Ieder, die slechts de minste kennis van de wapen- en geslachtkunde
bezit, weet ongetwijfeld, dat de adellijke familie, waartoe Helena
Pendennis, zooals wij gezien hebben, behoorde, als helmteeken een nest
vol kleine pelikaantjes voert, de bebloede borst van een groote
wijfjespelikaan pikkende, die de kleine schelmpjes overvloedig voorziet
van het voedsel, waarmee de heraldieke legende zegt, dat zij groot
gebracht worden. Het is zeer waarschijnlijk, dat de wijfjes-pelikanen
gaarne zoo bloeden onder de egoïstische bekjes harer jongen, en zeker
is het, dat dit het geval met de vrouwen is. De pijn der zelfopoffering
moet met een soort van genoegen gepaard gaan, waarvan wij mannen geen
begrippen hebben, en ik geloof werkelijk, dat sommige vrouwen bij
voorkeur aldus lijden. Zij houden er van, zich op te offeren ten
behoeve van het voorwerp, dat haar instinct haar leert lief te hebben.
Of het voor een verkwistend echtgenoot, een losbandig zoon, een lieve
schavuit van een broer zij, – hoe bereidvaardig is haar hart om zijne
dierbaarste schatten uit te storten ten voordeele van den geliefde; en
wat zijn wij van onzen kant bereidvaardig, om die lieve schepseltjes
eene ruime mate van die weelde te verschaffen! Er is bijna geen man,
die dit leest, die niet op deze wijze genoegen heeft verschaft aan
zijne vrouwelijke betrekkingen; die haar niet onthaald heeft op het
genot van hem vergiffenis te mogen schenken. Het kan haar niet schelen
hoe zij zelve leven; maar als de verloren zoon terugkomt, richten zij
een feestmaal aan en slachten het gemeste kalf voor hem; en bij den
allereersten schijn, dat de zondaar weerkeert, maken die lieve engelen
haar onthaal gereed, en gaan de Barmhartigheid en de
Vergevensgezindheid hem met een glimlach te gemoet. Ik hoop, dat dit
ons allen steeds weervaren moge! moesten wij ons alleen op de
Gerechtigheid verlaten, dan sta de hemel ons bij!
Gedurende den laatsten tijd van Pen’s verblijf aan de academie was de
genegenheid van zijn oom ten zijnen opzichte aanmerkelijk toegenomen.
De majoor was trotsch op Arthur, die een fieren geest, beste manieren,
een goed voorkomen en de houding van een volmaakt gentleman bezat. Het
deed den Londenschen ouden vrijer goed, Pen te zien omgaan met de jonge
patriciërs der hoogeschool. Majoor Pendennis, die nooit vrienden
noodigde en wiens schrielheid tot een spreekwoord was geworden onder
sommige snaken in de club, die hem de vele uitnoodigingen, welke hij
ontving, benijdden en zijne armoede niet in aanmerking verkozen te
nemen, gaf met genoegen aan zijn neef en de jonge lords allerprettigste
dinertjes op zijne eigene kamers en onthaalde hen op goeden wijn en
zijne beste bon mots en vertellingen, waarvan verscheidene te veel
verliezen zouden als wij ze hier herhaalden; want de majoor bezat een
ongeëvenaard talent om duidelijk en onderhoudend te vertellen, terwijl
echter de herhaling van sommige zijner geschiedenissen niemand tot heil
zou strekken. De majoor vleide de ouders door middel van de kinderen,
en zich zelven als het ware door hun gezelschap. Hij deed meer dan eens
een uitstapje naar Oxbridge, waar de jongelui er vermaak in vonden den
ouden heer te onthalen en zij partijtjes, dejeuners en fêtes gaven,
gedeeltelijk om eene grap met hem te hebben en gedeeltelijk om hem eer
te bewijzen. Hij vergastte hen op zijne verhalen, werd weer jeugdig en
uitgelaten in het gezelschap der jeugdige lords, ging Pen bij eene
groote vergadering der debatteerclub hooren, schreeuwde en
applaudisseerde, stampte met zijn rotting in koor met de studenten en
stond verstomd over de welsprekendheid en het vuur van den knaap. Hij
hield zijn neef voor een jongen Pitt. Hij droeg Pen eene bijna
vaderlijke genegenheid toe, schreef hem brieven met schertsende
raadgevingen en nieuwtjes uit Londen, snoefde op Arthur in zijne clubs
en haalde hem gaarne in zijne gesprekken aan. Voor den drommel, zeide
hij, die jongelui groeien de ouwen boven het hoofd; de aankomende
jongens, de jonge Lord Plinlimmon, een vriend van mijn neef, de jonge
Lord Magnus Charters, een kameraad van dien guit, enz., zouden meer
figuur in de wereld maken dan hunne vaders ooit gedaan hadden. Hij
vroeg verlof om Arthur op eene groote partij op Gaunt House mee te
brengen, waar hij hem met onbeschrijfelijke zelfvoldoening met de
zusters der bovengenoemde jonge edellieden zag dansen, en hij gaf zich
zooveel moeite voor den knaap uitnoodigingen in sommige voorname huizen
te bekomen, alsof hij eene mama ware geweest, die eene dochter uit te
huwelijken had, en niet een oud gepensioneerd officier met eene pruik.
