Elk huis heeft zijn kruis en het kan sommigen, die zich ongelukkig
gevoelen, wellicht tot troost verstrekken, dat hunne gelukkigste en
rijkste buren eveneens hunne rampen en redenen van ongerustheid hebben.
Onze kleine onschuldige muze van eene Blanche, die zoo lief sprak en
zoo zoet zong, dat men zou gedacht hebben dat zij overal waar zij kwam
zonneschijn moest verspreiden, was het kruis, of de ramp, of de straf,
of de Nemesis van Clavering House en van de meeste zijner bewoners.
Gelijk een steentje in uw schoen, of tusschen het hoefijzer van uw
paard, genoeg is om u beiden op de pijnbank te leggen en uw tocht tot
eene hel te maken, zoo is in het leven een klein bezwaar toereikend om
uw verderen loop te stremmen en u aan onophoudelijke verdrietelijkheden
en onrust prijs te geven. Wie zou vermoed hebben, dat zoo’n kleine
lachende fee als Blanche Amory een twistappel in een gezin had kunnen
zijn?
„Zeg eens, Strong,” zeide de baronet op zekeren dag, toen beiden na het
diner, met behulp van eene sigaar, die groote ontlokster van geheimen,
aan het biljart vertrouwelijk met elkaar keuvelden, „zeg eens, Strong,
ik wou voor den drommel, dat uwe vrouw dood was.”
„Ik ook, daar geef ik u mijn woord op! Maar zij wil niet; zij blijft
eeuwig leven; – ge zult zien, dat ze het doet. Maar waarom, Frans,
zoudt gij wenschen, dat zij van de baan was, beste jongen?”
„Wel, dan kondt ge juffie trouwen. Zij ziet er niet slecht uit en zij
brengt tien duizend pond mee, wat een heele schep geld is voor zulk een
armen drommel als gij zijt,” antwoordde de ander op sleependen toon.
„Want waarachtig, Strong, ik begin elken dag een grooter hekel aan haar
te krijgen.”
„Ik zou haar met nog eens zooveel geld niet willen hebben,” gaf
kapitein Strong lachend ten antwoord. „Ik heb nooit van mijn leven
zoo’n kleine heks gezien.”
„Ik zou haar wel willen vergeven,” hernam de baronet op plechtigen
toon; „dat zou ik!”
„Wel, wat heeft zij nu weer uitgevoerd?” vroeg zijn vriend.
„Niets bijzonders,” gaf Sir Francis ten antwoord; „niets dan hare oude
streken. Die meid heeft zulk een slag om iedereen uit zijn humeur te
brengen, dat ik er verstomd van sta. Gisterenavond was zij oorzaak, dat
de gouvernante schreiend van tafel wegliep. Later, toen ik voorbij
Frans’ kamer kwam, hoorde ik den armen kleinen schelm in den donker
huilen, en vernam ik, dat zijne zuster hem doodsbang gemaakt had, door
hem van de spoken hier in huis te vertellen. Aan het tweede ontbijt gaf
zij mylady een veeg, en ofschoon mijne vrouw niet hoog timmert, is het
toch eene goede ziel, – waarachtig, dat is zij.”
„Wat deed juffie tegen haar?” vroeg Strong.
„Wel, de duivel haal me als ze niet begon te spreken over den dooden
Amory, mijn voorganger,” antwoordde de baronet met een grijns. „Zij
sloeg een portret in het Keepsake op en zeide, dat dit zeker op haar
lieven vader moest gelijken. Zij wilde weten waar haar vader begraven
was. Ik wou, dat haar vader ik weet niet waar zat! Als jufvrouw Amory
over hem begint, barst mijne vrouw altijd in tranen uit, en de kleine
heks spreekt over hem, om hare moeder van haar stuk te brengen. Toen
zij er vandaag weer over begon, werd ik woedend en zeide, dat ik haar
vader was, en – zoo meer, en toen, mijnheer, begon zij over mij.”
„En wat zeide ze wel van u, Frans?” vroeg mijnheer Strong steeds
lachende aan zijn vriend en beschermer.
„Voor den drommel, zij gaf mij ten antwoord, dat ik haar vader niet
was; dat ik niet in staat was haar te begrijpen; dat haar vader een man
van genie en fijn gevoel moet geweest zijn, en meer van dien aard, en
eindelijk, dat ik hare moeder alleen om haar geld getrouwd had.”
„Nu, is dat niet waar?” zeide Strong.
„Al is het waar, dan is het niet prettig zoo iets te moeten hooren,”
gaf Sir Francis Clavering ten antwoord. „Ik heb geen verstand van
letterkunde en zulke dingen; maar daarom ben ik zoo’n gek niet als zij
mij afschildert. Ik weet niet hoe het komt, maar zij brengt mij altijd
in het nauw, weet je? Zij regeert het heele huis op hare stille manier
en met hare verwenschte sentimenteele airs. Ik wou, dat zij dood was,
Ned!”
