Terwijl de bewoners van Fairoaks dit eentonige leven leidden ontwaakte
het groote huis op den heuvel, aan de overzijde van het riviertje de
Brawl, uit den sluimer, waarin het gedurende het leven van twee
geslachten zijner eigenaren verzonken had gelegen, en begon het
ongewone teekenen van vernieuwde drukte te toonen.
Juist omstreeks den tijd van Pen’s kleinen tegenspoed, toen hij zoo
diep in rouw gedompeld was, dat hij geen acht kon slaan op de
lotgevallen van personen, waarin hij minder belang stelde dan in Arthur
Pendennis, verscheen er in de provinciale bladen een bericht, dat
althans in het graafschap, en in al de steden, dorpen, heerenhuizen,
buitenplaatsen en pastorieën, vele mijlen rondom Clavering, groot
opzien baarde. Op de markt te Clavering, op de kermis te Cackleby, bij
de zittingen van het hof van assises te Chatteries, op de weide van
Gooseberry, wanneer het rijtuig van den landjonker het éénspanssjeesje
van den hulpprediker tegenkwam en beiden stilhielden om even een
praatje te maken; aan de deur der kerk van Tinckleton, terwijl de klok
op den zonnigen morgen luidde en de witte jurken en roode mantels in
grooten getale over de groene weide aanstroomden om den zondagsdienst
bij te wonen, in honderd gezelschappen in den omtrek – overal, kortom,
had men er den mond vol van, dat Clavering Park op het punt stond van
weer bewoond te worden.
Een vijftal jaren geleden had men uit advertentiën in de bladen van het
graafschap vernomen, dat jonkheer Francis Clavering, eenige zoon van
den baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, in de kapel van
het Britsche gezantschap te Florence gehuwd was met Jemima Augusta,
dochter van den heer Samuel Snell te Calcutta en weduwe van den heer J.
Amory. Het praatje ging toenmaals in het graafschap, dat Clavering, die
sedert vele jaren geruïneerd was, eene niet onbemiddelde weduwe uit
Indië had getrouwd. Sommige personen uit het graafschap hadden het
pasgehuwde paar gezien. De Kicklebury’s hadden hen op hunne reis door
Italië ontmoet. Clavering woonde toen in het paleis Poggi te Florence,
gaf partijen en leefde er goed van, maar keerde niet naar Engeland
terug. Een volgend jaar was de jonge Peregrine, van Cackleby, die in de
groote vacantie eene reis deed, met de Clavering’s in aanraking
gekomen, die toen het kasteel Schinkenstein aan het Mummelmeer
bewoonden. Degenen, die er belang in stelden, hoorden nu en dan iets
van het waardige paar te Rome, te Lucca, te Nizza, op de bad- en
speelplaatsen aan den Rijn en in België, en geruchten, hen betreffende,
woeien als het ware met buien naar Clavering’s voorouderlijke woning
over.
Hunne laatste verblijfplaats was Parijs, waar zij met glans en op een
grooten voet schijnen geleefd te hebben, nadat de dood van den heer
Snell te Calcutta aan zijne dochter in Europa bekend was geworden.
Van het vroegere leven van Sir Francis Clavering is weinig te zeggen,
dat dien geachten baronet tot eer zou verstrekt hebben. Die heer, de
zoon van een vader, die in zijn land niet durfde terugkomen en op een
somber oud kasteel in de nabijheid van Brugge woonde, had eene flauwe
poging gedaan om het leven te beginnen als luitenant bij een regiment
Dragonders, maar was bijna dadelijk op weg blijven steken. Het bezoeken
der speeltafels bracht hem spoedig ten val, zoodat hij na een paar jaar
dienst verplicht was zijne officiersplaats te verkoopen, eenigen tijd
in harer majesteits gevangenis van Fleet Street doorbracht en toen naar
Ostende overstak, om zijn vader, den jichtigen balling, op te zoeken.
In België, Frankrijk en Duitschland kon men vervolgens dezen kalen en
verongelukten verkwister eenige jaren lang zien rondsluipen in
koffiehuizen en badplaatsen, zijn geluk wagen in speelhuizen, dansen op
bals in kosthuizen, en aan wedrennen deel nemen, op de paarden van
anderen.
Het was in een kosthuis te Lausanne, dat Francis Clavering – zooals hij
het noemde – een gelukkigen coup deed en trouwde met de weduwe Amory,
die eerst onlangs uit Calcutta was teruggekeerd. Zijn vader stierf kort
daarop, en ten gevolge van dat overlijden werd zijne vrouw Lady
Clavering. Mijnheer Snell van Calcutta was zoo opgetogen over dien
titel, dat hij het jaargeld zijner dochter verdubbelde en iets later
bij zijn overlijden aan haar en hare kinderen een fortuin naliet, dat,
indien het door het gerucht niet vergroot was, inderdaad schitterend
mocht heeten.
Vóór dien tijd hadden er omtrent de dame geruchten geloopen, die wel
niet ongunstig voor hare reputatie luidden, maar toch een onaangenamen
indruk nalieten. De voornaamste Engelschen in het buitenland ontweken
hare kennismaking; hare manieren waren niet van de fijnste, en zij was
van eene jammerlijk lage en onbekende afkomst. De Indische oudgasten,
die men in grooten getale aantreft in elke stad op het vasteland waar
Engelschen komen, spraken met minachting van haar vader, den slecht
befaamden procureur en indigo-smokkelaar, en van haar eersten man
Amory, die stuurman op den Oostindievaarder was geweest, waarmee
jufvrouw Snell naar haar vader te Calcutta terugkeerde. Vader noch
dochter verkeerden in de voorname wereld te Calcutta, en op het paleis
van den gouverneur-generaal had men nooit van hen gehoord. De oude Sir
Jasper Rogers, voormaals president van het gerechtshof te Calcutta, had
eens tegen zijne vrouw gezegd, dat hij eene rare historie van Lady
Clavering’s eersten man zou kunnen vertellen; maar tot groote spijt van
Lady Rogers en van de jonge dames zijne dochters, had men den ouden
president nooit kunnen bewegen het geheim te verklappen.
Iedereen verscheen echter gaarne op de partijen, die Lady Clavering
gaf, toen zij zich in het hotel Bouilli, in de Rue Grenelle te Parijs,
vestigde en gedurende den winter van 183– in de voorname wereld
luisterrijk optrad. De Faubourg St. Germain nam zich harer aan.
Burggraaf Bagwig, onze hooggeschatte ambassadeur, behandelde haar
blijkbaar met achting. De prinsen van den bloede bezochten hare salons.
