Onze vriend Pen had geen spijt toen zijn Mentor den tweeden dag na
beider aankomst te Oxbridge afscheid van hem nam, en daarentegen kunnen
wij ook zeker wezen, dat de majoor van zijn kant heel blij was, dat hij
zijn plicht vervuld had en die taak nu achter den rug was. Meer dan
drie maanden van zijn kostbaren tijd had die martelaar van een majoor
aan zijn neef gewijd. Is ooit een grooter offer van een zelfzuchtig
mensch gevorderd? Kent gij veel menschen of majoors, die er eveneens
toe in staat zouden zijn? Het kan gebeuren, dat een man zijn hoofd op
het blok legt, of zijn leven in gevaar stelt voor zijne eer; maar laten
wij hem niet te licht vragen, om zijn gemak of de begeerte van zijn
hart ten offer te brengen. Weinigen onder ons kunnen die beproeving
doorstaan. Zeg eens, waardste lezer, – zoudt gij, indien gij bij geval
een baard hadt, dien opofferen? Ik wil niet zeggen, dat vrouwen niet
tot zulk eene verloochening in staat zouden zijn. Zij zijn er aan
gewoon; wij dragen behoorlijk zorg, haar aan opofferingen te gewennen;
maar de mate van zelfopoffering, waarde heer, die gij in den loop uws
levens aan den dag hebt gelegd, zal, wanneer het elders op uwe rekening
wordt geboekt, waarschijnlijk uw batig slot niet veel vergrooten. Maar
het spreken over zulke onaangename onderwerpen dient tot niets, en gij
zijt zeker te beleefd om mij het gemeene tu quoque toe te roepen. Ik
wensch echter eens voor al te verklaren, dat ik den majoor ten hoogste
bewonder voor zijn gedrag gedurende dit kwartaal, en dat ik geloof, dat
hij alle recht op vacantie heeft. Foker en Pen brachten hem naar de
diligence, waar het den eerstgenoemden heer behaagde den koetsier te
verzoeken, om vooral goed op dien ouden heer daar binnen te passen. De
oude Pendennis zag zijn neef gaarne in gezelschap van een jonkman, die
hem zeker met de voornaamste studenten der academie in aanraking zou
brengen. De majoor snelde naar Londen en van daar naar Cheltenham, om
zich uit die badplaats naar eenige omliggende aanzienlijke huizen te
begeven, wier bewoners niet op reis waren gegaan en waar men eene
flinke jacht en goed gezelschap kon aantreffen.
Wij hebben thans een vierde van ons gansche werk aan het verslag van
ééne gebeurtenis in Pen’s leven gewijd, en het is duidelijk, dat wij
niet al zijne lotgevallen zóó uitvoerig kunnen beschrijven, tenzij een
afstammeling van den schrijver bij diens dood de pen opvatte en het
verhaal voor de nakomelingen van het tegenwoordige geslacht van lezers
voortzette. Wij zullen de academische loopbaan van den jonkman op verre
na niet zoo breedvoerig schetsen. Helaas! eigenlijk kan het leven van
zulke knapen niet voegzaam in al zijne bijzonderheden verhaald worden.
Ik wenschte, dat het mogelijk ware. Maar ik vraag u: zou dit met uw
leven het geval zijn? Zeker is uwe ziel vrij gerust, zoolang datgeen,
wat wij onze „eer” noemen, onbesmet is. De vrouwen zijn rein, maar niet
de mannen. De vrouwen offeren zich op, maar de mannen niet. Ik zou van
den armen Arthur Pendennis niet willen zeggen, dat hij slechter was dan
zijne kameraden; maar slecht zijn die kameraden voor het meerendeel.
Laten wij oprecht genoeg zijn, om dit ten minste te bekennen. Kunt gij
onder al uwe bekenden tien onberispelijke mannen opnoemen? Mijne lijst
van kennissen is vrij lang, maar ik kan er geen tien heiligen op
vinden.
Gedurende den eersten termijn van het academieleven woonde mijnheer Pen
de collegiën in de oude letteren en de wiskunde tamelijk trouw bij;
maar toen hij na korten tijd weinig smaak of aanleg voor de wiskundige
wetenschappen bij zich ontdekte en het hem misschien hinderde, dat een
paar heel gemeene jongelui, die zelfs geen sous-pieds gebruikten om
hunne verfoeielijk lompe schoenen en kousen te verbergen, hem op de
collegiën voorbijstreefden, onttrok hij zich aan dien cursus en
berichtte aan zijne liefhebbende moeder, dat hij zich uitsluitend aan
de studie der Grieksche en Romeinsche letterkunde zou wijden.
Mevrouw Pendennis had er volkomen vrede mee, dat haar lieve jongen dat
vak zou beoefenen, waarvoor hij den meesten lust gevoelde, en verzocht
hem alleen maar, zijne gezondheid niet te ondermijnen door al te veel
studeeren, want zij had de treurigste voorbeelden gehoord van
studenten, die zich overwerkt en daardoor zich hersenkoortsen berokkend
hadden en ontijdig, te midden van hunne academische loopbaan, weggerukt
waren. En Pen, merkte zij te recht aan, die altijd eene zwakke
gezondheid had gehad, moest meer voor die gezondheid dan voor ijdele
eereprijzen zorgen. Ofschoon Pen niets wist van eenige verborgen kwaal,
die zijn leven in gevaar bracht, beloofde hij echter gaarne aan zijne
mama, dat hij des nachts niet te laat zou zitten studeeren; en hij
hield woord te dien aanzien, veel beter dan in andere opzichten, waarin
hij misschien wel wat nalatig was.
