HET GELUKKIGE DORP.

Zoolang de vijand niet geheel uit het gezicht der vesting

teruggetrokken was, had majoor Pendennis besloten te Fairoaks garnizoen

te blijven houden. Hij scheen Pen’s gedrag niet te bespieden, noch

eenigen dwang op zijne handelingen uit te oefenen; maar desniettemin

wist hij den knaap voortdurend onder zijn eigen oog, of dat zijner

handlangers te houden, en alle gangen van den jongen Arthur waren diens

waakzamen voogd ten volle bekend.

Vermoedelijk is er geen mensch, onder al degenen, die dezen of een

anderen roman lezen, die niet vroeger of later door het lot, de

omstandigheden, de valschheid eener vrouw, of eigen schuld, in zijne

liefde gedwarsboomd is. Laat zoo iemand zich dan zijne eigen

gemoedsstemming in dat geval voor den geest roepen en zich daardoor

Pen’s zielesmart voorstellen. O, wat treurige nachten en koortsige

uren! O, wat dolzinnige begeerten, die tegen de rots der onmogelijkheid

of der onverschilligheid opgolfden en van het onwrikbare graniet

afstuitten! Indien wij dezen zelfden nacht eene lijst konden opmaken

van de jammerkreten en gedachten en verwenschingen van rusteloos

ronddwalende minnaars te Londen, wat een catalogus zou dat niet zijn!

Ik zou wel eens willen weten, hoeveel percent van de mannelijke

bevolking des morgens ten twee of drie ure wakker liggen, de trage uren

tellen, en zich onrustig, smachtend en wanhopig van de rechter- op de

linkerzijde wentelen. Wat is het eene vlijmende smart! Wel heb ik nooit

gehoord, dat een man bepaald van verliefdheid gestorven is, maar ik heb

wel een man van 150 pond onder den druk eener ongelukkige liefde tot

110 pond zien inkrimpen, zoodat men kan zeggen, dat ongeveer een vierde

gedeelte van hem verloren was gegaan, – wat inderdaad geen kleinigheid

mag heeten. Later heeft hij echter zijne vroegere zwaarte herkregen;

misschien is hij thans dikker dan ooit; zeer waarschijnlijk heeft eene

nieuwe genegenheid zijn hart en zijne ribben omvat en deze op hun gemak

gebracht, en de jonge Pen is een man, die zich, gelijk anderen,

troosten zal. Wij zeggen dit, opdat de dames hem niet te voorbarig

beklagen, noch zich ernstig ongerust maken over zijne ziekte. Zijne

moeder was dat wèl, maar wat bestaat er, dat de moederliefde niet zou

vreezen of zich inbeelden? „Wees zeker, mijne waardste,” zeide majoor

Pendennis op galante wijze tegen haar, „dat de jongen er van zal

opkomen. Zoodra wij haar weg hebben, zullen wij hem wel ergens heen

brengen en hem een beetje van het leven laten zien. Wees intusschen

gerust. De helft der smart, die men ondervindt wanneer men eene vrouw

verliest, is eer een gevolg van ijdelheid dan van liefde. Door eene

vrouw verlaten te zijn, is zeker verschrikkelijk; maar let eens op, hoe

gemakkelijk wij haar verlaten.”

Mevrouw Pendennis wist niets daarvan. Deze soort van kennis was niet

binnen den kring van de ondervinding dezer eenvoudige dame gevallen.

Zij hield dan ook niet van dit onderwerp en sprak er liefst niet over;

haar hart had zijne eigene kleine ramp gehad, had er zich boven

verheven en was genezen; en misschien had zij niet veel medelijden met

de verliefdheid van anderen, – natuurlijk die van Arthur uitgezonderd,

met wiens lijden zij zich vereenzelvigde, – zoodat zij zeer

waarschijnlijk bij de vele ongesteldheden en smarten van den knaap

aanmerkelijk meer dan Pen zelf leed. In zijne tegenwoordige droefenis

hield zij met ijverzuchtige en stille meewarigheid het oog op hem,

ofschoon hij, gelijk wij reeds vermeld hebben, niet met haar sprak over

zijn rampzaligen toestand.

