DE VLUCHT NA DE NEDERLAAG.

Ieder, die slechts de minste kennis van de wapen- en geslachtkunde

bezit, weet ongetwijfeld, dat de adellijke familie, waartoe Helena

Pendennis, zooals wij gezien hebben, behoorde, als helmteeken een nest

vol kleine pelikaantjes voert, de bebloede borst van een groote

wijfjespelikaan pikkende, die de kleine schelmpjes overvloedig voorziet

van het voedsel, waarmee de heraldieke legende zegt, dat zij groot

gebracht worden. Het is zeer waarschijnlijk, dat de wijfjes-pelikanen

gaarne zoo bloeden onder de egoïstische bekjes harer jongen, en zeker

is het, dat dit het geval met de vrouwen is. De pijn der zelfopoffering

moet met een soort van genoegen gepaard gaan, waarvan wij mannen geen

begrippen hebben, en ik geloof werkelijk, dat sommige vrouwen bij

voorkeur aldus lijden. Zij houden er van, zich op te offeren ten

behoeve van het voorwerp, dat haar instinct haar leert lief te hebben.

Of het voor een verkwistend echtgenoot, een losbandig zoon, een lieve

schavuit van een broer zij, – hoe bereidvaardig is haar hart om zijne

dierbaarste schatten uit te storten ten voordeele van den geliefde; en

wat zijn wij van onzen kant bereidvaardig, om die lieve schepseltjes

eene ruime mate van die weelde te verschaffen! Er is bijna geen man,

die dit leest, die niet op deze wijze genoegen heeft verschaft aan

zijne vrouwelijke betrekkingen; die haar niet onthaald heeft op het

genot van hem vergiffenis te mogen schenken. Het kan haar niet schelen

hoe zij zelve leven; maar als de verloren zoon terugkomt, richten zij

een feestmaal aan en slachten het gemeste kalf voor hem; en bij den

allereersten schijn, dat de zondaar weerkeert, maken die lieve engelen

haar onthaal gereed, en gaan de Barmhartigheid en de

Vergevensgezindheid hem met een glimlach te gemoet. Ik hoop, dat dit

ons allen steeds weervaren moge! moesten wij ons alleen op de

Gerechtigheid verlaten, dan sta de hemel ons bij!

Gedurende den laatsten tijd van Pen’s verblijf aan de academie was de

genegenheid van zijn oom ten zijnen opzichte aanmerkelijk toegenomen.