De stijfste en aanzienlijkste Engelsche dames, die zich in de hoofdstad
van Frankrijk ophielden, wilden haar wel kennen en hielden hare eer op,
zooals de onbesproken Lady Elderbury, de stugge Lady Rockminster en de
eerbiedwaardige gravin van Southdown, menschen, in één woord, die
wegens hunne strengheid bekend waren en wier deugd iedereen in de oogen
schitterde; – zulk een algemeenen en weldadigen invloed had het bezit
van tien duizend pond ’s jaars (sommigen zeiden zelfs twintig duizend)
op den naam en de faam van Lady Clavering uitgeoefend. Daaraan paarde
zij eene onbegrensde mildheid en liefdadigheid. Iedereen (die tot de
groote wereld behoorde) kon over hare beurs beschikken, zoodra een
liefdadig plan op touw werd gezet. De Fransche dames de charité
ontvingen bijdragen van haar, tot ondersteuning van scholen en
kloosters; zonder onderscheid te maken, schreef zij in voor den
Armenischen patriarch, voor pater Barbarossa, die naar Europa gekomen
was om liefdegaven voor zijn klooster op den berg Athos in te zamelen;
voor den zendingspost der doopsgezinden te Quashyboe, en voor de
Episcopaalsche kolonie Feefawfoe, het grootste en meest woeste der
Kannibalen-Eilanden. Men vertelt, dat, op denzelfden dag toen madame de
Cricri vijf napoleons van haar ontving tot ondersteuning van de arme
vervolgde Jezuïeten, die op dat oogenblik in Frankrijk in zeer kwaden
reuk stonden, zij zich door Lady Budelight op de lijst liet zetten voor
eene bijdrage ten behoeve van dominé J. Ramshorn, die in een visioen
den last ontvangen had om den paus te Rome te gaan bekeeren. En behalve
dit alles, en wel ten genoegen der wereldlingen, gaf de dame de beste
diners en de luisterrijkste bals en soupers, die gedurende dat seizoen
te Parijs gegeven waren.
In dien tijd moet het geweest zijn, dat de goedhartige dame de zaken
met de schuldeischers van haar echtgenoot heeft weten te vereffenen;
want Sir Francis vertoonde zich weder in zijn vaderland, zonder dat hij
voor gijzeling beducht behoefde te zijn; de Morning Post en het blad
van het graafschap vermeldden, dat hij zijn intrek in Mivart’s hotel
genomen had, en op zekeren dag zag de oude huishoudster op Clavering
House, die van nieuwsgierigheid brandde, een rijtuig met vier paarden
de lange laan oprijden, en voor het met mos begroeide bordes van de
groote en sombere portiek stilhouden.
Het was een open rijtuig, waarin drie heeren zaten. Op het achterbankje
zat onze oude kennis, de heer Tatham van Chatteries, terwijl de
eereplaatsen ingenomen werden door een heer van een knap en deftig
uitzicht, met snorren, bakkebaarden, pelskraag en mantel uitgedost, en
een bleek man met een lusteloos uitzicht die, schijnbaar zeer zwak, uit
het rijtuig steeg, toen de kleine procureur en de heer in het bont er
reeds luchtig uitgesprongen waren.
Zij klommen de groote bemoste stoep op en begaven zich naar de
hoofddeur van het gebouw, waar een buitenlandsche knecht, met oorringen
en eene pet met goudgalon, geweldig aan den grooten schelknop der
gebarsten en gebeeldhouwde poort trok. Men hoorde het geluid der schel
door het uitgestrekte en sombere gebouw weergalmen. Na eenige
oogenblikken klonken er voetstappen door den marmeren gang, de deur
werd geopend en daar stonden jufvrouw Blenkinsop, de huishoudster,
Polly haar adjudant, en Smart de boschwachter nederig te buigen.
Smart trok aan eene lok van het hooikleurige haar, dat zijn door de zon
verschroeid voorhoofd versierde, sloeg met den linkerhiel achteruit
alsof een hond hem in de kuiten beet, en stak het hoofd vooruit om eene
buiging te maken. De oude jufvrouw Blenkinsop maakte eene nijging. De
kleine Polly, haar adjudant, nijgde eveneens en liet daarop
verscheidene haastige buigingen volgen, terwijl jufvrouw Blenkinsop erg
aangedaan stamelde: „Welkom op Clavering, Sir Francis. Het doet mij in
het hart goed, nog eens iemand van de familie te zien.”
Die toespraak en die buigingen waren altemaal gericht tot dien
voornamen heer met het bont en den mantel, die den hoed zoo kranig op
één oor droeg en met zooveel zelfbehagen de snorren opkrulde. Maar die
heer schaterde het uit van lachen en antwoordde: „Gij slaat de plank
mis, oudje, – ik ben Sir Francis niet, die het erfslot zijner
voorvaderen komt bezoeken. Vrienden en vasallen, ziet daar uw wettigen
heer!”
En met die woorden wees hij op den bleeken, kwijnenden heer, die van
zijn kant antwoordde: „Stel je zoo mal niet aan, Ned!”
„Ja, jufvrouw Blenkinsop,” ging hij voort, „ik ben Sir Francis
Clavering; ik herinner mij u nog zeer goed. Mij hebt gij zeker
vergeten? Hoe vaart ge?” en daarbij greep hij de bevende hand: der oude
jufvrouw en knikte haar niet onvriendelijk toe, in weerwil van haar
verbaasd gezicht.
Jufvrouw Blenkinsop verzekerde op haar geweten af, dat zij Sir Francis
overal zou herkend hebben, want dat hij het evenbeeld was van Sir John,
die dezen voorafgegaan was.
„Ja, ja – dank je – dat spreekt – zeer verplicht – en zoo voorts,”
zeide Sir Francis, terwijl hij een wezenloozen blik door de groote zaal
liet gaan. „Akelige ouwe spelonk, vindt je niet, Ned? Maar ééns van
mijn leven hier geweest, toen mijn vader ruzie had gehad met mijn
grootvader, in ’23.”
„Akelig? Heerlijk, zeg ik! Precies het kasteel van Otranto! Hier kunnen
wij waarachtig de geheimen van Udolpho hebben!” antwoordde de heer, die
met den naam van Ned werd aangesproken. „Wat een haard! Men zou er een
olifant kunnen braden! Mooi gebeeldhouwde galerij! Het is zeker door
Inigo Jones gebouwd. Ik wed vijf tegen twee, dat het van Inigo Jones
is?”
„Het bovengedeelte is van Inigo Jones; het benedengedeelte is in den
tijd van George I door den beroemden Hollandschen architect Van der
Putty verbouwd, op last van Sir Richard, den vierden baronet,”
berichtte de huishoudster.
„Zoo – oo!” zeide de baronet. „Nu, Ned, gij weet ook alles!”
„Ja, ik weet wel het een en ander,” antwoordde Ned. „Ik weet, dat dit
schoorsteenstuk geen Snijders is – drie tegen één, dat het eene kopie
is. Dat zullen wij restaureeren, beste jongen. Ge zult verwonderd
staan, hoe het van een streekje vernis zal opkomen. Die ouwe heer in
zijn rood costuum is zeker Sir Richard?”
