NOG MEER STORMEN IN EEN GLAS WATER.

Pen’s handelwijze in dit geval werd natuurlijk spoedig bekend en

ergerde zijn vriend doctor Portman niet weinig, terwijl majoor

Pendennis er zich alleen over vermaakte. De goede mevrouw Pendennis

daarentegen geraakte bijna van streek, toen zij van den twist en van

Pen’s onchristelijk gedrag hoorde. Alle mogelijke ellende, last,

misdaad en ergernis scheen uit het geval, waarin de rampzalige knaap

zich gewikkeld had, voort te spruiten, en meer dan ooit haakte zij er

naar, hem voor eenigen tijd uit Chatteries weg te krijgen, – overal

heen, waar het ook was, als hij maar verre van de vrouw kwam, die hem

in zoovele moeielijkheden had gebracht.

Toen Pen door zijne liefhebbende moeder vermaand en door den doctor

hevig berispt werd over zijne ruwheid en zijne bloeddorstige oogmerken,

nam hij met de verwaandheid en deftigheid, aan de jeugd eigen, de zaak

au grand sérieux, en zeide, dat het voorgevallene hem zelven zeer

speet, dat de beleediging hem was aangedaan zonder dat hij er eenige

aanleiding toe gegeven had, en dat hij niemand veroorloven zou hem over

deze zaak te hoonen zonder zijne eer te verdedigen; en zich daarop met

groote waardigheid op zijn oom beroepende, vroeg hij, of hij als

gentleman anders had kunnen handelen dan hij gedaan had door den smaad

te wreken, die hem aangedaan was, en voldoening aan te bieden aan den

persoon, dien hij had gekastijd.

„Vous allez trop vite, waarde jongen,” antwoordde zijn oom een beetje

verlegen, want hij had zijn neef eenige zijner begrippen over het punt

van eer zelf ingeplant – ouderwetsche begrippen, die veel meer naar het

leger en de pistool roken dan onze bedaarder opvattingen van den

tegenwoordigen tijd. – „Tusschen mannen van de wereld wil ik er niets

van zeggen; maar tusschen twee schooljongens is zulk eene zaak heel

belachelijk, beste jongen, heel belachelijk.”

„Het is zeer goddeloos, en van mijn zoon had ik zoo iets niet

verwacht,” zeide mevrouw Pendennis met tranen in de oogen en geheel

ontsteld over de stijfhoofdigheid van den knaap.

Pen gaf haar een kus en zeide met verbazenden ernst: „Weet wat,

moederlief, vrouwen verstaan die zaken niet – ik heb het geheel aan

Foker overgelaten – geen andere weg stond voor mij open.”

Majoor Pendennis grinnikte en haalde de schouders op. Hij was van

oordeel, dat de jongelui zeer groote vorderingen maakten. Mevrouw

Pendennis verklaarde, dat die Foker een goddeloos en akelig ventje was,

die haar lieven jongen zeker ongelukkig maken zou, als Pen naar

dezelfde academie ging als hij. „Ik denk er sterk over, hem in het

geheel niet te laten gaan,” sprak zij; en zoo de liefhebbende moeder

zich niet herinnerd had, dat de vader van den knaap altijd den wensch

had uitgedrukt, dat zijn zoon studeeren zou dáár, waar hij zelf zijne

korte academische opleiding had genoten, zou zij waarschijnlijk

geweigerd hebben hem naar de hoogeschool te laten vertrekken.

Al de machten die over het lot van den knaap gezag uitoefenden, waren

het met elkander eens geworden, dat hij gaan zou en wel met den

eerstvolgenden herfst-cursus. Foker had beloofd hem in het beste

gezelschap te introduceeren, en majoor Pendennis hechtte er groote

waarde aan, dat hij het leven en den omgang aan de academie door

tusschenkomst van dien bewonderenswaardigen jongen heer zou leeren

kennen. „Mijnheer Foker gaat om met de voornaamste jongelui aan de

academie,” zeide de majoor, „en Pen zal daar kennissen maken, die hem

later van het grootste nut zullen zijn. De jonge markies van

Plinlimmon, de oudste zoon van den hertog van St. David’s, is er; Lord

Magnus Charters, zoon van Lord Runnymede, is er ook; het is een volle

neef van mijnheer Foker (gij herinnert u toch wel, dat Lady Runnymede

vroeger Lady Agatha Milton was). Lady Agnes zal hem zeker op Logwood

vragen; en wel verre, dat wij zouden te vreezen hebben voor Arthur’s

omgang met haar zoon, die wel een zonderling en snaaksch, maar toch

zeer omzichtig en achtenswaardig jonkman is, aan wien wij groote

verplichting hebben wegens zijn verdienstelijk gedrag in dat geval met

jufvrouw Fotheringay, beschouw ik het als eene zeer gelukkige

omstandigheid voor Pen, dat hij met dezen alleronderhoudendsten jongen

heer kennis gemaakt heeft.”

