ALMA MATER.

Hoe kort of roemloos iemands academische loopbaan geweest zij, zal hij

zich zijne oude academievrienden en academiedagen altijd met genoegen

en teederheid herinneren. De jonge man begint pas te leven; de aap is

van den leiband bevrijd en geniet al de hem tot nu toe onbekende

vermaken en voorrechten der vrijheid. Voor het oogenblik denkt hij aan

geen zorgen, slechte gezondheid, schurkenstreken, armoede of latere

teleurstellingen. Het stuk is nog niet zóó dikwijls gespeeld, dat het

hem reeds verveelt. De nasmaak, wanneer wij verder werktuiglijk den

beker lichten, moge flauw en bitter zijn; maar wat was die eerste

schuimende teug des vermaaks zuiver en paarlend! Hoe gretig werpt de

knaap zich op den beker en met welk eene wilde haast drinkt hij dien

leeg! Doch oude epicuristen, die van de tafelgenoegens verstoken zijn

en zich tot een zacht gekookt ei en een glas water moeten bepalen, zien

gaarne menschen met een gezonden eetlust; en daar, als men zelf niet

veel meer om eene pantomime geeft, het daarop volgende grootste

genoegen dit is, dat men de kinderen er pret in ziet hebben, zoo hoop

ik, dat er geen zoodanige trap van ouderdom of ondervinding, waartoe

een sterveling geraken kan, bestaan moge, dat hij zulk een somber

philosoof zou zijn, om zich niet te verheugen bij het zien van de

blijde jeugd. Toen ik voor eenige weken terugkwam van een kort verblijf

aan de oude hoogeschool van Oxbridge, waar mijn vriend de heer Arthur

Pendennis een gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht, deed ik de

reis per spoorweg naast een jongen kerel, die thans student is aan die

Academie. Hij had, door welke kunstgrepen dan ook, verlof gekregen en

was voornemens een dag pleizierig te Londen door te brengen. Zijn mond

stond niet stil van het begin tot het einde der reis (hetgeen wij, naar

mijn zin, veel te spoedig bereikten, want ik kon niet te veel van zijne

aardigheden en ongedwongen lachbuien hooren); en toen wij aan het

station kwamen, moest hij volstrekt een rijtuig hebben, om des te

spoediger in de stad te zijn en zich in de vermaken te storten, die hem

daar wachtten. De jongeling rolde weg, terwijl de blijdschap uit zijn

open gelaat sprak; en daar des lezers onderdanige dienaar slechts een

klein valiesje bij zich had, klom ik boven op een omnibus, waar ik

geduldig zat te wachten tusschen een joodschen marskramer, die

stinkende sigaren rookte, en een heerenknecht, die op een poedel moest

passen, tot wij onzen vereischten toevoer van passagiers en koffers

kregen, waarop de voerman op zijn gemak wegreed. Wij hadden geen haast

om in de stad te komen. Geen van ons was bijzonder verlangend om in dat

rookende Babylon te komen, noch had plan om dien avond in de Club te

dineeren, of op het Casino te dansen. Nog maar weinige jaren, en mijn

jonge vriend van den spoorweg zal geen greintje ongeduldiger zijn.

In de dagen toen Arthur Pendennis naar de beroemde academie van

Oxbridge ging, waren er nog geene spoorwegen; maar hij reed daarheen in

eene nette diligence, binnen in en buitenop vol met oud-studenten en

nieuwelingen, met hunne voogden, die hen naar de academie brachten. Een

dik oud heer met grijze kousen, uit de City, die in de diligence naast

majoor Pendennis zat, met zijn bleeken zoon tegenover hem, was buiten

zich zelven van schrik, toen hij hoorde, dat de wagen een paar stations

ver gereden was door den jongen heer Foker van de Academie, die een

vriend van alle menschen, de koetsiers daaronder begrepen, was, en die

evengoed als Tom Hicks in eigen persoon kon rijden. Pen zat bovenop en

beschouwde den wagen, de passagiers en de landstreek met groote

belangstelling en genoegen. Zijn hart klopte van blijdschap, toen men

de beroemde academiestad in het gezicht kreeg en het prachtige tafereel

der eerwaardige torens en spitsen, der hooge olmen en der blinkende

rivier zich voor hem ontrolde.