„Zoo even was het mijne vrouw, die gij dood wildet hebben,” hernam
Strong, steeds met dezelfde opgeruimdheid, waarop de baronet met zijne
gewone rondborstigheid antwoordde: „Wel, als de menschen mij zoo
ergeren, dat ik het haast besterf, dan wensch ik, dat zij dood waren,
en ik zou uit den grond van mijn hart willen, dat juffie onder in een
put lag.”
Men ziet uit bovenstaand verslag van dit openhartig gesprek, dat ons
talentvol vriendinnetje eenige kleine eigenaardigheden of gebreken
bezat, die haar niet zeer bemind maakten. Het was eene jonge dame met
eene zekere mate van genie, eene verbazende gevoeligheid en groote
letterkundige bekwaamheid, die, gelijk zoo menig ander genie, met
bloedverwanten moest verkeeren, die niet in staat waren haar te
begrijpen. Noch hare moeder noch haar stiefvader bezaten letterkundigen
aanleg. De lectuur van den baronet bepaalde zich tot Bell’s Life in
London en den Almanak der wedrennen, en Lady Clavering schreef nog
altijd als een schoolmeisje met eene ongeloofelijke onverschilligheid
omtrent spelling of taalregelen. En daar jufvrouw Amory diep gevoelde,
dat zij niet naar waarde geschat werd en dat zij met menschen
verkeerde, die haar in verstand of maatschappelijke gaven niet
evenaarden, liet zij geene gelegenheid voorbijgaan, om de leden van het
gezin te doen gevoelen, dat zij beneden haar stonden; zij was niet
enkel eene martelares, maar zorgde ook, dat iedereen dit wist. Indien
zij werkelijk zoo zwaar leed als zij zeide en meende, kunnen wij ons
dan verwonderen, dat een jeugdig schepseltje met zulk een teer gevoel
heel wat gilde en schreide? Zonder deelneming heeft het leven niets te
beteekenen en zou het dan geen gebrek aan oprechtheid in haar zijn
geweest, indien zij eene opgeruimdheid had voorgewend, die zij niet
gevoelde, of achting had gehuicheld jegens degenen, voor wie het
onmogelijk was, dat zij eenigen eerbied zou koesteren? Indien eene
dichteres niet over haar lot mag weeklagen, waartoe ter wereld dient
dan hare lier? Blanche ontlokte aan de hare alleen de droevigste tonen,
en maakte elegieën op hare afgestorven hoop en treurzangen op de door
den killen winteradem gedoode bloesems harer jeugdige genegenheid,
gelijk aan zulk eene treurige lotsbestemming en muze betaamde.
Hare wezenlijke rampen waren, gelijk wij reeds zeiden, tot op dit
oogenblik niet groot geweest; maar hare smart huisde, zooals bij de
meesten van ons, in hare eigene ziel, en daar deze neerslachtig en
meestal ontevreden was, verwondere zich niemand, dat zij weende. Daarom
stroomden Mes Larmes ten allen tijde op kommando uit hare oogen; zij
kon eene onbepaalde hoeveelheid tranen leveren, en door langdurige
oefening leerde zij die met steeds toenemende gemakkelijkheid storten.
Want het gevoel, gelijk eene andere kwaal, waarvan Horatius spreekt,
neemt toe wanneer men zich niet weet te onthouden (het spijt mij,
dames, dat de bedoelde kwaal waterzucht heet) en hoe meer men schreit,
des te meer zal men dit kunnen en willen doen.
Juffie was reeds op zeer jeugdigen leeftijd begonnen tranen te storten.
Zoodra zij besef genoeg had om iets te gevoelen, werd Lamartine haar
geliefkoosde bard, en verder had zij haar gemoed gevormd door eene
vlijtige studie van de groote hedendaagsche schrijvers in de Fransche
taal. Er bestond geen roman van Balzac of George Sand, welken het
onvermoeide schepseltje niet verslonden had voordat zij zestien jaar
was; en hoe weinig zij ook met hare huisgenooten sympathiseerde, had
zij vrienden in de geestenwereld, zeide ze, waarmee zij de teedere
Indiana, de hartstochtelijke en poëtische Lelia, den beminnelijken
Trenmor, dien grootmoedigen misdadiger, dien engel der galeien, den
vurigen Stenio, en de andere tallooze helden der Fransche romans
bedoelde. Terwijl zij nog school ging, was zij op prins Rodolphe en
prins Djalma verliefd geweest, en de vraagstukken over de echtscheiding
en de rechten der vrouw had zij met Indiana uitgemaakt, nog voordat zij
het hooge voorschoot had afgelegd. Het levendige dametje speelde
minnaar en minnares met die denkbeeldige helden, gelijk zij nog kort te
voren moedertje gespeeld had met hare pop. Het is merkwaardig die
aardige, dichterlijke zieltjes te zien omgaan met dat speelgoed.
