare omgeving. Zoo kwam het dan op zekeren dag tot
een geregelden veldslag tusschen de liefste Blanche en de liefste
Laura, waarin beider vriendschap bijna geheel vernietigd werd. De
liefste Blanche had zich dien dag buitengemeen grillig en netelig
betoond. Zij was tegen hare moeder onbeleefd geweest, tegen den kleinen
Frans woest, tegen de gouvernante van den knaap alleronbeschaamdst en
tegen hare kamenier Pincott onuitstaanbaar hardvochtig. Daar zij het
niet waagde hare vriendin aan te tasten (want de kleine dwingeland
bezat eene omzichtige kattennatuur en sloeg hare klauwen alleen in
degenen, die zwakker waren dan zij), mishandelde zij die allen en
inzonderheid de arme Pincott, die dienstbode, vertrouwelinge of
gezelschapsjufvrouw (maar altijd slavin) was, naar gelang van de luimen
harer jonge meesteres.
Toen dit meisje, dat bij de jonge dames in de kamer gezeten had, door
de wreede bejegeningen harer meesteres schreiend de deur uitgedreven en
nog door een bijtend gezegde achtervolgd was, kon Laura zich niet meer
stilhouden, maar barstte in eene luide en verontwaardigde ontboezeming
uit; zij gaf hare verwondering te kennen, dat iemand, nog zoo jong,
zoozeer den eerbied vergeten kon, die zij zoowel aan hare meerderen in
jaren als aan hare minderen in stand verschuldigd was, en dat zij,
terwijl zij zelve zulk eene fijngevoeligheid voorwendde, de gevoelens
van anderen zoo pijnlijk folteren kon. Laura verklaarde het gedrag van
hare vriendin voor goddeloos, en riep uit, dat zij den hemel wel op
hare knieën om vergiffenis mocht smeeken. Na met eene warmte en drift
zich op die wijze ontboezemd te hebben, waarover zij zelve bijna
evenzeer verwonderd stond als hare toehoorderes, nam zij hoed en doek,
en ging in groote haast en ontroering door het park naar huis, tot
verbazing van mevrouw Pendennis, die haar niet vóór den avond had terug
verwacht.
Laura gaf aan Helena verslag van het voorgevallene en deed voor het
vervolg afstand van hare vriendin. „O mama, gij hebt wel gelijk gehad,”
sprak zij; „Blanche, die zoo zacht en vriendelijk schijnt, is
zelfzuchtig en hardvochtig, zooals gij gezegd hebt. Al spreekt zij
altijd van aandoeningen, zij kan geen hart hebben. Geen braaf meisje
zou hare moeder zóó bedroeven, of eene dienstbode zóó kwellen; en – en
ik zie van haar af, en ik wil geen andere vriendin dan u!”
Daarop hielden de beide dames de kus-oefening, die tusschen haar
gebruikelijk was, en mevrouw Pendennis putte heimelijk een grooten
troost uit dien twist, daar Laura’s verslag scheen te zeggen: „Dat
meisje kan nooit eene vrouw voor Pen zijn, want zij is lichtvaardig en
zonder hart, – onzen edelen held ten eenemale onwaardig. Hij zal dat
zelf wel ontdekken, en dan tegen dat wufte schepseltje gewaarborgd zijn
en uit zijn droom ontwaken.”
Doch mejufvrouw Laura vertelde niet aan mevrouw Pendennis, en wilde het
misschien ook zich zelve niet bekennen, wat de eigenlijke oorzaak der
oneenigheid was geweest. De kleine ondeugende muze van een Blanche
verkeerde in een zeer slecht humeur en had allerlei kwaad in den zin,
zoodat zij al zeer vroeg met hare kuren begon. Haar engel van een Laura
was den dag bij haar komen doorbrengen, en zoodra zij bij elkander
zaten, had Blanche goedgevonden het gesprek op mijnheer Pen te brengen.