Helena zuchtte, maar nam aan, dat de majoor het wel het beste zou

weten. Mijnheer Foker had hun in die zaak met jufvrouw Costigan

ontegenzeglijk veel vriendschap betoond en zij was er hem dankbaar

voor. Maar desniettegenstaande had zij een schemerachtig voorgevoel,

dat het niet goed zou gaan; en al die krakeelen en twisten en

wereldsche zaken hadden haar voor de toekomst van haar zoon ongerust

gemaakt.

Doctor Portman was stellig van oordeel, dat Pen naar de academie moest

gaan. Hij hoopte, dat de knaap daar studeeren zou en tevens, met mate,

van het beste gezelschap zou genieten. Hij geloofde, dat Pen zich zou

onderscheiden; Smirke getuigde zeer gunstig van zijne kunde; en de

doctor had hem zelf onderzocht, en verklaarde, dat hij het er zeer goed

afgebracht had. In ieder geval was het een punt van belang, dat hij

verre van Chatteries zou zijn; en Pen, door de velerlei

onaangenaamheden, waartoe hij onwillekeurig aanleiding gegeven had, van

zijn eigen verdriet afgeleid, zeide somber, dat hij gehoorzamen zou.

Gedurende een gedeelte van de maanden Augustus en September werden de

zittingen van het hof van assises te Chatteries gehouden en waren daar

wedrennen en partijen en dientengevolge een toevloed van bezoekers, en

jufvrouw Fotheringay bleef nog altijd doorspelen en in den schouwburg

van Chatteries van het publiek afscheid nemen. Niemand anders dan

degenen, die wij reeds genoemd hebben, schenen zich hare aanwezigheid

of haar aangekondigd vertrek bijzonder aan te trekken; en de voorname

lui van het graafschap, die huizen te Londen hadden en jufvrouw

Fotheringay waarschijnlijk verbazend toejuichten in de hoofdstad, toen

de mode, die haar tot troetelkind had aangenomen, hun voorschreef, dat

zij dit doen moesten, schenen niets bijzonders te vinden in de actrice,

die op het kleine tooneel van Chatteries optrad. Om dezelfde reden

heeft menig genie en menige kwakzalver voor en na den tijd van jufvrouw

Costigan hetzelfde lot ondergaan. Deze eerzame dame droeg ondertusschen

de veronachtzaming van het publiek en alle andere kruisen of bezwaren,

die zij nog verder in haar leven te dragen had, met hare gewone

gelijkmoedigheid; zij at, dronk, speelde en sliep met die

regelmatigheid en kalmte, aan menschen van haar gestel eigen. Hoeveel

verdriet, zorg en andere nadeelige aandoeningen worden niet door eene

gezonde botheid en eene blijmoedige onverschilligheid voorkomen! Ik wil

niet zeggen, dat deugd geen deugd is, omdat zij nooit van den rechten

weg wordt afgelokt, maar alleen, dat botheid eene veel kostbaarder gave

is dan wij gewoonlijk gelooven, en dat sommige lieden, die de natuur

met eene goede hoeveelheid van dat verdoovingsmiddel begiftigd heeft,

zeer gelukkig zijn.

Pen liep gedurende dit seizoen den schouwburg van Chatteries lusteloos

in en uit, meerendeels naar gelang zijne luim het hem ingaf. Zijn

gedrag beangstigde zijne moeder niet weinig en dikwijls zou zij er uit

bezorgdheid over gesproken hebben, indien de majoor haar niet telkens

weerhouden en te gelijk bemoedigd had; want die scherpzinnige man van

de wereld meende een gunstigen keer in Pen’s ziekte waargenomen te

hebben. Onder andere verschijnselen strekte vooral eene geweldige

uitbarsting van verzenmakerij tot verblijding van Pen’s voogd en

geneesheer. Men hoorde hem verzen opdreunen in de wandelpaden van den

tuin, of ze binnensmonds mompelen als hij des avonds bij de

huisgenooten zat. De majoor vond, toen hij eens in Pen’s afwezigheid

het huis doorsnuffelde, een groot boek met gedichten in de studeerkamer

van den knaap. Het waren Engelsche en Latijnsche verzen, met

aanhalingen uit de klassieke schrijvers, op geleerde wijze, aan den

voet der bladzijden. „Het kan niet heel erg met hem zijn,” dacht de

wijsgeer uit Pall Mall zeer te recht; en hij maakte Pen’s moeder

opmerkzaam (misschien viel het haar heimelijk wel wat tegen, want

gelijk andere zachtzinnige vrouwen helde zij over naar het romaneske),

dat de jonge heer gedurende de laatste veertien dagen des avonds zeer

hongerig aan tafel gekomen was en ook des morgens bij het ontbijt een

bewonderenswaardigen eetlust aan den dag had gelegd. „Te drommel, ik

wenschte, dat ik hetzelfde van mij kon zeggen,” riep de majoor, met

smart aan de pillen denkende, die hij tot bevordering van zijne

spijsvertering gebruiken moest. „Wees er zeker van, dat de knaap goed

begint te slapen.” Het was wel wreed, maar toch waar.