Spoedig begon hij in te zien, dat het bestudeeren der klassieke
schrijvers hem van weinig nut was. Zijne medestudenten waren hem te
dom, gelijk zij hem op het gebied der wiskunde te geleerd waren
geweest. Buck, de onderwijzer, was niet geleerder dan menige jongen uit
de vijfde klasse bij de Grauwebroeders; hij mocht eenige geringe kennis
van het metrum en de taalkundige constructie van een regel uit Æschylus
of Aristophanes hebben, maar hij had even weinig begrip van poëzie als
jufvrouw Binge, die Pen’s bed opmaakte. Het verveelde Pen dus, de domme
studenten en den dommen onderwijzer over eenige regels van een
tooneelstuk te hooren sukkelen, die hij in een tiende gedeelte van den
tijd, dien zij er aan besteedden, kon lezen. Alles bijeen genomen, was
eigen studie, gelijk hij het begon te beschouwen, de eenige studie, die
wezenlijke vruchten kon opleveren; en hij gaf dus aan zijne mama
kennis, dat hij in zijne afzondering veel meer en op het openbaar
collegie veel minder studeeren zou. De achtenswaardige vrouw wist even
weinig van Homerus als van de algebra, maar zij was volkomen tevreden
met Pen’s beschikkingen omtrent den verderen gang zijner studiën en
hield zich innig overtuigd, dat haar lieveling de plaats zou veroveren,
die hem toekwam.
Pen kwam eerst na Kerstmis thuis, eenigszins tot spijt van zijne
liefhebbende moeder en van Laura, die van verlangen brandde om eene
mooie sneeuwvesting voor hem te maken, zooals hij er drie winters
geleden zelf eene gebouwd had. Maar hij was op Logwood genoodigd
geweest bij Lady Agnes Foker, waar liefhebbers tooneelvoorstellingen
gaven en een vroolijk en voornaam Kerstgezelschap vereenigd was,
hetgeen majoor Pendennis voor geen geld ter wereld wilde, dat zijn neef
verzuimen zou. Pen bracht echter voor het minst drie weken van de
vacantie thuis door, en Laura zag met verbazing wat eene groote
hoeveelheid nieuwe kleeren hij meebracht, terwijl zijne moeder zijn
fikscher voorkomen en zijn manhaftigen en beslissenden toon bewonderde.
Met Paschen kwam hij niet thuis, maar toen hij met de groote vacantie
overkwam, bracht hij nog meer fraaie kleeren mee. Des morgens vertoonde
hij zich in schitterende jachtbuizen met verbazende knoopen, en des
avonds in prachtige fluweelen vesten, rijk geborduurde dassen en
allerfijnst linnengoed. Terwijl zij op zijne kamer rondsnuffelde, zag
zij o zoo’n mooie toiletdoos met zilveren beslag en een aantal beeldjes
van ringen en andere snuisterijen. Bovendien bezat hij een nieuw
Fransch horloge met gouden ketting in plaats van den dikken ouden
chronometer met de rinkelende cachetten, die uit den vestzak van John
Pendennis gebengeld hadden. Bij den secondewijzer van dit uurwerk had
de overleden dokter den pols van menig patiënt gevoeld. Het was nog
maar weinige maanden geleden, dat Pen vurig naar dat horloge verlangd
had, hetwelk in zijn oog het kostbaarste en achtbaarste uurwerk ter
wereld was; en toen hij naar de academie zou gaan, had Helena het uit
haar juweelkistje genomen (waar het sedert den dood van haar man
onopgewonden had gelegen) en het aan Pen met eene kleine, maar
plechtige en toepasselijke aanspraak betreffende zijn vaders deugden en
het gepaste gebruik van den tijd overhandigd. Pen verklaarde dezen
deftigen en kostbaren chronometer thans voor ouderwetsch en maakte
zelfs zekere vergelijkingen tusschen dat kunstwerk en een knol, die
Laura zeer oneerbiedig vond. Hij liet het horloge in eene lade liggen,
in gezelschap van bevlekte paarsche handschoenen, dassen, die uit de
mode waren, en dat andere horloge uit zijn schooltijd, hetwelk vroeger
in dit verhaal vermeld is. Onze oude vriendin Rebecca was volgens Pen
niet meer in staat hem te dragen, zoodat hij haar tegen een ander en
sterker paard verruilde, waarop hij nog eene aanzienlijke som moest
bijbetalen. Mevrouw Pendennis gaf den knaap het geld voor het nieuwe
paard en Laura schreide toen Rebecca werd weggehaald.
Pen bracht ook eene groote kist sigaren mee, die met Colorados,
Afrancesados, Telescopios, „Fudson, Oxford Street” en andere vreemde
namen gemerkt waren, en begon die niet alleen bij de stallen en
broeikasten te rooken, waar zij zeer goed waren voor Helena’s planten,
maar op zijne eigen kamer, welke gewoonte in den beginne aan zijne
moeder niet behaagde. Maar hij zeide, dat hij bezig was aan een
prijsvers en dat hij zonder sigaar niet werken kon, waarbij hij dan de
regels van wijlen den betreurden Lord Byron, ten gunste van het rooken,
aanhaalde. Daar hij met zulk een goed doel rookte, kon zijne moeder hem
natuurlijk haar verlof niet onthouden. Zelfs gebeurde het eens, dat de
goede ziel, toen zij midden onder Pen’s werk in zijne kamer kwam (hij
doorbladerde een pas verschenen roman, want het betaamde iederen
student zich op de hoogte van de lichte litteratuur zoowel van zijn
eigen land als van het buitenland te houden) – dat zij, zeggen wij,
toen zij Pen op de sofa met dit werk bezig vond, liever dan hem te
storen, lucifers en sigaren uit zijne naburige slaapkamer haalde, hem
eigenhandig eene sigaar in den mond stak en de lucifer afstreek om hem
te laten aansteken. Pen lachte en kuste de hand, die zijne moeder over
den rug der sofa liet hangen. „Moedertje-lief,” sprak hij, „als ik u
verzocht het huis in brand te steken, zoudt gij het, geloof ik, doen.”