Vandaag staat de pop met de blauwe oogen in gunst en wordt die met de
zwarte oogen in de lade weggeborgen. Morgen ligt die met de blauwe
oogen weer achter de bank, en krijgt een akelig monstertje, met een
afgeschroeiden neus of een kaal hoofd en in het geheel geene oogen, de
eerste plaats in de genegenheid van het juffertje, dat hem in hare
armen troetelt en koestert.
Daar men het er voor houdt, dat romanschrijvers alles weten, tot zelfs
de geheimen van vrouwenharten, waarvan de eigenaressen misschien zelve
onkundig zijn, willen wij hier mededeelen, dat mademoiselle Betsy,
zooals jufvrouw Amory toen genoemd werd, op haar elfde jaar eene
teedere neiging had opgevat voor een jongen Savoyaard met een orgel te
Parijs, dien zij verkoos te blijven beschouwen als een jongen prins,
aan zijne ouders ontroofd; dat op haar twaalfde jaar een oude,
afzichtelijke teekenmeester (maar ach, welke jaren of lichaamsgebreken
zijn proefhoudend tegen vrouwenliefde?) haar jong hartje had doen
kloppen, en dat er op haar dertiende, toen zij op de kostschool was bij
madame de Caramel in de Champs Elysées (gelegen, zooals men weet, naast
de jongeheeren-kostschool van monsieur Rogron, ridder van het legioen
van eer), eene briefwisseling plaats had tusschen de séduisante miss
Betsy en twee jonge heeren van het Collége Charlemagne, die bij den
ridder Rogron in den kost waren.
In bovenstaande regels hebben wij onze jonge vriendin bij een anderen
doopnaam genoemd dan dien, onder welken wij haar kortelings voorgesteld
hebben. Jufvrouw Amory, door hare huisgenooten juffie genoemd, was
werkelijk Betsy gedoopt, maar had uit eigen wil en fantasie den naam
van Blanche aangenomen en zich daarmede gekroond; en het zwaard, dat de
baronet haar stiefvader aanhoudend boven haar hoofd hield, was de
bedreiging, dat hij haar openlijk Betsy zou noemen, waarvoor zij zoo
bang was, dat hij er de jonge oproermaakster soms weer mede tot haar
plicht bracht.
Wij spraken zoo even van kinderpoppen en van de manier, waarop de
kleintjes hare geliefde popjes opnemen en wegwerpen, en hoogst
waarschijnlijk zal dit verhaal verder wel in het licht stellen, dat
jufvrouw Blanche hare levende poppen met dezelfde kinderlijke
onbestendigheid tot zich trok en ze weer wegsmeet. Zij had zwermen van
lieve, lieve boezemvriendinnen gehad en bewaarde in haar juweelkistje
een klein museum van haarlokken, die zij op haar sentimenteelen
levenstocht had bijeengezameld. Sommige dierbare vriendinnen waren
getrouwd, eenige waren naar andere scholen gegaan; eene harer
lievelingen, hare zielsvriendin, hare Léocadie, had zij na de
kostschool uit het oog verloren en, o gruwel! teruggevonden in den
winkel van haar vader, een kruidenier in de Rue du Bak, waar zij het
boek hield; kortom, zij was vele malen gedesappointeerd en
gedesillusioneerd, gelijk zij het in haar aardig Fransch mengelmoes
uitdrukte, en had voor zoo’n jonge dame al heel wat gezien en geleden.
Maar de gevoeligen moeten altijd lijden en het is het lot dergenen, die
te goed van vertrouwen zijn, bedrogen te worden, zoodat zij gevoelde,
dat zij in deze smarten en teleurstellingen slechts het lot onderging,
dat aan het genie bereid is.
Intusschen vond zij gelegenheid om hare moeder, die goede vrouw, zoo
ongelukkig te maken als de omstandigheden het toelieten, en bracht zij
haar waardigen stiefvader zoo ver, dat hij wenschte, dat zij dood was.
Met uitzondering van kapitein Strong, wiens onverstoorbare
goedmoedigheid bestand was tegen de stekelige gezegden van het dametje,
beheerschte zij iedereen in huis met hare tong. Als Lady Clavering van
„sparzie” in plaats van „asperges” sprak, of „eindelijk” zeide in
plaats van „eigenlijk”, wat die ongelukkige dame wel eens overkwam,
verbeterde juffie kalmpjes die uitdrukkingen, en bracht hare moeder,
die goede ziel, zoodanig van streek, dat zij nog veel meer fouten
maakte, omdat zij in de tegenwoordigheid van hare dochter hoe langer
hoe zenuwachtiger werd.