Het verdient gezegd te worden, dat de majoor niet weinig talent en

lijdzaamheid, en eene allerloffelijkste belangstelling voor zijne

familie aan den dag legde. Het leven op Fairoaks moest onuitstaanbaar

vervelend zijn voor een man, die tot de helft der huizen van Londen

toegang had en gewoon was zich elken avond op drie of vier partijen te

vertoonen. Nu en dan een diner met doctor Portman, of een landjonker

uit den omtrek, en een lusteloos spelletje triktrak met de weduwe, –

die alles in het werk stelde om hem aangenaam bezig te houden, – dit

behoorde tot zijne voornaamste uitspanningen. Hij zag reikhalzend naar

de komst van den brievenzak uit en las het avondblad van den eersten

regel tot den laatsten. Vlijtig nam hij allerlei gezondheidsmaatregelen

in acht, want hij meende, dat een stil leventje, gedurende eenigen

tijd, hem nuttig zou zijn na de Londensche feestdagen. Elken morgen en

middag kleedde hij zich met zorg, en nam hij geregelde beweging, door

het terras op en neer te wandelen. Deze waardige en wereldsche wijsgeer

vrijwaarde zich aldus met zijn wandelstok, zijn toilet, zijn

medicijnkistje, zijn triktrakbord en zijn nieuwsblad tegen de

verveling; en zoo majoor Pendennis niet, gelijk de bijen tegen den

tuinmuur der weduwe, van elk zonnig uur partij trok, bracht hij uur op

uur door, zooals hij het best vermocht, waardoor hij zich zijne

ballingschap eventjes draaglijk maakte. Het trok de aandacht, dat hij

na dit tijdperk zijns levens gaarne het gesprek op den Amerikaanschen

oorlog, den moord van Wyoming en de schitterende bedrijven van

Saint-Lucie bracht, waarvan de geheime oorzaak was, dat hij een paar

deelen der Britsche Jaarboeken op zijne slaapkamer gevonden en vlijtig

doorgelezen had. Aldus weet een man van geregelde levenswijze zich naar

de omstandigheden te schikken en zich met een kalm gelaat boven het lot

verheven te toonen.

Pen ging soms des avonds aan het triktrakbord zitten, of luisterde des

zomeravonds naar de eenvoudige muziek, die zijne moeder maakte, – maar

hij was, in weerwil van dit alles, gejaagd en ellendig. Men zag hem

zelfs vóór het aanbreken van den dag opstaan en naar een karpervijver

in Clavering Park gaan, een somber water met ontelbare ruischende

rietstengels en elzeboomen, waar eene melkmeid zich ten tijde van den

grootvader van den baronet verdronken had en haar geest, naar men

zeide, nog spookte. Maar Pen verdronk zich niet, waarvoor zijne moeder

misschien bang was. Hij ging daar gaarne visschen en op zijn gemak

peinzen, terwijl de dobber in de kleine kringetjes van den vijver op en

neer danste en de visschen er rondom sprongen. Als hij beet kreeg, was

hij zeer opgetogen, en op die wijze bracht hij meer dan eens karpers,

zeelten en palingen thuis, die de majoor op de wijze, gelijk op het

vasteland gebruikelijk was, toebereidde.

Bij dien vijver, en onder een boom, die zijn geliefkoosd toevluchtsoord

was, vervaardigde Pen een aantal verzen, op zijne omstandigheden

toepasselijk – verzen, waarover hij in later tijd bloosde, daar hij

zich verwonderen moest, dat hij ooit zulke wartaal voor den dag had

kunnen brengen. En wat dien boom aangaat – wel, het is in eene holte

van dien zelfden boom, waar hij zijn tinnen doosje met wormen en andere

vischbehoeften neerzette, dat hij later – doch wij zijn voorbarig!

Genoeg voor het oogenblik, dat hij verzen schreef en daarbij veel

verlichting vond. Wanneer iemands verdriet of hartstocht van dien aard

is, dan moge hij zijne smart luid ontboezemen, maar zij is niet erg.

Wanneer een heer zijn brein foltert, om op hemel een ander rijmwoord te

vinden dan gewemel en kemel, dan is zijn verdriet dichter bij het einde

dan hij zelf weet. En zoo was het ook met Pen. Hij had zijne heete en

koude koorts, zijne dagen van neerslachtigheid of knorrigheid en doffe

gelatenheid of wanhoop, en tusschenbeide dolle vlagen van woede en

verlangen, waarin hij Rebecca zadelde en als een dolleman over de

velden of naar Chatteries galoppeerde, waarbij hij den rug van het

paard met de armen zat te molenwieken, en roerlieden en tolgaarders

verwonderd deed opzien, door in het voorbijrijden den naam der

ongetrouwe schoone luidkeels uit te galmen.

