Korten tijd vóór mijnheer Foker’s vertrek uit Oxbridge was er in het
Bonifacius-Collegie een heer gekomen, die vroeger, gelijk in het
vervolg bleek, student aan de andere hoogeschool van Camford was
geweest, welke hij wegens onaangenaamheden met het bestuur had moeten
verlaten. Deze heer, Horace Bloundell geheeten, behoorde tot de oude
Suffolksche familie Bloundell-Bloundell, – van Bloundell-Bloundell Hall
in Bloundell-Bloundellshire, zooals de jonge snaken plachten te
spotten; en zeker was het uit hoofde van die afkomst en omdat Dr.
Donne, de directeur van het Bonifacius-Collegie, uit Suffolk geboortig
en wellicht met dat geslacht verwant was, dat mijnheer Horace Bloundell
in het Bonifacius-Collegie was opgenomen, na door St. George en twee
andere Collegiën te zijn afgewezen. De familie Bloundell had eene rijke
predikantsplaats te begeven, die mijnheer Horace gaarne hebben wilde;
en daar hij bij een regiment dragonders stond toen zijn derde broeder,
voor wien de plaats aanvankelijk bestemd was, ziek werd en stierf,
besloot hij dadelijk de karmozijnen broek en de zwarte shako te
verruilen tegen den zwarten rok en de witte das van een Engelschen
dominé. De kleine ongelukjes te Camford brachten eenige stoornis in
mijnheer Bloundell’s plannen; maar ofschoon de gewezen dragonder aldus
op ééne plaats de nederlaag leed, liet hij zich niet ontmoedigen en
trachtte hij elders de overwinning te behalen.
In den loop van Pen’s tweede studiejaar legde majoor Pendennis een kort
bezoek bij zijn neef af, die hem met verscheidene zijner academie
vrienden in kennis bracht, zooals met den innemenden en beleefden Lord
Plinlimmon, den ronden en openhartigen Magnus Charters, den slimmen en
geestigen Harland, den rijmoedigen Ringwood, die in de debatteerclub
Prins Rupert werd genoemd uithoofde van zijne politieke gevoelens en de
koelbloedigheid waarmee hij bokken schoot; met Broadbent, bijgenaamd
Barebones Broadbent wegens zijne republikeinsche begrippen (hij
behoorde tot eene afgescheiden familie te Bristol en was in het debat
een echte Boanerges); en eindelijk met mijnheer Bloundell-Bloundell,
die dadelijk zijne plaats onder de voornaamste jongelui aan de academie
had ingenomen.
Ofschoon majoor Pendennis Harland’s Grieksche aanhalingen niet
verstond, noch bijzonder ingenomen was met Broadbent’s dikke schoenen
en onzindelijke handen, was hij echter wel in zijn schik met den
vriendenkring, die zich rondom zijn neef geschaard had, en gaf hij
zijne goedkeuring over al die jongelui te kennen, behalve over dien
éénen, die zich het grootste gezag aanmatigde en het meest wilde
toonen, dat hij een man van de wereld was.
Terwijl de majoor den morgen na de partij op Pen’s kamer met dezen
laatste zat te ontbijten, gaf hij zijn gevoelen over die jongelui te
kennen, waarmee hij zeer ingenomen was. Hij had hen op sommige zijner
geschiedenissen onthaald, die, ofschoon niet zeer versch meer te Londen
(waar de menschen op het gebied van anekdotes altijd naar iets nieuws
hunkeren), echter te Oxbridge geheel nieuw waren, en die de jongelieden
met die oprechte belangstelling, dat levendig genoegen, dat luidruchtig
gelach, of dien diepen eerbied aanhoorden, die in Londen zoo zeldzaam
zijn en voor den verteller van beroep zoo streelend moeten wezen.
Slechts een paar keeren onder het verhalen van die anekdotes droeg
mijnheer Bloundell’s gelaat een minachtenden trek, of verried het door
zijne uitdrukking, dat hij met die geschiedenissen reeds bekend was.
Eens zelfs had hij de vermetelheid de waarheid der bijzonderheden van
eene anekdote, die majoor Pendennis verhaalde, in twijfel te trekken,
en gaf hij zijne eigene lezing van die gebeurtenis, die hij zeker wist,
dat de juiste was, want hij had het in de club openlijk door dien en
dien en dien anderen, die er zelf bij waren geweest, hooren verhalen.
De studenten staarden hun kameraad, die den majoor durfde tegenspreken,
met verwondering aan. Weinigen waren in staat de melancholische gratie
en wellevendheid te waardeeren, waarmee majoor Pendennis dadelijk met
mijnheer Bloundell’s lezing der anekdote instemde en hem bedankte voor
de terechtwijzing. Zij zetten nog grooter oogen in hunne volgende
bijeenkomst op, toen Bloundell met minachting over den ouden Pen sprak
en zeide, dat iedereen hem kende als een klaplooper op Gaunt House, een
vervelenden ouden kerel, in één woord een ouden kwast.