Zeer waarschijnlijk is het, dat Pen gelijk had en dat die dwaze vrouw
zelfs daartoe in staat zou geweest zijn.
Behalve de Engelsche „lichte litteratuur”, die deze vlijtige student
verslond, bracht hij kisten vol met de lichte litteratuur van het
naburige Frankrijk mee, en als Helena wel eens een blik daarin sloeg,
las zij dingen, die haar groote oogen deden opzetten. Maar Pen legde
haar uit, dat hij die boeken niet geschreven had, ofschoon het
volstrekt noodig was, dat hij zijn Fransch onderhield door thuis te
zijn in de beroemdste schrijvers van zijn tijd, en dat het even
duidelijk zijn plicht was om den verdienstelijken Paul de Kock te lezen
als Swift of Molière te bestudeeren. En mevrouw Pendennis schikte er
zich in met een zucht, die van haar twijfel getuigde. Maar jufvrouw
Laura werd tegen die boeken gewaarschuwd, zoowel door de bezorgde
moeder als door den strengen zedemeester mijnheer Arthur Pendennis
zelven, die, al was hij genoodzaakt elken tak der letterkunde te
bestudeeren, ten einde zijn geest te vormen en zijn stijl te volmaken,
zulk een cursus toch in het geheel niet wilde aanbevelen voor eene
jonge dame, wier levenstaak van gansch anderen aard was.
In den loop dezer lange vacantie dronk mijnheer Pen den wijn uit, dien
zijn vader had opgedaan en waaromtrent wij den zoon hebben hooren
verzekeren, dat men van een geheel okshoofd geen hoofdpijn zou krijgen.
Toen die wijn op was, schreef hij om een nieuwen voorraad aan „zijne
wijnkoopers”, de heeren Binney en Latham in Mark Lane te Londen, bij
wie werkelijk de oude doctor Portman onzen Pen had geraden eene
hoeveelheid port en sherry op te doen, toen hij naar de academie ging.
„Gij zult uwe jonge vrienden zonder twijfel wel eens een glas wijn
moeten schenken,” had de eerzame dominé tegen den knaap gezegd. „Dat
was in mijn tijd de gewoonte aan de academie, en dus raad ik u, dat gij
uw kleinen voorraad wijn liever van eerlijke en geachte wijnkoopers te
Londen neemt, dan van de handelaars te Oxbridge, wier waar, als ik het
mij wel herinner, van slechte hoedanigheid en buitensporigen prijs
was.” En de gehoorzame jonge heer volgde den raad van den doctor en
begunstigde, op diens aanbeveling, de heeren Binney en Latham met zijne
klandizie.
Toen hij die heeren dus schreef, om eene hoeveelheid wijn voor de
kelders van Fairoaks af te zenden, gaf hij hun te verstaan, dat zij
zijne academie-wijnrekening maar te gelijk met de rekening voor
Fairoaks moesten opzenden. De arme weduwe stond ontzet over het bedrag.
Doch Pen lachte om hare ouderwetsche begrippen, zeide, dat de rekening
heel matig was, dat iedereen tegenwoordig zijn rooden wijn en champagne
dronk, en de weduwe eindigde met te betalen, maar gevoelde, dat hare
huishoudelijke uitgaven belangrijk toenamen en dat haar beperkt inkomen
ternauwernood toereikend zou zijn om ze te bestrijden. Het waren echter
slechts tijdelijke uitgaven. Pen kwam voor: weinige weken met de
vacantie thuis. Zij zou zich met Laura kunnen bekrimpen als hij weer
weg was. Moesten zij het hem, gedurende den korten tijd, dat hij bij
haar vertoefde, niet naar den zin maken?
Arthur genoot gedurende al dien tijd eene ruime toelage, veel ruimer
dan de zonen van heel wat rijker lieden. Jaren geleden was, de zuinige
en liefhebbende John Pendennis, wiens vurigste wensch het was, dat zijn
zoon eene academische opleiding zou ontvangen, waarvan John door de
verkwistingen van zijn vader verstoken was gebleven, begonnen wat geld
ter zijde te leggen, waaraan hij den naam van Arthur’s Opvoedings-Fonds
gaf. Zijne executeuren vonden in zijn boek jaar voor jaar sommen
opgeschreven ten name van A. O. F., waarbij de weduwe sinds haar mans
dood en vóór Arthur’s vertrek naar de academie nog verscheidene sommen
gevoegd had, zoodat het fonds, toen Arthur naar Oxbridge ging, een
aanzienlijk bedrag uitmaakte. „Geef hem een flink jaargeld,” was de
raad van majoor Pendennis. „Laat hem eerst zijne entrée in de wereld
doen als een gentleman en zijne plaats onder menschen van rang en stand
innemen. Heeft men hem eenmaal op dat standpunt geholpen, dan is het
zijne zaak er zich staande te houden. Niets is zoo verkeerd als een
jongen kort te houden, of hem minder toe te leggen dan zijne kameraden
hebben, Arthur zal spoedig genoeg tegenover de wereld staan en er zich
doorheen moeten slaan. In den tusschentijd zullen wij hem op die wijze
goede vrienden en de manieren van een gentleman bezorgd hebben, zoodat
hij goed toegerust en ervaren zal zijn tegen den tijd, dat de
wezenlijke strijd aankomt.” De majoor sprak zeker in dezen milden
geest, ten eerste omdat hij hetgeen hij zeide voor waarheid hield, en
ten andere omdat het geld niet uit zijn eigen zak behoefde te komen.