Als wij in aanmerking nemen welke groote belangstelling de aankomst der
familie op Clavering Park aan de bewoners van het stadje ingeboezemd
had, dan is het niet te vooronderstellen, dat madame Fribsby alleen
onder al de bewoners van Clavering onverschillig en vrij van
nieuwsgierigheid zou gebleven zijn. Bij de eerste verschijning der
familie in de kerk nam madame elk stuk van het toilet der dames, van
hare hoeden tot hare laarsjes, nauwkeurig op en liet ook haar oog over
de kleeding der kameniers in de haar toegewezen bank gaan. Het is te
vreezen, dat doctor Portman’s preek, ofschoon eene zijner oudste en
doorwrochtste opstellen, dien dag weinig indruk op madame Fribsby
maakte. Binnen weinige dagen had zij een onderhoud met Lady Claverings
vertrouwde kamenier in de kamer der huishoudster op het park weten te
verkrijgen, en waren hare adreskaartjes in het Fransch en Engelsch, die
vermeldden, dat zij de nieuwste modes uit Parijs van hare
correspondente madame Victorine ontving en dat zij de hof- en
balcostumes voor den adel en de groote lui van het graafschap
vervaardigde, in handen van Lady Clavering en jufvrouw Amory, die er,
gelijk zij tot haar genoegen hoorde, gunstig over dachten.
Jufvrouw Bonner, Lady Clavering’s kamenier, werd spoedig eene trouwe
bezoekster van madame Fribsby en nam aan menige versnapering ten koste
van de modemaakster deel. Een kopje groene thee, wat kwaadspreken, wat
koekjes en een beetje romanlectuur waren altijd tot jufvrouw Bonner’s
dienst, als zij des avonds naar de stad mocht gaan. En daarvoor vond
zij veel meer gelegenheid dan hare jongere ambtgenoote, jufvrouw
Amory’s kamenier, die zelden een vrijen dag kon krijgen en door die
onverbiddelijke kleine muze, hare meesteres, zoo hard afgebeuld werd
als eene fabriekarbeidster.
De muze was gaarne mooi gekleed en daar zij eene levendige
verbeeldingskracht bezat en met de zucht der dichters naar verandering
behebt was, moest zij elken dag iets anders aanhebben. Daar hare
kamenier de modemaaksterskunst verstond (dewijl zij te Parijs, alvorens
in jufvrouw Blanche’s dienst te komen, bij eene modiste geweest was)
werd zij van den morgen tot den avond bezig gehouden met het veranderen
en vermaken van jufvrouw Amory’s kleederen, zoodat zij zeer vroeg
opstond en zeer laat te bed ging, ten gevolge van de onophoudelijke
grillen van hare kleine meesteres. Het meisje was de dochter van
fatsoenlijke Engelsche ouders, zooals er vele te Parijs wonen, die
betere dagen gekend hebben, niet geheel geruïneerd zijn, niet geheel
van „tegemoetkoming” leven en deze toch niet kunnen missen; en daar
haar vader gebrekkig was en buiten staat om te werken, en hare
terugkomst het bezwaar en de ellende van het gezin slechts zou
vermeerderen, wilde de arme Pincott gaarne blijven waar zij zelve den
kost kon winnen en nog iets voor hare ouders afzonderen.
Met de rondheid, die onze muze kenmerkte, liet zij nooit na, hare
kamenier aan hare positie te herinneren. „Ik zou lust hebben u weg te
zenden, Pincott, want gij zijt veel te zwak en uwe oogen deugen niet,
terwijl gij ook altijd zit te snikken en den dokter noodig hebt; maar
ik zie het gaarne, dat gij uwe ouders ondersteunt; – onthoud dus, dat
ik het mij om hunnentwil getroost,” zeide die lieve Blanche tegen haar
bedeesd kameniertje. Of een andermaal „Pincot, uw vervallen voorkomen
en slaafsche manieren en roode oogen jagen mij migraine aan; mij dunkt,
ik moest u laten blanketten, om u wat vroolijker te doen uitzien,” of
„Pincott, ik kan niet toelaten, al is het ook om uwe hongerlijdende
ouders, dat gij zoo voortgaat met mij het haar uit het hoofd te
trekken; ik zal hun moeten schrijven, dat ik u bedankt heb.” Na onder
dergelijke toespraken het sidderende meisje een uur lang bezig gehouden
te hebben aan heur haar, dat de jonge dame gaarne liet uitkammen,
terwijl zij een van hare geliefkoosde Fransche romans zat te lezen,
ging zij tegen één uur te bed en zeide: „Kom, Pincott, geef mij een
Goedennacht! Zorg, dat mijn paarsch kleedje morgenochtend klaar is,”
waarna zij, met een zegenwensch aan hare kamenier, zich omkeerde en
insliep.