Pen had, alvorens zij naar Oxbridge vertrokken, eenige dagen met zijn

oom in diens kwartier in de Bury Street doorgebracht. Majoor Pendennis

meende, dat de garderobe van den knaap wel eens vernieuwd mocht worden,

en Arthur was van geen plan afkeerig, dat hem nieuwe jassen en vesten

kon bezorgen. Er kwam geen einde aan de bemoeienissen, die de oom zich

met zelfopoffering ten gevalle van den jongeling getroostte. Londen was

vreeselijk eenzaam. Pall Mall was verlaten en tot zelfs de roodrokken

waren uit de stad. Men zag bijna geen mensch aan de groote vensters der

clubs. De majoor bracht zijn neef in een paar van die verlatene

paleizen en schreef in één daarvan den naam van den knaap op de lijst

der candidaten. Arthur was buiten zich zelven van blijdschap over die

beleefdheid van zijn voogd. Met eene trilling van vreugde zag hij zich

in het perkementen boek vermeld als „de weledelgeboren heer Arthur

Pendennis, van Fairoaks Lodge in –shire en St. Bonifacius Collegie te

Oxbridge; voorgesteld door majoor Pendennis en geappuyeerd door

burggraaf Colchicum.” – „Gij zult binnen een jaar of drie aan de beurt

van ballotage komen, en in dien tijd zult gij uw graad gehaald hebben,”

sprak zijn voogd. Pen verlangde, dat de drie jaren voorbij mochten

zijn, en beschouwde de gestukadoorde zalen en uitgestrekte bibliotheken

en gezelschapskamers, alsof zij reeds zijn eigendom waren. De majoor

lachte in zijn vuistje toen hij de deftige houding van den onnoozelen

jongen bij het verlaten van het gebouw waarnam. Met Foker reed hij in

diens rijtuig op zekeren dag naar de Grauwebroeders en vernieuwde daar

de kennis met sommige oude kameraden. De jongens schoolden rondom het

rijtuig samen, terwijl dit voor de poort der Grauwebroeders stond, waar

de beide heeren binnentraden, en bewonderden het bruine paard, de

spanbroek, de livrei en de deftigheid van Domkop, den knecht. De bel

luidde voor de middagschool, terwijl zij, met hunne oude kameraden

sprekende, over de speelplaats drentelden. De geduchte doctor ging met

de spraakkunst in zijne hand de school in. Foker was niet op zijn gemak

en deinsde een weinig terug, maar Pen stapte blozend op den grooten man

toe en gaf hem de hand. Hij moest lachen bij de herinnering hoe

dikwijls hij met die welbekende Latijnsche spraakkunst om zijne ooren

had gehad. Hij was luchthartig, voorkomend en, in één woord, zeer

verwaand en met zich zelven ingenomen.

Vervolgens reden zij naar de brouwerij van Foker’s vader. Die

inrichting, uit een ontzaglijk aantal gebouwen bestaande, ligt niet ver

van de Grauwebroeders, en de naam der vermaarde firma staat in gouden

letters op de uithangborden van tallooze herbergen in den omtrek, die

door de vasallen der firma bewoond zijn. De achtbare jongste compagnon

en directeur bewees de honneurs aan den jongen lord der biervaten en

diens vriend, en schonk hun uit zilveren bekers zulk krachtig bier, dat

men zou gedacht hebben, dat niet alleen het vriendenpaar, maar zelfs

het paard van mijnheer Henry Foker door dien drank bevangen was, want

het ijlde zoo snel huiswaarts naar het westeinde der stad, dat het de

uitstallingen en de vrouwen op de hoeken der straten in gevaar bracht,

de trede der cab deed botsen tegen de lantarenpalen, en Domkop, die

achterop stond, vreeselijk heen en weer deed zwaaien.