Mijnheer Foker legde in dezen tijd talrijke en welkome bezoeken op

Fairoaks af, waar zijne opgeruimdheid en zijne grappen den majoor en

Arthur niet weinig vermaakten en daarentegen de weduwe en de kleine

Laura verbaasden. Zijn wagentje veroorzaakte groote opschudding op de

markt te Clavering, waar hij een stalletje omverreed, den poedel van

jufvrouw Pybus over het kaalgeschoren lichaam reed en een glaasje

bitter in het Wapen van Clavering dronk. Het gansche plaatsje vernam

wie hij was en zocht in het Jaarboek der pairs zijn naam onder de

aanverwanten van den adel op. Maar hij was nog zóó jong en hunne

uitgaven van het Jaarboek waren zóó oud, dat zijn naam in vele dier

jaargangen niet voorkwam; en zijne mama, thans eene vrij bejaarde dame,

stond er, onder de kinderen van den graaf van Rosherville, nog vermeld

als Lady Agnes Milton. Doch zijn naam, rijkdom en deftige af komst

waren spoedig in Clavering bekend, waar men zeker kan zijn, dat de

kleine liefdesgeschiedenis van Pen met de actrice te Chatteries ook

zeer vrijmoedig besproken werd.

Wanneer men van den weg naar Londen, die langs de portierswoning van

Fairoaks loopt, den blik op het oude stadje Clavering St. Mary slaat en

den snelvlietenden en blinkenden Brawl van de stad af langs de

bosschages van Clavering Park ziet kronkelen en den ouden kerktoren en

de puntige daken der huizen ziet uitsteken tusschen boomen en oude

muren, achter welke zich een achtergrond van zonnige heuvelen verheft,

die westwaarts van Clavering naar zee loopen, – dan schijnt het

plaatsje zoo vroolijk en gezellig, dat menig reiziger van den top der

diligence een smachtend verlangen daarnaar moet ondervonden en de

gedachte gekoesterd hebben, dat het toch wel aangenaam zou zijn, aan

het einde van den strijd des levens in zulk een kalm en vriendelijk

hoekje een toevluchtsoord te vinden. Tom Smith, de koetsier der

diligence Alacrity, wees dikwijls een boom bij de rivier aan, van waar

men een fraai gezicht op de kerk en de stad had, en verhaalde dan aan

zijn reisgezel op den bok, dat schilders van daar de kerk uitteekenden,

die vroeger eene abdij was geweest, – en inderdaad was het een mooi

gezicht, dat ik aan de schilders Stanfield en Roberts op hun

eerstvolgend reisje aanbeveel

Gelijk Konstantinopel, van den Bosphorus gezien, gelijk mevrouw

Rougemont, wanneer men van de overzijde der zaal haar in hare loge ziet

zitten, gelijk menig voorwerp dat wij in het leven najagen en

bewonderen zoolang wij het niet bezitten, is Clavering liefelijker op

een afstand dan bij nadere kennismaking. De stad, die op eenige ellen

afstands zoo vroolijk schijnt, ziet er zeer doodsch en vervelend uit.

Men ziet niemand op straat dan op marktdagen. Het gekletter van een

paar klompen klinkt de halve stad door, en men kan het kraken van het

oude verroeste uithangbord van het Wapen van Clavering hooren, zonder

dat men door eenig ander geluid afgeleid wordt. Er is in de societeit

geen bal geweest sedert de partij, die de vrijwilligers van Clavering

aan hun kolonel, den ouden Sir Francis Clavering, gaven; en de stallen,

die eenmaal de paarden van dat prachtige, maar uitgestorven regiment

bevatten, zijn thans somber en leeg, behalve Donderdags, wanneer de

boeren daar uitspannen en hunne huifkarren en chaisen een flauwen

schijn van levendigheid aan het plaatsje bijzetten, of wanneer op de

rechtsdagen de rechterlijke ambtenaren vergadering houden in de kamer,

die vroeger aan het kaartspel gewijd was.

Aan de zuidzijde der markt staat de kerk met hare groote grijze torens,

welker fijn beeldhouwwerk in het zonnelicht schittert, hetwelk de

schaduwen der zware steenen beren donker kleurt en de schitterende

vensters en vlammende weerhanen verguldt. Eeuwen geleden werd het beeld

van de beschermheilige der kerk boven het voorportaal weggebroken; de

heiligenbeelden, welke in dien tijd van vrome vernielzucht binnen het

bereik van steenen of hamers stonden, zijn hoofdeloos en verminkt, en

van die, welke er ongeschonden afkwamen, kent alleen doctor Portman de

namen en de geschiedenis, want zijn hulpprediker Smirke bemoeit zich

niet veel met de oudheidkunde en mijnheer Simcoe (de gemaal eener

„freule,” die thans mevrouw Simcoe is) beschouwt, als predikant en

oprichter van de Kapel der Ruste in het lagere gedeelte der stad, die

beelden als iets verfoeilijks.