Van zijn kant hield majoor Pendennis geen zier van mijnheer Bloundell.
Deze soort van sympathie is onder mannen en vrouwen doorgaans
wederkeerig, en indien een belangstellend vriend mij vertelt, dat die
en die kwaad van mij gesproken heeft, kan ik bijna zeker zijn, dat ik
van mijn kant ook een hekel aan hem heb. Wij houden al of niet van
elkander, op dezelfde wijze als de menschen al of niet van den geur van
sommige bloemen, of van zekere gerechten, wijnen of boeken houden. Wij
kunnen niet zeggen waarom. – maar in het algemeen zal niets ter wereld
ons dezen of genen doen liefhebben, en even zeker als wij een hekel aan
hem hebben, zal hij een hekel hebben aan ons.
De majoor zeide dus: „Pen, mijn beste jongen, uw diner liep à merveille
af; gij hebt de honneurs met tact waargenomen; gij hebt zeer goed
voorgesneden; het doet mij genoegen, dat gij het voorsnijden geleerd
hebt; meestal wordt dit tegenwoordig in de voorname huizen aan het
buffet gedaan, maar het is nog altijd een punt van belang en kan u
onder den middelstand van dienst zijn. Lord Plinlimmon is een heel
aardig jonkman, het evenbeeld van zijne lieve moeder (die ik nog als
Lady Aquila Brownbill gekend heb); en die republikeinsche denkbeelden
zullen bij Lord Magnus wel uitslijten. Zij staan een jong patriciër bij
zijne intrede in het leven niet slecht, ofschoon niets zoo stuitend is
onder menschen van onzen stand. Die Broadbent schijnt welbespraakt te
zijn en veel gelezen te hebben. Uw vriend Foker is altijd onderhoudend.
Maar die kennis van u, die mijnheer Bloundell, schijnt mij in alle
opzichten iemand toe, waarmee gij niet moest omgaan.”
„Hoe is het mogelijk, oom!” riep Pen lachend uit. „Bloundell –
Bloundell is de gevierdste man van de gansche academie. Wij verkozen
hem de eerste week van zijne komst tot lid van de Barmeciden-club en
hielden daarvoor nog wel eene buitengewone vergadering. Hij is van
voorname familie – de Bloundell’s van Suffolk, die van Blondel, den
getrouwen minnezanger van Richard Leeuwenhart, afstammen: zij voeren
eene harp in hun wapen en het devies: „O Mong Roy.””
„Men kan een heel mooi wapen voeren en toch een ploert zijn, beste
jongen,” zeide de majoor, terwijl hij zijn ei schilde. „Let maar op
mijne woorden; die man is een ploert, een gemeene vent. Ik wil wedden,
dat hij zijn regiment, een heel goed regiment (want een
achtenswaardiger man dan mijn vriend Lord Martingale heeft nooit in den
zadel gezeten), niet met eere verlaten heeft. Die mijnheer Bloundell
draagt in zijn voorkomen de onmiskenbare getuigenis van gemeene taal en
gemeene levensmanieren. Hij loopt in dobbelhuizen en biljartholen – hij
is thuis in clubs van den derden rang – dat kan ik hem aanzien; ik zie
het aan zijne houding. In die soort van zaken heb ik mij nooit vergist.
Hebt ge wel opgelet, wat overdaad van ringen en andere sieraden hij
draagt? Zoo ooit op iemands gezicht het woord Schurk heeft te lezen
gestaan, dan is het op het zijne. Neem mijne woorden maar ter harte en
laat hem links liggen. En laten wij nu maar over iets anders spreken.
Het diner was een beetje te fijn, maar ik heb er niet tegen, dat gij
eenige extra frais maakt, als gij vrienden ontvangt. Natuurlijk geeft
gij niet dikwijls diners, en gij doet dat zeker alleen aan degenen, die
het uw belang is te fêteeren. De côteletten waren uitmuntend en de
soufflé was bijzonder licht en smakelijk. Die derde flesch champagne
was niet noodig geweest; maar gij hebt een goed inkomen, en zoolang gij
het niet overschrijdt zal ik u niet beknorren, beste jongen.”