Overal zwetste hij op de groote talenten en de verbazende
redenaarsgaven van zijn neef, en op het schitterend examen, dat hij zou
afleggen. Lord Runnymede zou hem op zijne ambassade meenemen, of de
hertog van Wellington zou hem voor een zijner plaatsjes tot
parlementslid doen verkiezen; dit schreef hij onophoudelijk aan Helena,
die van haar kant maar al te gewillig was om alles te gelooven wat men
ten gunste van haar zoon geliefde te zeggen.
En al die fierheid, al die genegenheid van oom en moeder had Pen door
zijne verwenschte kwistzucht en luiheid door het slijk gesleept. Ik had
niet in Pen’s plaats willen zijn, toen hij nadacht over hetgeen hij
gedaan had. Terwijl hij had liggen slapen, had de schildpad den prijs
in den wedloop behaald. Eene loopbaan, die schitterend had kunnen zijn,
had hij reeds in den eersten aanvang bedorven. Onedelmoedig had hij de
hand in de beurs eener milde moeder gestoken en haar bescheiden
spaarpenning op laaghartige en roekelooze wijze verspild. O, het was
eene lafhartige hand, die een zoo teeder schepseltje kon mishandelen en
uitplunderen! En mogen wij, indien Pen gevoel had van het onrecht, dat
hij jegens anderen had bedreven, niet vooronderstellen, dat een jong
heer, met zooveel ijdelheid als hij, nog scherper de schande gevoelde,
waarmede hij zich zelven beladen had? Wij kunnen ons verzekerd houden,
dat geene wroeging folterender, geen gekerm hartbrekender is dan
wanneer gekwetste eigenliefde er de oorzaak van is. Evenals Joe
Miller’s vriend, die bij het examen den hoogsten graad behaald had, uit
zijne loge in den schouwburg tegen het publiek boog, omdat hij
toevallig te gelijker tijd met den koning binnenkwam, zoo hield ook
Arthur Pendennis, met eene geenszins even streelende verwaandheid, zich
overtuigd, dat gansch Engeland zou opmerken, dat zijn naam niet op de
lijst der gepromoveerden voorkwam, en den mond vol zou hebben van zijn
tegenspoed. Hoe kon hij zijn verontwaardigden onderwijzer, zijne
talrijke schuldeischers, zijn oppasser en de beddenopmaakster, de
studenten uit zijne eigene en uit jongere studiejaren, waarover hij den
baas had gespeeld, of die hij bespot had, voortaan weer onder de oogen
komen? Hij snelde naar zijne kamer, sloot zich daar op en wierp een
brief aan zijn onderwijzer op het papier, vol van betuigingen van dank
en achting, berouw en wanhoop, waarbij hij verzocht, dat zijn naam van
de registers zou geschrapt worden, en den wensch en de verwachting te
kennen gaf, dat de dood spoedig een einde zou maken aan het lijden van
den geschandvlekten Arthur Pendennis.
Toen sloop hij weg, ternauwernood wetende waar hij heenging; maar
werktuiglijk sloeg hij de stille straatjes achter de collegiegebouwen
in, kwam zoo buiten het gebied der academie, volgde de oevers der
Camisis, die nu stil was, maar anders zoo levendig kon zijn door
menigen roeiwedstrijd en scharen van juichende studenten, en wandelde
altijd maar voort, tot hij zich eenige mijlen van Oxbridge bevond, of
liever daar gevonden werd door een paar kennissen, die de stad
verlieten.