De majoor was trotsch op Arthur, die een fieren geest, beste manieren,

een goed voorkomen en de houding van een volmaakt gentleman bezat. Het

deed den Londenschen ouden vrijer goed, Pen te zien omgaan met de jonge

patriciërs der hoogeschool. Majoor Pendennis, die nooit vrienden

noodigde en wiens schrielheid tot een spreekwoord was geworden onder

sommige snaken in de club, die hem de vele uitnoodigingen, welke hij

ontving, benijdden en zijne armoede niet in aanmerking verkozen te

nemen, gaf met genoegen aan zijn neef en de jonge lords allerprettigste

dinertjes op zijne eigene kamers en onthaalde hen op goeden wijn en

zijne beste bon mots en vertellingen, waarvan verscheidene te veel

verliezen zouden als wij ze hier herhaalden; want de majoor bezat een

ongeëvenaard talent om duidelijk en onderhoudend te vertellen, terwijl

echter de herhaling van sommige zijner geschiedenissen niemand tot heil

zou strekken. De majoor vleide de ouders door middel van de kinderen,

en zich zelven als het ware door hun gezelschap. Hij deed meer dan eens

een uitstapje naar Oxbridge, waar de jongelui er vermaak in vonden den

ouden heer te onthalen en zij partijtjes, dejeuners en fêtes gaven,

gedeeltelijk om eene grap met hem te hebben en gedeeltelijk om hem eer

te bewijzen. Hij vergastte hen op zijne verhalen, werd weer jeugdig en

uitgelaten in het gezelschap der jeugdige lords, ging Pen bij eene

groote vergadering der debatteerclub hooren, schreeuwde en

applaudisseerde, stampte met zijn rotting in koor met de studenten en

stond verstomd over de welsprekendheid en het vuur van den knaap. Hij

hield zijn neef voor een jongen Pitt. Hij droeg Pen eene bijna

vaderlijke genegenheid toe, schreef hem brieven met schertsende

raadgevingen en nieuwtjes uit Londen, snoefde op Arthur in zijne clubs

en haalde hem gaarne in zijne gesprekken aan. Voor den drommel, zeide

hij, die jongelui groeien de ouwen boven het hoofd; de aankomende

jongens, de jonge Lord Plinlimmon, een vriend van mijn neef, de jonge

Lord Magnus Charters, een kameraad van dien guit, enz., zouden meer

figuur in de wereld maken dan hunne vaders ooit gedaan hadden. Hij

vroeg verlof om Arthur op eene groote partij op Gaunt House mee te

brengen, waar hij hem met onbeschrijfelijke zelfvoldoening met de

zusters der bovengenoemde jonge edellieden zag dansen, en hij gaf zich

zooveel moeite voor den knaap uitnoodigingen in sommige voorname huizen

te bekomen, alsof hij eene mama ware geweest, die eene dochter uit te

huwelijken had, en niet een oud gepensioneerd officier met eene pruik.

Overal zwetste hij op de groote talenten en de verbazende

redenaarsgaven van zijn neef, en op het schitterend examen, dat hij zou

afleggen. Lord Runnymede zou hem op zijne ambassade meenemen, of de

hertog van Wellington zou hem voor een zijner plaatsjes tot

parlementslid doen verkiezen; dit schreef hij onophoudelijk aan Helena,

die van haar kant maar al te gewillig was om alles te gelooven wat men

ten gunste van haar zoon geliefde te zeggen.

En al die fierheid, al die genegenheid van oom en moeder had Pen door

zijne verwenschte kwistzucht en luiheid door het slijk gesleept. Ik had

niet in Pen’s plaats willen zijn, toen hij nadacht over hetgeen hij

gedaan had. Terwijl hij had liggen slapen, had de schildpad den prijs

in den wedloop behaald. Eene loopbaan, die schitterend had kunnen zijn,

had hij reeds in den eersten aanvang bedorven. Onedelmoedig had hij de

hand in de beurs eener milde moeder gestoken en haar bescheiden

spaarpenning op laaghartige en roekelooze wijze verspild. O, het was

eene lafhartige hand, die een zoo teeder schepseltje kon mishandelen en

uitplunderen! En mogen wij, indien Pen gevoel had van het onrecht, dat

hij jegens anderen had bedreven, niet vooronderstellen, dat een jong

heer, met zooveel ijdelheid als hij, nog scherper de schande gevoelde,

waarmede hij zich zelven beladen had? Wij kunnen ons verzekerd houden,

dat geene wroeging folterender, geen gekerm hartbrekender is dan

wanneer gekwetste eigenliefde er de oorzaak van is. Evenals Joe

Miller’s vriend, die bij het examen den hoogsten graad behaald had, uit

zijne loge in den schouwburg tegen het publiek boog, omdat hij

toevallig te gelijker tijd met den koning binnenkwam, zoo hield ook

Arthur Pendennis, met eene geenszins even streelende verwaandheid, zich

overtuigd, dat gansch Engeland zou opmerken, dat zijn naam niet op de

lijst der gepromoveerden voorkwam, en den mond vol zou hebben van zijn

tegenspoed. Hoe kon hij zijn verontwaardigden onderwijzer, zijne

talrijke schuldeischers, zijn oppasser en de beddenopmaakster, de

studenten uit zijne eigene en uit jongere studiejaren, waarover hij den

baas had gespeeld, of die hij bespot had, voortaan weer onder de oogen

komen? Hij snelde naar zijne kamer, sloot zich daar op en wierp een

brief aan zijn onderwijzer op het papier, vol van betuigingen van dank

en achting, berouw en wanhoop, waarbij hij verzocht, dat zijn naam van

de registers zou geschrapt worden, en den wensch en de verwachting te

kennen gaf, dat de dood spoedig een einde zou maken aan het lijden van

den geschandvlekten Arthur Pendennis.

Toen sloop hij weg, ternauwernood wetende waar hij heenging; maar

werktuiglijk sloeg hij de stille straatjes achter de collegiegebouwen

in, kwam zoo buiten het gebied der academie, volgde de oevers der

Camisis, die nu stil was, maar anders zoo levendig kon zijn door

menigen roeiwedstrijd en scharen van juichende studenten, en wandelde

altijd maar voort, tot hij zich eenige mijlen van Oxbridge bevond, of

liever daar gevonden werd door een paar kennissen, die de stad

verlieten.