De majoor was zeer in zijn schik als Pen zich in gezelschap van zijn

jeugdigen bekende bevond; hij luisterde met de grootste belangstelling

naar Foker’s ongekunstelde verhalen, en gaf de beide knapen een fijn

diner in een koffiehuis in Covent Garden, van waar zij allen naar den

schouwburg gingen; maar hij was vooral verblijd, toen de heer Foker en

Lady Agnes Foker, die zich nog te Londen bevonden, de eer verzochten

majoor Pendennis en mijnheer Arthur Pendennis ten hunnent in Grosvenor

Street op het diner te mogen zien. „Na entrée ten huize van Lady Agnes

Foker bekomen te hebben,” zeide hij tegen Pen met eene minzame

deftigheid, die aan het gewicht der zaak beantwoordde, „zij het uwe

zorg, beste jongen, die te behouden. Gij moet nooit vergeten een bezoek

in Grosvenor Street af te leggen, als gij te Londen komt. Ik druk u op

het hart, om in het werk van Debrett de huwelijksverbintenissen en den

stamboom der graven van Rosherville nauwkeurig na te lezen en, als gij

het doen kunt, eenige toespelingen op de familiegeschiedenis te maken,

iets historisch, toepasselijks en vleiends, hetgeen u, die een

dichterlijken geest bezit, niet moeielijk kan vallen. Mijnheer Foker

zelf is een achtenswaardig mensch, ofschoon van geene hooge afkomst en

zelfs niet van veel opvoeding. Hij stelt er eene eer in, na het diner

iets van zijne familie-porter te laten ronddienen, waarvoor gij onder

geen voorwendsel hoegenaamd bedanken moet en die ik zelf zal drinken,

ofschoon alle bier mij verduiveld slecht bekomt.” En de onversaagde

martelaar offerde zich, gelijk hij gezegd had dat hij doen zou,

werkelijk op het diner op, toen de oude heer Foker, aan het hoofd van

de tafel, zijne gewone aardigheid over het Fokersbier uitkraamde. Ik

geloof, dat het ons allen pleizier zou gedaan hebben als wij den majoor

hadden zien grijnzen, toen de waardige oude heer zijne aloude grap aan

den man bracht.

Lady Agnes, die zich met Henry vereenzelvigd had, de teederste der

moeders en eene der goedhartigste, hoewel niet der verstandigste, onder

de vrouwen was, ontving den vriend van haar zoon met groote

voorkomendheid, en verbaasde Pen met een verhaal over de onafgebroken

studiën van haar lieveling, waarmee zij vreesde, dat hij zijne dierbare

gezondheid zou benadeelen. De oude Foker barstte bij sommige van die

mededeelingen in een luiden lach los en de zoon des huizes wierp zijn

vriend snaaksche knipoogjes toe. Vervolgens liep Lady Agnes haar zoons

geschiedenis sinds den vroegsten tijd door en verhaalde hoe vreeselijk

hij aan de mazelen en den kinkhoest geleden had, hoe hij bijna

verdronken was, en hoe schandelijk men hem mishandeld had op die

akelige school, waar mijnheer Foker hem volstrekt wilde heenzenden

omdat hij er zelf opgevoed was, maar zij van haar kant zou het dien

barbaarschen doctor nooit vergeven. Nadat Lady Agnes een uur lang zoo

onophoudelijk over haar zoon gesproken had, dat men er geen speld

tusschen kon krijgen, verklaarde zij, dat de beide heeren Pendennis

zeer onderhoudende menschen waren; en toen de fazanten bij het tweede

gerecht verschenen en de majoor opmerkte, dat het de mooiste vogels

waren, die hij ooit gezien had, zeide mevrouw, dat zij van Logwood

kwamen (hetgeen de majoor zeer goed wist) en dat zij hoopte, dat beiden

haar daar een bezoek zouden brengen – met Kerstmis, of als haar beste

Henry met vacantie thuis was.

„Ik ben over u tevreden, mijn jongen,” zeide Pendennis tegen Arthur,

toen zij later in Bury Street hunne kaarsen ontstaken om naar bed te

gaan. „Gij hebt die kleine zinspeling op Agincourt, waar een der

Rosherville’s zich roemrijk onderscheidde zeer goed te pas gebracht,

ofschoon Lady Agnes het niet volkomen begreep; maar het was uitstekend

goed voor een eerstbeginnende – hoewel gij, tusschen haakjes, niet zoo

moest blozen – en ik bezweer u, waarde Arthur, steeds indachtig te

zijn, dat gij met eene entrée – let wel, eene goede entrée – even

gemakkelijk goed als slecht gezelschap kunt hebben, en dat het een man,

wanneer hij behoorlijk in die kringen ingeleid is, geen meerdere moeite

of soins kost om op een goeden voet in de beste huizen van Londen te

staan, als om met een procureur op Bedford Square te dineeren. Houd dit

steeds voor oogen wanneer gij te Oxbridge uwe studiën voortzet, en

wees, om ’s hemels wil, zeer nauwlettend op de kennissen, die gij

maakt. De premier pas in het leven is de gewichtigste van alle. – Hebt

gij vandaag aan uwe moeder geschreven? Niet? Nu, doe het dan eer gij

naar de academie vertrekt, en vraag mijnheer Foker om eene couvert, die

hij als parlementslid kan geven en die vrijdom van port schenkt. Die

menschen hebben gaarne, dat men er hen om vraagt. Goedennacht. De hemel

zegene u!”