Terwijl Pen een heuvel beklom, waarbij een Januari-motregen hem in het
gelaat sloeg en zijn gehavende tabbaard achter hem wapperde – want hij
had zijne academische kleedij sedert dien morgen niet afgelegd – kwam
een reiswagen langs den weg aanrollen, met een bediende op den bok,
terwijl een jong heer binnen in, of liever half uit het portier, eene
sigaar lag te rooken en met luider stemme den postiljon tot spoed
aanspoorde. Het was niemand anders dan mijnheer Spavin, onze jeugdige
kennis uit Baymouth, die zijn graad gehaald had en nu met postpaarden
in triomf naar huis reed. Spavin kreeg de gestalte in het oog, die met
de gebaren van een waanzinnige tegen den heuvel opklauterde, en
herkende, terwijl het rijtuig voorbijstoof, het bleeke en verwrongen
gezicht van Pen.
„Halt!” brulde mijnheer Spavin den postiljon toe, die de paarden in
hunne dolle vaart stuitte en het rijtuig ongeveer vijftig ellen voor
Pen deed stilhouden. Deze hoorde nu zijn eigen naam roepen en zag het
bovenlijf van mijnheer Spavin, die hem met driftige gebaren tot zich
wenkte, uit het venster van het rijtuig te voorschijn komen.
Pen stond stil, bedacht zich, schudde daarop met drift het hoofd en
wees vooruit, alsof hij verlangde, dat de postiljon zou voortrijden.
Hij sprak geen woord, maar hij moet er heel wanhopig hebben uitgezien,
want na hem een oogenblik met sprakelooze ontzetting te hebben
aangestaard, sprong Spavin uit het rijtuig, liep met uitgestrekte hand
naar Pen, greep die van onzen vriend en riep uit: „Zeg eens, ouwe
jongen, waar gaat ge naar toe, en wat is er aan het handje?”
„Ik ga waar ik naar toe behoor te gaan,” antwoordde Pen met een vloek.
„Maar dat is de weg niet,” hernam Spavin met een glimlach. „Die loopt
naar Fenbury. Kom aan, Pen, laat uwe hersens niet op hol gaan, omdat ge
gedropen zijt. Wanneer men er maar wat aan gewoon is, trekt men het
zich niet meer aan. Ik ben driemaal gedropen, ouwe jongen, – en na den
eersten keer kon het me niet meer schelen. Het doet me echter pleizier,
dat het nu uit is. De volgende maal zal het u meevallen.”
Pen zag zijn vroegeren bekende aan, die gedropen was, die gesjeesd was,
die pas na herhaalde mislukte pogingen behoorlijk had leeren lezen en
schrijven en die, ondanks al deze ongunstige omstandigheden, tot de eer
van een academischen graad was gekomen. „Deze man,” dacht hij, „is er
dóórgekomen, en ik ben gedropen!” Het was bijna te veel, om te
doorstaan.
„Vaarwel, Spavin,” hernam hij; „het doet mij genoegen, dat gij er door
zijt. Laat ik u niet ophouden; ik heb haast – ik ga van avond nog naar
Londen.”
„Gekheid,” zeide mijnheer Spavin. „Dat is de weg naar Londen niet, ik
zeg u nog eens, dat hij naar Fenbury loopt.”
„Ik wou juist omkeeren,” hervatte Pen.
„Al de diligences zijn vol met studenten, die naar Londen gaan,” zeide
Spavin. Pen scheen te schrikken. „Voor een bankje van tien pond zoudt
ge geen plaats krijgen. Kom maar mede in mijn rijtuig; ik zal u te
Mudford afzetten, waar ge misschien nog eene plaats in de diligence
naar Fenbury zult vinden. Ik zal u een hoed en eene jas leenen; ik heb
er eene menigte bij mij. Kom aan; er in gesprongen, ouwe jongen!
Vooruit, postiljon!” en zoo zat Pen een oogenblik later in Spavin’s
wagen en reed met dien heer naar de Ram te Mudford, vijftien mijlen van
Oxbridge, waar de diligence van Fenbury van paarden verwisselde en Pen
eene plaats naar Londen machtig werd.