Terwijl Pen een heuvel beklom, waarbij een Januari-motregen hem in het

gelaat sloeg en zijn gehavende tabbaard achter hem wapperde – want hij

had zijne academische kleedij sedert dien morgen niet afgelegd – kwam

een reiswagen langs den weg aanrollen, met een bediende op den bok,

terwijl een jong heer binnen in, of liever half uit het portier, eene

sigaar lag te rooken en met luider stemme den postiljon tot spoed

aanspoorde. Het was niemand anders dan mijnheer Spavin, onze jeugdige

kennis uit Baymouth, die zijn graad gehaald had en nu met postpaarden

in triomf naar huis reed. Spavin kreeg de gestalte in het oog, die met

de gebaren van een waanzinnige tegen den heuvel opklauterde, en

herkende, terwijl het rijtuig voorbijstoof, het bleeke en verwrongen

gezicht van Pen.

„Halt!” brulde mijnheer Spavin den postiljon toe, die de paarden in

hunne dolle vaart stuitte en het rijtuig ongeveer vijftig ellen voor

Pen deed stilhouden. Deze hoorde nu zijn eigen naam roepen en zag het

bovenlijf van mijnheer Spavin, die hem met driftige gebaren tot zich

wenkte, uit het venster van het rijtuig te voorschijn komen.

Pen stond stil, bedacht zich, schudde daarop met drift het hoofd en

wees vooruit, alsof hij verlangde, dat de postiljon zou voortrijden.

Hij sprak geen woord, maar hij moet er heel wanhopig hebben uitgezien,

want na hem een oogenblik met sprakelooze ontzetting te hebben

aangestaard, sprong Spavin uit het rijtuig, liep met uitgestrekte hand

naar Pen, greep die van onzen vriend en riep uit: „Zeg eens, ouwe

jongen, waar gaat ge naar toe, en wat is er aan het handje?”

„Ik ga waar ik naar toe behoor te gaan,” antwoordde Pen met een vloek.

„Maar dat is de weg niet,” hernam Spavin met een glimlach. „Die loopt

naar Fenbury. Kom aan, Pen, laat uwe hersens niet op hol gaan, omdat ge

gedropen zijt. Wanneer men er maar wat aan gewoon is, trekt men het

zich niet meer aan. Ik ben driemaal gedropen, ouwe jongen, – en na den

eersten keer kon het me niet meer schelen. Het doet me echter pleizier,

dat het nu uit is. De volgende maal zal het u meevallen.”

Pen zag zijn vroegeren bekende aan, die gedropen was, die gesjeesd was,

die pas na herhaalde mislukte pogingen behoorlijk had leeren lezen en

schrijven en die, ondanks al deze ongunstige omstandigheden, tot de eer

van een academischen graad was gekomen. „Deze man,” dacht hij, „is er

dóórgekomen, en ik ben gedropen!” Het was bijna te veel, om te

doorstaan.

„Vaarwel, Spavin,” hernam hij; „het doet mij genoegen, dat gij er door

zijt. Laat ik u niet ophouden; ik heb haast – ik ga van avond nog naar

Londen.”

„Gekheid,” zeide mijnheer Spavin. „Dat is de weg naar Londen niet, ik

zeg u nog eens, dat hij naar Fenbury loopt.”

„Ik wou juist omkeeren,” hervatte Pen.

„Al de diligences zijn vol met studenten, die naar Londen gaan,” zeide

Spavin. Pen scheen te schrikken. „Voor een bankje van tien pond zoudt

ge geen plaats krijgen. Kom maar mede in mijn rijtuig; ik zal u te

Mudford afzetten, waar ge misschien nog eene plaats in de diligence

naar Fenbury zult vinden. Ik zal u een hoed en eene jas leenen; ik heb

er eene menigte bij mij. Kom aan; er in gesprongen, ouwe jongen!

Vooruit, postiljon!” en zoo zat Pen een oogenblik later in Spavin’s

wagen en reed met dien heer naar de Ram te Mudford, vijftien mijlen van

Oxbridge, waar de diligence van Fenbury van paarden verwisselde en Pen

eene plaats naar Londen machtig werd.