Daar Pen geen ander schepsel had, wien hij zijn vertrouwen kon schenken

(want hij kon met zijne moeder niet over zijne liefdesmart spreken,

zijn oom praatte er op een minachtenden en wereldschen toon over, die,

ofschoon in zorgvuldig berekende en beleefde bewoordingen vervat, toch

het gevoel van mijnheer Pen pijnlijk kwetste, en Foker was veel te ruw

om die verfijnde sentimenteele geheimen op den waren prijs te schatten)

– verdubbelde hij zijne vriendschap voor den hulpprediker, of liever

Smirke kon nooit te veel naar dit onderwerp luisteren. Wat is een

minnaar zonder vertrouweling! Pen maakte van mijnheer Smirke het

gebruik, dat Corydon van den olmboom maakte, namelijk om er den naam

zijner geliefde in te snijden. Hij bezigde hem als echo voor den naam

der schoone Amaryllis. Als de herder het liedje niet meer speelt,

bekommert hij zich niet veel om de fluit; doch Pen meende eene groote

vriendschap voor Smirke te gevoelen, omdat hij zijn leermeester zijne

liefde en zijne smart in het oor mocht fluisteren, en Smirke had zijne

eigene redenen, om altijd op de wenken van den knaap te vliegen.

Pen’s liefde ontboezemde zich in eene menigte sonnetten aan den vriend

zijns harten, – gelijk hij den hulpprediker betitelde, – waarmede deze

zeer ingenomen was. Hij verblijdde Smirke met sapphische en alcaïsche

Latijnsche verzen. De minneliederen stroomden uit zijne vlugge pen, en

Smirke verklaarde en geloofde, dat zij heerlijk waren. Aan den anderen

kant drukte Pen eene onbegrensde erkentelijkheid uit, dat de hemel hem

op zulk een oogenblik een dergelijken vriend toegezonden had. Hij gaf

zijn onderwijzer zijne fraaist gebonden boeken en zijn gouden

horlogeketting ten geschenke, en wilde hem ook zijn dubbel jachtgeweer

opdringen. Hij ging naar Chatteries en kocht daar een gouden potlood op

krediet (want hij had geen geld en stond zelfs nog voor eenige der

geschenken aan jufvrouw Fotheringay bij Smirke in het krijt), en bood

dit Smirke aan met een versje, ten bewijze van zijne onveranderlijke en

eeuwige toegenegenheid jegens den hulpprediker, die van zijn kant

natuurlijk met elk vriendschapsbewijs van den knaap ingenomen was.

De arme hulpprediker was zeer ontstemd over het aanstaand vertrek van

zijn leerling. Wanneer Arthur heenging, zouden Smirke’s bezigheden en

genoegens ook ophouden. Welk voorwendsel kon hij vinden om dagelijks

een bezoek op Fairoaks af te leggen en dat vriendelijk woord of dien

vriendelijken blik van de bewoonster op te vangen, die hem even

onmisbaar waren geworden als het sobere diner dat madame Fribsby hem

voordiende? Wanneer Arthur weg was, zou hij er enkel bezoeken, op den

voet van elk anderen bekende, kunnen afleggen; de kleine Laura kon niet

ten zijnen gevalle meer dan ééne catechisatie ’s weeks nemen; hij had

zich als klimop rondom Fairoaks geslingerd; hij kwijnde weg bij de

gedachte, dat hij die plaats moest loslaten. Zou hij uitspreken wat hem

op het hart lag en zich voor de weduwe op de knieën werpen? Hij peinsde

over sommige punten, die hem hoop gaven. Mevrouw Pendennis had drie

weken te voren zijne preek geprezen; zij had hem meer dan hartelijk

dank gezegd voor een meloen, dien hij ten geschenke had gezonden voor

een dinertje, dat zij geven zou; zij had hem verzekerd, dat zij altijd

erkentelijk zou blijven voor de welwillendheid, die hij Arthur bewezen

had; en toen hij verklaarde, dat zijne liefde en genegenheid voor dien

lieven jongen geene grenzen kende, had zij bepaaldelijk op eene

sentimenteele wijze geantwoord, waaruit hare vurige erkentelijkheid en

achting voor al de vrienden van haar zoon bleek. Zou hij er voor

uitkomen, of zou hij het nog uitstellen? Gaf hij zijn hart lucht en

werd hij afgewezen, dan was het eene ijselijke gedachte, dat de poort

van Fairoaks voor eeuwig voor hem gesloten zou worden en – wat binnen

die poort lag was de wereld voor Smirke.