De muze kon ’s morgens zoolang in bed blijven liggen als zij verkoos en
maakte ook van dat voorrecht gebruik; maar Pincott moest zeer vroeg
opstaan, om gereed te komen met de taak, waarmee hare meesteres haar
belast had, zoodat zij zich den volgenden dag weer met dezelfde roode
oogen en hetzelfde ingevallen gelaat vertoonde, dat jufvrouw Amory zoo
tegenstond wegens het gemis van elke blijde uitdrukking, en haar boos
maakte, omdat hare dienares maar altijd goedvond er ziekelijk en
neerslachtig te blijven uitzien. Maar het kwam geen oogenbilk bij
Blanche in de gedachte, dat zij eene harde meesteres was. Bij wijlen
behandelde zij Pincott als eene boezemvriendin en schreef zij eenige
aardige verzen op „het eenzaam kameniertje, wier hart elders is.” Onze
beminde Blanche was een hooger wezen en verwachtte als zoodanig bediend
te worden. Ik weet niet of er nog meer dames zijn, die hare dienstboden
of ondergeschikten op zulk eene wijze behandelen; doch wellicht zijn
zij er, en dan is de dwingelandij, die zij over hare ondergeschikten
uitoefenen, en de dolksteek, dien zij hun met eene lieve stem en een
heel fatsoenlijk lachje weten toe te brengen, even wreedaardig als de
folteringen, die de blank-officier met een vloek en de zweep de slaven
doet ondergaan.
Maar Blanche was eene muze, een teer schepseltje, dat van gevoeligheid
trilde en welks oogen bij de geringste aandoening vol tranen schoten;
en wie weet of niet juist de fijnheid van haar gevoel de oorzaak was,
dat het zoo gemakkelijk werd gekwetst. Men verplettert een vlinder,
wanneer men dien maar aanraakt. Gewone menschen hebben er geen begrip
van, hoe gevoelig eene muze is!
De kleine Pincott dus, die dag en nacht aan het stikken, zoomen,
afscheuren, kammen, strijken en plooien voor hare meesteres werd
gehouden en haar moest voorlezen als zij te bed lag (want het meisje
kende de beide talen en bezat eene lieve stem en een goeden toon), kon
geen deel nemen aan madame Fribsby’s soirées; maar men miste haar ook
niet en achtte haar niet van genoegzaam gewicht, om op die partijen te
verschijnen.
Maar er was een ander lid van het huishouden der Clavering’s, dat een
trouw bezoeker van onze vriendin de modemaakster werd, en dit was de
chef der keukens, monsieur Mirobolant, met wien madame Fribsby eerlang
innig bevriend werd.
Daar de boersche inwoners van Clavering niet gewoon waren aan het
voorkomen van, of den omgang met personen van de Fransche natie,
maakten de manieren en het uiterlijk van monsieur Alcide niet zulk een
gunstigen indruk op hen, als die heer wel zou gewenscht hebben. Zonder
iets kwaads te vermoeden, wandelde hij op zekeren zomerschen namiddag,
toen zijne tegenwoordigheid op het Heerenhuis niet vereischt werd, het
stadje Clavering binnen in zijn geliefkoosd costuum, namelijk eene
groene jas of paletot, een karmozijn fluweelen vest met blauwe glazen
knoopen, eene Schotsche pantalon met heel groote en hard gekleurde
ruiten, eene oranje satijnen das en stoffen laarzen met verlakte
punten. Dit alles, met zijne goudgeborduurde muts, zijn rijk vergulden
stok en verschillende andere sieraden van soortgelijken aard, maakte
zijn gewoon Zondagspak uit, waaraan hij zich vleide, dat niets
opzichtigs was (tenzij misschien de schoonheid zijner gestalte de
aandacht mocht trekken), en waarmee hij meende, dat hij zich geheel als
een heer van den besten Parijschen toon voordeed.
Hij wandelde dus op dien stillen zomeravond de straten door, elke vrouw
tegenlachende en haar toelonkende met blikken, die hij dacht, dat haar
dadelijk betooveren moesten, en over de hekken en in alle vensters
kijkende, waar hij eene vrouw ontdekte. Doch Betsy, de meid van
jufvrouw Pybus, deinsde terug met een: „Heere, bewaar me!” toen Alcide
haar over het laurierboschje een lonkje toewierp; de jufvrouwen Baker
en hare mama keken verwonderd op, en na eenige oogenblikken begon een
zwerm havelooze straatjongens en kinderen den merkwaardigen vreemdeling
te volgen en lieten zij de modderpoddingen, die zij bezig waren te
vervaardigen, in den steek om hem na te loopen.