„Die sheriff van het graafschap en in den tijd van koningin Anna lid
van het parlement was,” zeide de huishoudster vol verbazing over de
kennis van den vreemdeling; „die dame aan zijne rechterhand is
Theodosia, de vrouw van Harbottle, den tweeden baronet, geschilderd
door Lely en voorgesteld in het karakter van Venus, de godin der
schoonheid; – naast haar staat haar zoon Gregory, de derde baronet,
afgebeeld als Cupido, de minnegod, met boog en pijlen in de hand; in
het andere vak ziet men Sir Rupert, die door Karel I tot
ridder-banneret verheven werd en wiens bezittingen door Olivier
Cromwell verbeurdverklaard zijn.”
„Dank je, jufvrouw Blenkinsop, maar ge behoeft niet verder voort te
gaan,” zeide de baronet. „Wij zullen het gebouw wel alleen
doorwandelen. Frosch, geef mij eene sigaar. Oók eene sigaar, mijnheer
Tatham?”
De kleine Tatham probeerde het met de sigaar, die de koetsier van Sir
Francis hem gaf, maar trok er de akeligste gezichten bij. „Gij behoeft
niet met ons om te gaan, jufvrouw Blenkinsop. Zeg eens, jij – hoe heet
je ook weer? – Smart, geef de paarden voer en wasch hun den bek. Ik zal
niet lang blijven. Kom mee, Strong, – ik ken den weg, ik ben in ’23
hier geweest, in het laatst van grootvaders leven.” En Sir Francis ging
met kapitein Strong, want dezen naam en titel voerde de vriend van den
baronet, uit de groote zaal naar de receptiekamers en liet de
teleurgestelde jufvrouw Blenkinsop vrij, om zich door eene zijdeur naar
hare vertrekken te begeven, die voor het oogenblik de eenige bewoonbare
kamers in het zoo lang ongebruikt gebleven heerenhuis waren.
Het gebouw was zoo reusachtig groot, dat geen huurder rijk genoeg was
om het te bewonen, en toen Sir Francis en zijn vriend de eene kamer na
de andere doorliepen, hadden zij de gelegenheid, om de ruimte,
somberheid en voormalige pracht te bewonderen. Rechts van den
hoofdingang waren de salons en gezelschapskamers en aan de andere zijde
de eikenhouten kamer, de huiskamer, de eetzaal en de bibliotheek, waar
Pen in vroeger dagen boeken gevonden had. Langs drie zijden der
vestibule liep eene galerij, uit welke men door afzonderlijke gangen in
de voornaamste slaapkamers kwam, waarvan vele een indrukwekkenden
omvang hadden en nog overblijfselen van den ouden luister vertoonden.
Op de tweede verdieping vond men een doolhof van kleine, ongemakkelijke
zoldertjes, bestemd voor de bedienden der groote lui, die het huis in
aloude tijden bewoonden. Ik ken geen verblijdender teeken van de
meerdere menschlievendheid, die onzen tijd eigen is, dan de
tegenstelling tusschen onze tegenwoordige wijze van bouwen en die onzer
voorvaderen, en de betere zorg voor de dienstboden en de armen dan in
die dagen toen mylord en mylady onder vergulde verhemelten sliepen en
hunne bedienden zich op bovenvertrekjes behelpen moesten, die niet zoo
luchtig of zindelijk waren als onze hedendaagsche stallen.
Bij die wandeling der beide heeren door het huis was de eigenaar zeer
stil en legde weinig blijdschap over het bezit van zijn eigendom aan
den dag, terwijl daarentegen zijn vriend de kapitein de plaatselijke
gesteldheid met zooveel belangstelling en aandacht opnam, dat men hem
voor den meester en den ander voor een onverschillig bezoeker van het
gebouw zou gehouden hebben. „Ik zie, dat er wat van te maken is,” riep
de kapitein uit. „Laat het maar eens aan mij over, en met geringe
kosten zal ik het tot een sieraad van het land maken. Wat eene mooie
tooneelzaal zou de bibliotheek kunnen zijn; het scherm zou tusschen de
kolommen kunnen hangen, die de zaal verdeelen! Wat eene heerlijke kamer
voor een galop! het gansche graafschap zou er in kunnen! Wij zullen de
zaal behangen met het tapijtwerk uit uw tweede salon in de Rue de
Grenelle en de eikenhouten kamer met die middeleeuwsche kabinetten en
wapenrustingen meubileeren. Wapenrustingen steken heerlijk tegen donker
eikenhout af, en er is op de Quai Voltaire een Venetiaansche spiegel te
krijgen, die op een haar in dien hoogen schoorsteen passen zal. De
lange zaal moet natuurlijk wit en karmozijn hebben, de gezelschapszaal
geel satijn, en de kleine gezelschapskamer lichtblauw met kant er
overheen, hé?”
„Ik herinner mij, dat mijn ouwe heer mij in die kleine kamer afroste,”
zeide Sir Francis deftig; „de ouwe had altijd een hekel aan mij.”
„Chits zal wel waarschijnlijk de stof moeten zijn in de kamers van
mylady en in de suite op het bovenportaal, de slaapkamer, de zitkamer
en de kleedkamer? Wij zullen van het balkon eene broeikas maken. Waar
wilt gij uwe kamers hebben?”
„Laat de mijne maar in den noordervleugel zijn,” antwoordde de baronet
geeuwende, „buiten het bereik van jufvrouw Amory’s verwenschte piano.
Die kan ik niet uitstaan. En van ’s morgens tot ’s avonds zit zij er
bij te gillen.”
De kapitein schaterde het uit. In den verderen loop van hunne wandeling
door het gebouw stelde hij de geheele overige inrichting der vertrekken
vast, en toen de tocht was afgeloopen, traden zij de kamer van den
rentmeester, nu bij jufvrouw Blenkinsop in gebruik, binnen, waar
mijnheer Tatham een platten grond van het landgoed zat te bestudeeren
en de oude huishoudster een collation ter eere van haar heer en meester
had aangericht.
Vervolgens namen zij de keuken en de stallen op, voor welke Sir Francis
veel belangstelling aan den dag legde, waarna kapitein Strong den tuin
wilde bezoeken, doch de baronet riep uit: „Laat de tuin en al die boel
naar den drommel loopen!” Ten slotte reed hij van de plaats even
onverschillig weg als hij er gekomen was, en dien avond vernamen de
bewoners van Clavering, dat Sir Francis Clavering het park bezocht had
en voornemens was er zijn verblijf te vestigen.
Toen dit te Chatteries bekend werd, geraakte de gansche bevolking in
beweging, zoowel hoogkerkschen als laagkerkschen, gepensioneerde
kapiteins en oude vrijsters en douairières, jachtminnende
landjonkertjes uit den omtrek, boeren, winkeliers en fabriekarbeiders:
kortom, jan en alleman binnen en buiten het plaatsje. Het nieuws woei
naar Fairoaks over en werd daar door de dames en mijnheer Pen met
zekere opgewektheid vernomen. „Jufvrouw Pybus zegt, dat er een heel
lief meisje in huis is, Arthur,” zeide Laura, die op dit punt even
voorkomend en lief was als de vrouwen doorgaans zijn, – „zekere
jufvrouw Amory, Lady Clavering’s voordochter. Natuurlijk zult gij,
zoodra zij aankomt, op haar verliefd worden.”