Den volgenden dag heerschte er eene vreeselijke opschudding in het
Bonifacius-Collegie te Oxbridge, want tot schrik van Pen’s onderwijzer
en leveranciers was het gerucht in omloop gekomen, dat hij, uit
wanhoop, omdat hij zijn graad niet verkregen had, zich van kant had
gemaakt; men had althans drie mijlen ver op den weg van Fenbury, in de
nabijheid van een molenvliet, eene afgedragen baret met zijn nog
nauwelijks leesbaren naam er in en een wapen met zijn helmteeken, een
adelaar, die in eene nu uitgedoofde zon staarde, gevonden, en vier en
twintig uren lang geloofde men, dat Pen in den vliet gesprongen was, –
tot er brieven van hem met het Londensche postmerk aankwamen.
De diligence kwam op het stille uur van vijven des morgens te Londen
aan. Pen haastte zich naar zijn gewoon logement in Convent Garden, waar
de altijd wakkere portier hem binnenliet en eene slaapkamer aanwees.
Pen zag den man scherp aan, en was heimelijk nieuwsgierig of de
laarzenpoetser óók zou weten, dat hij gedropen was. In bed kon hij den
slaap niet vatten. Hij lag daar tot het aanbreken van het troebele
Londensche daglicht te woelen, sprong toen wanhopig op en ging naar de
woning van zijn oom in Bury Street, waar de meid, die de trappen
schrobde, hem achterdochtig aankeek, daar hij ongeschoren was en zijn
linnen van den vorigen dag nog droeg. Hij verbeeldde zich, dat zij ook
al van zijn tegenspoed wist.
„Goeden hemel! Meneer Arthur, is er een ongeluk gebeurd?” vroeg Morgan
de kamerdienaar, die juist de zorgvuldig geborstelde kleederen en
glimmende laarzen aan de deur van zijn meesters slaapkamer gebracht had
en nu met de pruik van den majoor naar binnen ging.
„Ik moet oom spreken,” riep Pen met eene holle stem en liet zich op een
stoel nedervallen.
Morgan deinsde met een verschrikten en verwonderden blik voor het
bleeke en wanhopige gezicht van den jongeling terug en verdween in de
kamer van zijn meester.
„Zoo? Het examen afgeloopen? Eerste op de lijst, bovenaan in alle
vakken, hè?” vroeg de oude heer. „Ik kom dadelijk,” en daarop verdween
het hoofd.
„Zij weten nog niet wat er gebeurd is,” kermde Pen; „wat zullen zij wel
zeggen als zij alles weten?”
Pen had met den rug naar het venster in dat twijfelachtige licht
gestaan, waarmee Bury Street zich op een mistigen Januarimorgen bedeeld
ziet, zoodat zijn oom de uitdrukking van zijn gelaat en den somberen en
wanhopigen blik, die zelfs Morgan in het oog was gevallen, niet had
kunnen zien. Toen de majoor netjes en deftig uit zijne kleedkamer te
voorschijn kwam, voorafgegaan door zoete geuren uit den winkel van
Delcroix, waar hij de reukwerken voor zijne pruik en zijn zakdoek
kocht, reikte hij Pen de hand en wilde hem juist met zijne opgeruimde
stem toespreken, toen hij eindelijk het gelaat van den jongeling
opmerkte en, diens hand latende vallen, uitriep: „Goede god, Pen! wat
is er gaande?”
„Gij zult het aan het ontbijt in de courant zien, oom,” antwoordde Pen.
„Wat zien?”
„Dat mijn naam er niet in staat, oom.”
„Wel, voor den drommel, waarom zou die er in staan?” vroeg de majoor,
nog niets van de zaak begrijpende.
„Ik heb alles verloren, oom,” bracht Pen klagend uit; „mijne eer is
verspeeld; ik ben reddeloos verloren; ik kan niet meer naar Oxbridge
terugkeeren.”
„Uwe eer verspeeld!” schreeuwde de majoor. „In ’s duivels naam! gij
wilt toch niet zeggen, dat gij u als een lafaard gedragen hebt?”
Pen lachte bitter. „Neen, oom, dàt niet,” sprak hij. „Ik ben niet bang
om doodgeschoten te worden; ik wenschte, dat iemand het maar wou doen.
Ik heb mijn graad niet gehaald. Ik heb er op het examen langs
gekregen.”
De majoor had wel eens gehoord van „er langs te krijgen,” doch maar
zeer terloops en oppervlak, zoodat hij zich ingebeeld had, dat dit eene
ceremonie was, die lichamelijk aan weerspannige studenten voltrokken
werd. „Ik begrijp niet hoe gij mij na zulk eene schande nog onder de
oogen durft komen, mijnheer,” zeide hij, „en het verwondert mij, hoe
gij als gentleman er u aan onderworpen hebt.”