Ten gevolge van dit alles scheen de jeugdige Pen, de eenige zoon van
een grondbezitter ten platten lande, met een ruim inkomen en het
voorkomen en de manieren van een gentleman, een persoon van veel meer
gewicht dan hij inderdaad was; en de leeraren, de winkeliers en de
studenten te Oxbridge beschouwden hem als een „heer” en een lid der
aristocratie. Hij had ronde, vrije, misschien wel wat al te vrije
manieren, zooals men van een levendig jongmensch verwachten kan. Hij
was onbekrompen en mild met het geld, waarvan hij een ruimen voorraad
scheen te bezitten. Hij hield van pret en had eene goede stem voor een
liedje. Het roeien was in Pen’s tijd nog niet zoo in de mode, als wij
vernomen hebben, dat het sedert dien tijd aan de academie geworden is;
het rijden met paard en rijtuig was toen vooral in den smaak bij de
levenslustige jeugd. Pen nam loffelijk deel aan de lange jacht, en
droeg een rooden jachtrok, en ofschoon hij niet buitensporig was in het
rijden noch in eenig ander vermaak, gelukte het hem toch eene niet
onaardige rekening bij den stalhouder Nile en bij verscheidene anderen
te maken. Inderdaad bezat deze gelukkige jonge heer bijna elke
liefhebberij in hoogen graad. Hij hield heel veel van boeken van
allerlei soort; doctor Portman had hem met den lust voor zeldzame
uitgaven bezield, en zijn eigen smaak viel op sierlijke banden. Het was
ongeloofelijk hoeveel exemplaren op groot papier en hoeveel verguldsel,
marmering en blinddruk de boekverkoopers en boekbinders op zijne
planken plaatsten. Hij bezat een zeer fijnen smaak op het gebied der
kunst en eene vurige begeerte naar platen uit de goede school – geen
van die Fransche ballet-danseressen of bonte jachtprenten, die de oogen
van zijn voorganger, mijnheer Spicer, verkwikt hadden; maar Stranges,
en etsen van Rembrandt, en Wilkie’s vóór de letter, waarmee zijn
vertrek eerlang smaakvol versierd was, zooals men aan de academie
erkende, waar deze jonkman zich eene groote reputatie verwierf. Wij
hebben reeds gezegd, dat hij belangstelling in ringen en snuisterijen
en mooie kleeren van allerlei aard aan den dag legde; en moeten
erkennen, dat hij gedurende zijn verblijf aan de academie vrij veel van
eene modepop had en zich gaarne in al zijn luister vertoonde. Hij en
zijne voorname vrienden kleedden zich met zooveel zorg om bij elkander
te gaan dineeren, als andere lieden zouden doen om eene geliefde te
gaan veroveren. Men gaf hem na, dat hij over zijne glacé handschoenen
heen ringen droeg, hetgeen hij echter altijd tegenspreekt; maar tot
welke dwaasheden is niet de jeugd met de haar eigene
bewonderenswaardige deftigheid en onnoozelheid in staat! Waarheid is
het, dat hij geparfumeerde baden nam; maar hij zegt, dat dit noodig
was, als hij in de collegiezaal dicht bij sommige heel gemeene jongelui
had gezeten.
In Pen’s tweede studiejaar, toen jufvrouw Fotheringay den meesten
opgang te Londen maakte en hare portretten bij dozijnen werden
uitgegeven, hing hij één daarvan in zijne slaapkamer op en deelde aan
de studenten van zijne kennis mede, hoe ontzettend, hoe woest, hoe dol,
hoe hartstochtelijk hij op die vrouw verliefd was geweest. Hij liet hun
in vertrouwen de verzen zien, die hij aan haar gericht had, en zijne
wenkbrauwen fronsten zich, zijne oogen rolden, zijne borst zwoegde van
aandoening, wanneer hij zich dat noodlottige tijdperk zijns levens voor
den geest bracht en de smart en de folteringen beschreef, die hij
doorstaan had. Die verzen werden afgeschreven, ter lezing gegeven,
bespot en bewonderd, en kwamen uit de eene hand in de andere. Er zijn
weinige zaken, die een knaap méér in de schatting van andere knapen
verheffen, dan de roep, die van hem uitgaat, dat hij een vurigen en
romantischen hartstocht gekoesterd heeft. Misschien is er onder alle
omstandigheden iets edels in gelegen; onder jongelui wordt het als iets
heldhaftigs beschouwd. Pen werd dus voor een fameusen kerel verklaard.
Men zeide dat hij bijna een zelfmoord gepleegd en met een baronet om
haar geduelleerd had. Groenen wezen hem elkander aan. Als hij tegen den
wandeltijd ten twee ure, omgeven van zijne aanhangers, heel kwasterig
uit het Collegie naar buiten stapte, was het geld waard hem te zien.
Hij was zoo sierlijk mogelijk gekleed. Hij lonkte naar de dames, die de
academie bezochten en hem aan den arm van gelukkige oud-studenten
voorbijgingen, en gaf met de deftigheid van een criticus, wiens
ervaring hem het recht toekent met gezag te spreken, zijn oordeel over
hare bekoorlijkheden of toiletten te kennen. De studenten bluften er
op, dat zij met Pendennis gewandeld hadden, en waren zoo blij als zij
met hem gezien werden, als sommigen onzer zijn zouden als zij met een
hertog door Pall Mall wandelden. Hij en de proctor groetten elkander
deftig, alsof zij wederzijds naijverige mogendheden waren, en de
studenten hadden bezwaarlijk kunnen zeggen wie van beide de voornaamste
was.
In den loop van zijn tweede studiejaar was Arthur Pendennis dan ook een
van de toongevers aan de academie geworden. Die vaardige bewondering en
die trouwhartige aanhankelijkheid der jeugd is werkelijk iets
merkwaardigs. De jongelui hechten zich aan een aanvoerder, en
bewonderen hem, houden van hem en bootsen hem na. Ik geloof niet, dat
er ooit een knaap van edele inborst bestaan heeft, die niet een zeker
gevoel van bewondering voor dezen of genen anderen jonkman heeft
gekoesterd; en Monsieur Pen had te Oxbridge zijne school, zijn trouw
gevolg van vrienden, en zijne mededingers. Als de jongelui in de
kleerenwinkels vernamen, dat mijnheer Pendennis van Bonifacius zoo even
eene karmozijn satijnen das besteld had, kon men zeker zijn in den loop
der week een paar dozijn karmozijn satijnen dassen in Main Street te
zullen zien, en Simon, de juwelier, verkocht niet minder dan twee gros
Pendennis-spelden, van een model, dat die jonge heer uitgekozen had.