De pastorie is een hecht, breed gebouw van baksteen, uit den tijd van

koningin Anna. Zij komt met verschillende uitgangen in de kerk en op de

markt uit, en staat aan den ingang van Yew-Tree-Lane, waar zich de

school van den eerwaarden Wapshot, Yew-Tree-Cottage van jufvrouw

Flather, het slachthuis van den vleeschhouwer, eene oude schuur of

brouwerij uit de dagen der abdij, en de jongejufvrouwen-kostschool der

dames Finucane bevinden. De zitplaatsen van de leerlingen der beide

scholen waren op de galerij aan beide zijden van het orgel, totdat de

doctor – toen de abdijkerk tamelijk leeg werd door het wegblijven van

vele leden der gemeente, die zich naar de kettersche kapel in het

lagere gedeelte der stad lieten lokken – de dames Finucane bewoog haar

lieve kuddeke naar beneden te laten komen, waar de hoedjes der jonge

dames aan de vrij leege banken eenig leven bijzetten. In de groote bank

der familie Clavering ziet men niets dan de beeltenissen der overledene

baronets en hunne vrouwen; daar is Sir Poyntz Clavering, ridder en

baronet, met een baard van vierkante snede, geknield tegenover zijne

vrouw met een ontzaglijken halskraag; eene zeer dikke dame, Rebecca

Clavering, in haut-relief, wordt hemelwaarts gedragen door twee

engeltjes, die er eene zware vracht aan schijnen te hebben – en meer

van dien aard. Wat herinnerde Pen zich in latere jaren die beelden

duidelijk, en wat zat hij ze in zijne jeugd nauwkeurig te bekijken als

de doctor zijne leerrede van den preekstoel opdreunde en Smirke’s

zachtmoedig gezicht met de ééne krul op zijn voorhoofd over het groote

gebedenboek aan den lezenaar heenkeek!

De bewoners van Fairoaks gingen trouw naar de oude kerk; hunne

bedienden hadden er eene bank, evenals die van Wapshot en van de dames

Finucane, drie meiden en een knap jonkman in livrei. De familie Wapshot

was talrijk en geloovig. Glanders en zijne kinderen kwamen geregeld ter

kerk, en een der apothekers ook. Jufvrouw Pybus ging om beurten naar de

kerk in de stad en naar de abdijkerk. De leerlingen der armenschool en

hunne bloedverwanten kwamen natuurlijk. Wapshot’s jongens maakten een

luid en hartverkwikkend gedruis, door met de voeten te schuifelen

wanneer zij de kerk binnenmarcheerden en de trap naar de galerij

opliepen, en hunne neuzen zeer dikwijls onder den dienst snoten. Om

kort te gaan, de gemeente zag er zoo ordelijk uit als men in dezen

slechten tijd verwachten mocht. De abdij kerk bezat een prachtig

koorhek en vele wapens aan de muren en op de grafzerken. De doctor

besteedde een groot gedeelte van zijn inkomen om zijne geliefde kerk op

te knappen, en had haar met een heerlijk geschilderd glasvenster, dat

in de zuidelijke Nederlanden gekocht was, en een orgel, groot genoeg

voor eene hoofdkerk, begiftigd.