Arme Pen! uw achtenswaardige oom vermoedde weinig hoe dikwijls er van
die diners waren, daar de onbedachtzame jonge Amphitryon gaarne zijne
gulheid en zijne ervaring in tafelzaken toonde. Er is geen kunst,
waarin jongelui zich zoo gaarne als kenners voordoen, en echter is er
geene, die eene zoo langdurige studie vereischt, die zoo moeielijk is
te leeren, die zoo ontoegankelijk en boven de middelen is van vele
beklagenswaardige menschen! Kennis van wijnen en fijne schotels
beschouwen de jongelui als het kenmerk van den roué, den man van de
wereld. Ik zie hen wel gaarne een glas wijn tegen het licht houden,
alsof zij er heel wat van wisten, en over de verdiensten van een ragoût
praten – arme jongens! Eerst als zij grijs worden zien zij, dat zij
niets van de wetenschap verstaan, en dan fluistert hun geweten hun
misschien in, dat die wetenschap de moeite haast niet waard is, en dat
een schapebout, in tevredenheid genoten, tegen eene vorstelijke tafel
kan opwegen. Maar de kleine Pen beschouwde het, in zijne rol van groot
heer, als eene noodzakelijkheid, dat hij een kenner en gever van diners
moest zijn. Wij hebben dan ook hierboven gesproken van de groote
achting, die de kok van zijn Collegie hem toedroeg, en zullen spoedig
in de gelegenheid komen om het te betreuren, dat die brave man zulk een
blind vertrouwen in hem gesteld had. In het derde jaar van Pens
verblijf te Oxbridge was zijne trap volstrekt niet versperd door
schotels en dessertbenoodigdheden, of knechts, die gerechten
binnenbrachten, of jongens die de flesschen champagne glacé
opentrokken. Scharen van geheel andere bezoekers met stuursche of
neerslachtige gezichten klommen die trap op en af, en vielen den
beklagenswaardigen knaap aan, als hij uit zijn schuilhoek te voorschijn
kwam.
De raad van zijn oom had ook geen invloed en bewoog Pen niet om den
omgang met den weinig aanbevelenswaardigen heer Bloundell af te breken.
Wat de jongelui in hunne kameraden bewonderen en wat aan Pen een groot
gedeelte van zijn eigen aanzien en populariteit verschaft had, is eene
wezenlijke of vermeende kennis van de wereld. Een man, die de wereld
gezien heeft, of er met een gewichtig voorkomen van spreken kan, een
roué of een Lovelace, die zijne avonturen kan vertellen, is zeker eene
schare bewonderaars te vinden onder de jongelui. Het is verdrietig dit
te moeten zeggen, maar het is de waarheid. Wij koesteren eerbied voor
die soort van dapperheid. Sinds onze schooljaren hebben wij er
bewondering voor leeren koesteren. Zijn er onder de honderden Engelsche
knapen, die hunne opleiding aan onze groote scholen en collegiën
ontvangen hebben, onder elke honderd slechts vijf, die niet zouden
moeten bekennen, dat zij op zekeren tijd huns levens Don Juan gelezen
en mooi gevonden hebben? Hoe vreeselijk breidt het kwaad zich niet uit.
Dat denkbeeld behoorde den man, die de pen voert, te doen sidderen van
vrees, om er onwaarheid, onreinheid, ongerechten toorn, of onverdienden
lof uit te doen vloeien.
Een enkel schurftig schaap van dezen aard is toereikend om eene gansche
kudde aan te steken, en de professoren van het Bonifacius-Collegie
begonnen te bemerken, dat spoedig na mijnheer Bloundell’s aankomst te
Oxbridge de fatsoenlijkheid van het Collegie verminderde en de jongelui
onhandelbaar en bijna gemeen begonnen te worden. De voorname jongelui
van het naburige Collegie van St. George, die Pen goed mochten lijden
en met hem omgingen, lieten zich door Bloundell’s oppervlakkige
deftigheid en zijne nagemaakte voorname manieren niet om den tuin
leiden. Broadbent noemde hem Kapitein Macheath en zeide, dat hij lang
genoeg zou leven om opgehangen te worden. Foker wilde met
karakteristieke omzichtigheid, gedurende den korten tijd, dien hij nog
met Macheath aan de academie doorbracht, niets ten nadeele van den
Kapitein zeggen, doch gaf aan Pen een wenk, dat hij beter zou doen
Bloundell bij het whisten tot maat dan tot tegenpartij te nemen en dat
hij bij het écarté liever vóór dan tegen hem moest wedden. „Ge weet
wel, dat hij beter speelt dan gij,” merkte die slimme jonge heer aan;
„hij speelt bijzonder goed, die Kapitein, dat doet hij; – en als ik u
was, Pen, zou ik niet te hoog tegen hem wedden. Ik geloof ook niet, dat
de Kapitein te dik in het geld zit.” Doch verder dan deze duistere
zinspelingen en algemeene opmerkingen wilde de voorzichtige Foker zich
niet uitlaten.