„Ik geloof, dat hij erg wispelturig is,” had zij gezegd. „Jufvrouw
Pybus, en vele anderen uit Clavering, hebben ons alles aangaande die
actrice verteld.”
„Ik was nog een kind toen dat voorviel en weet er niets van,”
antwoordde Laura met een hoogen blos.
„Hij heeft haar zeer slecht behandeld,” zeide Blanche, haar hoofdje
schuddende. „Hij is haar ontrouw geworden.”
„Dat is hij niet!” riep Laura uit. „Hij heeft haar zoo eerlijk
behandeld als men maar wenschen kan en alles willen opofferen om haar
te trouwen. Zij is hem ontrouw geweest. Het heeft hem het hart bijna
gebroken; hij ....”
„Ik dacht, dat gij niets van het gebeurde wist, liefje?” voegde
jufvrouw Blanche er tusschen.
„Mama heeft het mij verteld,” antwoordde Laura.
„Nu, hij is heel knap,” hernam de andere lieveling. „Wat maakt hij
lieve verzen! Hebt gij er ooit van hem gelezen?”
„Niets anders dan de Visscher en de Duiker, dat hij voor ons vertaald
heeft, en zijn prijsvers, dat den prijs niet kreeg; en ik moet ook
bekennen, dat ik het zeer hoogdravend en prozaïsch vind,” voegde Laura
er lachend bij.
„Heeft hij dan nooit verzen aan u geschreven, lieve?” vroeg jufvrouw
Amory.
„Neen, beste,” antwoordde jufvrouw Bell.
Op die woorden liep Blanche naar hare vriendin toe, kuste haar
hartelijk, noemde haar minstens driemaal „mijn engel van een Laura,”
keek haar schalks aan, knikte eens en zeide: „Als gij mij beloven wilt
het aan nie-ie-mand te vertellen, zal ik u iets laten zien.”
En daarop de kamer doortrippelende, opende zij met een zilveren sleutel
een met parelmoer ingelegd lessenaartje, en nam er een paar verkreukte
en met iets groens bevlekte papieren uit, die zij aan hare vriendin ter
hand stelde. Laura nam ze aan en las ze. Het waren zonder tegenspraak
minneliederen, – iets over eene Ondine, – over eene Najade, – over eene
rivier. Laura keek er een tijdlang in, maar, om de waarheid te zeggen,
waren de regels niet zeer duidelijk voor hare oogen.
„En hebt gij ze beantwoord, Blanche?” vroeg zij, de papieren
teruggevende.
„O neen! om alles ter wereld niet, liefje,” zeide Blanche, en toen
Laura geheel klaar was met de verzen, trippelde zij terug en borg ze
weer in het mooie lessenaartje.
Vervolgens ging zij naar hare piano en zong een paar liederen van
Rossini, wiens muziek haar buigzaam stemmetje onverbeterlijk kon
uitvoeren, en Laura zat er afgetrokken naar te luisteren. Waaraan dacht
jufvrouw Bell onderwijl? Zij wist het ternauwernood zelve, maar zat
stil neder terwijl de liederen voortgalmden. Na dit concert werden de
jonge dames geroepen om het tweede ontbijt te gebruiken, en natuurlijk
met den arm om elkanders middel geslagen, gingen zij naar beneden.
Jaloezie of boosheid kon het niet geweest zijn, dat Laura stil maakte;
want toen zij den gang door- en de trap afgegaan waren en de zaaldeur
openden, stond Laura stil, zag hare vriendin teer en oprecht in het
gelaat en gaf haar met zusterlijke warmte een kus.
Maar daarna moet er iets gebeurd zijn – denkelijk kleine Frans manier
van eten, of mama’s taalfouten, of Sir Francis’ tabakslucht – dat
jufvrouw Blanche ergerde en haar die ondeugende streken deed bedrijven,
die wij hierboven opnoemden, en welke den reeds beschreven twist
uitlokten.