„Ik heb er niets aan kunnen doen, oom. Mijn werk over de klassieken was
vrij goed, maar die verwenschte wiskunde, die ik altoos verwaarloosd
heb, heeft het mij gedaan.”
„En gebeurde dat – gebeurde dat in het publiek, mijnheer?” vroeg de
majoor.
„Wat?”
„Toen gij er langs hebt gekregen?” hernam de voogd en zag zijn pupil
met gespannen verwachting aan.
Pen ontdekte thans in welke dwaling zijn voogd verkeerde. De bok, dien
de majoor geschoten had, perste den armen jongen, in weerwil van zijne
ellende, een flauwen glimlach af, en deed het gesprek van den
tragischen toon afdalen, waarop Pen voornemens was geweest het voort te
zetten. Hij legde zijn oom nu uit, dat hij zich voor zijn examen
aangemeld had, maar er niet doorgekomen was; waarop de majoor
antwoordde, dat het, ofschoon hij iets beters van zijn neef verwacht
had, echter geen groot ongeluk was, en er ook, zoover hij zien kon,
geen schande in stak, zoodat Pen het maar opnieuw moest beproeven.
„Ik weer naar Oxbridge gaan, na zulk eene vernedering!” dacht Pen, want
hij gevoelde, dat hij geen voet meer in die stad kon zetten, zoo hij
haar ten minste niet kwam platbranden.
Eerst toen hij zijn oom inlichtte omtrent zijne schulden, ontstak deze
voorgoed in verbazing en toorn en barstte hij in de hevigste verwijten
tegen Pen los, waaraan de jonkman, zoo goed mogelijk, zich onderwierp.
Hij had besloten open kaart te spelen en daarom had hij eene volledige,
waarachtige lijst van al zijne rekeningen en schulden te Oxbridge en te
Londen opgemaakt. Zij bestonden uit verschillende posten, zooals:
Kleermaker te Londen.
Dito te Oxbridge.
Modewinkel, voor hemden en handschoenen.
Juwelier.
Kok van het Collegie.
Aan Crump, voor desserten.
Laarzenmaker.
Wijnkooper te Londen.
Dito te Oxbridge.
Rekening voor paarden.
Prentenverkooper.
Boeken.
Boekbinder.
Kapper en parfumerieën.
Logementrekening te Londen.
Diversen.
Al deze posten kan de lezer naar goedvinden invullen. De ouders van
vele studenten hebben dergelijke rekeningen onder de oogen gehad. Die
van mijnheer Pen beliepen bij elkander de som van ongeveer zevenhonderd
pond, en men kon berekenen, dat hij nog het dubbele in gereed geld
gedurende zijn verblijf te Oxbridge uitgegeven had. Die som had hij
doorgebracht, en welke waarde kon hij er voor toonen?
„Gij behoeft iemand, die al in het slijk ligt, niet nog meer er door te
halen, oom,” voegde Pen den majoor op somberen toon toe. „Ik weet zeer
goed hoe slecht en lui ik geweest ben. Mijne moeder zou mij niet gaarne
geschandvlekt zien, mijnheer,” ging hij voort, terwijl zijne stem hem
begaf, „en ik weet, dat zij deze rekeningen betalen zal. Maar ik zal
haar niet verder om geld vragen.”
„Zooals gij goedvindt, mijnheer,” antwoordde de majoor. „Gij zijt
meerderjarig en ik wasch mijne handen van uwe zaken. Maar gij kunt
zonder geld niet leven, en hebt, zoover ik weet, geen middel om geld te
verdienen, ofschoon gij uitmuntend de kunst verstaat om het te
verteren, en ik houd het er voor, dat gij zult voortgaan zooals gij
begonnen zijt, en dat gij uwe moeder zult ruïneeren eer wij vijf jaar
verder zijn. – Goedenmorgen! Het is mijn tijd om te gaan ontbijten. Ik
zal u wegens mijne bezigheden niet veel kunnen zien gedurende uw
verblijf te Londen. Gij zult zeker uwe moeder bekend maken met het
nieuws, dat gij mij zoo even hebt meegedeeld?”