Zijn raad zou echter toch niet méér gebaat hebben bij een eigenzinnig
jongmensch, dan gewoonlijk met goeden raad het geval is bij een knaap,
die zich voorgenomen heeft zijn eigen zin te volgen. Pen was met eene
onverzadelijke zucht naar vermaak bezield en wierp er zich, wanneer de
gelegenheid bestond, met eene gretigheid op, die voor zijn vurigen aard
en zijne jeugdige gezondheid getuigde. Pleizier hebben noemde hij „in
de wereld rondzien,” en daarbij haalde hij welbekende regels uit
Terentius, Horatius en Shakespeare aan, om te bewijzen dat men alles
moest doen wat een man betaamt. Hij was goed op weg om binnen weinige
jaren geheel op en een roué te zijn, als hij op den tegenwoordigen voet
voortging.
Op zekeren avond was er op een avondpartijtje in het Collegie, dat Pen
en Macheath bijwoonden, een bedaard spelletje vingt-et-un gespeeld,
eene veel aangenamer uitspanning voor studenten van het tweede en derde
jaar, dan die rumoerige gewoonte om liedjes te zingen, die de proctors
naar de kamers lokt, en die ook vervelend is geworden, omdat ieder
student al wat hij weet reeds honderden malen gezongen heeft. Toen de
gasten hunne baretten hadden genomen en zouden heengaan, na weinig
verloren of gewonnen te hebben, nam Bloundell als voor de grap een
groen wijnglas van de tafel, aan welke men gesoupeerd had, een glas,
dat voor een „afzakkertje” bestemd was geweest, maar waarin hij nog
iets veel verderfelijkers deed, namelijk een paar dobbelsteenen, die
mijnheer uit zijn vestzak haalde. Hij gaf aan het glas een bevalligen
zwaai, die getuigde, dat zijne hand geoefend was in het werpen van de
dobbelsteenen, riep daarbij „onder de zeven,” liet de ivoren blokjes
zacht over de tafel rollen, schoof ze weer met eene lichte handbeweging
in het glas, en herhaalde dit alles twee- of driemalen. De anderen
zagen dit aan, en natuurlijk ook Pen, die tot nog toe nooit de
dobbelsteenen gehanteerd had dan voor een vervelend spelletje triktrak
thuis.
Mijnheer Bloundell, die eene vrij goede stem bezat, begon het koor uit
de opera Robert le Diable op te dreunen, die toen zeer in de mode was,
en aan dat koor namen vele der studenten deel, inzonderheid Pen, die
zeer vroolijk was, daar hij met het vingt-et-un heel wat kleingeld
gewonnen had, – en een oogenblik later waren de meeste gasten, in
plaats van naar huis te gaan, rondom de tafel gezeten en met dobbelen
bezig, waarbij het groene glas van hand tot hand ging, totdat Pen het
eindelijk in stukken brak, na zesmaal de hoogste oogen geworpen te
hebben.
Van dien avond af dompelde Pen zich tot over de ooren in de genoegens
van het hazardspel, met al het vuur, waarmee hij gewoon was elk nieuw
vermaak na te jagen. Men kan evengoed ’s morgens als na het diner of
souper dobbelen. Bloundell kwam na het ontbijt op Pen’s kamer, en het
was verbazend hoe snel de tijd omvloog wanneer zij de dobbelsteenen
lieten rollen. Zij maakten er aardige partijtjes met gesloten deuren,
die geen opzien baarden, en Bloundell vond een beker uit, die van
binnen met vilt bekleed was, zoodat de dobbelsteenen geen gedruis
maakten, – wat hen had kunnen verraden en de scherphoorende
onderwijzers naar de kamers lokken. Eens waren Bloundell, Ringwood en
Pen bijna betrapt door mijnheer Buck, die, toen hij over het vierkante
voorplein ging, uit Pen’s open venster de woorden „twee tegen één op
den eersten worp” meende te hooren; maar toen de onderwijzer op
Arthur’s kamer kwam, vond hij de drie jongelui met hun neus over drie
Homerus’en gebogen. Pen zeide, dat hij het de beide anderen trachtte in
te stampen, en vroeg met een uitgestreken gezicht aan mijnheer Buck, in
welken staat de rivier Scamander tegenwoordig verkeerde en of zij al
dan niet bevaarbaar was.
Arthur Pendennis verdiende bij die samenkomsten met mijnheer Bloundell
niet veel geld, noch leerde hij veel goeds, behalve den slag van te
wedden bij het hazardspel, wat hij ook uit boeken had kunnen leeren.
De Kapitein bezat nog andere talenten, waarmee hij Pen van dienst was.
Zijne verhalen maakten een diepen en noodlottigen indruk op Arthur, die
nooit moe werd naar Bloundell’s geschiedenissen van veroveringen in
zijne garnizoensplaatsen en heldendaden ten platten lande te luisteren.