Den volgenden dag heerschte er eene vreeselijke opschudding in het

Bonifacius-Collegie te Oxbridge, want tot schrik van Pen’s onderwijzer

en leveranciers was het gerucht in omloop gekomen, dat hij, uit

wanhoop, omdat hij zijn graad niet verkregen had, zich van kant had

gemaakt; men had althans drie mijlen ver op den weg van Fenbury, in de

nabijheid van een molenvliet, eene afgedragen baret met zijn nog

nauwelijks leesbaren naam er in en een wapen met zijn helmteeken, een

adelaar, die in eene nu uitgedoofde zon staarde, gevonden, en vier en

twintig uren lang geloofde men, dat Pen in den vliet gesprongen was, –

tot er brieven van hem met het Londensche postmerk aankwamen.

De diligence kwam op het stille uur van vijven des morgens te Londen

aan. Pen haastte zich naar zijn gewoon logement in Convent Garden, waar

de altijd wakkere portier hem binnenliet en eene slaapkamer aanwees.

Pen zag den man scherp aan, en was heimelijk nieuwsgierig of de

laarzenpoetser óók zou weten, dat hij gedropen was. In bed kon hij den

slaap niet vatten. Hij lag daar tot het aanbreken van het troebele

Londensche daglicht te woelen, sprong toen wanhopig op en ging naar de

woning van zijn oom in Bury Street, waar de meid, die de trappen

schrobde, hem achterdochtig aankeek, daar hij ongeschoren was en zijn

linnen van den vorigen dag nog droeg. Hij verbeeldde zich, dat zij ook

al van zijn tegenspoed wist.

„Goeden hemel! Meneer Arthur, is er een ongeluk gebeurd?” vroeg Morgan

de kamerdienaar, die juist de zorgvuldig geborstelde kleederen en

glimmende laarzen aan de deur van zijn meesters slaapkamer gebracht had

en nu met de pruik van den majoor naar binnen ging.

„Ik moet oom spreken,” riep Pen met eene holle stem en liet zich op een

stoel nedervallen.

Morgan deinsde met een verschrikten en verwonderden blik voor het

bleeke en wanhopige gezicht van den jongeling terug en verdween in de

kamer van zijn meester.

„Zoo? Het examen afgeloopen? Eerste op de lijst, bovenaan in alle

vakken, hè?” vroeg de oude heer. „Ik kom dadelijk,” en daarop verdween

het hoofd.

„Zij weten nog niet wat er gebeurd is,” kermde Pen; „wat zullen zij wel

zeggen als zij alles weten?”

Pen had met den rug naar het venster in dat twijfelachtige licht

gestaan, waarmee Bury Street zich op een mistigen Januarimorgen bedeeld

ziet, zoodat zijn oom de uitdrukking van zijn gelaat en den somberen en

wanhopigen blik, die zelfs Morgan in het oog was gevallen, niet had

kunnen zien. Toen de majoor netjes en deftig uit zijne kleedkamer te

voorschijn kwam, voorafgegaan door zoete geuren uit den winkel van

Delcroix, waar hij de reukwerken voor zijne pruik en zijn zakdoek

kocht, reikte hij Pen de hand en wilde hem juist met zijne opgeruimde

stem toespreken, toen hij eindelijk het gelaat van den jongeling

opmerkte en, diens hand latende vallen, uitriep: „Goede god, Pen! wat

is er gaande?”

„Gij zult het aan het ontbijt in de courant zien, oom,” antwoordde Pen.

„Wat zien?”

„Dat mijn naam er niet in staat, oom.”

„Wel, voor den drommel, waarom zou die er in staan?” vroeg de majoor,

nog niets van de zaak begrijpende.

„Ik heb alles verloren, oom,” bracht Pen klagend uit; „mijne eer is

verspeeld; ik ben reddeloos verloren; ik kan niet meer naar Oxbridge

terugkeeren.”

„Uwe eer verspeeld!” schreeuwde de majoor. „In ’s duivels naam! gij

wilt toch niet zeggen, dat gij u als een lafaard gedragen hebt?”

Pen lachte bitter. „Neen, oom, dàt niet,” sprak hij. „Ik ben niet bang

om doodgeschoten te worden; ik wenschte, dat iemand het maar wou doen.

Ik heb mijn graad niet gehaald. Ik heb er op het examen langs

gekregen.”

De majoor had wel eens gehoord van „er langs te krijgen,” doch maar

zeer terloops en oppervlak, zoodat hij zich ingebeeld had, dat dit eene

ceremonie was, die lichamelijk aan weerspannige studenten voltrokken

werd. „Ik begrijp niet hoe gij mij na zulk eene schande nog onder de

oogen durft komen, mijnheer,” zeide hij, „en het verwondert mij, hoe

gij als gentleman er u aan onderworpen hebt.”