„Praat toch zoo mal niet, Laura!” riep Helena uit, terwijl Pen er om
lachte en uitriep: „Nu, er is een jonge Sir Francis voor u.”
„Die is pas vier jaar oud,” hernam jufvrouw Laura. „Maar ik zal mij met
dien knappen officier troosten, dien vriend van Sir Francis. Hij zat
verleden Zondag in de kerk in de bank der Claverings, en hij draagt
heel mooie knevels.”
Het aantal leden van Sir Francis’ gezin (die alle in de bovenstaande
regelen genoemd zijn) was vrij spoedig in het stadje bekend, evenals al
wat verder zijne huishouding betrof, voor zoover menschelijke
nieuwsgierigheid en vernuft het konden nasporen. De lanen en
wandelpaden van het park werden nu op zomeravonden druk bezocht door de
inwoners der stad, die zich naar het groote huis richtten, overal
rondgluurden en hunne aanmerkingen maakten over de veranderingen,
waarmee men bezig was. Ontelbare wagens uit Chatteries en Londen
brachten de eene vracht meubelen na de andere aan, maar hoeveel er ook
waren, kapitein Glanders wist wat elke wagen bevatte en geleidde de
bagage naar het huis.
Want hij was reeds een vertrouwde kennis van kapitein Strong geworden.
Deze laatste bewoonde te Clavering dezelfde kamers, die vroeger den
vreedzamen Smirke gehuisvest hadden, en stond hoog in de gunst bij
zijne huisvrouw, madame Fribsby. De kapitein had in persoon en kleeding
een prachtig voorkomen; hij bezat eene frissche kleur, blauwe oogen,
zwarte bakkebaarden, eene breede borst en eene athletische gestalte;
eene kleine overhelling tot gezetheid benadeelde zijne flinke gestalte
volstrekt niet en nooit bood dapperder soldaat den vijand eene breeder
borst aan. Als hij de High Street te Clavering opging met den hoed op
één oor, met zijn stok op de steenen slaande, en hij dien rondzwaaide
en er houwen en steken mee uitvoerde, waarbij zijn vroolijke lach door
de anders zoo stille straten weergalmde, dan was hij in het stadje zoo
welkom als de zonneschijn en een troost voor de inwoners.
Reeds den eersten marktdag kende hij elk mooi meisje, dat ter markt
kwam; hij maakte grappen met al de vrouwen, praatte met de boeren over
hun vee en at des middags aan de boerentafel in het Wapen van
Clavering, waar hij allen door zijne aardigheden en geestige zetten
deed schudden van lachen. „Het is een aardige kerel, dat valt niet
tegen te spreken,” was het eenparig gevoelen der heerenboeren. Hij
schudde er wel twintig de hand toen zij op hunne oude knollen van het
plein der herberg wegreden en wuifde hen zwierig met zijn hoed na,
terwijl hij aan de deur van het logement zijne sigaar stond te rooken.
In den loop van den avond was hij aan het buffet volkomen thuis, en
wist hij hoeveel huur de kastelein betaalde, hoeveel bunders land hij
in pacht had, hoeveel mout hij in zijn zwaar bier deed, en of hij zich
ooit van Baymouth of van de visschersdorpen aan de kust wat brandewijn
verschafte, waarvoor geen accijns betaald was.
Hij had zich eerst in het heerenhuis trachten in te richten, maar vond
het zoo vervelend, dat hij het niet kon uithouden. „Ik ben voor de
gezelligheid geboren,” zeide hij tegen kapitein Glanders. „Ik ben hier,
om Clavering’s huis wat in orde te brengen, want, onder ons gezegd,
Frans heeft geen vast karakter, mijnheer, geen vast karakter; hij heeft
er geen hart voor, mijnheer,” (en bij die woorden zette hij zijne eigen
borst op), „maar ik moet gezellig verkeer hebben. De oude jufvrouw
Blenkinsop gaat om zeven uur naar bed en neemt Polly mee. De twee
eerste avonden was er in dat groote huis niemand dan ik en het Spook,
en, ik wil er wel voor uitkomen, mijnheer, ik houd van gezelschap. Dat
doet een oud soldaat meestal.”
Glanders vroeg waar Strong gediend had, waarop de kapitein zijne
knevels opkrulde en met een lachje antwoordde, dat de ander liever
moest vragen waar hij niet had gediend. „Ik begon, mijnheer, als cadet
bij de Hongaarsche ulanen, en toen de Grieksche
onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, verliet ik dien dienst ten gevolge
van onaangenaamheden met mijn ouwe; ik behoorde tot de zeven, die zich
uit Missolonghi redden, en vloog in de lucht met een van Bozzaris’
branders, alles nog pas op mijn zeventiende jaar. Ik zal u mijn kruis
van den Verlosser laten zien, indien gij van avond op mijne kamer een
glas grog wilt komen drinken, kapitein. Ik heb nog eenige andere van
die nesterijen in mijn lessenaar liggen. Ik bezit den Witten Adelaar
van Polen, dien ik op het slagveld van Ostrolenka uit handen van
Skrzynecki ontving” (hij sprak Skrzynecki’s naam met eene
verwonderlijke juistheid en welgevallen uit). „Ik was luitenant bij het
vierde regiment, mijnheer, en wij marcheerden door de liniën van
Diebitsch – dwars er doorheen, mijnheer, Pruisen in, zonder een schot
te lossen. Och, kapitein, dat was eene slecht berekende onderneming!
Deze wond ontving ik aan de zijde van den koning vóór Oporto – waar hij
die volgelingen van Pedro, die alleen van beursspeculatiën verstand
hadden, zou vernield hebben, indien Bourmont mijn raad had willen
volgen. Vervolgens diende ik in Spanje bij de troepen van den koning
tot aan den dood van mijn waarden vriend Zumalacarreguy; – toen ik zag,
dat het spel uit was, zoodat ik mijn degen aan den wand hing, kapitein.
Alva bood mij een regiment aan, de Muleteros der koningin; maar ik kon
het niet van mij verkrijgen – waarachtig, ik kon het niet, – en nu,
mijnheer, nu weet gij wie Ned Strong – de chevalier Strong, zooals men
mij in het buitenland noemt – wie Ned Strong is, zoogoed als hij het
zelf weet.”
Op deze wijze leerde bijna iedereen te Clavering Ned Strong kennen. Hij
vertelde het aan madame Fribsby, aan den kastelein van den George, aan
Baker in het leesmuseum, aan mevrouw Glanders en de kinderen aan tafel;
en eindelijk vertelde hij het aan mijnheer Arthur Pendennis, die op
zekeren dag, toen hij uit verveling Clavering binnendrentelde, den
chevalier Strong in gezelschap met kapitein Glanders vond, die met zijn
nieuwen bekende ten hoogste ingenomen was.