Hij was te Parijs geweest en kende eene menigte verhalen betrekkelijk
het Palais Royal, het Salon en Frascati. Hij was op zekeren avond naar
het Salon geweest, na gedineerd te hebben in het Café de Paris, „waar
wij allemaal een verduivelden tik hadden aangekregen; en toen ik den
volgenden morgen op mijne kamer wakker werd, vond ik twaalf duizend
franken onder mijn hoofdkussen en honderd negen en veertig napoleons in
een mijner laarzen. Was dat geen aardig fortuintje, hé?” vroeg de
Kapitein. Pen’s oogen schitterden van geestdrift bij dit verhaal. Hij
zag tegen den man op, die zóóveel geld kon winnen, en zuchtte onder de
bekentenis, dat hij er geheel mee uit den nood geholpen zou zijn. De
Kapitein lachte en schonk hem nog een glaasje maraskijn. „Ik zou u nog
heel wat wonderlijker geschiedenissen kunnen vertellen,” en dat had de
Kapitein ook inderdaad wel kunnen doen, zonder eenig ander behulp dan
die der fictie, met welk deel der dichterlijke begaafdheid de natuur
hem ruimschoots voorzien had.
Hij lachte Pen, uit over diens verliefdheid op jufvrouw Fotheringay,
toen hij van Arthur iets er van vernam, zooals vrij spoedig gebeurde,
want Pen was, gelijk wij gezegd hebben, geneigd om die geschiedenis aan
zijne vertrouwde vrienden te verhalen, en hij en zij waren tamelijk
trotsch op het gebeurde. Maar Bloundell benam Pen alle verwaandheid in
dit opzicht, niet door de dwaasheid van deze verliefdheid van den knaap
voor eene onbeschaafde vrouw, die veel ouder was dan hij, in het licht
te stellen, maar door hem te wijzen op de ongerijmdheid van zijn
voornemen, om dien hartstocht op eene wettige wijze te bevredigen.
„Hadt gij haar willen trouwen!” riep hij uit: „gij hadt evengoed –
kunnen trouwen,” en daarbij noemde hij eene der meest beruchte
tooneeldames. „Er was geen aasje fatsoen aan haar.” Hij kende twintig
mannen, die openlijk als hare aanbidders bekend stonden; hij noemde
hunne namen en de sommen, die elk hunner aan haar verkwist had. Ik ken
geen soort van laster, vreeselijker of algemeener dan deze wijze om
vrouwen van haar goeden naam te berooven, geene mannen, die
gewetenloozer en gevaarlijker zijn dan degenen, die er zich
lichtvaardig van bedienen, en geen lafaards, verachtelijker dan de
lieden, die deze lasteringen uitvinden.
Is het al of niet een ongeluk, dat iemand, die zelf een openhartig
karakter bezit en, gelijk onze vriend, gewoon is bij alle voorkomende
gelegenheden de waarheid ronduit te zeggen, zijn leven begint met alles
te gelooven wat men hem vertelt? Zou het voor een jongmensch beter
wezen, minder goed van vertrouwen en dus minder argelooste zijn? Het
vereischt geen geringe mate van menschenkennis, om gewaar te worden,
dat iemand, die er geen bijzondere redenen toe heeft, u leugens
vertelt. Ik weet niet of het maar niet het beste is, een tijdlang
gedupeerd te worden. Hoe het zij, onze brave Pen bezat van nature eene
lichtgeloovigheid, die hem alles voor goede munt deed aannemen wat men
hem vertelde, zoodat hij al de verdichtsels van den Kapitein geloofde,
alsof het onbetwistbare historische feiten waren.
Bloundell’s mededeelingen omtrent jufvrouw Fotheringay verwekten dus
groote smart en schaamte bij Pen. Was hij vroeger reeds beschaamd
geweest over zijne verliefde bui, wat moesten thans wel zijne gevoelens
zijn, nu het voorwerp van zulk eene reine vereering, ja aanbidding,
slechts eene verachtelijke bedriegster bleek te zijn, eene bedriegster,
door iedereen behalve hem doorgrond! Het kwam bij Pen niet op, aan de
zaak te twijfelen, noch te onderzoeken of de beweringen van een man
gelijk zijn nieuwen vriend, die nooit van eenige vrouw iets goeds
zeide, een schijn van waarheid hadden.