Pen schreef een potsierlijk verslag van zijne ervaringen te Londen, van

den schouwburg, van zijn bezoek bij de Grauwebroeders, van de brouwerij

en de partij bij den heer Foker, aan zijne „dierbaarste moeder,” die in

het eenzame huis te Fairoaks, met een hart vol liefde en

onuitsprekelijke teederheid voor den knaap, hare gebeden ten hemel

zond. Zij en Laura herlazen dezen brief, en al die er op volgden,

tallooze malen en peinsden er over zooals vrouwen dat doen. Het was

Pen’s eerste stap in het leven. – Ach, wat is het eene gevaarlijke

reis, waarop de onversaagdste struikelen en de sterkste bezwijken kan!

Moogt gij, broeder en reisgenoot! een vriendelijken arm vinden om u op

den weg te steunen, en zelf eene vriendenhand hebben, ter hulp bereid

voor degenen, die naast u nederzinken. Moge de waarheid u leiden, de

barmhartigheid u aan het einde vergiffenis schenken en de liefde u

altijd vergezellen. Wat zou de reiziger zonder die lamp blind en de weg

donker en vreugdeloos zijn!

De wagen hield stil voor het oude en welingerichte logement the

Trencher in de Main Street te Oxbridge, en Pen zag met blijdschap en

nieuwsgierigheid voor het eerst studenten in hunne tabbaarden

voorbijgaan; hij hoorde de klokken van kapellen luiden (te Oxbridge

luiden de klokken van den vroegen morgen tot den laten avond) en zag

torens en spitsen kalm en statig boven de trapgevels en antieke daken

der eenvoudige en bedrijvige stad uitsteken. Er had vooraf eene

briefwisseling plaats gehad tusschen doctor Portman en den heer Buck,

leeraar van het Bonifacius-Collegie, onder wien Pen komen zou; en

zoodra majoor Pendennis zich genoeg had opgeknapt om een gunstigen

indruk op Pen’s onderwijzer te maken, wandelde het paar de Main Street

op, ging onder de groote poort en den klokkentoren van het

St.-George-Collegie door en kwam zoo, gelijk men hun opgegeven had, aan

St. Bonifacius, waar Pen’s hart weer begon te kloppen toen zij het

deurtje van de eerwaardige en met klimop begroeide poort van het

Collegie binnengingen. Daarboven verrijst een antieke koepel, die bijna

geheel met slingerplanten bedekt en met de afbeelding van den heilige,

aan wien de inrichting haar naam ontleent, en met vele wapens van hare

vorstelijke en adellijke weldoeners versierd is.

De portier wees een vreemdsoortigen ouden toren in den hoek van het

vierkant plein aan, door welken men in mijnheer Buck’s vertrekken moest

komen, en de beide heeren staken dus dat plein over, welks omtrekken

zich voor nu en altijd in Pen’s geheugen prentten. De fraaie fontein,

die in het midden van de nette grasperken sprong; de hooge vensters en

steenen beren der kapel, die zich aan de rechterhand verhief; het

voorportaal met zijne hooge glazen lantaren en zijn rond venster; de

speelkamer, waar de directeur van het Collegie op eene indrukwekkende

wijze uitkwam, in ruischende zijden toga gekleed; de lijnen der

omliggende gebouwen, bekoorlijk afgebroken door gebeeldhouwde

schoorsteenen, grijze torentjes en vreemdsoortige puntgevels, – dit

alles namen Pens oogen op met de gretigheid, eigen aan alle eerste

indrukken, terwijl majoor Pendennis alles bekeek met eene kalmte, welke

een heer betaamt, die zich om het schilderachtige niet bekommert en

wiens oogen een weinig verduisterd zijn door de aanhoudende schittering

van de straatsteenen in Pall Mall.