Het duurde maar heel kort, of kapitein Strong was evengoed thuis in
Helena’s huiskamer als op de eerste verdieping bij madame Fribsby, en
hij vroolijkte het eentonige huis met zijn opgeruimden zin en zijn
onvermoeid gepraat op. De beide dames hadden nog nooit zoo iemand
gezien. Hij hield haar bezig met duizenderlei verhalen van gevechten en
gevaren, van Grieksche gevangenen, Poolsche schoonen en Spaansche
nonnen. Hij kende dozijnen liederen in een half dozijn talen, zette
zich aan de piano en zong ze met eene volle krachtige stem achter
elkander af. De twee dames zeiden, dat hij alleraardigst was, en dat
was hij ook; ofschoon zij tot nog toe niet veel ondervinding van
mannelijk gezelschap hadden gehad, daar zij in den loop van haar leven
slechts weinige mannen gezien hadden buiten den ouden Portman, den
majoor en mijnheer Pen, die zonder tegenspraak een genie was, maar
genieën zijn thuis nog al saai en vervelend.
Kapitein Strong maakte zijne nieuwe vrienden te Fairoaks niet alleen
met zijn eigen levensloop, maar ook met de gansche geschiedenis der
familie, die nu op Clavering zou komen wonen, bekend. Hij was het, die
het huwelijk tusschen zijn vriend Frans en de weduwe Amory beklonken
had. Zij had behoefte aan rang en hij aan geld. Kon men een doelmatiger
huwelijk bedenken? Hij was het, die het tot stand gebracht en die twee
menschen gelukkig gemaakt had. Er bestond geen zweem van romaneske
verliefdheid tusschen die beiden; de weduwe was van geen leeftijd of
gestalte voor romaneske buien, en als Sir Francis maar zijn spelletje
biljart en zijn diner had, bekommerde hij zich om weinig anders. Maar
zij waren zoo gelukkig als iemand maar zijn kan. Clavering zou naar
zijn land en geboorteplaats terugkeeren, het fortuin zijner vrouw zou
de hypotheken helpen aflossen, en zijn zoon en erfgenaam zou een der
mannen van het graafschap worden.
„En jufvrouw Amory?” vroeg Laura, die buitengewoon nieuwsgierig ten
opzichte van die jonge dame was.
Strong begon te lachen. „O,” zeide hij, „jufvrouw Amory is eene muze –
jufvrouw Amory is een mysterie – jufvrouw Amory is eene femme
incomprise” – „Wat is dat?” vroeg de eenvoudige mevrouw Pendennis; maar
de chevalier gaf haar geen antwoord en kon dat misschien ook niet.
„Jufvrouw Amory schildert, jufvrouw Amory schrijft gedichten, jufvrouw
Amory componeert muziek, jufvrouw Amory rijdt als Diana Vernon. Met één
woord, jufvrouw Amory is een pronkjuweel.”
„Ik heb een hekel aan knappe vrouwen,” zeide Pen.
„Dank je,” zeide Laura. Wat haar betrof, was zij zeker, dat zij
jufvrouw Amory allerliefst zou vinden; zij smachtte letterlijk naar
zulk eene vriendin. En daarbij keek zij Pen recht in de oogen, alsof
elk woord, dat de kleine huichelares sprak, een Evangelie was.
Aldus werd van te voren de weg tot kennismaking tusschen de bewoners
van Fairoaks en hunne rijke buren van het park gebaand; en Pen en Laura
zagen even verlangend naar hunne overkomst uit, als de nieuwsgierigsten
onder de bewoners van Clavering. Een Londenaar, die elken dag nieuwe
gezichten ziet en er bij geeuwt, zal misschien lachen om de
belangstelling, waarmee landbewoners een bezoeker te gemoet zien. Een
bewoner der hoofdstad, die hen bezocht heeft, leeft in de herinnering
zijner landelijke vrienden nog jaren na dat hij hen verlaten en, ver
weg gespoeld op de onmetelijke Londensche zee, hen hoogst
waarschijnlijk vergeten heeft. Doch de eilanders herinneren het zich
nog lang na dat de zeeman weer heengestevend is en kunnen u nog
opnoemen wat hij zeide en wat hij droeg, hoe hij er uitzag en hoe hij
lachte. Om kort te gaan, de komst van een vreemde heeft op het land
eene belangrijkheid, welke wij niet kunnen begrijpen, wij, die niet
weten wie er naast ons woont en het ook liefst niet willen weten.
Toen de schilders en behangers en meubelmakers hunne taak op het
heerenhuis volbracht hadden en het onder oppertoezicht van kapitein
Strong zoodanig hadden verfraaid, dat hij zich wel op zijn smaak mocht
beroemen, verklaarde die heer, dat hij naar Londen ging, waar thans de
gansche familie was aangekomen, en dat hij spoedig zou terugkomen, om
haar in hare herstelde woonstede te installeeren.
Zij werden voorafgegaan door detachementen bedienden. Rijtuigen werden
van over zee aangevoerd en van Baymouth overgebracht door paarden, die
daar reeds vooraf onder geleide van koetsiers en stalknechts waren
aangekomen. Op zekeren dag kwamen er boven op de diligence Alacrity
twee groote, droefgeestige mannen mee, die met hunne koffers aan de
portiersloge werden afgezet. Het waren de heeren Frederik en James,
lakeien, die in hoofdsteden thuis behoorden, maar zich wel een verblijf
op het platteland wilden getroosten, en de gala- en gewone livreien der
familie Clavering meebrachten.
Een anderen dag zette de wagen een buitenlandsch heer, die met vele
lokken en kettingen versierd was, aan den ingang der buitenplaats af.
Hij maakte aan het portiershuisje groot rumoer tegen de vrouw van den
boschwachter (die, uit de westelijke graafschappen afkomstig, geen
woord van zijn Engelsch of van zijn Gasconsch Fransch verstond), omdat
er geen rijtuig gereed stond om hem naar het huis te rijden, dat eene
mijl verder lag, en omdat hij in zijn vermoeiden toestand en met zijne
verlakte laarzen geen uren ver kon loopen. Dit was monsieur Alcide
Mirobolant, vroeger chef van zijne hoogheid den hertog van Borodino,
van zijne eminentie kardinaal Beccafico en tegenwoordig chef de bouche
van Sir Francis, baronet. Monsieur Mirobolant’s boekerij, schilderijen
en piano waren reeds vroeger aangekomen onder geleide van een jong
Engelschman van goeden aanleg, zijn adjudant. Hij werd verder
bijgestaan door eene ervaren Londensche keukenmeid, die vrouwelijke
beambten van minder rang onder hare bevelen had.
Hij dineerde niet in de kamer van den rentmeester, maar gebruikte zijn
voedsel in eenzaamheid, in zijne eigen vertrekken, waar een
dienstmeisje tot zijne beschikking was gesteld. Het was indrukwekkend,
hem in zijne kamerjapon een menu te zien opstellen. Voordat hij daartoe
overging, zette hij zich altijd aan de piano, om eenigen tijd te
spelen. Indien hij daarin gestoord werd door de dienstbode, beklaagde
hij zich op een aandoenlijken toon, want, zeide hij, elk groot
kunstenaar had behoefte aan de eenzaamheid, om zijne werken tot
volmaaktheid te brengen.