Gedurende eene der Paaschvacantiën, toen Pen aan zijne moeder en zijn
oom bericht had, dat hij, in plaats van naar buiten te komen, te
Oxbridge zou blijven doorstudeeren, liet hij zich echter overhalen met
zijn vriend Bloundell een kort uitstapje naar Londen te doen. Zij namen
hun intrek in een hotel in Covent Garden, waar Bloundell „thuis was,”
zooals hij het noemde, en genoten de genoegens der stad met den ijver,
dien men van jonge studenten gewoon is. Bloundell was nog altijd lid
van eene militaire club, waar hij Pen een paar malen meenam om te
dineeren (de jongelui reden daar met eene cab naar toe, uit vrees van
majoor Pendennis op zijne wandeling door Pall Mall te ontmoeten), en
hier werd Pen voorgesteld aan een aantal heeren met sporen en knevels,
waarmee hij ’s morgens pale ale dronk en ’s avonds de stad
doorslenterde. Hij zag op die wijze heel wat van de wereld en liep niet
veel gevaar om zijn voogd in de schouwburgen en op de concerten te
ontmoeten, die deze luidruchtige jonge losbollen bezochten. Op zekeren
avond waren zij echter zeer dicht in elkanders nabijheid, want Pen, die
in eene loge in het Museum-Theater zat, was alleen door een houten
beschot van den majoor gescheiden, die zich met Lord Steyne in de loge
van dien geachten edelman bevond. Jufvrouw Fotheringay pronkte in al
den glans van haar roem. Zij had opgang gemaakt, of, met andere
woorden, zij had bijna een jaar lang zeer volle zalen gehad; zij had de
provinciën met den meest gunstigen uitslag bereisd, was te Londen
teruggekomen, om daar met eenigszins getaanden luister te schitteren,
en speelde nu „met steeds klimmenden bijval, enz.” en „tot roem van het
goede oude Britsche drama,” zooals de affiches zeiden, voor zalen,
waarin nog plaats genoeg was voor iedereen, die haar wilde zien.
Het was de eerste maal dat Pen haar zag, sedert dien gedenkwaardigen
dag toen zij te Chatteries gescheiden waren. Het jaar te voren, toen
zij te Londen zoo grooten roem inoogstte en de dagbladen hare
schoonheid ophemelden, had Pen een voorwendsel weten te vinden om onder
den studietijd naar de hoofdstad te gaan, waar hij dadelijk naar den
schouwburg vloog, om zijne oude geliefde te zien. Hij riep zich de oude
genegenheid eerder in het geheugen dan dat hij die hernieuwde. Hij
herinnerde zich met welke gespannen verwachting hij te Chatteries de
rol van den acteur bespiedde, die vóór Ophelia of Mevrouw Haller
optrad. Toen die acteur nu bij deze gelegenheid optrad, gevoelde Pen
eene soort van zwakke trilling; toen de zaal van toejuichingen begon te
daveren en Ophelia met hare oude buiging en diepe nijging optrad,
ondervond Pen eene lichte aandoening, maar hij bloosde sterk toen hij
haar aanzag en dacht onwillekeurig, dat alle aanwezigen naar hem keken.
Hij hoorde haar nauwelijks gedurende de eerste helft van het stuk, en
dacht met zooveel ergernis aan de vernedering, waaraan zij hem had
blootgesteld, dat hij zich begon in te beelden, dat hij jaloersch was
en haar nog liefhad. Maar die zinsbegoocheling duurde niet lang. Hij
liep naar de zijdeur van het tooneel om haar zoo mogelijk te zien; doch
dit mislukte. Zij ging wel met eene gezellin rakelings langs hem heen,
maar hij kende haar niet en zij van hare zijde herkende hem evenmin.
Den volgenden avond kwam hij laat en bleef hij bedaard zitten om het
nastuk te zien; en den derden en laatsten avond van zijn verblijf te
Londen – wel, toen zou Taglioni in de opera dansen – Taglioni! en dan
werd er Don Giovanni gegeven, dien hij boven alles bewonderde. Derhalve
ging mijnheer Pen Don Giovanni en Taglioni zien.
Ditmaal was de illusie ten haren opzichte geheel voorbij. Zij was niet
minder bevallig, maar toch, om welke reden dan ook, dezelfde niet meer.
Het licht, dat vroeger uit hare oogen straalde, was verdwenen, of Pen
werd er niet langer door verblind. Hare volle stem klonk als vanouds,
maar deed Pen’s hart niet als vroeger trillen. Het kwam hem voor, dat
hij het Iersch accent er tusschen door hoorde en dat de toon nu grof en
valsch was. Het ergerde hem, dat hij weer denzelfden nadruk op dezelfde
woorden hoorde, alleen een weinigje luider; en meer nog, dat hij die in
het oog loopende navolging ooit voor genie had kunnen aanzien, – dat
het van buiten geleerde snikken en zuchten hem van aandoening had doen
wegsmelten. Hij had een gevoel alsof het in een ander leven was
geweest, ja alsof het een ander mensch was, die haar zoo dolzinnig lief
had gehad. Hij was beschaamd en diep vernederd en gevoelde zich als het
ware verlaten. Ach, arme Pen, de dwaling is soms beter dan de waarheid,
een schoone droom beter dan een treurig ontwaken!
De vrienden hadden dien avond een luidruchtig souper en mijnheer had
den volgenden morgen haarpijn, waarmee hij naar Oxbridge terugkeerde,
na al zijne comptante penningen verteerd te hebben.