Wanneer nu iemand, die aanleg voor de rekenkunst bezit, de moeite wil
nemen eens op te tellen, hoeveel geld er noodig is om onbekrompen te
kunnen toegeven aan al de liefhebberijen, die wij vermeld hebben dat
mijnheer Pen bezat, dan zal hij zien, dat een jongmensch, die zoo
ruimschoots aan zijne smaak en zijne zucht naar genoegens voldoet,
noodwendig binnen twee of drie jaren een mooien duit gelds moet
uitgeven, of schuldig blijven. Wij hebben reeds gezegd, dat onze vriend
Pen geen overleg bezat. Hij dreef geen zijner liefhebberijen tot het
buitensporige. Het is zeker, dat Paddington’s kleermakersrekening,
Guttlebury’s rekening bij den kok voor diners, Dillon Tandy’s rekening
bij den prentverkooper Finn, voor Raphaël Morghens en proefdrukken van
Landseer, Wormall’s rekening bij den grooten boekhandelaar Parkton voor
Aldijnsche uitgaven, folio’s met Gothische letters en rijk geschilderde
misboeken uit de zestiende eeuw, Snaffle’s of Foker’s rekening bij den
paardenkooper Nile, – dat elk dier rekeningen, zeggen wij, oneindig
hooger was dan het weinige, waarvoor mijnheer Pen bij die winkeliers in
het krijt stond. Maar Pendennis van Bonifacius bezat boven al die jonge
heeren, zijne vrienden en kameraden, het voordeel, dat hij in alles
liefhebberij had; en terwijl de jonge Lord Paddington geen duit gaf om
de mooiste prent, noch belang stelde in de mooiste vergulde lijst als
zij geen spiegels omvatte, en Guttlebury er zich volstrekt niet om
bekommerde hoe hij gekleed ging en een afkeer van paarden had, ja zelfs
bang was voor het rijden, en Snaffle nooit een ander boek dan het
Jaarboek der wedrennen, of het aan jacht en boksen enz. gewijde blad
Bells Life in London las, noch zich om eenig ander manuscript dan het
zakboekje, waarin hij zijne weddenschappen opteekende, bekommerde, –
hield onze veelzijdige jonge vriend zich met elk dier takken van
wetenschap of vermaak bezig en was in geen daarvan onverdienstelijk.
Op deze wijze verkreeg de jonge Pen eene verbazende reputatie aan de
academie, waar men hem als een soort van model roemde. De prijs voor
het beste Engelsche vers, waarmede wij hem op Fairoaks zoo druk bezig
hebben gezien, werd dit jaar wel is waar door Jones van het
Jezus-Collegie behaald, maar de jongere studenten vonden het vers van
Pen veel mooier. Hij liet zijne verzen voor zijne eigen rekening
drukken en deelde die, in marokijn, verguld op snee, aan zijne
kennissen uit. Een exemplaar daarvan, dat ik onlangs in een stoffigen
hoek van mijnheer Pen’s boekenkasten vond, ligt thans voor mij, en is
samengebonden met een aantal oude verhandelingen uit Oxbridge,
academische reglementen, prijsverzen van zegevierende en overwonnen
candidaten, declamatiën, die in de kapel van het Collegie gehouden
waren, redevoeringen, uitgesproken in de debatteerclub en waarin Arthur
zijn naam en dien van zijn Collegie geschreven had: Pendennis –
Bonifacius, of die hem door zijn toegenegen vriend, Thompson of Jackson
den auteur, aangeboden waren. Hoe zonderling zien die opschriften in
die nog bijna jongensachtige handen er uit, en welk eene aandoening
overvalt ons bij het gezicht dier stukken, na verloop van eenige
vijftallen jaren! Wat heeft het lot er, sinds dien tijd, verscheidene
weggerukt, anderen van ons vervreemd, en allen geducht gehavend! Menige
hand is thans verstijfd, die deze vriendelijke gedachtenissen schreef
en die wij met de trouwhartige en edelaardige opwelling der jeugd
drukten. Wat was onze vriendschap in die dagen hartstochtelijk,
ongekunsteld en onbewolkt! De arm, dien gij nooit te lang onder den
uwen kondt hebben in de fraaie lanen van het Collegie, of aan den oever
der rivier, waar zij de Magdalen Gardens, of de Christ-Church Meadows
bespoelt, of zich tusschen de Trinity en Kings-Collegiën heenkronkelt,
die arm werd onvermijdelijk teruggetrokken toen gij kort daarna de
wereld waart ingetreden en ieder zijn eigen weg moest kiezen, om door
het gedrang op den levensweg heen te komen en er zich doorheen te
slaan. Zijn wij nog dezelfde menschen, die deze opschriften
nederstelden? die deze verzen lazen? die deze zoo onbeduidende, zoo
hoogdravende of zoo belachelijk deftige verhandelingen en
redevoeringen, zoo zonder erg uit boeken nagemaakt, en met uitgestreken
baardelooze gezichten en eene verwonderlijke naäperij van wijsheid en
ernst uitgesproken, zelf voordroegen of aanhoorden? Hier ligt het boek
voor mij; het is ternauwernood vijftien jaar oud. Hier schreeuwt Jack,
wiens academische loopbaan uit onafgebroken pretmakerij bestond, het
van wanhoop en Byroniaanschen menschenhaat uit. Hier heb ik Tom’s
vermetele verdediging van den zelfmoord en de republikeinsche
instellingen in het algemeen, naar aanleiding van den dood van Roland
en de Girondijnen, – van Tom, die thans de stijfste halsboordjes uit
het gansche bisdom draagt en zich liever zou laten ophangen dan op een
Vrijdag in de Vasten een biefstuk te eten. Hier is Bob, de beroemde
advocaat bij de hoven van assises, die fortuin gemaakt heeft door
spoorwegzaken voor commissiën uit het parlement te bepleiten en die