St. George is het aanzienlijkste Collegie der hoogeschool van Oxbridge,

met zijne vier pleinen en zijne fraaie groote zaal en tuinen, en de

Georgianen, zooals men de studenten van dat Collegie noemt, dragen

tabbaarden van eene bijzondere snede en nemen een toon van meerderheid

jegens al de andere jongelui aan. Het kleine Bonifacius is maar een

nietig kluizenaarsverblijf in vergelijking met het reusachtige en

voorname gebouw waarnaast het ligt Doch zijn omvang in aanmerking

genomen, heeft het aan de hoogeschool altijd in een goeden naam

gestaan. De toon is er zeer goed; de beste familiën uit zekere

graafschappen hebben hare zonen sinds onheuglijken tijd naar St.

Bonifacius gezonden; de predikantsplaatsen, die het Collegie te begeven

heeft, zijn buitengemeen goed; de plichten der fellows zijn niet zwaar;

de studenten van Bonifacius hebben altijd meer dan hun evenredig deel

van de academieprijzen behaald; hunne boot was de derde bij de

wedstrijden op de rivier; het koor hunner kapel staat niet achter bij

dat van St. George zelf; en de Bonifacius-ale is de beste in Oxbridge.

In de gezellige oude Collegiezaal, met hare eikenhouten beschotten,

hangen in de nabijheid van het standbeeld van St. Bonifacius door

Roubilliac (dat een zegen over de buitengewoon goede tafel der fellows

schijnt uit te spreken) de portretten van vele der beroemdste

Bonifacianen. Daar ziet men den geleerden Dr. Griddle, die onder de

regeering van Hendrik VIII ter dood gebracht werd, en den aartsbisschop

Bush, die hem liet verbranden, – den lord-opperrechter Hicks, – den

hertog van St. David’s, ridder van den Kouseband, kanselier der

hoogeschool en lid van dit Collegie, – Sprott den dichter, op wiens

roem het Collegie met recht trotsch is, – doctor Blogg, den vorigen

directeur van het Collegie en vriend van doctor Johnson, die hem in St.

Bonifacius kwam bezoeken, – en andere advocaten, geleerden en

theologanten, wier beeltenissen van de muren af rondzien, of wier

wapens in smaragd en robijnkleur, in goud en azuur op de hooge vensters

der eetzaal prijken. De achtbare kok van het Collegie is een der

voornaamste artistes te Oxbridge (zijn zoon behaalde de hoogste graden

aan de zusteracademie van Camford), en de wijn op de kamers der fellows

is sinds lang beroemd om zijne qualiteit en zijn overvloed.

In dit zeker niet minst aangename priëel in de academische bosschages

zocht Pen nu zijn weg aan den arm van zijn oom, en spoedig bereikten

zij de vertrekken van mijnheer Buck en werden zij in de kamer van dien

wellevenden heer binnengelaten.

Hij was vooraf door doctor Portman omtrent Pen ingelicht, over wiens

afkomst, fortuin en aanleg de eerzame doctor met niet weinig geestdrift

had uitgeweid. Portman had namelijk Pen aan den geleerde geschetst als

„een jong heer met eenig vermogen, een landbezitter, uit eene der

oudste familiën des rijks gesproten en die een karakter en genie bezat,

welke hem, onder behoorlijke leiding, een sieraad van het collegie en

de academie zouden doen worden.” Na zulk eene aanbeveling ontving de

onderwijzer den nieuweling en zijn voogd natuurlijk zeer hartelijk,

noodigde den laatste ter maaltijd in de eetzaal van het Collegie, waar

hij het genoegen zou hebben zijn neef in zijn tabbaard voor het eerst

met de andere studenten te zien dineeren, en verzocht beiden na het

diner op een glas wijn ten zijnent. Hij zeide, dat het hem een genoegen

zou zijn, na de hoogst gunstige getuigenis, die hij aangaande mijnheer

Arthur Pendennis ontvangen had, hem de beste vertrekken van het

Collegie te geven, die, ten gevolge van het vertrek van een

gentleman-pensioner, juist beschikbaar waren. Zij namen nu afscheid van

elkaar tot aan het diner, dat reeds dicht ophanden was, en majoor

Pendennis verklaarde, dat mijnheer Buck wezenlijk buitengewoon beleefd

was. Wanneer een hooggeplaatst academisch beambte zich de moeite wil

geven om beleefd te zijn, dan kan niemand uitstekender hoffelijkheid

aan den dag leggen. Deze achtbare mannen, onder hunne boeken bedolven

en door het gewicht hunner bezigheden van de wereld afgescheiden, nemen

dan eene complimenteuse deftigheid aan, waarin zij ruischen en zich

uitzetten, gelijk in hunne ruime staatsiegewaden. Die zijde en brocaat

trekken zij echter niet iederen dag voor den eersten den besten

bezoeker aan.