Daar dit verhaal uit Pen’s eigen aanteekeningen getrokken is, zoodat de
lezer zeker kan zijn, dat het woord voor woord waarheid bevat, maar Pen
zelf zich nooit een duidelijk denkbeeld heeft kunnen vormen van de
wijze, waarop hij eigenlijk zijn geld doorbracht en zich in aanhoudend
grootere financieele moeielijkheden gewikkeld had gedurende zijn
heilloos verblijf aan de hoogeschool van Oxbridge, zoo is het mij
natuurlijk onmogelijk zijne ongelegenheden nauwkeuriger te schetsen dan
door het algemeen overzicht van zijne levenswijze, hetwelk wij in de
vorige bladzijden gegeven hebben. Hij spreekt niet al te bitter over de
afzetterijen van de winkeliers in de academiestad, noch van die te
Londen, die hij in den aanvang zijner academische loopbaan met zijne
klandizie vereerde. Zelfs Finch de geldschieter, met wien Bloundell hem
in kennis bracht en hij meer dan eens zaken had, waarbij de jonge
schavuit zijne handteekening op gezegeld papier zette, behandelde Pen,
volgens diens eigen bekentenis, met inschikkelijkheid en zette hem
nooit meer dan honderd percent af. De oude kok van het Collegie, die
hem eene vurige bewondering toedroeg, maakte eene afzonderlijke
rekening voor hem op, wilde hem tot het laatste oogenblik diners
blijven leveren en zou hem tot zijn laatsten ademtocht niet gemaand
hebben. Arthur Pendennis had eene vriendelijkheid en openhartigheid
over zich, welke de meeste menschen innam, die met hem in aanraking
kwamen, en die hem, terwijl hij daardoor aan den eenen kant
gemakkelijker ten prooi viel aan schurken, aan den anderen kant meer
welwillendheid dan hij verdiende van den kant van brave menschen
verwierf. Het was onmogelijk aan zijne goedhartigheid weerstand te
bieden of, in zijne berispelijkste oogenblikken, niet te hopen, dat hij
voor den algeheelen ondergang bewaard zou blijven.
Toen hij nog in den vollen roes der academievermaken verkeerde, zou hij
de vroolijkste partij verlaten hebben, om een zieken vriend gezelschap
te gaan houden. In de behandeling zijner bekenden maakte hij nooit
onderscheid tusschen aanzienlijken en geringen, hoewel de smaak van den
rampzaligen knaap, welke naar het weelderige overhelde, hem de voorkeur
aan voornaam gezelschap deed geven; hij was maar al te bereidvaardig om
eene guinje met een behoeftig vriend te deelen, en als hij geld had,
bezat hij een onweerstaanbaren lust om te betalen, hetgeen hij zijn
gansche leven door niet heeft kunnen afleeren.
In zijn derde studiejaar begonnen de schuldeischers op eene
afgrijselijke manier rondom hem samen te scholen en was er eene
vergadering voor zijne deur, die de leeraars vertoornde en menig
stouter hart dan het zijne in de schoenen zou hebben doen zinken. Met
sommige dier heeren disputeerde hij; anderen snauwde hij af (volgens
den raad van mijnheer Bloundell, die doctor mocht heeten in die
wetenschap, ofschoon hij het in geene andere werd) en bij enkelen bakte
hij zoete broodjes. Men zegt, dat toen de kleine Mary Frodsham, de
dochter van een armen vergulder en lijstenmaker, dien mijnheer Pen wel
had willen begunstigen en die een aantal mooie lijsten voor zijne
kostbare prenten had vervaardigd, met een hartbrekend verhaal tot hem
kwam, dat haar vader ziek lag aan de koorts en zijn boel bij executie
verkocht zou worden, – dat Pendennis toen in eene vlaag van berouw
wegijlde, zijn groot horloge en elk kleinood – met uitzondering van
twee oude gouden hemdsknoopjes, die aan zijn vader behoord hadden –
verpandde en zich met het ontvangen bedrag naar Frodsham’s winkel
spoedde, waar hij den armen ambachtsman, met tranen in de oogen en met
de diepste wroeging en nederigheid, om vergiffenis smeekte.
Wij houden u dit niet voor, jonge heeren, als een bewijs van Pen’s
deugd, maar veeleer van zijne zwakheid. Het zou veel deugdzamer geweest
zijn, als hij in het geheel geen prenten had gekocht. Hij was nog
altijd het geld schuldig voor de snuisterijen, die hij verpand of
verkocht had om Frodsham’s rekening te voldoen, en zijne moeder moest
zich op de pijnlijkste wijze bekrimpen om de nota van den juwelier te
betalen, zoodat bij slot van rekening zij het was, die voor de
onverantwoordelijke loszinnigheid en dwaasheden van den jonkman boeten
moest. Wij stellen u Pen niet voor als een held of tot voorbeeld, maar
alleen als een knaap, die, bij duizend ijdelheden en zwakheden, nog
eenige edele opwellingen overgehouden heeft en niet geheel en al een
schelm is.