Zoo zien wij, welwillende lezers, hoe iedereen zijne eigene smarten en

belangen heeft, waardoor hij meer gedrukt of bezig gehouden wordt dan

door de smarten of verdrietelijkheden van iemand anders. Terwijl

mevrouw Pendennis zich ongerust maakt, dat zij haar zoon zal verliezen

en die nauwlettende zorg moet opgeven, die zij voor hem gedragen heeft

zoolang hij in het ouderlijk nest vertoefde, waaruit hij nu zijne

vlucht zal nemen in de wijde wereld, – terwijl de groote ziel des

majoors met inwendige spijt overdenkt, welke groote partijen thans te

Londen gegeven worden, waar hij, indien die verwenschte zaken hem niet

in een ellendig gat ten platten lande ophielden, zich in den

zonneschijn der blikken van hertogen en hertoginnen zou kunnen

koesteren, – terwijl Pen heer en weer geslingerd wordt tusschen zijn

hartstocht en eene aangenamer gewaarwording, waarvan hij zich nog geen

duidelijke rekenschap kan geven, maar die reeds een grooten invloed op

hem uit oefent, namelijk zijne begeerte om de wereld te zien, – terwijl

dit alles plaats heeft, zit er bij Smirke eene eigen zorg naast zijne

sponde en achter hem op den hit, en is hij evenmin tevreden als wij.

Wat zijn wij eenzaam in de wereld; hoe zelfzuchtig en achterhoudend is

iedereen! Gij hebt veertig jaar lang met uwe vrouw op dezelfde peluw

gerust en verbeeldt u, dat gij beide één van zin zijt. „Bah!” schreeuwt

zij het uit, wanneer gij de jicht hebt, of ligt gij slapeloos te

woelen, als zij kiespijn heeft? Uwe argelooze dochter, oogenschijnlijk

de onschuld zelve, die zich enkel met hare mama en de piano-les

bemoeit, denkt aan geen van beiden, maar aan den jongen luitenant, met

wien zij op het laatste bal gedanst heeft. De opene, ronde jongen, die

juist van school komt, berekent heimelijk hoeveel geld gij hem zult

geven en denkt aan de schuld, die hij bij den suikerbakker heeft. De

oude grootmoeder, die in een hoekje weggedoken zit en over eenige

maanden naar eene betere wereld zal overgaan, heeft zaken of zorgen,

die haar alleen betreffen; het is zeer waarschijnlijk, dat zij

terugdenkt aan dien avond, vijftig jaar geleden, toen zij zooveel

opgang maakte en een cotillon met den kapitein danste, voordat uw vader

hare hand vroeg; of dat zij overpeinst, wat een over het paard getild

zottinnetje uwe vrouw is en hoe dwaselijk gij met haar ingenomen zijt.

En wat uwe vrouw betreft – o, wijsgeerige lezer, antwoord mij eens:

Vertelt gij haar alles? Och, mijnheer – onder uw hoed beweegt zich eene

geheel andere wereld dan onder den mijne – alle zaken in de natuur doen

zich aan iedereen verschillend voor – de vrouw, die wij aanzien, heeft

niet dezelfde trekken; de schotel, waaruit wij eten, niet denzelfden

smaak voor den een als voor den ander. Gij en ik, wij zijn slechts een

paar Eilandjes, met eenige gelijksoortige Eilandjes, meer of minder

dicht in onze nabijheid. Maar laten wij naar den eenzamen Smirke

terugkeeren.

Smirke had ééne vertrouwde zijner liefde – die alleronverstandigste

madame Fribsby. Hoe zij madame Fribsby geworden was, wist niemand; zij

was als jufvrouw Fribsby uit Clavering naar eene modemaakster te Londen

gegaan, en beweerde, dat zij den bedoelden rang gedurende een verblijf

te Parijs gekregen had. Maar hoe kon de koning der Franschen, al ware

hij er volkomen toe bereid geweest, haar zulk een titel verleenen? Wij

zullen echter niet in dat geheim trachten door te dringen. Het zij

genoeg, dat zij als bloeiend en jeugdig meisje vertrokken was, dat zij

vrij bejaard en met een Madonnatoer en een zwaarmoedig gelaat

terugkwam, dat zij de zaak van wijlen jufvrouw Harbottle voor een appel

en een ei kocht, hare oude moeder bij haar liet inwonen, zeer goed voor

de armen was, trouw ter kerk kwam en in een uitmuntenden naam stond.

Doch er was niemand in geheel Clavering, die zooveel romans las als

madame Fribsby, zelfs mevrouw Portman niet. Zij had ook ruimschoots den

tijd voor die uitspanning, want buiten de bewoners van de pastorie en

van Fairoaks riepen zeer weinigen hare diensten in; en door het

aanhoudend lezen van dergelijke werken (die toenmaals op verre na zoo

fatsoenlijk of stichtelijk niet waren als tegenwoordig) was zij zoo

dwaas sentimenteel geworden, dat het gansche leven in haar oog niets

anders was dan eene reusachtige liefdesgeschiedenis, en zij kon geen

twee menschen in elkanders gezelschap zien, of zij verbeeldde zich, dat

zij van liefde voor elkander wegkwijnden.