zulke goede diners geeft – die Bob buldert hier met Tancred en Godfried
van Bouillon: „Bestormt de bres, gij krijgers, die de kruisbanieren
zwaait! Rukt af de Saracenenvaan, die van den walmuur waait. Op,
schutters! dat een pijlenvlucht uw sterken boog ontsnell’; De
strijdbijl doet zijn bloedig werk, met lans en mangonel. Beuk,
stormram! Werp uw steenval uit, geduchte katapult. Jeruzalem is ons, is
ons! God lof! id Deus vult!” Waarop eene zoetvloeiende beschrijving van
de tuinen van Sharon en de maagden van Salem volgt, en eene profetie,
dat rozen de gansche uitgestrektheid van Syrië zullen bedekken en
spoedig het rijk des vredes zal gesticht worden, – alles in
onberispelijke versmaat en met de kluchtigste naäperij van gezond
verstand en sentiment en dichterlijk gevoel. Naast die ernstige
parodieën en jongensoefeningen (die te gelijk echt en onnatuurlijk,
opgeruimd en toch in zekere mate weemoedig zijn) vindt men
verhandelingen en gedichten van jeugdige handen, die nooit meer
schrijven zullen. Het lot is onheilspellend tusschen beide gekomen, en
die jeugdige stemmen zijn tot stilzwijgen verwezen en die eenmaal zoo
levendige hersens werken niet meer. Deze had genie en was van
aanzienlijke geboorte, zoodat eerbewijzen, die thans weinig waarde voor
hem bezitten, voor hem weggelegd schenen. Die andere bezat deugd,
geleerdheid en genie – iedere eigenschap en gave, die hem liefde,
bewondering en wereldschen roem verzekeren kon; en nu is een weinig
bekend en eenzaam kerkhof het graf van zoovele hoopvolle verwachtingen;
op den steen, die getuigt, dat zij zijn heengegaan, zag ik in den
herfst van verleden jaar de zon schijnen, en uit de dorpskerk in de
nabijheid hoorde ik het wegslepende gezang oprijzen. Wat doet het er
toe of uwe asch in de Westminster Abdij of bij een klein dorpskerkje
rust, en of de wereld u eenige dagen vroeger of later vergeet?
Onder deze vrienden dan en een aantal anderen bracht Pen ruim twee
schitterende en gelukkige jaren zijns levens door. Hij genoot volop
vermaak en populariteit. Geen diner of souper was volledig zonder hem;
zijne geestigheid, zijne liedjes, zijn moed en zijn rond en manhaftig
gedrag betooverde al de jonge studenten en ontwapenden zelfs de
onderwijzers, die zich aan zijne luiheid ergerden en over zijne
kostbare levenswijze meesmuilden. Ofschoon hij de gunsteling en de
toongever werd van jongelieden, die in rang en rijkdom ver boven hem
stonden, was hij veel te hooghartig om te trachten hen door laagheden
of kruipen op zijne hand te krijgen. Hij zou den geringsten zijner
kennissen niet verwaarloosd hebben, om een wit voetje bij den rijksten
jongen grande van de academie te krijgen. Zijn naam wordt nog in de
debatteerclub herdacht als die van een der schitterendste redenaars van
zijn tijd. Wij kunnen hier in het voorbijgaan aanteekenen, dat hij, na
als groen een vurig Tory te zijn geweest, plotseling omkeerde en een
der heftigste liberalen werd. Hij verklaarde, dat hij het met Danton
eens was, en hield vol, dat Lodewijk XVI zijn verdiend loon had
gekregen. Wat Karel I betreft, zwoer hij, dat hij met eigen hand het
hoofd van dien monarch zou hebben afgehouwen, indien deze zich op dat
oogenblik in de debatteerclub had bevonden en Cromwell geen anderen
scherprechter voor den verrader had kunnen vinden. Hij en de vroeger
genoemde Lord Magnus Chatteries, de zoon van den markies van Runnymede,
waren de bloeddorstigste republikeinen van hun tijd.
In het gemeenebest der studenten ontstaan reputatiën van dezen aard,
geheel onafhankelijk van de academische hiërarchie. Een student kan aan
het hoofd der lijst van eereprijzen staan en echter geheel onbekend
zijn aan zijne medestudenten, die eigen koningen en opperhoofden
kiezen, welke zij bewonderen en gehoorzamen, evenals slaven zwarte
souvereinen in hun midden bezitten, aan wie zij in het geheim
onderdanigheid bewijzen buiten die, welke zij openlijk voor hunne
meesters en opzieners aan den dag leggen. Onder de jonge studenten werd
Pen beroemd en populair, want hij voerde wel niet veel uit, maar er
bestond eene algemeene overtuiging dat hij heel wat zou kunnen doen,
indien hij het maar verkoos. „O, als Pendennis van Bonifacius maar
wilde,” zeiden de studenten, „zou hij alles kunnen!” Men wedde, dat hij
den prijs voor de Grieksche ode zou behalen, die echter aan Smith van
het Trinity-Collegie ten deel viel; iedereen hield zich verzekerd, dat
hij den prijs voor Latijnsche hexameters zou krijgen, waarmee echter
Brown van het St.-John-Collegie ging strijken, en in dier voege ontging
hem de eene academieprijs na den anderen, totdat mijnheer Pen, na twee
of drie teleurstellingen, ophield met mee te dingen. Maar hij verwierf
een prijs voor het declameeren in zijn eigen Collegie, en bracht naar
Fairoaks een stel prijsboeken voor zijne moeder en Laura mede,
gestempeld met het wapen van het Collegie en zoo dik, zoo mooi
gebonden, zoo prachtig, dat de beide dames dachten, dat er nooit te
voren in eenig Collegie zulk een prijs als die van Pen was uitgereikt,
en dat hij het allerhoogste eerbewijs behaald had, hetgeen Oxbridge bij
machte was te verleenen.