Wij hebben vermeld, dat het eene ergernis voor den onderwijzer Buck
was, dat Pen’s uitspattingen bekend werden. Om de wijze, waarop hij aan
de academie was gekomen, de vrienden, waarmee hij omging, en de
aanbevelingen van doctor Portman en den majoor, had Buck een tijdlang
gedacht, dat zijn leerling een schatrijk personage was, zoodat hij zich
zelfs eenigszins verwonderd had, dat Pen zoo eenvoudig leefde. Eens
toen hij naar eene receptie ten hove te Londen gegaan was, om een adres
van zijner majesteits getrouwe hoogeschool van Oxbridge over te
brengen, had Buck den majoor Pendennis op het paleis van St. James in
gesprek gezien met twee ridders van den Kouseband, en de verbijsterde
geleerde zag hem na de receptie in het rijtuig van een hunner
wegrijden. Zoodra hij te Oxbridge terugkwam, vroeg hij Pen op een glas
wijn, stelde hem meer dan ooit vrij van het bijwonen van kerkdienst en
lessen, en hield zich volkomen verzekerd, dat Pen een zeer vermogend
jongmensch was.
Hij stond dus als van den donder getroffen toen hij de waarheid vernam
en Pen zelf hem de noodlottige bekentenis deed. Pen’s academieschulden
waren aanzienlijk, en met de Londensche schulden behoefde de
onderwijzer zich niet in te laten, gelijk Pen er hem natuurlijk ook
niet van inlichtte. Wie is er, die, door zijne vrienden aangespoord om
te zeggen wat hij schuldig is, alles vertelt? De onderwijzer vernam
genoeg om nu te weten, dat Pen arm was, dat hij een ruim, ja bijna rijk
jaargeld had doorgebracht, en zulk een weelderigen oogst van schulden
rondom zich had laten opgroeien, dat het bijna bovenmenschelijke
krachten zou vorderen om die af te maaien, want er is geen plant, die
sneller opwast dan deze, wanneer zij eenmaal wortel heeft geschoten.
Misschien omdat zijne moeder zoo teeder was en goed, schrikte Pen terug
voor de gedachte, dat zij zijne zonden zou vernemen. „Ik kan het haar
niet bekennen,” verklaarde hij aan zijn onderwijzer in zijne
radeloosheid en zielesmart; „ik heb haar gemeen behandeld, mijnheer.”
Hij had diep berouw; hij wenschte de gelegenheid te hebben om alles te
boven te komen, en hij vroeg zich af, waarom zijn oom er zoo op
aangedrongen had, dat hij met groote lui zou omgaan, en in welk opzicht
zijne voorname kennissen hem van voordeel waren geweest?
Zij, van hun kant, ontweken Pen niet, maar hij dacht het, en hield zich
dus gedurende den laatsten tijd van zijn verblijf aan de academie op
een afstand. Hij was somber als een doodshoofd op de partijen, die hij
ook zooveel mogelijk ontweek, zoodat zijne jonge vrienden ophielden hem
te vragen. Iedereen wist, dat Pendennis op het punt stond van te
„sjeezen.” Die Bloundell, die niemand kon betalen en na die cursussen
genoodzaakt was te vertrekken, had hem in het verderf gestort, zeiden
de studenten. Men kon Pen’s melancholische gestalte met eene gedeukte
oude baret en een gescheurden tabbaard over de pleinen van de academie
zien sluipen, en de man, die nog pas een jaar te voren de trots van de
hoogeschool was, tegen wien de jonge studenten met eerbied opzagen, was
nu het onderwerp der gesprekken op de partijtjes der groenen, die met
verwondering en vreeze van hem gewaagden.
Eindelijk kwamen de examens. Menig jonkman, te gelijk met Pen
aangekomen, met wiens zwaar bespijkerde schoenen Pen den draak
gestoken, of wiens gezicht of kleeding hij bespottelijk gemaakt had, –
menig student, dien hij in de collegiezaal met smaad bejegend of door
zijne welsprekendheid in de debatteerclub overschaduwd had, menig
student uit zijn eigen kring van bekenden, die niet de helft van zijn
aanleg, maar wat meer werkzaamheid of bestendigheid bezat, kwam er met
grooten lof, of althans draaglijk door. Maar waar op de examenlijst
stond de prachtlievende Pen, de geestige en kwasterige Pen, de
dichterlijke en welsprekende Pen? Ach, waar was Pen, de lieveling en de
eenige roem der weduwe te vinden? Wij verbergen ons hoofd en maken een
einde aan dit hoofdstuk. De lijsten werden openbaar gemaakt, en als een
loopend vuurtje vloog de ontzettende mare de academie door, dat
Pendennis van het Bonifacius-Collegie gedropen was.