Hij dacht eenigen tijd, dat het alleen een gevoel van bewondering was,
dat deze personen zijne voetstappen deed volgen, zoodat hij
voortwandelde met het aangename bewustzijn, dat hij zeer gemakkelijk
aan anderen een onschuldig genoegen verschafte. Maar bij de kinderen en
modderhoopfabrikanten voegde zich spoedig meer volwassen
nieuwsgierigen, en een aantal mannen en vrouwen van de fabriek, die
juist naar huis gingen, vermeerderden den oploop en begonnen te lachen,
te fluiten, te schreeuwen en den Franschman uit te schelden. Sommigen
riepen: „Fransoos! Fransoos!” anderen: „Kikkert!” Eén van den troep
vroeg om wat van zijn haar, dat zeer lang was en in golvende lokken
neerhing, en eindelijk begon de arme artiste te bemerken, dat hij
veeleer een voorwerp van bespotting dan van bewondering voor het
lachende en onbeschaafde grauw was.
Het was op dit oogenblik, dat madame Fribsby dien rampspoedigen heer
met den stoet op zijne hielen gewaar werd en het smadelijk gejoel
hoorde, dat hem vervolgde. Zij liep naar buiten, de straat op, naar den
vervolgden vreemdeling toe, reikte hem de hand, sprak hem in zijne
eigene taal aan en noodigde hem in haar huis, en toen zij hem veilig
binnen de deur had, plaatste zij zich onversaagd op den drempel voor de
smalende arbeiders en arbeidsters der fabriek en verklaarde hun, dat
zij zich lafhartig gedroegen door een arm man te vervolgen, die hunne
taal niet machtig was en alleen en zonder hulp stond. De kleine oploop
liet nog wel eenig ironisch gejuich en gejoel hooren, maar gevoelde
desniettemin de waarheid van madame’s krachtige toespraak en droop af;
want de oude jufvrouw stond in het stadje goed aangeschreven en hare
eigenaardigheden en hare voorkomendheid hadden haar daar vele vrienden
verworven.
De arme Mirobolant was hartelijk dankbaar, dat hij zijne moedertaal,
hoe slecht dan ook, hoorde spreken. De Franschen vergeven onze
vergrijpen tegen hunne taal veel gereeder dan wij hun slecht Engelsch
verschoonen, en zullen onze lompe fouten in den loop van een langdurig
gesprek aanhooren, zonder de minste neiging tot lachen aan den dag te
leggen. De geredde artiste verklaarde, dat madame Fribsby zijn
beschermengel was, en zwoer, dat hij tot nog toe zooveel
vriendelijkheid en wellevendheid niet bij les Anglaises aangetroffen
had. Hij was even beleefd en complimenteus tegen haar alsof hij tot de
schoonste en voornaamste dame sprak; want Alcide Mirobolant bracht op
deze wijze hulde aan het gansche vrouwelijke geslacht en kende geen
verschil van rang in het rijk der schoonheid, gelijk hij zich
uitdrukte.
Den volgenden dag bracht een der adjudanten van den chef in een mandje
eene crême met ananas-geur, eene kreeftensalade met mayonnaise-saus,
die hij zich vleide, dat zijner kunst evenmin onwaardig was als haar,
aan wie hij de eer had deze hulde te bieden, en eene doos met
geconfijte zuidvruchten ten huize van de modemaakster, met een galant
briefje aan de beminnelijke madame Fribsby. „Hare vriendelijkheid,”
schreef Alcide, „was gelijk eene oase in de woestijn zijns levens; –
hare lieftalligheid zou in zijn geheugen altijd afsteken tegen de
grossièreté van de boersche ingezetenen, die niet waardig waren zulk
een juweel te bezitten.” Op deze wijze ontstond er eene kennismaking
van den vertrouwelijksten aard tusschen de modemaakster en den chef der
keukens; maar ik weet niet of de vriendschapsbetuigingen van den jongen
Alcide haar genoegen dan wel verdriet veroorzaakten, want hij bleef
haar onveranderlijk la respectable Fribsbi, la vertueuse Fribsbi noemen
en aanhoudend verklaren, dat hij haar als zijne moeder zou beschouwen,
terwijl hij hoopte, dat zij hem als haar zoon zou behandelen. Ach,
dacht Fribsby, het was toch zoo lang niet geleden, dat men haar, in dat
lieve fransch, woorden toegesproken had, die van een geheel andere
soort van genegenheid getuigden. En toen zuchtte zij en wierp een blik
op het portret van haar karabinier. Want het is verbazend hoe jong het
hart van sommige menschen nog blijft, als hun hoofd reeds behoefte
heeft aan een pruikje of wat haarkleursel, – en op dit oogenblik
gevoelde zich madame Fribsby, gelijk zij den jeugdigen Alcide
verklaarde, zoo romanesk als een meisje van achttien.