Toen de beide heeren van den geleerde in zijne studeerkamer afscheid

hadden genomen en door mijnheer Buck’s voor- of leeskamer terugkeerden,

een zeer fraai vertrek met een smirnaasch tapijt belegd en versierd met

uitstekende platen en schilderijen in rijke lijsten, stond daar de

bediende reeds op hen te wachten, in gezelschap van een man met een zak

vol baretten en een aantal tabbaarden, waaruit Pen eene baret en een

tabbaard mocht kiezen, terwijl de bediende er ongetwijfeld een

commissieloon van kreeg, geëvenredigd aan de diensten, die hij bewezen

had. Mijnheer Pen tintelde van genoegen, toen de drukke kleermaker hem

een tabbaard aanpaste en verklaarde, dat die hem als geschilderd stond,

en hij vervolgens de elegante baret van dit Collegie tamelijk fatterig

en een beetje op één oor opzette, zooals hij die door Fiddicombe, den

jongsten meester bij de Grauwebroeders, had zien dragen. Hij beschouwde

het geheele costuum met het grootste behagen in een der kolossale

vergulde spiegels, die mijnheer Buck’s leeskamer versierden; want

verscheidene van die geleerden stellen evenveel belang in spiegels als

eene dame, en bekijken daarin hun gewaad en hun hoofddeksel even

nauwlettend als eenig lid van het schoone geslacht. De majoor

glimlachte toen hij den knaap zich zag bewonderen in den spiegel, want

de oude heer was niet ontevreden over het voorkomen van den knappen

jongen.

Vervolgens bracht Davis, de bediende, met de sleutels in de hand, hen

over het plein (en op dien tocht bloosde Pen niet weinig in zijn nieuw

academisch gewaad, dat hem toch zeer behaagde) naar de kamers, die voor

den nieuweling bestemd en door het vertrek van mijnheer Spicer, den

gentleman-pensioner, opengekomen waren; zij waren zeer gezellig, met

groote kruisbalken, hooge lambriseeringen, kleine vensters en dikke

muren. Mijnheer Spicer’s ameublement stond er nog, dat volgens taxatie

kon overgenomen worden, en majoor Pendennis vond goed ten behoeve van

zijn neef over te nemen wat nog bruikbaar was, maar bedankte lachend

(hetgeen Pen overigens van zijn kant ook deed) voor zes prenten met

jachten of wedrennen en vier groepjes operadanseressen met gazen

kleedjes, die de kunstverzameling van den vorigen bewoner uitmaakten.

Daarop begaven zij zich naar de eetzaal, waar Pen zich bij de andere

nieuwelingen voegde en hun maal deelde, terwijl de majoor aan de hooge

tafel geplaatst werd bij de professoren en de vaders of voogden, die

hunne zonen of pupillen te Oxbridge gebracht hadden. Na den maaltijd

dronken zij een glas wijn bij mijnheer Buck en begaven zich vervolgens

naar de kapel, waar de majoor met groote deftigheid in de hooge bank

zat en een goed gezicht had op den directeur van het Collegie in zijne

gebeeldhouwde bank onder de orgelgalerij, waar die heer, de geleerde

doctor Donne, eene prachtige vertooning maakte en, met het groote

gebedenboek voor hem, een toonbeeld van deftigheid en godsvrucht was.

Al de nieuwelingen gedroegen zich zeer fatsoenlijk, maar Pen ergerde

zich over dien onbeschaamden kleinen Foker, die zeer laat kwam, en over

een half dozijn zijner kameraden in de banken der gentlemen-pensioners,

die grinnikten en babbelden alsof zij in de stalles van de opera zaten.

Doch men gelieve in het oog te houden, dat dit een aantal jaren geleden

voorviel, toen Willem IV nog koning was. De jongelui gedragen zich

tegenwoordig veel betamelijker en bovendien was St. Bonifacius een

Collegie van pretmakers.