Doch in spijt van orgel en venster – of wel denkelijk ten gevolge van

dit laatste, dat uit een papistisch land gekomen en vol afgodische

voorstellingen was – bloeide de nieuwlichterskerk te Clavering op de

ergerlijkste wijze onder den neus der orthodoxie, en vele leden der

gemeente van den doctor liepen naar mijnheer Simcoe en de freule, zijne

vrouw, over. Door hunne onvermoeide pogingen was zelfs de

methodisten-kapel in de nabijheid leeggeloopen, die vóór Simcoe’s komst

zoo vol placht te zijn, dat men de ruggen der toehoorders als het ware

uit de kerkramen zag puilen. De traktaatjes van mijnheer Simcoe

fladderden de deur van alle huisjes, die tot het gebied van den doctor

behoorden, binnen, en werden even gretig aangenomen als de soep der

welwillende mevrouw Portman, welke door de ondankbare schepsels nog al

afgekeurd werd. Bij de werklieden in de lintfabriek, die bij het veer

aan den Brawl lag en rondom welke de nieuwe stad was opgerezen, kon de

orthodoxie in het geheel geen ingang vinden. De bedaarde jufvrouw Myra

werd door de vurige mevrouw Simcoe en hare vrouwelijke adjudanten

geheel uit het veld geslagen. Ach, het was eene zware beproeving voor

de vrouw van den doctor, haar mans gemeente te zien wegsmelten; bij de

weinige gelegenheden, wanneer zij met elkander in aanraking kwamen, den

voorrang te moeten laten aan de vrouw van een afgescheiden dominé,

omdat deze de dochter van een Ierschen pair was; en te weten, dat er in

Clavering, hunne eigen stad Clavering, waaraan de doctor veel meer dan

de inkomsten van zijn ambt besteedde, eene partij bestond, die hem in

een kwaden naam bracht, omdat hij een partijtje whist speelde, en hem

een heiden noemde, omdat hij den schouwburg bezocht. In hare

verdrietige stemming spoorde zij hem aan den schouwburg en het

kaartspel te laten varen – en het was werkelijk reeds zeer moeielijk

een partijtje bijeen te krijgen, zoo luide werd dat tijdverdrijf

veroordeeld; – maar de doctor verklaarde, dat hij doen zou wat recht

was in zijne oogen en wat de groote en goede George III deed (wiens

kapelaan hij was geweest); en wat betrof het afzien van het whisten,

omdat die dwaze menschen er aanmerking op maakten, verklaarde hij, dat

hij liever tot zijn laatsten dag toe met zijne vrouw en Myra met den

blinde spelen zou, dan voor die verfoeilijke vervolging te buigen.

Van de beide familiën, die bezitters waren van de fabriek (door welke

de forellenvangst in den Brawl bedorven en al het kwaad in de stad

gebracht was), ging de oudste compagnon, mijnheer Rolt, naar de

methodistische kapel, en de jongste, mijnheer Barker, naar de nieuwe

kerk. In één woord, de menschen krakeelden in dit kleine plaatsje

oneindig meer dan buren te Londen doen; en in het leeskabinet, dat de

voorzichtige en vredelievende Pendennis opgericht had en dat een

onzijdig gebied had behooren te zijn, werd zóó hevig getwist, dat men

tegenwoordig bijna niemand meer in de leeszaal aantrof, behalve Smirke,

die, ofschoon door eene flauwe vriendschapsbetrekking met de factie van

Simcoe verbonden, nog altijd zekeren smaak voor tijdschriften en

wereldsgezinde litteratuur behouden had; en den ouden Glanders, wiens

grijs hoofd en ruige knevels men aan het venster kon zien; en

natuurlijk de kleine mevrouw Pybus, die ieders brieven, welke de post

aanbracht, bekeek (want de leeszaal te Clavering was, gelijk ieder

weet, in de leesbibliotheek van Baker in London Street, vroeger Hog

Lane) en alle advertentiën uit de courant las.

Men kan begrijpen welk eene opschudding de tijding van Pen’s

liefdesgeschiedenis te Chatteries, in dit lieftallige maatschappijtje,

teweegbracht. Het nieuws werd van huis tot huis rondgedragen en maakte

het onderwerp der gesprekken bij hoogkerkschen, laagkerkschen en

geenkerkschen uit; het werd tusschen de dames Finucane en hare

secondanten besproken en hoogst waarschijnlijk ook door de jonge dames

op de slaapzalen behandeld; de groote jongens van Wapshot kenden

eveneens eene lezing van het verhaal en bekeken Pen nieuwsgierig als

hij in zijne bank in de kerk zat, of wezen hem spottend met den vinger

aan als hij over straat liep. Zij hadden altijd een hekel aan hem gehad

en noemden hem Lord Pendennis, omdat hij geen grove kleeren droeg

gelijk zij, een paard hield en zich zoo kwasterig voordeed.

Om de waarheid te zeggen, was het mevrouw Portman zelve, die de

schiedenis van Pen’s verliefdheid hoofdzakelijk in omloop had gebracht.