Maar in de overmaat onzer genegenheid en vereering voor monsieur
Mirobolant loopen wij te ver vooruit en voeren wij hem vóór zijn tijd
ten tooneele.
De chevalier Strong was bij het huren van al de Londensche bedienden
betrokken geweest en scheen in werkelijkheid de heer des huizes te
zijn. Sommigen hunner zeiden, dat hij de rentmeester was, maar
vergunning had met de familie aan tafel te eten. Hoe het zij, hij wist
zich te doen eerbiedigen en twee der aangenaamste kamers van het
heerenhuis werden voor hem afgezonderd.
Hij wandelde op den gewichtigen dag op het terras, toen een open
rijtuig en een dier reiskoetsen of familie-arken, zooals alleen de
Engelsche ouderliefde kon uitvinden, onder het daverend luiden van de
kerkklokken te Clavering, van welke de vlag wapperde, met snuivende
paarden door het parkhek naar den hoofdingang van het huis rolden. De
beide vleugeldeuren der gebeeldhouwde poort vlogen open. Twee hoogere
beambten in het zwart, de groote en melancholische heeren thans in
livrei en met poeier in het haar, en de plattelandsdienstboden, die
aangenomen waren om hen te helpen, stonden in de vestibule hun meester
op te wachten en bogen als rijzige olmen wanneer de najaarswind door
het park huilt. Tusschen deze twee rijen bedienden ging Sir Francis
Clavering met een volmaakt onverschillig gezicht heen; Lady Clavering
met een paar schitterende zwarte oogen en een goedhartig gelaat,
terwijl zij zeer genadig boog en knikte; de jonge heer Francis
Clavering, die zijne mama aan haar kleed hield (en den optocht stuitte
om den grootsten lakei te bekijken, wiens voorkomen den jongen heer
scheen te treffen) en juffer Blandy, de gouvernante van den jongen heer
Francis, en jufvrouw Amory, de dochter der lady, aan den arm van
kapitein Strong. Het was zomer, doch er brandden vreugdevuren in den
schoorsteen der groote zaal en in de kamers, die de leden van het gezin
betrekken zouden.
Monsieur Mirobolant had den optocht van achter een der lindeboomen in
de laan begluurd. „Elle est là,” zeide hij, en legde zijne met ringen
versierde hand op zijn rijk geborduurd fluweelen vest met glazen
knoopen. „Je t’ai vue, je te bénis, o ma sylphide, o mon ange!” en
daarop dook hij weer in het struikgewas weg en spoedde zich naar zijne
fornuizen en ketels terug.
Den volgenden Zondag nam hetzelfde gezelschap, dat wij zijn intocht op
Clavering Park hebben zien doen, openlijk de antieke bank in de kerk in
bezit, waar zoovele voorouders van den baronet gebeden hadden en nu in
afbeeldsel knielden. Er was zulk een toeloop om de nieuw aangekomenen
te zien, dat de afgescheiden kerk, tot groote ergernis van haar dominé,
leeg bleef staan; en toen de staatsiekoets met de schimmels en den
koetsier met zijne zilverwitte pruik en de statige lakeien voor de oude
kerkdeur stilhield, was daar zulk een gedrang als men in een aantal
jaren niet gezien had. Kapitein Strong kende iedereen en groette voor
het gansche gezelschap. De landbewoners verklaarden, dat mylady in het
geheel niet mooi was, maar brillant gekleed ging, hetgeen ook de
waarheid was, want zij droeg den fijnsten shawl, de keurigste pelisse,
den prachtigsten hoed met bloemen, dien men zich voorstellen kan,
benevens eene macht van ringen, cameeën, broches, kettingen, gespen en
andere snuisterijen, waarvan ik den naam niet weet, terwijl linten van
alle breedten en met alle kleuren van den regenboog rondom haar heen
wapperden. Jufvrouw Amory was gelijk eene vestaalsche maagd zedig in
eene duivenkleur gedost, en de jonge heer Francis droeg het toenmaals
zeer in zwang zijnde costuum van Rob Roy Macgregor, een vermaard
Schotsch bandiet. De baronet legde meer levendigheid dan gewoonlijk aan
den dag; hij had eene soort van benijdenswaardige ongevoeligheid over
zich, die hem een diner, een sterfgeval of eene trouwpartij met
dezelfde kalme onverschilligheid zou hebben doen te gemoet gaan.
De bedienden van Clavering hadden plaatsen in eene afzonderlijke bank,
en de opgetogen gemeente zag de Londensche heeren „met meel op hun
hoofd” en den verbazenden koetsier met zijne zilveren pruik zich daar
nederzetten, zoodra hij zijne paarden in het Wapen van Clavering onder
dak had gebracht.
Toen de godsdienstoefening aan den gang was, begon de jonge heer
Francis zulk een keel op te zetten, dat Frederik, de langste der
lakeien, door zijn meester gewenkt werd en op diens last den jongen
heer wegdroeg, die het daarbij uitgilde en hem zoo heftig op het hoofd
sloeg, dat het poeier als wierookwolken rondvloog. Hij kwam niet eer
tot bedaren, dan toen men hem op den bok van het rijtuig geplaatst had,
waar hij met John’s zweep koetsiertje speelde.
„Gij begrijpt wel, dat de kleine schavuit nooit te voren in de kerk was
geweest, jufvrouw Bell,” zeide de baronet op slaperigen toon tegen eene
jonge dame, die een bezoek bij de familie aflegde; „geen wonder, dat
hij zooveel lawaai maakte. In de stad ga ik ook niet naar de kerk, maar
ik geloof, dat men buiten een goed voorbeeld moet geven – en zoo
voorts.”
Met een lachje antwoordde jufvrouw Bell, dat de kleine jongen geen
bijzonder goed voorbeeld had gegeven.
„Och, dat weet ik niet,” zeide de baronet. „Het is geen kwaad voorbeeld
ook. Als Frans iets hebben wil, schreeuwt hij er om, en als hij
schreeuwt krijgt hij het ook.”
Hier begon het kind om een schotel gebakjes te huilen, die op de tafel
stond, en er plotseling over het tafellaken heen zijn arm naar
uitstekende, wierp hij een glas wijn over het beste vest van een der
aanwezige gasten, mijnheer Arthur Pendennis, die erg boos was, dat hij
zulk een mal figuur maakte en zijn vlekkeloos overhemd nu met wijn
bezoedeld was.
„Wij bederven hem zoo!” zeide Lady Clavering tegen mevrouw Pendennis
met een innigen blik op het engeltje, welks handen en gezicht op dit
oogenblik vol zaten met het schuim, waarmee de gebakjes, die men
meringues à la crême noemt, gevuld waren.
„Het is heel verkeerd,” zeide mevrouw Pendennis, alsof zij zelve nooit
een kind bedorven had.
„Mama zegt, dat zij mijn broertje bederft – houdt gij dat wel voor
mogelijk, jufvrouw Bell? Zie hem eens aan, – is het geen engeltje?”