Wanneer het gesprek deze wending nam – en zoodra zij goed bekend
werden, deed madame Fribsby tamelijk veel moeite om het die wending te
doen nemen – bracht Alcide altijd zeer beleefd een ander onderwerp op
het tapijt: hij verkoos de goede modemaakster maar niet anders dan als
eene moeder te beschouwen. Hij wilde haar in geene andere hoedanigheid
erkennen en de vriendelijke jufvrouw was genoodzaakt zich met die
verwantschap tevreden te stellen, toen zij ontdekte hoe diep de
genegenheid van den kunstenaar elders geworteld was.
Het duurde niet lang, of hij beschreef haar het voorwerp en den
oorsprong zijner liefde.
„Ik declareerde mij aan haar,” zeide Alcide met de hand op zijn hart,
„op eene wijze, die, naar ik mij vlei, even nieuw als aangenaam was.
Waar zou de liefde niet kunnen doordringen, achtenswaardige madame
Fribsby? Cupido is de vader der uitvindingen! – Ik onderzocht bij de
bedienden welke plats mademoiselle het liefst at, en richtte
dienovereenkomstig mijne kleine batterij in. Op zekeren dag, toen hare
ouders uit dineeren waren gegaan (en het grieft mij te moeten zeggen,
dat een grossier diner bij een restaurateur op den boulevard, of in het
Palais Royal, eene heerlijkheid voor die van fijnen smaak ontbloote
personen scheen te zijn), onthaalde de bekoorlijke Miss eenige
kameraadjes van de kostschool, en ik besloot een klein diner boven te
zenden, dat voor zulke fijne jonge verhemelten geschikt was. Haar
lieftallige naam is Blanche. De sluier der maagd is wit, en de krans
van rozen, dien zij draagt, is eveneens wit. Ik nam mij voor, dat mijn
diner zoo smetteloos als sneeuw zou zijn. Op het gewone uur zond ik, in
plaats van den lompen gigot à l’eau, die doorgaans op hare al te
eenvoudige tafel werd voorgediend, een kleine potage à la reine – ik
noemde het à la reine Blanche – zoo blank als haar eigen kleur en
toebereid met de geurigste room en amandelen. Daarna legde ik op haar
altaar een filet de merlan à l’Agnes neder, en een keurigen schotel,
dien ik éperlan à la Sainte-Thérèse betitelde, en waarvan mijne
charmante Miss met genoegen gebruikte. Ik liet hierop twee kleine
entrées van gebak met kip volgen, en het eenige bruine, dat ik mij op
dit diner veroorloofde, was een klein lams-rôti, dat ik in een weiland
van spinazie plaatste, omringd van croustillons, die lammetjes
voorstelden, en opgeluisterd met madeliefjes en andere wilde bloemen.
Daarop kwam mijn second service; een podding à la reine Elisabeth (die,
zooals madame Fribsby weet, eene maagdelijke vorstin was), een schotel
opaalgekleurde pluviereieren, dien ik nid de tourtereaux à la roucoule
noemde en waar ik twee van die teedere vogeltjes in het midden
geplaatst had, die zaten te trekkebekken, alles toebereid uit boter;
een korfje kleine gateaux met abrikozen, waar, dit weet ik, alle jonge
dames dol op zijn; en een maraskino-gelei, blank, betooverend,
bedwelmend als de aanblik der schoonheid; dit noemde ik ambroisie de
Calypso à la Souveraine de mon Coeur. En het ijs – een ijs van
plombière en kersen – hoe denkt gij wel, dat ik dat gefatsoeneerd had,
madame Fribsby? In den vorm van twee harten aan een pijl geregen,
waarover ik, voordat het binnengebracht werd, een bruidssluier van
geknipt papier had gelegd, en daarop een maagdenkrans van
oranjebloesems. Ik stond aan de deur te wachten, om te zien welk een
indruk deze entrée zou maken. Het was één uitroep van opgetogenheid! De
drie jonge dames vulden hare glazen met de bruisende Aï en brachten een
toast op mij uit. Ik hoorde Miss van mij spreken – ik hoorde haar
roepen: „Zeg aan monsieur Mirobolant, dat wij hem laten bedanken – dat
wij hem bewonderen – dat wij hem liefhebben!” Mijne knieën knikten toen
zij sprak.
„Kan ik, na dat voorval, met eenigen grond twijfelen, dat de jonge
artiste zekere vorderingen gemaakt heeft in het hart der Engelsche
Miss? Ik ben nederig, maar mijn spiegel zegt mij, dat ik er niet
onbevallig uitzie. Nog andere veroveringen hebben mij daarvan
overtuigd.”
„Gevaarlijk mensch!” riep de modemaakster uit.