Pen kon dien nacht op zijne kamer in the Trencher den slaap nauwelijks

vatten, zoo begeerig was hij om het academieleven aan te vangen en

zijne eigene kamers te betrekken. Waaraan dacht hij, terwijl hij

slapeloos lag rond te woelen? Aan zijne moeder thuis, wier vrome ziel

zich met de zijne vereenzelvigd had? Ja, laten wij hopen, dat hij aan

haar althans een weinigje dacht. Aan jufvrouw Fotheringay en zijne

onuitbluschbare liefde, die den slaap zoovele nachten uit zijne oogen

had gehouden en hem zooveel ellende en hartzeer berokkend had? Hij

bloosde zeer licht, en als men zich in zijne kamer bevonden had en de

kaars niet uitgedoofd ware geweest, had men het gezicht van den jonkman

meer dan eens kunnen zien kleuren, terwijl hij in hartstochtelijke en

onsamenhangende uitroepingen omtrent die noodlottige gebeurtenis in

zijn leven losbrak. De lessen van zijn oom waren bij hem in een

vruchtbaren bodem gevallen; de nevel van den hartstocht was thans van

zijne oogen weggetrokken en hij zag haar zooals zij was. Te moeten

bedenken, dat hij, Pendennis, door zulk eene vrouw gekluisterd en

daarna door haar afgewezen was! dat hij zich zoo laag had neergebogen,

om in het slijk vertrapt te worden! dat er een tijd in zijn leven was

geweest – en dat nog maar zoo weinige maanden geleden – toen hij bereid

was een Costigan tot zijn schoonvader te nemen!

„Die arme ouwe Smirke!” Pen schaterde het na een oogenblik uit. „Nu, ik

zal hem eens schrijven en den armen jongen trachten te troosten. Hij

zal aan zijne liefde niet sterven!” De majoor had, ware hij wakker

geweest, reeksen van zulke uitroepen van Pen kunnen hooren, terwijl

deze slapeloos en onrustig den eersten nacht van zijn verblijf te

Oxbridge doorbracht.

Misschien zou het voor een jonkman, die den strijd des levens den

volgenden morgen beginnen moest, beter zijn geweest, den voorgaanden

avond met een ander soort van waken door te brengen; doch de wereld,

onder de gedaante van zijn ouden zelfzuchtigen Mentor, had macht over

hem verkregen; en ieder, die met belangstelling het karakter van Pen

heeft nagegaan, moet reeds bespeurd hebben, dat hij zoowel zeer zwak

als zeer hartstochtelijk, zoowel zeer ijdel als zeer oprecht was, en,

zoo hij een edelmoedigen aanleg bezat, toch niet weinig egoïstisch bij

zijne mildheid en te gelijk wispelturig was, gelijk allen, die slechts

hun eigen genoegen raadplegen.

Die hartstocht van zes maanden had hem veel ouder gemaakt. Er lag eene

onmetelijke klove tusschen Pen, het slachtoffer der liefde, en Pen, den

onschuldigen knaap van achttien jaar, die naar liefde smachtte.

Daardoor bezat Pendennis die ervaring en meerderheid boven de jongelui,

waarmee hij nu zou omgaan, die later door zijne verwaandheid en

aanmatiging nog versterkt werd.

Hij bracht met zijn oom den morgen zeer genoeglijk door met het doen

van aankoopen tot betere inrichting van de kamers, die hij betrekken

zou. Het porselein en glaswerk van mijnheer Spicer verkeerde in een

zeer haveloozen toestand; zijne lampen waren onbruikbaar en zijne

boekenkasten op verre na zoo ruim niet als noodig zou zijn, indien zij

den inhoud der boekenkisten moesten opnemen, die in het voorhuis op

Fairoaks gereed stonden en reeds, in de hand van de arme Helena, het

adres van Arthur droegen.

Die kisten, welke zijne moeder met zooveel zorg gepakt had, kwamen

binnen weinige dagen aan. Pen was geroerd toen hij de adressen in die

welbekende hand zag en borg al de boeken, zijne oude vrienden, en al

het linnen en het tafelgoed, dat Helena uit den familievoorraad had

bijeen gezocht, en al de geleipotten, die de kleine Laura in stroo had

gepakt, en al die honderden eenvoudige geschenkjes uit het ouderlijke

huis, op de daarvoor bestemde plaatsen. Hij had nu eene andere Alma

Mater. Doch niet al hare kinderen bejegenen haar met liefde.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 38 / 155 题