„Ik heb er niets aan kunnen doen, oom. Mijn werk over de klassieken was

vrij goed, maar die verwenschte wiskunde, die ik altoos verwaarloosd

heb, heeft het mij gedaan.”

„En gebeurde dat – gebeurde dat in het publiek, mijnheer?” vroeg de

majoor.

„Wat?”

„Toen gij er langs hebt gekregen?” hernam de voogd en zag zijn pupil

met gespannen verwachting aan.

Pen ontdekte thans in welke dwaling zijn voogd verkeerde. De bok, dien

de majoor geschoten had, perste den armen jongen, in weerwil van zijne

ellende, een flauwen glimlach af, en deed het gesprek van den

tragischen toon afdalen, waarop Pen voornemens was geweest het voort te

zetten. Hij legde zijn oom nu uit, dat hij zich voor zijn examen

aangemeld had, maar er niet doorgekomen was; waarop de majoor

antwoordde, dat het, ofschoon hij iets beters van zijn neef verwacht

had, echter geen groot ongeluk was, en er ook, zoover hij zien kon,

geen schande in stak, zoodat Pen het maar opnieuw moest beproeven.

„Ik weer naar Oxbridge gaan, na zulk eene vernedering!” dacht Pen, want

hij gevoelde, dat hij geen voet meer in die stad kon zetten, zoo hij

haar ten minste niet kwam platbranden.

Eerst toen hij zijn oom inlichtte omtrent zijne schulden, ontstak deze

voorgoed in verbazing en toorn en barstte hij in de hevigste verwijten

tegen Pen los, waaraan de jonkman, zoo goed mogelijk, zich onderwierp.

Hij had besloten open kaart te spelen en daarom had hij eene volledige,

waarachtige lijst van al zijne rekeningen en schulden te Oxbridge en te

Londen opgemaakt. Zij bestonden uit verschillende posten, zooals:

Kleermaker te Londen.

Dito te Oxbridge.

Modewinkel, voor hemden en handschoenen.

Juwelier.

Kok van het Collegie.

Aan Crump, voor desserten.

Laarzenmaker.

Wijnkooper te Londen.

Dito te Oxbridge.

Rekening voor paarden.

Prentenverkooper.

Boeken.

Boekbinder.

Kapper en parfumerieën.

Logementrekening te Londen.

Diversen.

Al deze posten kan de lezer naar goedvinden invullen. De ouders van

vele studenten hebben dergelijke rekeningen onder de oogen gehad. Die

van mijnheer Pen beliepen bij elkander de som van ongeveer zevenhonderd

pond, en men kon berekenen, dat hij nog het dubbele in gereed geld

gedurende zijn verblijf te Oxbridge uitgegeven had. Die som had hij

doorgebracht, en welke waarde kon hij er voor toonen?

„Gij behoeft iemand, die al in het slijk ligt, niet nog meer er door te

halen, oom,” voegde Pen den majoor op somberen toon toe. „Ik weet zeer

goed hoe slecht en lui ik geweest ben. Mijne moeder zou mij niet gaarne

geschandvlekt zien, mijnheer,” ging hij voort, terwijl zijne stem hem

begaf, „en ik weet, dat zij deze rekeningen betalen zal. Maar ik zal

haar niet verder om geld vragen.”

„Zooals gij goedvindt, mijnheer,” antwoordde de majoor. „Gij zijt

meerderjarig en ik wasch mijne handen van uwe zaken. Maar gij kunt

zonder geld niet leven, en hebt, zoover ik weet, geen middel om geld te

verdienen, ofschoon gij uitmuntend de kunst verstaat om het te

verteren, en ik houd het er voor, dat gij zult voortgaan zooals gij

begonnen zijt, en dat gij uwe moeder zult ruïneeren eer wij vijf jaar

verder zijn. – Goedenmorgen! Het is mijn tijd om te gaan ontbijten. Ik

zal u wegens mijne bezigheden niet veel kunnen zien gedurende uw

verblijf te Londen. Gij zult zeker uwe moeder bekend maken met het

nieuws, dat gij mij zoo even hebt meegedeeld?”