En zijn hoed op het hoofd drukkende en eenigszins bevende, stapte
majoor Pendennis vóór zijn neef de kamer uit, om verdrietig zijn gewone
hoekje in de club te gaan innemen. Hij zag de lijsten der examens te
Oxbridge in de morgenbladen en las de namen, ofschoon hij van de zaak
niet veel begrip had, met sombere aandacht na. In den loop van den dag
raadpleegde hij verscheidene oude heeren van zijne kennis in de clubs:
Wenham, een deken, en verscheidene ambtenaren. Hij vroeg hun gevoelen,
toonde hun het bedrag der schulden van zijn neef, die hij op den
achterkant van een kaartje had genoteerd, en vroeg hun wat daaraan te
doen was, en of zij zulk een schuldbedrag niet monsterachtig en
ongehoord vonden? Wat was er aan te doen? Niets anders dan te betalen.
Wenham en de anderen deelden den majoor gevallen mee van jongelui, die
tweemaal zooveel, vijfmaal zooveel schulden hadden als Arthur, zonder
middelen hoegenaamd om te betalen. Die beraadslagingen, berekeningen en
oordeelvellingen stelden den majoor wat gerust. Hij was het althans
niet, die betalen moest.
Doch hij dacht met bitterheid aan de vele plannen, die hij gesmeed had
om een groot man van zijn neef te maken, aan de opofferingen, die hij
zich getroost had, en aan de wijze, waarop hij te leur gesteld was
geworden. En daarop schreef hij een brief aan doctor Portman, waarbij
hij hem de noodlottige gebeurtenissen meedeelde, die voorgevallen
waren, en den doctor verzocht er Helena op voor te bereiden. Want de
stijve oude heer hield zich in alle dingen aan de gewoonte, en
oordeelde, dat het beter was iemand op een slecht nieuws te doen
„voorbereiden” door middel van een bode (die licht onhandig of
gevoelloos kan zijn), dan het eenvoudig met een briefje naar zijne
bestemming te zenden. De majoor dan schreef aan doctor Portman, en ging
toen uit dineeren als een der neerslachtigste mannen, welke dien middag
te Londen aan een disch hebben aangezeten.
Pen schreef ook zijn brief en slenterde het overige van den dag door de
straten van Londen rond, waar hij zich verbeeldde, dat iedereen hem
aankeek en tegen zijn buurman fluisterde: „Dat is Pendennis van
Bonifacius, die gisteren gedropen is.” Teederheid en zielswroeging
spraken uit zijn brief aan zijne moeder; hij stortte er de bitterste
tranen over, en het berouw en de ontboezemingen brachten hem, in zekere
mate, tot rust.
Hij zag een gezelschap luidruchtige jonge studenten van Oxbridge in de
koffiekamer van zijn logement, maar hij sloop weg en stapte de straat
weer op. Hij zegt, dat hij zich de prenten herinnert, die hij onder den
regen in den winkel van Ackermann zag hangen, en een boek, dat hij aan
een stalletje nabij den Tempel las: des avonds ging hij in het parterre
van den schouwburg om jufvrouw Fotheringay te zien, maar hij kan zich
volstrekt niet meer voor den geest brengen in welk stuk het was.
Den tweeden dag kwam er een vriendelijke brief van zijn repetitor, die
vele ernstige en toepasselijke opmerkingen bevatte over den tegenspoed,
die hem weervaren was, maar hem krachtig aanspoorde om zijn naam niet
van de registers der hoogeschool te laten schrappen, en integendeel
alles in te spannen om een ongeluk uit te wisschen, hetwelk ieder wist,
dat alleen aan zijne achteloosheid toe te schrijven was, en dat hij,
door eene maand ijverig te werken, kon herstellen. Hij voegde er bij,
dat hij Pen’s oppasser gelast had eenige koffers met de kleederen van
den jongen heer te pakken, die ook behoorlijk aankwamen, met nieuwe
afschriften van al de rekeningen van Pen er boven in.
Den derden dag kwam er een brief van huis, dien Pen op zijne slaapkamer
las, met dat gevolg, dat hij op de knieën neerzonk, met het hoofd in
zijne beddelakens, en daar uit den grond zijns harten bad en zich
verootmoedigde. Vervolgens ging hij naar beneden, ontbeet stevig,
stapte de straat op en nam in de Bull and Mouth in Piccadilly eene
plaats in de diligence, welke dien avond naar Chatteries vertrok.