Elk nieuwtje, dat deze openhartige vrouw vernam, bracht zij

onvermijdelijk aan hare buren over; en toen zij door het opzienbarende

geval te Chatteries in het bezit van Pen’s geheim was gekomen, wist de

arme doctor Portman, dat het den volgenden dag in het geheele kerspel,

waar hij predikant was, bekend zou zijn. En dit was ook werkelijk het

geval; het gansche stadje was op de hoogte; binnen weinige uren had de

schiedenis de ronde gedaan door het leeskabinet, den modewinkel, en

schoenenwinkel, den komenijswinkel aan den hoek der markt, bij mevrouw

Pybus, bij de Glanders’, op de oefening bij mevrouw Simcoe, bij de

eigenaren der fabriek, ja, in de fabriek zelve, en was de dwaasheid van

Arthur Pendennis op ieders tong.

Al de kennissen van doctor Portman hielden hem staande, toen hij den

volgenden dag over straat ging. De arme dominé wist, dat zijne Betsy de

verspreidster van het nieuws was, en ergerde zich inwendig. Maar, het

zou toch binnen een paar dagen uitgekomen zijn, en dan was het maar

beter, dat de stad de ware toedracht der zaak kende. Wij behoeven hier

niet te beschrijven wat de inwoners van Clavering dachten over de

slechte opvoeding, die mevrouw Pendennis aan haar zoon gegeven had, en

over de vermetelheid van dien baardeloozen schavuit van een Arthur, die

met eene actrice had willen trouwen. Zoo er in ons vaderland hoogmoed

bestaat (en zeker bezit men er meer dan genoeg van), dan is die nergens

dieper geworteld dan bij niet rijke oude jufvrouwen in kleine

plaatsjes. „Goede hemel!” ging de kreet op, „wat is die moeder blind

voor dien brutalen en eigenzinnigen jongen, die op zijn volbloedpaard

de houding van een lord aanneemt, voor wien ons gezelschap niet goed

genoeg is, en die eene leelijke, geblankette actrice uit eene

kermistent, waar hij zich zeker ook wil engageeren, zou willen trouwen.

Als de goede oude heer Pendennis nog leefde, zou dit schandaal nooit

gebeurd zijn.”

Neen, dat zou het waarschijnlijk niet, en wij zouden nu niet bezig zijn

met Pen’s geschiedenis te verhalen. Het was waar, dat hij tegenover de

bevolking van Clavering een zekeren hoogmoed aan den dag legde. Daar

hij van nature fier en rondborstig was, verveelden hem hun gekakel en

praatjes en nagemaakte voornaamheid, en legde hij daarvoor eene

minachting aan den dag, die hij niet verbergen kon. De doctor en de

hulpprediker waren de eenige menschen daar ter plaatse, in wie Pen

belang stelde, – zelfs mevrouw Portman deelde in het algemeene

wantrouwen omtrent hem en zijne moeder, de weduwe, die zich aan den

omgang met de inwoners onttrok en dienovereenkomstig gehekeld werd,

omdat zij – men zou zeggen! – zich op gelijken voet met de groote

familiën van het graafschap wilde plaatsen. Zij moest zich schamen!

Mevrouw Barker aan de fabriek nam viermaal meer vleesch van den slager

dan de bewoners van Fairoaks, – in weerwil van al hunne voorname airs.

Enz., enz., enz. De lezer kan dit verder met bijzonderheden aanvullen,

naar gelang van zijn smaak voor dorpspraatjes en zijne ondervinding

daarvan. Het meegedeelde is genoeg om te doen zien op welke wijze eene

brave vrouw, die zich alleen met de vervulling van hare plichten jegens

hare naasten en hare kinderen bezig hield, en een oprechte, ronde

knaap, met een warm hart en vol goede eigenschappen, die aan elk mensch

ter wereld het beste toewenschte, vijanden en lasteraars vonden onder

lieden, waar zij ver boven stonden en wien zij nooit een zweem van leed

berokkend hadden. De honden van Clavering liepen rondom het huis van

Fairoaks te janken en vonden er hun vermaak in, Pen te vervolgen.