Van den dag af van het bezoek van mevrouw Pendennis bij den

hulpprediker, waarvan wij reeds vele bladzijden geleden gesproken

hebben, had madame Fribsby bij zich zelve vastgesteld, dat mijnheer

Smirke op de weduwe verliefd moest zijn, waarop zij al wat zij vermocht

in het werk stelde, om dien hartstocht aan beide zijden aan te vuren.

Mevrouw Pendennis zag zij zelden anders dan in het publiek en in de

kerkbank. Die dame held zich weinig met modes op en maakte hare meeste

kleedjes en mutsen zelve; doch bij de schaarsche gelegenheden, dat

madame Fribsby bezoeken van mevrouw Pendennis ontving, of zelve hare

opwachting op Fairoaks ging maken, verzuimde zij nooit den lof van den

hulpprediker tegen de weduwe uit te bazuinen en te beschrijven hoe

engelachtig, hoe zachtaardig, hoe vlijtig, hoe eenzaam hij was, waarbij

zij dan hare verwondering te kennen gaf, dat geene dame zich over hem

wilde ontfermen.

Helena lachte over die sentimenteele beschouwingen en gaf hare

verwondering te kennen, dat madame zelve zich niet over haar kostganger

ontfermde en hem troostte. Madame Fribsby schudde haar Madonnatoer en

zeide: „Mong cour a boco souffer,” waarbij zij de hand legde op hetgeen

zij haar cour noemde. „Il est mor en Espang, Madame,” vervolgde zij met

een zucht. Zij liet zich veel voorstaan op hare bekendheid met het

Fransch, dat zij eerder vlug dan zuiver sprak. Mevrouw Pendennis stelde

geen belang in de geheimen van dit gewonde hart; behalve voor hare

weinige vrienden, was zij eene ingetogene en wellicht wat hooghartige

vrouw. Zij beschouwde den leermeester van haar zoon slechts als een

volgeling van den jongen prins en dus als iemand, die ongetwijfeld als

geestelijke geacht moest worden, maar altijd op een afstand, als een

onderhoorige van het huis Pendennis. Madame’s aanhoudende toespelingen

op den hulpprediker waren haar dan ook niet zeer aangenaam. Er was een

zeer vindingrijke sentimenteele geest toe noodig, om te ontdekken, dat

de weduwe eene heimelijke genegenheid voor mijnheer Smirke koesterde,

eene verderfelijke dwaling, waarvan madame Fribsby zich niet wilde

laten terugbrengen.

Smirke was van zijn kant veel bereidvaardiger om over dat onderwerp met

zijne gevoelige huisvrouw te spreken. Telkens als zij den hulpprediker

tegen mevrouw Pendennis geprezen had, verliet zij deze dame met de

overtuiging, dat deze zelve hem geprezen had. „Etre soul au monde est

bien onnuyan,” sprak zij, het oog omhoogslaande naar het portret van

een Franschen karabinier, met eene groene uniform en een koperen

borstharnas, die hare kamer versierde, „Wees zeker, dat, als de jonge

heer Pendennis naar de academie gaat, zijne ma zich zeer eenzaam zal

gevoelen. Zij is nog heel jong. Men zou haar nauwelijks voor vijf en

twintig aanzien. Monsieur le curé, song cour est touché – j’on suis

sure – je conné cela bien – Ally, monsieur Smirke!”

Hij bloosde eventjes, hij zuchtte, hoopte, vreesde, twijfelde; en soms

gaf hij zich geheel over aan het heerlijke denkbeeld. Het was een

zijner grootste genoegens in madame Fribsby’s kamer te zitten en met

haar over dat onderwerp te spreken, waarvan hare oude moeder (die in

den tijd huishoudster, en vrouw en weduwe van den hofmeester in de

familie Clavering was geweest) nauwelijks eene lettergreep verstond,

daar de modemaakster het grootste gedeelte van het gesprek in het

Fransch voerde.

Vandaar, dat, toen majoor Pendennis aan den leermeester van zijn neef

kennis gaf, dat de jonge heer in October naar de academie zou gaan en

zijn pupil dus mijnheer Smirke’s onwaardeerbaar onderricht niet meer

zou noodig hebben; – voor welk onderricht de majoor, die uit de hoogte

sprak als een lord, hoogst erkentelijk verklaarde te zijn, zoodat hij

het zich tot een genoegen zou rekenen, als hij mijnheer Smirke eenigen

wederdienst kon bewijzen, – vandaar, zeggen wij, dat de hulpprediker nu

gevoelde, dat het kritieke oogenblik gekomen was, en door de vlijmende

smarten vervolgd en gefolterd werd, aan dezen loop van zaken eigen.