„Ziet ge wel, dat ik gelijk had?” zeide de baronet. „Hij heeft
geschreeuwd, en nu heeft hij het gekregen. Ga je gang maar, Frans, ouwe
jongen!”
„Sir Francis is een zeer verstandig vader,” fluisterde jufvrouw Amory.
„Vindt ge niet, jufvrouw Bell? Maar ik zal u niet meer jufvrouw Bell
noemen – ik zal Laura zeggen. Ik heb u in de kerk zoo bewonderd. Uw
kleed was niet gemaakt naar den laatsten smaak en uw hoed was niet heel
frisch meer; maar ge hebt zulke mooie grijze oogen en zulk eene lieve
kleur!”
„Ge zijt wel goed,” hernam jufvrouw Bell lachend.
„Uw neef is een mooie jongen en weet dit van zich zelven. Hij is
verlegen de sa personne. Hij heeft de wereld nog niet gezien. Heeft hij
genie? Eene zekere jufvrouw, een klein vrouwtje in verkreukt satijn en
met fluweelen schoenen – zekere jufvrouw Pybus – is hier geweest en
zeide, dat hij geleden heeft. Ik heb ook geleden, – en hoe is het met
u, Laura, is uw hart ooit getroffen?”
Laura antwoordde: „Neen!” maar bloosde misschien een weinigje bij die
gedachte, of op die vraag, zoodat de andere voortging:
„O Laura, ik ben er al achter! Het is de beau cousin. Vertel er mij
eens alles van, want ik heb u reeds als eene zuster lief.”
„Gij zijt heel vriendelijk,” hernam jufvrouw Bell met een glimlach, „en
– en ik kan niet ontkennen, dat het eene zeer plotselinge genegenheid
is.”
„Dat is het geval met elke genegenheid. Het is iets electrisch, iets
onwillekeurigs. Het is eene zaak van het oogenblik. Ik wist van het
eerste oogenblik af, dat ik van u houden zou. Gevoelt ge het ook niet?”
„Voor het oogenblik nog niet,” antwoordde Laura, „maar – het zal zeker
wel komen, als ik er mij op toeleg.”
„Noem mij dan voortaan bij mijn naam.”
„Maar ik ken dien nog niet,” riep Laura uit.
„Mijn naam is Blanche, – een lieve naam, niet waar? Noem mij voortaan
zoo.”
„Blanche – waarlijk een heel lieve naam.”
„En, terwijl mama met die vriendelijke dame spreekt – in welke
betrekking staat die tot u? Zij moet eenmaal zeer mooi geweest zijn,
maar zij is nu eenigszins passée; zij is niet behoorlijk gantée, maar
zij heeft eene fraaie hand. Terwijl mama haar bezig houdt, kunt gij wel
eens meegaan naar mijne kamer –– mijne eigen, eigen kamer! Het is een
juweeltje van eene kamer, ofschoon die akelige kapitein Strong ze
ingericht heeft. Zit gij éprise van hem? Hij zegt dat van u, maar ik
weet wel beter; het is de beau cousin. Ja, il a de beaux yeux. Je
n’aime pas les blonds ordinairement. Car je suis blonde, moi – je suis
Blanche et blonde,” en bij deze woorden keek zij in den spiegel en
maakte eene moue, terwijl zij geen oogenblik naar Laura’s antwoord op
hare vragen wachtte.
Blanche was blond en geleek eene sylphide. Zij had blond haar, met hier
en daar een groenen weerschijn. Maar daarbij had zij donkere
wenkbrauwen en lange zwarte wimpers, die heerlijke bruine oogen
overschaduwden. Zij had zulk een dun middeltje, dat het verwonderlijk
was, en zulke kleine voetjes, dat men denken moest, dat het gras er
ternauwernood onder zou buigen. Hare lippen waren als lichtgekleurde
rozenknoppen, en haar stemmetje gleed als glas over de liefste
pareltjes van tandjes, die men zien kan. Zij liet ze ook dikwijls zien,
want zij waren zeer mooi. Zij was zeer goedhartig, en een lachje deed
niet alleen die tanden heerlijk uitkomen, maar liet ook twee lieve
kuiltjes zien, die zich op hare beide wangen genesteld hadden.
Zij liet hare teekeningen aan Laura zien, die ze heerlijk vond. Zij
speelde haar vlug en schitterend eenige van hare walsen voor en Laura
was nog meer verrukt. En eindelijk las zij haar eenige gedichten in het
Fransch en Engelsch voor, die ook van hare compositie waren en bewaard
werden in een eigen boek – haar eigen, lief, klein boekje, dat in blauw
fluweel gebonden was, met een verguld slot, en op het plat in gouden
letters den titel droeg: Mes Larmes.
„Is dat geen lieve naam, Mes Larmes?” vroeg de jonge dame, die met al
wat zij deed ingenomen was, en ook alles zeer goed deed. Laura erkende,
dat het een lieve naam was. Zij had nog nooit in haar leven zoo’n
meisje gezien, zoo iets liefs, zoo talentvol, zoo teer en zoo
bekoorlijk; een meisje, dat als een vogeltje kwinkeleerde, door zulk
een prettig kamertje rondtrippelde, en van zulk een aantal mooie
boeken, schilderijen en bloemen omringd was. In hare opgetogenheid
vergat het oprechte en welwillende landmeisje zelfs jaloersch te zijn.
„Waarlijk, Blanche,” sprak zij, „alles in uw kamertje is lief, en gij
zijt het liefste van alles.” Blanche lachte eens, keek in den spiegel,
keerde naar Laura terug, wier beide handen zij greep en kuste, zette
zich aan de piano en galmde een liedje uit, alsof zij een nachtegaal
ware.
Dit was het eerste bezoek van Fairoaks op Clavering Park, ter
beantwoording van het bezoek van Clavering Park aan Fairoaks, naar
aanleiding dat Fairoaks eenige dagen na de aankomst van Sir Francis’
gezin kaartjes op Clavering Park afgegeven had. De vriendschap tusschen
de beide jonge dames groeide zoo snel op als de boonenstaak in het
sprookje, die in één nacht tot aan de wolken opschoot. De lange lakeien
waren aanhoudend met rosé briefjes op weg naar Fairoaks, waar men een
knap meisje in de keuken vond, hetgeen die heeren wellicht naar eene
zoo nederige plaats lokte. Jufvrouw Amory zond muziek of een nieuwen
roman of eene plaat uit het Journal des Modes aan Laura; of er kwamen
vruchten met het compliment van mylady; of jufvrouw Amory verzocht en
bezwoer jufvrouw Bell te komen dineeren, met de lieve mevrouw
Pendennis, indien zij zich sterk genoeg gevoelde, en mijnheer Arthur,
indien een bedaard gezelschapje niet te vervelend voor hem was; zij zou
den hittenwagen zenden om mevrouw Pendennis af te halen en zij nam
geene weigering aan.