Doctor Portman en Smirke zorgden wel, dat zij der weduwe het hoofd niet

warm maakten met de aanhoudende praatjes, die over den armen Pen

liepen, ofschoon deze er van op de hoogte gehouden werd door Glanders,

die een vriend des huizes was. Men kan zich zijne verontwaardiging

voorstellen: was er niemand in het stadje, van wien hij rekenschap kon

vorderen? Eerlang begonnen sommige grappenmakers: „Lang leve

Fotheringay!” en andere sarcastische toespelingen op het gebeurde, met

krijt op de poort van Fairoaks te schrijven. Iemand anders bracht eene

groote tooneelaffiche van Chatteries mede en plakte die daar op zekeren

nacht met ouwels aan. Toen Pen eens de lagere stad doorreed, meende

hij, dat de werklieden der fabriek hem najouwden; en eindelijk, toen

hij eens door de deur van den doctor het kerkhof opstapte, waar eenige

der jongens van Wapshot rondslenterden, nam de grootste van deze, een

jonge heer van omtrent twintig jaar, de zoon van een klein landbezitter

uit de buurt, die in de hoedanigheid van kostleerling bij mijnheer

Wapshot woonde, eene tooneelachtige houding bij een pas gedolven graf

aan en begon, met een afschuwelijken grijns, Ophelia’s verzen uit

Hamlet op te zeggen.

Pen ontstak zoodanig in woede, dat hij met een uitroep, die heel veel

naar een vloek geleek, op den langen Hobnell toesprong, hem met de

karwats, die hij in de hand hield, een geweldigen striem over het

gezicht gaf, de karwats daarop wegwierp, den lafhartigen schavuit

toeriep, dat hij zich verdedigen moest, en een oogenblik later den

verbluften jongen schelm in het graf smeet, dat op een geheel anderen

bewoner wachtte.

Daarop riep hij, met gebalde vuisten en een gezicht, dat van drift en

verontwaardiging trilde, Hobnell’s kameraden toe, dat hij al die

schurken afwachtte, als zij maar durfden. Maar mokkend deinsden zij

achteruit en bliezen den aftocht toen doctor Portman naar zijn hek

kwam, terwijl mijnheer Hobnell, met akelig bebloeden neus en lippen,

weer uit het graf kroop.

Met blikken, die dood en verderf aan de naar hunne zijde van het

kerkhof terugtrekkende jongens verkondigden, keerde Pen door het hek

van den doctor terug en onderging een verhoor van dien heer. Hij was

zoo ontroerd, dat hij ternauwernood spreken kon. Toen hij antwoordde,

brak hij in snikken los. „De – lafaard heeft mij beledigd, mijnheer,”

en de doctor zag den vloek, waarvan dit gezegde vergezeld ging, door de

vingers en eerbiedigde de gevoelens van dit eerlijke en zooveel

lijdende jonge hart.

De oude Pendennis, die als echt man van de wereld eene gepaste en

aanhoudende vrees voor het oordeel zijner medemenschen koesterde, was

verbazend geërgerd over het zotte stormpje, dat in Chatteries woedde en

Pen’s reputatie heen en weer slingerde. Doctor Portman en kapitein

Glanders moesten de aanvallen der gansche maatschappij van Chatteries

tegen den jeugdigen verworpeling, die als een monster van slechtheid

beschouwd werd, afslaan. Pen zeide thuis niets van het gevecht op het

kerkhof, maar begaf zich naar Baymouth, om zijn vriend den heer Henry

Foker te raadplegen, die dadelijk met zijn rijtuig voor het Wapen van

Clavering kwam, en van daar door middel van Domkop een briefje „aan den

weledelgeboren heer Thomas Hobnell, ten huize van den eerwaarden heer

Wapshot” zond, met de beleefde vraag wanneer hij dien heer zou mogen

spreken.

Domkop bracht de boodschap terug, dat het briefje door mijnheer Hobnell

geopend en aan een half dozijn van de grootste jongens voorgelezen was,

op welke het diepen indruk scheen te maken; en dat Hobnell, nadat zij

samen gepraat en gelachen hadden, gezegd had, dat hij na de

namiddagschool, waarvoor de bel reeds luidde, een antwoord zou zenden,

en dat toen juist mijnheer Wapshot in zijn doctors tabbaard te

voorschijn was gekomen, – want Domkop was ervaren in de academische

costumen, daar hij mijnheer Foker reeds op de Academie bediend had.