Madame Fribsby had natuurlijk het meeste belang gesteld in mijnheer

Pen’s liefdesgeschiedenis met jufvrouw Fotheringay. Zij was naar

Chatteries geweest om het spel der actrice te zien en had verklaard,

dat deze oud en veel te veel opgehemeld was. Zij had Pen’s verliefdheid

in haar winkel tallooze malen besproken met het half dozijn oude

jufvrouwen en oude wijven in manskleeren, die men in kleine landstadjes

aantreft en die de fatsoenlijke bevolking van Clavering uitmaakten. De

gepensioneerde kapitein Glanders had verklaard, dat Pen een drommels

gevaarlijke jongen zou worden en al vroeg begonnen was, waarop mevrouw

Glanders hem verzocht had, diergelijke gemeene dingen niet te zeggen

en, als het hem beliefde, zijne eigen vrouw te respecteeren. Zij

beweerde, dat het eene les voor Helena zou zijn, wegens hare

trotschheid en hare dwaze ingenomenheid met dien knaap. Mevrouw Pybus

zeide, dat vele menschen trotsch waren op nietigheden, en dat zij, wat

haar betrof, niet begrijpen kon hoe eene apothekersweduwe zich zoo

voornaam kon voordoen. Mevrouw Wapshot riep op zekeren dag, toen Pen op

Rebecca voor den zadelmaker stilhield om eene nieuwe lis aan zijne

zweep te laten maken, hare dochters van die zijde der straat terug. Al

die menschen hadden uit bloote nieuwsgierigheid bezoeken op Fairoaks

afgelegd om de weduwe te troosten of de zaak van jufvrouw Fotheringay

op het tapijt te brengen; maar allen waren zij op hunne beurt afgestuit

op de trotsche ingetogenheid van mevrouw Pendennis, – geholpen door de

koele beleefdheid van haar zwager den majoor.

Deze teleurstellingen maakten echter geen einde aan de praatjes, en de

laster ten aanzien van de rampzalige familie op Fairoaks nam aanhoudend

toe. Glanders, de gepensioneerde cavalerie-officier, wiens pensioen en

groot gezin hem noodzaakten, na zijn ontslag uit den dienst, zich met

brandewijngrog in plaats van rooden wijn te bedwelmen, had nu en dan

toegang op Fairoaks en lichtte zijn vriend den majoor omtrent al de

verhalen in, die te Clavering in omloop waren. Mevrouw Pybus had eene

plaats in de diligence naar Chatteries genomen en was naar den George

gegaan om bijzonderheden te vernemen. De knecht van mevrouw Speers had

met soortgelijke oogmerken den knecht van mijnheer Foker te Baymouth op

een borreltje onthaald. Men vertelde, dat Pen zich uit wanhoop in den

boomgaard opgehangen had, maar door zijn oom afgesneden was; dat het

jufvrouw Costigan was, die slecht behandeld was, en niet de jonge

Arthur; en dat de zaak alleen gesmoord was door de betaling van eene

groote som, welker juiste bedrag verscheidene inwoners van Clavering

konden noemen en welke som natuurlijk telkens verschillend opgegeven

werd, volgens de inzichten der verhalers.

Pen schudde zijne manen en brulde als een woedende leeuw, toen hem deze

praatjes, die jufvrouw Costigan’s eer en de zijne raakten, ter oore

kwamen. Waarom was mevrouw Pybus geen man (zij had er baard genoeg

voor), dat hij haar kon uitdagen en doodschieten? Toen Simcoe

voorbijging, gluurde Pen, op Rebecca, hem zoo woest aan en omklemde

zijne karwats op zulk eene dreigende wijze, dat de dominé dadelijk naar

huis ging en eene preek schreef, of althans ontwierp (want hij kon zeer

breedvoerig uit het hoofd preeken), waarin hij op eene zoodanige wijze

sprak van Jezabel, van tooneelvoorstellingen (dat waren twee vliegen in

één klap, want het was bekend, dat doctor Portman, de dominé der oude

kerk, die wel bezocht) en van jongelingen, die ter helle voeren, dat de

domste mensch begreep, dat Pen de bedoelde persoon was en zich op den

pasgenoemden gevaarlijken weg bevond. Wie zou al de verhalen kunnen

opsommen, die over den jongen Pendennis in omloop waren, terwijl hij,

als een Achilles in zijne tent, om het verlies zijner geroofde Briseïs

zat te treuren!

Na het gebeurde met Hobnell was Pen zoowel een moordenaar als een

losbol, en zijn naam verwekte schrik en afgrijzen in Clavering. Maar

dit was nog niet genoeg: hij was niet de eenige van het gezin, waarover

men in het dorp de hoofden bij elkander begon te steken, en zijne

beklagenswaardige moeder was het eerstvolgende slachtoffer van de

dorpspraatjes.

„Het is alles al bepaald,” zeide mevrouw Pybus tegen mevrouw Speers;

„de jongen moet naar de academie en dan zal de weduwe zich wel

troosten.”

„Hij komt elken dag ongegeneerd bij haar, lieve mevrouw,” merkte

mevrouw Speers aan.

„Het is genoeg om den armen heer Pendennis zich in zijn graf te doen

omkeeren,” zeide mevrouw Wapshot.

„Zij heeft ook nooit van hem gehouden, dat weten wij best,” hernam No.

1.