En zijn hoed op het hoofd drukkende en eenigszins bevende, stapte

majoor Pendennis vóór zijn neef de kamer uit, om verdrietig zijn gewone

hoekje in de club te gaan innemen. Hij zag de lijsten der examens te

Oxbridge in de morgenbladen en las de namen, ofschoon hij van de zaak

niet veel begrip had, met sombere aandacht na. In den loop van den dag

raadpleegde hij verscheidene oude heeren van zijne kennis in de clubs:

Wenham, een deken, en verscheidene ambtenaren. Hij vroeg hun gevoelen,

toonde hun het bedrag der schulden van zijn neef, die hij op den

achterkant van een kaartje had genoteerd, en vroeg hun wat daaraan te

doen was, en of zij zulk een schuldbedrag niet monsterachtig en

ongehoord vonden? Wat was er aan te doen? Niets anders dan te betalen.

Wenham en de anderen deelden den majoor gevallen mee van jongelui, die

tweemaal zooveel, vijfmaal zooveel schulden hadden als Arthur, zonder

middelen hoegenaamd om te betalen. Die beraadslagingen, berekeningen en

oordeelvellingen stelden den majoor wat gerust. Hij was het althans

niet, die betalen moest.

Doch hij dacht met bitterheid aan de vele plannen, die hij gesmeed had

om een groot man van zijn neef te maken, aan de opofferingen, die hij

zich getroost had, en aan de wijze, waarop hij te leur gesteld was

geworden. En daarop schreef hij een brief aan doctor Portman, waarbij

hij hem de noodlottige gebeurtenissen meedeelde, die voorgevallen

waren, en den doctor verzocht er Helena op voor te bereiden. Want de

stijve oude heer hield zich in alle dingen aan de gewoonte, en

oordeelde, dat het beter was iemand op een slecht nieuws te doen

„voorbereiden” door middel van een bode (die licht onhandig of

gevoelloos kan zijn), dan het eenvoudig met een briefje naar zijne

bestemming te zenden. De majoor dan schreef aan doctor Portman, en ging

toen uit dineeren als een der neerslachtigste mannen, welke dien middag

te Londen aan een disch hebben aangezeten.

Pen schreef ook zijn brief en slenterde het overige van den dag door de

straten van Londen rond, waar hij zich verbeeldde, dat iedereen hem

aankeek en tegen zijn buurman fluisterde: „Dat is Pendennis van

Bonifacius, die gisteren gedropen is.” Teederheid en zielswroeging

spraken uit zijn brief aan zijne moeder; hij stortte er de bitterste

tranen over, en het berouw en de ontboezemingen brachten hem, in zekere

mate, tot rust.

Hij zag een gezelschap luidruchtige jonge studenten van Oxbridge in de

koffiekamer van zijn logement, maar hij sloop weg en stapte de straat

weer op. Hij zegt, dat hij zich de prenten herinnert, die hij onder den

regen in den winkel van Ackermann zag hangen, en een boek, dat hij aan

een stalletje nabij den Tempel las: des avonds ging hij in het parterre

van den schouwburg om jufvrouw Fotheringay te zien, maar hij kan zich

volstrekt niet meer voor den geest brengen in welk stuk het was.

Den tweeden dag kwam er een vriendelijke brief van zijn repetitor, die

vele ernstige en toepasselijke opmerkingen bevatte over den tegenspoed,

die hem weervaren was, maar hem krachtig aanspoorde om zijn naam niet

van de registers der hoogeschool te laten schrappen, en integendeel

alles in te spannen om een ongeluk uit te wisschen, hetwelk ieder wist,

dat alleen aan zijne achteloosheid toe te schrijven was, en dat hij,

door eene maand ijverig te werken, kon herstellen. Hij voegde er bij,

dat hij Pen’s oppasser gelast had eenige koffers met de kleederen van

den jongen heer te pakken, die ook behoorlijk aankwamen, met nieuwe

afschriften van al de rekeningen van Pen er boven in.

Den derden dag kwam er een brief van huis, dien Pen op zijne slaapkamer

las, met dat gevolg, dat hij op de knieën neerzonk, met het hoofd in

zijne beddelakens, en daar uit den grond zijns harten bad en zich

verootmoedigde. Vervolgens ging hij naar beneden, ontbeet stevig,

stapte de straat op en nam in de Bull and Mouth in Piccadilly eene

plaats in de diligence, welke dien avond naar Chatteries vertrok.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 44 / 155 题