Toen de eene vacantie na de andere en de eene cursus na den anderen
verliep zonder dat er tijding kwam, dat Pen naar eenige academische
onderscheiding gestaan noch eenigen graad verworven had, legde doctor
Portman zijne ernstige ontevredenheid aan den dag en behandelde Arthur
met eene norsche hoogheid, die de knaap met gelijke munt vergold.
Gedurende eene der vacantiën legde hij in het geheel geen bezoek bij
den doctor af, tot groot verdriet zijner moeder, die het als eene gunst
beschouwde, dat men den voet in de pastorie te Clavering mocht zetten,
en met onverstoorbaren eerbied naar doctor Portman’s ouderwetsche
aardigheden en verhalen luisterde, hoe dikwijls zij die ook gehoord
had. „Ik kan de meerderheid, die de doctor aanneemt, niet uitstaan,”
zeide Pen. „Bij behandelt mij veel te vriendelijk en veel te vaderlijk.
Ik heb knapper lui gezien dan hij is, en ik ben niet voornemens mij
dood te kniezen bij zijne vervelende oude geschiedenissen en zijn
flauwen ouden portwijn.” Die stille veete tusschen Pen en den doctor
bracht de weduwe van streek, zoodat zij ook Portman ontweek en bang was
om naar de pastorie te gaan, als Arthur thuis was.
Op zekeren zondag in de laatste groote vacantie dreef de rampzalige
jonkman zijn verzet zoo ver, dat hij niet naar de kerk ging, maar aan
de deur van het Wapen van Clavering eene sigaar stond te rooken, ten
aanschouwe van de geheele gemeente, die uit de kerk kwam. De gansche
dorpsmaatschappij geraakte in geduchte opschudding, en doctor Portman
profeteerde Pen’s ondergang en zuchtte over den oproerigen jongen
losbol.
Helena beefde in het binnenste harer ziel en Laura evenzeer. Laura was
ondertusschen een aardig, bevallig, schoon meisje geworden, dat zich
aan Helena vastklemde en de weduwe met hartstochtelijke genegenheid
vereerde. Beide vrouwen gevoelden, dat de knaap veranderd was. Hij was
niet langer de eenvoudige Pen van vroeger, die zoo vrijmoedig, zoo
oprecht, zoo teeder was. Zijn gelaat droeg de sporen van zorg en smart,
zijne stem klonk holler, zijn toon was meer sarcastisch. De zorg scheen
hem te vervolgen; doch hij lachte eens wanneer zijne moeder hem onder
handen nam en keerde hare angstige vragen met eene of andere spotternij
af. Hij bracht ook niet veel van zijne vacantiën thuis door; meestal
ging hij bij den een of anderen voornamen vriend logeeren, en dan
verschrikte hij het eenvoudige paar vrouwen te Fairoaks door zijn
verslag van de aanzienlijke huizen waar hij genoodigd was en door lords
bij hun naam te noemen zonder hun titel.
De goede Henry Foker, die Arthur Pendennis in kennis had gebracht met
die soort van jongelui aan de academie, van wier omgang en vriendschap
zijn oom zooveel voordeel voor hem verwacht had; die Arthur tot het
zingen van zijn eerste liedje op zijn eerste souper had uitgenoodigd;
en die hem had voorgehangen in de Barmeciden-club, waarin alleen de
voornaamste jongelui van Oxbridge werden toegelaten (zij bestond in
Pen’s tijd uit zes edellieden, acht gentlemen-pensioners en twaalf der
voornaamste burger-jongelui aan de academie), zag spoedig, dat hij in
de voorname wereld van Oxbridge verre achtergelaten werd door den
jongen groen; en daar hij een edelmoedige en brave kerel was, die geen
greintje nijd in zijn hart koesterde, was hij buitengemeen verheugd
over den opgang, dien zijn jonge beschermeling maakte, en bewonderde
Pen even sterk als iemand dat doen kon. Hij was het, die Pen nu
navolgde en zijne geestigheden rondvertelde, die zijne liedjes leerde,
ze op minder aanzienlijke soupers zong en ze nooit te veel uit den mond
van den begaafden jongen dichter zelven hooren kon, – want mijnheer Pen
besteedde een groot gedeelte van den tijd, dien hij met veel meer
vrucht aan de voortzetting zijner studiën had kunnen wijden, aan het
opstellen van balladen, die hij, volgens academisch gebruik, op de
partijen zong.
Het zou voor Arthur gelukkig zijn geweest, indien de goede Foker nog
eenigen tijd aan de academie ware gebleven, want in weerwil van zijne
levendigheid was hij een voorzichtig jongmensch, die Pen’s overhelling
tot verkwisting dikwijls gestuit had. Maar Foker’s academische loopbaan
duurde niet lang meer, nadat Arthur in Bonifacius was opgenomen. Ten
gevolge van herhaalde oneenigheden met de academische autoriteiten
moest mijnheer Foker de universiteit van Oxbridge ontijdig verlaten.