„Zij trouwde hem om zijn geld, dat is bekend. Zij was eene doodarme

afhangelinge van Lady Pontypool,” zeide No. 2.

„Maar het is toch al te onbeschaamd, om een minnaar aan te moedigen

onder voorwendsel, dat hij komt om uw zoon te onderwijzen!” riep No. 3

uit.

„Stil! daar komt mevrouw Portman,” zeide een uit het gezelschap,

terwijl de goede dominé’svrouw den winkel van madame Fribsby

binnentrad, om de juist uit Londen ontvangen maandelijksche modeplaten

te zien. De eigenlijke toedracht der zaak was, dat madame Fribsby niet

langer in staat was geweest haar mond te houden; en op zekeren dag,

nadat zij met den hulpprediker had zitten praten over Pen’s naderend

vertrek, en Smirke was heengegaan om dien jongen heer eene zijner

laatste lessen te geven, had zij aan mevrouw Pybus, die juist met

mevrouw Speers binnenkwam, haar vermoeden, ja, bijna hare zekerheid te

kennen gegeven, dat er eene neiging bestond tusschen zeker geestelijk

heer en zekere dame, wier weerbarstige zoon geheel onhandelbaar was, en

dat een zeker huwelijk wel spoedig tot stand zou komen.

Mevrouw Portman doorzag alles natuurlijk dadelijk, zoodra de zaak

geopperd werd. Wat een sluw mensch was toch die hulpprediker! Hij helde

tot de afgescheidenen over en zij had het nooit op hem gehad. En denk

eens, dat mevrouw Pendennis zin in hem had, na met zoo’n man als

mijnheer Pendennis getrouwd te zijn geweest! Zij kon het ternauwernood

vijf minuten bij madame Fribsby uithouden, zoozeer brandde zij van

verlangen om naar de pastorie te loopen en het nieuws aan doctor

Portman mee te deelen.

En toen doctor Portman het nieuws hoorde, was hij zoo boos op zijn

hulpprediker, dat zijne eerste gedachte was met mijnheer Smirke te

breken en hem te verzoeken zijne diensten in een ander kerspel te gaan

aanbieden. „Zou zoon melkbaard durven denken, dat hij eene vrouw als

mevrouw Pendennis waardig was!” viel hij uit. „Hoever zal de

onbeschaamdheid nog gaan!”

„Zij is veel te oud voor mijnheer Smirke,” merkte mevrouw Portman aan;

„die lieve mevrouw Pendennis zou haast zijne moeder kunnen zijn.”

„Gij zoekt altijd de liefderijkste reden, Betsy,” riep de doctor. „Eene

vrouw met een volwassen zoon – zij zou nooit aan hertrouwen denken!”

„Gij meent, dat alleen mannen mogen hertrouwen, doctor Portman,”

antwoordde zijne vrouw geraakt.

„Gij mal vrouwtje!” zeide de doctor, „als ik weg ben, kunt gij wien gij

wilt trouwen. Ik zal het in mijn testament zetten. Ik zal aan mijn

opvolger een trouwring vermaken, en mijn geest zal op uwe bruiloft

komen dansen.”

„Het staat een dominé heel leelijk, zoo iets te zeggen,” hernam de dame

met een vaardigen tranenvloed. Doch die kleine wolkjes aan den hemel

van des doctors huwelijksheil dreven altijd spoedig voorbij, en werden

door kalmte en zonneschijn opgevolgd. De doctor bediende zich van een

maatregel om mevrouw Portman’s onthutst gelaat tot bedaren te brengen,

die van groote kracht is wanneer hij aangewend wordt tusschen een

achtenswaardig paar, dat elkander oprecht liefheeft, en die ik geloof,

dat „Philemon” op zijn zestigste jaar evenzeer betaamt als toen hij nog

de zwartlokkige jongen van vijf en twintig was.

„Zou het niet goed zijn mijnheer Smirke eens te spreken, Jan?” vroeg

mevrouw Portman.

„Als Pen naar de academie gaat, cadit quaestio,” antwoordde de dominé;

„Smirke’s bezoeken op Fairoaks houden dan van zelf op, zoodat het niet

noodig is er de weduwe mee lastig te vallen. Zij heeft hoofdbrekens

genoeg met de zaken van dien dwazen jongen schavuit, zonder dat men

haar nog het hoofd behoeft warm te maken met de koffiepraatjes van dit

stadje; die malle Fribsby heeft het allemaal uit haar duim gezogen!”

„Ik heb u altijd tegen haar gewaarschuwd, dat weet ge wel, beste Jan,”

kwam mevrouw Portman er tusschen.