„De blonde misses van Albion zien in de sombere bewoners van haar
nevelachtig eiland niets, dat in vergelijking kan komen met het vuur en
de levendigheid der kinderen van het Zuiden. Wij brengen den
zonneschijn met ons; wij zijn Franschen en gewoon aan veroveringen.
Zoudt gij denken, dat ik zonder deze liefdesgeschiedenis, zonder mijn
besluit om eene Anglaise te trouwen, op dit eiland blijven zou (dat
niet ten eenemale ondenkbaar is, daar ik hier eene teedere moeder in de
respectabele madame Fribsbi gevonden heb), op dit eiland en in die
familie? Mijn genie zou verstompen in het gezelschap van die boeren; –
die vleeschetende eilanders kunnen de poëzie mijner kunst niet
begrijpen. Neen – de mannen zijn akelig, maar de vrouwen – de vrouwen,
waarde Fribsbi, dat moet ik bekennen, zijn verleidelijk! Ik heb
gezworen, dat ik er eene trouwen zou; en daar ik niet op uwe markten
kan komen om er volgens landsgebruik eene te koopen, heb ik besloten
mij naar een ander gebruik te voegen en er met eene naar Gretna Green
te vluchten. De blonde Miss zal wel meegaan. Zij is betooverd. Hare
blikken hebben mij daarvan overtuigd. De blanke duif wacht maar op een
sein, om uit te vliegen.”
„Hebt gij ooit brieven met haar gewisseld?” vroeg Fribaby vol
verbazing, niet wetende of de jonge dame dan wel de minnaar aan eene
romaneske inbeelding leed.
„Ik correspondeer met haar door middel van mijne kunst. Zij gebruikt
van de gerechten, die ik opzettelijk voor haar gereedmaak. Op die wijze
geef ik haar duizend wenken, die zij, daar zij enkel geest is, ook zeer
goed begrijpt. Maar ik moest andere hulp in hare nabijheid hebben.”
„Daar hebt ge Pincott, hare kamenier,” zeide madame Fribsby, die, of
uit aanleg of uit ervaring, eenige kennis van minnarijen scheen te
hebben; maar de groote artiste fronste de wenkbrauwen op die
raadgeving.
„Madame,” gaf hij ten antwoord, „er zijn punten, waaromtrent een galant
man zich zelven het stilzwijgen moet opleggen; ofschoon hij, indien hij
het geheim verraadt, dit nog op de minst onvoegzame wijze aan zijne
beste vriendin, aan zijne pleegmoeder doet. Weet dan, dat er eene reden
bestaat waarom Miss Pincott mij vijandig is, – eene reden, niet
ongewoon bij uwe sekse: – de jaloezie.”
„Trouwelooze verrader, die gij zijt!” riep de confidante.
„Ach neen,” hernam de kunstenaar met eene diepe basstem en een
tragischen toon, die de Porte Saint Martin en hare geliefkoosde
melodrama’s waardig was: „niet trouweloos, maar noodlottig. Ja, ik ben
een noodlottig mensch, madame Fribsbi. Het is mijn lot, hopelooze
liefde in te boezemen. Het is mijne schuld niet, dat de vrouwen mij
beminnen. Kan ik het helpen, dat die jonge vrouw bij den dag vermagert
en wegkwijnt, omdat zij verteerd wordt door eene liefdevlam, die ik
niet kan beantwoorden? Hoor eens! Er zijn nog anderen in die familie,
die in dezelfde ongelukkige omstandigheden verkeeren. De gouvernante
van den jongen Milor heeft mij op mijne wandelingen ontmoet en mij
aangezien op eene wijze, die slechts voor ééne uitlegging vatbaar is.
En Milady zelve, die reeds van rijpen leeftijd is, maar oostersch bloed
in de aderen heeft, heeft een paar malen complimenten aan den eenzamen
artiste gericht, waarin men zich niet vergissen kan. Ik vermijd de
leden van het huisgezin; ik zoek de afzondering en ik onderwerp mij aan
mijn lot. Ik kan er maar ééne trouwen en heb besloten, dat het eene
dame van uwe natie zal zijn. En ik geloof, dat juist Miss mij het best
zou passen, indien haar fortuin voldoende is. Ik zou wel wenschen te
weten wat zij bezit, alvorens ik haar naar Gretna Green voer.”
Wij moeten aan het oordeel van den lezer overlaten of Alcide een even
onweerstaanbaar veroveraar als zijn naamgenoot, dan wel eenvoudig
stapelgek was. Doch indien de lezer het geluk heeft gehad vele
Franschen te leeren kennen, heeft hij misschien wel mannen onder hen
aangetroffen, die zich als even onverwinnelijk beschouwden en, indien
men hen gelooven wilde, evenvele veroveringen op de harten van les
Anglaises hadden gemaakt.