Hij bleef, in strijd met de bevelen zijner academische overheden, de
wedrennen op de naburige Hungerfordsche heide bijwonen. Men kon hem de
kapel van het Collegie niet met de regelmatige vroomheid doen bezoeken,
die de Alma Mater van hare kinderen eischt; opene karretjes, die een
verfoeisel in de oogen der professoren en leeraren waren, maakten
Foker’s grootste liefhebberij uit, en hij reed zoo roekeloos, richtte
zooveel ongelukken aan en viel zoo dikwijls om, dat Pen van een toertje
met hem altijd zeide: „gevaar behaagt.” En eindelijk toen mijnheer
Foker op zijne kamer een dinertje gaf aan eenige Londensche vrienden,
rustte hij niet voordat hij mijnheer Buck’s deur met vermiljoen geverfd
had, waarbij hij op heeter daad betrapt werd door den proctor; en
ofschoon de jonge Zwarte Gordel, de beroemde negerbokser, die een van
mijnheer Foker’s geachte gasten was en den verfpot hield terwijl de
jeugdige kunstenaar de deur met zijn schilderwerk versierde, twee
bedienden van den proctor neervelde en wonderen van dapperheid
verrichtte, deden die heldendaden mijnheer Foker meer kwaad dan goed;
want de proctor had hem herkend en bovendien was hij met den kwast in
de hand gegrepen, zoodat hij bij summier proces veroordeeld en van de
academie weggejaagd werd.
De onderwijzer schreef daarover een zeer beleefden en gevoeligen brief
aan Lady Agnes, houdende, dat iedereen met den jonkman ingenomen was,
dat hij nooit iemand leed had gedaan, en dat de onderwijzer – wat hem
betrof – zeer gaarne die jeugdige en schadelooze dartelheid zou
vergeven hebben, indien alles niet ongelukkigerwijze algemeen bekend
was geworden, zoodat men het voorgevallene onmogelijk door de vingers
kon zien. Hij besloot met de vurigste wenschen voor het welzijn van den
jonkman, en die wenschen waren ongetwijfeld oprecht gemeend, want wij
weten, dat Foker van moeders kant uit eene adellijke familie afstamde
en van vaders kant verscheidene duizenden ponden ’s jaars zou erven.
„Het komt er niet op aan,” zeide Foker, toen hij het gebeurde met Pen
besprak; „een weinigje vroeger of later doet er niet toe. Ik zou weer
gedropen zijn, dat weet ik; ik kan dat Latijn niet in mijn hoofd
stampen, en mama zou haar verdriet dan met den volgenden cursus gehad
hebben. De ouwe zal razen en tieren, dat weet ik zeer goed, – maar dan
moet hij maar weer bedaren. Ik zal denkelijk buitenslands gaan, om mijn
verstand door reizen te scherpen. Ja, ja, parley-voe is het wachtwoord,
– Italië, en zoo voorts. Ik zal naar Parijs gaan, om te leeren dansen
en mijne opvoeding te voltooien. Maar het is niet over mij zelven, dat
ik bezorgd ben, Pen. Zoolang men bier blijft drinken, zie ik er geen
bezwaar in: voor u, beste jongen, ben ik echter bang. Gij zijt te hard
van stal geloopen, en, ik verzeker u, gij kunt dat niet volhouden. Ik
zeg dat niet om de vijftig pond, die ik nog van u krijg – betaal die of
betaal die niet, naar het u schikt, – maar ik heb het oog op uw
dagelijksch leven, en, geloof mij, dat zal u te gronde richten. Gij
leeft alsof het geld in de kous thuis onuitputtelijk ware. Gij moest
geen diners geven, maar ze krijgen. Men stelt er prijs op, u in het
gezelschap te hebben. Gij moest geen geld voor paarden schuldig zijn,
maar de paarden van andere kerels berijden. Gij hebt even weinig
verstand van het wedden als ik van de algebra; de kameraden zullen u uw
geld afwinnen, als gij hun de gelegenheid daartoe geeft. Gij waagt u
aan alles. Ik zag u verleden week écarteeren bij Trumpington, en daarna
met de dobbelsteenen bezig, na dat souper bij Ringwood. Zij zijn u de
baas, beste Pen, al spelen zij eerlijk, hetgeen ik niet zeg dat zij
doen, evenmin als ik zeg, let wel, dat zij het niet doen. Maar ik zou
niet met hen spelen. Gij zijt niet tegen hen opgewassen. Gij zijt niet
zoo knap als zij. Het is alsof de Zwarte Gordel het opnemen wilde tegen
Tom Spring; de Zwarte is een knap bokser, maar, bewaar me! zijn arm is
niet lang genoeg om Tom te raken; en ik herhaal nog eens, gij waagt het
met kerels, die u de baas zijn. Hoor eens! als gij mij beloven wilt
nooit meer te wedden, noch een dobbelsteen of kaart aan te raken, dan
scheld ik u de vijftig pond kwijt!”
Maar Pen antwoordde lachend, „dat, ofschoon het hem op dit oogenblik
niet schikte dat geld te betalen, hij echter niet kwijtgescholden wilde
hebben wat hij naar recht schuldig was,” en daarop namen Pen en Foker
afscheid van elkander, de laatste niet zonder een angstig voorgevoel
ten opzichte van zijn vriend, die, zijns inziens, snel voortholde op
den weg des verderfs.
„Men moet met de wolven huilen,” zeide Pen vrij pedant, en liet daarbij
eenige goudstukken in zijn vestzak rammelen, „Een bedaard spelletje
écarté kan iemand, die tamelijk goed speelt, niet veel schaden. Ik ben
veertien souvereinen rijker van Ringwood’s souper heengegaan; en
waarlijk! ik kon dat geld goed gebruiken.” En daarop ging hij, na
afscheid van den armen Foker genomen te hebben, die met stille trom en
zonder de diligence uit Oxbridge te rijden, aftrok, een klein diner
besturen, dat hij op zijne kamers zou geven, voor welke diners de kok
van het Collegie, die eene groote achting voor mijnheer Pendennis
koesterde, altijd bijzondere zorg droeg.