„Dat hebt ge gedaan; gij doet dat zeer dikwijls, schatje,” antwoordde

de doctor lachende. „Het is voorzeker niet uit gebrek aan

waarschuwingen van uwe zijde, dat ik mijn eigen gevoelen heb over de

meeste vrouwen, waarmee wij bekend zijn. Madame Fribsby is eene malloot

en eene praatster, en zoo zijn er nog meer. Maar zij is goed voor de

armen, zij onderhoudt hare moeder en zij komt elken Zondag tweemaal ter

kerk. En wat Smirke betreft, mijn schatje –” hier kreeg het gezicht van

den doctor voor een oogenblik eene comische uitdrukking, welke mevrouw

Portman niet opmerkte (want zij zag juist uit het venster en

verwonderde zich, dat mevrouw Pybus op de markt weer op een paar kippen

stond te dingen, daar zij nog pas twee dagen te voren gevogelte van

Livermore had gekocht) – „wat Smirke betreft, Betsylief, wilt ge mij

beloven, dat gij nooit aan eenig sterfelijk wezen zult verklappen wat

ik u als een diep geheim zal meedeelen?”

„Wat is het, Jan-lief? – natuurlijk zal ik het aan niemand vertellen,”

antwoordde de predikantsvrouw.

„Nu dan – let wel, ik zeg niet, dat het waar is – maar indien gij eens

hoordet, dat Smirke op dit oogenblik – of eigenlijk reeds sinds jaren –

geëngageerd was met zekere jonge dame, eene jufvrouw – eene jufvrouw

Thompson, als gij den naam weten wilt, die op Clapham Common woont –

ja, op Clapham Common, niet ver van mevrouw Smirke, – wat zou er dan

van uw verzinsel omtrent Smirke en mevrouw Pendennis worden?”

„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger verteld?” zeide mevrouw. „Hoelang

hebt gij het al geweten? – Wat hebben wij ons allen in dien man

vergist!”

„Waarom zou ik mij met de zaken van een ander bemoeien, schatje?”

hernam de doctor. „Ik kan een geheim bewaren – en misschien is dit ook

maar een uitstrooisel, evenals die andere dwaze geschiedenis; ten

minste, mevrouw Portman, zou ik u dit nooit verteld hebben, als het

andere er geen aanleiding toe gegeven had, hetgeen ik u verzoek tegen

te spreken waar gij het hoort.” En met die woorden begaf de doctor zich

naar zijne studeerkamer, terwijl mevrouw Portman, ziende, dat het

bijzonder mooi weer was, begreep, dat zij daarvan gebruik moest maken

om eenige bezoeken te gaan afleggen.

Toen de doctor uit het venster zijner studeerkamer keek, zag hij de

vrouw zijns harten een oogenblik later in hare beste kleeren uitgaan.

Zij stak de markt over, groette de verkoopsters rechts en links, wierp

een blik op den komenijswinkel aan den hoek, sloeg London Street

(voormaals hog Lane) in, stond een oogenblik voor de winkelkast van

madame Fribsby naar de modes te kijken en scheen onzeker, of zij er

binnen zou treden; doch zij ging voorbij en stond niet stil, voordat

zij den tuin en het groene hek van mevrouw Pybus bereikt had, waar zij

binnenging en op de woning van die dame toestapte.

Daar verloor doctor Portman zijne vrouw natuurlijk uit het oog. „O, wat

heb ik haar beetgehad!” sprak hij bij zich zelven, „en de hemel vergeve

mij, dat ik mijn eigen vleesch en bloed gefopt heb. Maar er moeten geen

praatjes en laster meer omtrent die familie in omloop komen. Ik moet er

een eind aan maken en Smirke spreken. Ik zal hem nog heden ten eten

vragen.”

Daar de doctor eene preek moest opstellen, ging hij zitten werken en

had het daarmee zoo druk, dat hij eerst omstreeks vijf uur des

namiddags gereed was. Daarop ging hij naar de woning van Smirke, met

oogmerk om aan zijne gastvrije plannen ten aanzien van dien heer gevolg

te geven. Juist toen hij aan de deur van madame Fribsby was, kwam de

hulpprediker er uit.

Mijnheer Smirke was prachtig gekleed en vertoonde, toen hij zich op

zijne teenen omdraaide, een paar elegante opengewerkte zijden kousen en

blinkende schoenen. Zijne witte das was in een stevigen mooijen strik

gelegd en zijne gouden hemdsknoopen schitterden op het sneeuwwitte

linnen. Zijn haar krulde rondom zijne blanke slapen. Had hij madame

Fribsby’s krulijzers geleend, om aan zijne lokken die sierlijke golving

te geven? Zijn wit batisten zakdoek was geurig van het heerlijkste

eau-de-cologne.

„O gracilis puer! waar moet dat heen?” riep de doctor uit. „Ik kwam u

vragen om bij ons te dineeren.”

„Ik heb mijn woord gegeven om op – Fairoaks te dineeren,” antwoordde

Smirke met een licht blosje, terwijl hij met zijn geparfumeerden

zakdoek zwaaide. Daar zijn hit gereed stond, steeg hij op en reed

meesmuilend de straat uit. Dien dag trof hem geenerhande onheil, zoodat

hij met zijne das in den onberispelijksten toestand ten huize van

mevrouw Pendennis aankwam.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 34 / 155 题