Foker ging in den tusschentijd de merkwaardigheden van Clavering

bezien, maar daar hij geen smaak voor de schoone bouwkunde had, boeide

doctor Portmans fraaie kerk hem weinig en verklaarde hij den toren voor

zoo rot als eene oude Stiltonsche kaas. Hij slenterde de straten door

en bekeek de weinige winkels. Kapitein Glanders zag hij aan het venster

der leeszaal staan, en, na dien heer goed bekeken te hebben, knikte hij

hem eens toe, ten bewijze van zijne tevredenheid. Bij den slager

informeerde hij met den schijn van de grootste belangstelling naar den

prijs van het vleesch, en vroeg wanneer er weer geslacht werd. Hij

drukte zijn kleinen neus tegen de winkelkast van madame Fribsby plat,

om te zien of er niet een mooi modemaakstertje in den winkel zat; maar

er was geen mooier gezichtje aanwezig dan dat van den mutsenbol met

eene Fransche muts op, die voor de glazen stond, en madame Fribsby

zelve, die slechts onduidelijk in het achterkamertje te zien was, waar

zij een roman zat te lezen. Dit voorwerp was niet belangwekkend genoeg

om mijnheer Foker tot eene langdurige beschouwing uit te lokken, zoodat

hij, na alles bezichtigd te hebben in de stad en in de stallen, waar

geene andere beesten stonden dan een enkel oud paar huurpaarden, die

den karigen kost verdienden door de fatsoenlijke lui naar de diners in

het graafschap te rijden, gevaar liep geheel ten prooi der verveling te

worden, toen men eindelijk iemand met eene boodschap van mijnheer

Hobnell aandiende.

Dit was geen mensch anders dan de heer Wapshot in eigen persoon, die in

de grootste verontwaardiging, met Pen’s brief in de hand, kwam

binnenstuiven en aan Foker vroeg hoe hij zulk eene onchristelijke

boodschap als eene uitdaging aan een leerling van zijne school durfde

overbrengen.

Werkelijk kwam het schrijven van Pen aan zijn vijand van den vorigen

dag daarop neer, dat, indien Hobnell, na de kastijding, die zijne

onbeschaamdheid ruimschoots verdiend had, de voldoening mocht

verlangen, die onder gentlemen gebruikelijk is, de vriend van mijnheer

Arthur Pendennis, de heer Henry Foker, gemachtigd was alle schikkingen

met den heer Hobnell te maken.

„En dus heeft hij u met het antwoord gezonden, mijnheer?” vroeg Foker,

den schoolmeester van top tot teen in zijn geestelijk gewaad opnemende.

„Als hij die goddelooze uitdaging had aangenomen, zou ik hem

afgeranseld hebben,” zeide mijnheer Wapshot met een blik op mijnheer

Foker, waarin men lezen kon: „en ik zou u ook wel eens een ferm pak

willen toedienen.”

„Dat is bepaald heel vriendelijk van u,” antwoordde Pen’s gemachtigde.

„Ik heb mijn principaal al verteld,” ging hij met groote deftigheid

voort, „dat de ander naar mijn inzien niet vechten zou. Hij wil zeker

liever geranseld worden dan vechten. Zult ge ook iets gebruiken,

mijnheer .....? ik heb het geluk niet, uw naam te kennen.”

„Ik heet Wapshot, mijnheer, en ben de meester van de school, mijnheer,”

schreeuwde de ander; „en ik verkies niets te gebruiken, mijnheer, dank

je wel, en ik heb geen lust om kennis met je te maken, mijnheer.”

„Nu – de uwe heb ik bepaald niet gezocht,” antwoordde mijnheer Foker.

„In gevallen van dezen aard, weet je, vind ik het heel verkeerd, er

dominés in te halen, maar – over den smaak valt niet te oordeelen,

mijnheer.”

„En ik vind het heel verkeerd, dat jongens, mijnheer, zoo lichtvaardig

over moord spreken als gij dat doet,” brulde de schoolmeester, „en als

ik u op mijne school had –”

„Dan zoudt ge het mij zeker beter leeren, mijnheer,” vulde Foker met

eene buiging den volzin aan. „Maar, dank je wel, mijnheer! Mijne

opvoeding is voltooid, mijnheer, en ik ga niet weer naar school,

mijnheer. Als het ooit gebeurt, dan zal ik uw vriendelijk aanbod in

gedachte houden. Jan, laat dezen heer eens uit – en natuurlijk, daar

mijnheer Hobnell zich verkiest te laten afranselen, kunnen wij daar

niets tegen hebben, mijnheer, maar zal het ons een genoegen zijn hem

daarop te onthalen, als hij ons ooit weer in den weg komt.”

Bij deze woorden maakte de jonge schavuit eene buiging tegen den

bejaarden heer, die zijne kamer verliet, en ging een briefje aan Pen

schrijven, waarin hij dezen berichtte, dat mijnheer Hobnell niet

vechten wilde, en berustte onder de kastijding, die Pen hem had

toegediend.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 32 / 155 题