Arthur was evenmin als Laura voornemens het te weigeren. Helena, die
zich werkelijk niet al te wel gevoelde, was blij, dat die twee ten
minste genoegen zouden hebben, zag hen met een liefdevollen blik na
toen zij vertrekken, en bad inwendig, dat zij niet mocht opgeroepen
worden voordat die twee menschen, die zij liever had dan iemand anders
ter wereld, vereenigd zouden zijn. Terwijl zij bij hun vertrek de brug
overgingen, herinnerde zij zich andere zomeravonden, vijf en twintig
jaar geleden, toen ook zij haar korten lentetijd van liefde en geluk
genoot. Dat alles was nu voorbij. De maan zag uit de purperen lucht
neder en de sterren stonden daar te flikkeren evenals op die vroegere
avonden, die haar nog zoo levendig voor den geest stonden. Hij lag daar
in het verre land in het graf en de rollende golven scheidden hen van
elkander. Goede hemel! wat herinnerde zij zich de uitdrukking van zijn
gelaat bij hun afscheid nog duidelijk! Het zag haar nu nog even treurig
en helder aan als op dat oogenblik, uit het verre verschiet van die
vele jaren.
Mijnheer Pen en jufvrouw Laura vonden het gezelschap op Clavering Park
een buitengemeen aangenaam toevluchtsoord op zomeravonden. Blanche
verklaarde, dat zij van Laura raffoleerde, en hoogst waarschijnlijk was
mijnheer Pen met Blanche wel ingenomen. Zijne levendigheid keerde terug
en hij lachte en snaterde, dat Laura het met verbazing aanhoorde. De
vlugge en geestige, de lachende en net gekleede Pen in Lady Clavering’s
gezelschapskamer was niet meer dezelfde Pen, die in zijn jachtbuis in
de huiskamer op Fairoaks zat te geeuwen. Soms werd er muziek gemaakt.
Laura had eene liefelijke alt-stem en zong dan met Blanche, die het
beste onderwijs in het buitenland genoten had en verrukt was hare
vriendin tot leermeesteres te kunnen strekken. Nu en dan nam mijnheer
Pen deel aan die concerten, maar veel meer gebeurde het, dat hij
jufvrouw Blanche opgetogen zat aan te kijken terwijl zij zong. Enkele
malen werden er veelstemmige liederen gezongen, waarbij kapitein Strong
groote diensten bewees en een daverenden bas uitgalmde, waarop de
kapitein niet weinig trotsch was.
„Aardige kerel, die Strong, – vindt ge niet, jufvrouw Bell?” voegde Sir
Francis haar wel eens toe. „Speelt écarté met Lady Clavering – kan
alles spelen, kruis of munt, piano, kaart, wat ge verkiest. Hoelang
denkt ge wel, dat hij al bij mij is? Kwam met een reiszak eene week
logeeren, en waarachtig, nu is hij al drie jaar gebleven. Aardige
kerel, niet waar? Weet echter niet hoe hij aan een duit geld komt, –
weet het waarachtig niet, jufvrouw Laura!”
En echter betaalde de chevalier altijd als hij aan Lady Clavering
verloor; en zoo hij drie jaar bij zijn vriend had gewoond, had hij dat
ook betaald – met opgeruimdheid, met voorkomendheid, met gezelligheid,
met duizend kleine diensten, waardoor hij zich aangenaam maakte. Wie
zou een beter vriend begeeren dan iemand, die altijd vroolijk, nooit te
ver of te dichtbij, en tot elk dienstbetoon voor zijn patroon bereid
was, hetzij om een liedje te zingen of eene conferentie met een
advocaat te houden, een duel te vechten, of een kapuin voor te snijden?
Ofschoon Laura en Pen doorgaans te zamen naar Clavering Park gingen,
deed mijnheer Pen soms zonder haar gezelschap eene wandeling daarheen,
hetgeen hij haar niet vertelde. Hij kreeg liefhebberij in het hengelen
in de Brawl, die door het Park loopt en niet ver van den tuinmuur
voorbijstroomt, en door een toevalligen samenloop van omstandigheden
wandelde jufvrouw Amory dan ook (daar zij naar hare bloemen was gaan
zien) en was zeer verwonderd mijnheer Pendennis daar aan het visschen
te vinden.
Ik ben benieuwd hoeveel forellen Pen ving, terwijl de jonge dame er
naast stond te kijken? dan wel of jufvrouw Blanche het lieve vischje
was, dat rondom zijne vlieg dartelde en dat mijnheer Pen trachtte te
verschalken? Hij werd in ieder geval een groot liefhebber van die
gezonde en versterkende hengeloefeningen en liet zijne vlieg aanhoudend
op de wateren van de Brawl dansen.
Jufvrouw Blanche van haar kant bezat een gevoelig hart, en daar zij,
gelijk zij zelve verklaarde, gedurende haar kort leven en ondervinding
vrij wat „geleden” had, kon zij natuurlijk sympathie koesteren voor
andere teergevoelige wezens, zooals Pen, die ook geleden hadden. Hare
genegenheid voor Laura en die lieve mevrouw Pendennis verdubbelde; als
deze niet op het Park waren, kon zij niet rusten voordat zij zelve te
Fairoaks was. Zij speelde met Laura en las Fransch en Duitsch met haar,
terwijl mijnheer Pen van zijn kant Fransch en Duitsch met beiden las,
hij zette sentimenteele balladen van Schiller en Goethe voor de dames
in Engelsche dichtmaat over, en Blanche ontsloot Mes Larmes voor hem en
deelde hem eenige der klagende ontboezemingen van hare eigene teedere
muze mede.
Het bleek uit die gedichten, dat dit jeugdig schepseltje inderdaad
verbazend moest geleden hebben. Zij was met het denkbeeld van zelfmoord
vertrouwd. Aanhoudend smachtte zij naar den dood. Eene verwelkte roos
vervulde haar met zulke hevige smart, dat men gedacht zou hebben, dat
zij er aan had moeten sterven. Het was wonder hoe zulk een jong meisje
(dat een aangenaam „te huis” had, of op eene flinke kostschool geweest
was en, voor zoover men zien kon, over geen verdrietelijkheden of harde
behandeling te klagen had) zooveel geleden kon hebben, in zulk een
oceaan van wanhoop en hartstochtelijkheid zich had kunnen storten
(gelijk een ondeugende jongen, die volstrekt naar zee wil) en, na
daarop rondgezwalkt te hebben, er het levend had kunnen afbrengen. Wat
moet zij een aanleg voor schreien gehad hebben, om zoovele van Mes
Larmes te kunnen storten!
Het is waar, jufvrouw Blanche’s tranen waren niet bijzonder zilt; maar
Pen, die hare verzen las, beschouwde ze als zeer voldoende voor eene
dame, en schreef zelf eenige verzen voor haar. Zij waren zeer woest en
hartstochtelijk, zeer gloeiend, zoet en krachtig; en hij schreef niet
alleen verzen, maar – o die schelm! o die bedrieger! hij werkte verzen
uit vroeger tijd, die voor zekere jufvrouw Emily Fotheringay geschreven
waren, ten behoeve van jufvrouw Blanche Amory om en maakte ze op haar
vóórnaam toepasselijk.