Kort na de hiervoren vermelde gebeurtenissen trad de regisseur Bingley
in zijne beroemde rol van Rolla in Pizarro voor eene zoo buitengemeen
dun bezette zaal op, dat men bijna tot de gevolgtrekking zou gekomen
zijn, dat die rol op verre na zoo gunstig niet bij de bevolking van
Chatteries aangeschreven stond als bij den acteur zelven. Er was schier
niemand in den schouwburg. De arme Pen kon over bijna al de loges
beschikken en zat daar eenzaam en met roode oogen over den rand te
leunen en als wezenloos naar het tooneel te staren, toen Cora opkwam.
Als zij niet op de planken was, zag hij niets. Spanjaarden en Peruanen,
optochten en gevechten, priesters en zonnemaagden verschenen en
verdwenen en redeneerden met elkander, zonder dat Arthur eenigszins
acht op hen sloeg; hij zag alleen Cora, naar wie hij zuchtte. Later
verklaarde hij, dat het hem verwonderde, dat hij geen pistool
meegenomen en haar doodgeschoten had, zoo dol was hij van liefde, woede
en wanhoop, en wie weet of hij, zonder zijne moeder thuis, met wie hij
over zijn rampspoed sprak, maar wier stille deelneming en meewarigheid
den eenvoudigen knaap, wiens hart half gebroken was, staande hield,
niet tot een wanhopigen stap zou gekomen zijn en zijn leven ontijdig op
het voorplein der gevangenis van Chatteries zou geëindigd hebben? Daar
zat hij dan nu in zijne ellende naar haar te staren, maar zij sloeg
even weinig acht op hem, als hij op de overige toeschouwers.
Jufvrouw Fotheringay zag er ongemeen lieftallig uit, in een wit gewaad
en een luipaardsvel, met eene zon op hare borst en opzichtige
prulbraceletten aan hare fraaie blanke armen. Heerlijk declameerde zij
de weinige woorden van hare rol, en haar voorkomen beantwoordde er nog
beter aan. Die oogen, die Pen bekoord hadden, rolden en blonken even
schitterend als altijd; maar het was niet naar hem, dat zij zich dezen
avond richtten. Hij wist niet op wien zij het gemunt hadden, en merkte
het tweetal heeren in de loge naast de zijne niet op, waar de blikken
van jufvrouw Fotheringay aanhoudend heengingen.
Evenmin was aan Pen de ongeloofelijke verandering in het oog vallen,
die er, kort na de verschijning van die twee heeren in den schouwburg,
op het tooneel had plaats gehad. Er was zoo weinig publiek in de zaal,
dat het eerste bedrijf van het stuk zich lusteloos voortsleepte, en
zelfs was er sprake van geweest om het geld terug te geven, evenals op
dien ongelukkigen avond toen de arme Pen weggedreven werd. De acteurs
bekommerden zich volstrekt niet om hunne rol, geeuwden onder hunne
samenspraken en praatten in de pauzen hardop tegen elkander. Zelfs
Bingley was zonder lust en mevrouw B., als Elvira, sprak zoo zacht, dat
men haar bijna niet verstaan kon.
Vanwaar kwam het, dat mevrouw Bingley plotseling hare stem verhief en
begon te bulken als de ossen van Bazan? vanwaar, dat Bingley, zijne
lusteloosheid afschuddende, als een Kean over het tooneel vloog en
gilde? Waarom gaven Garbetts en Rowkins en jufvrouw Rouncy zich zooveel
moeite om hun talent of bevalligheid ten toon te spreiden, en waarom
speelden, gesticuleerden, keken en declameerden zij zoo luid, met het
oog op de twee heeren in loge Nº. 3?
De een was een stil mannetje in het zwart, met een grijs hoofd en een
opgeruimd, slim gezicht. De ander was in alle opzichten een in het oog
loopend en opmerkelijk persoon. Het was een rijzig en zwaarlijvig heer
met een haviksneus en een overvloed van bruin krulhaar en bakkebaarden.
Zijne jas was rijk met lussen en fluweel versierd. Hij droeg een fraai
vest, schitterende ringen, eene juweelen speld, en een horlogeketting
om den hals. Toen hij met de eene hand, in een witten glacéhandschoen
gestoken, zijn gelen zakdoek uithaalde, verspreidde zich een heerlijke
geur van muskus en bergamot door de zaal. Het was blijkbaar een heer
van hoogen stand, en het kleine tooneelgezelschap van Chatteries
speelde voornamelijk om hem te behagen. Het was, om kort te gaan,
niemand anders dan mijnheer Dolphin, de groote Londensche
tooneeldirecteur, vergezeld van zijn trouwen vriend en secretaris,
mijnheer William Minns, zonder wien hij nooit op reis ging. Hij was nog
geen tien minuten in den schouwburg, of zijne hooge tegenwoordigheid
werd door Bingley en de overigen ontdekt, waarop allen om het mooist
begonnen te spelen en zijne aandacht poogden te trekken. Zelfs jufvrouw
Fotheringay’s koel hart, dat anders door niets van streek werd
gebracht, begon misschien een weinig te kloppen, toen zij voor den
beroemden Londenschen directeur optrad. Zij behoefde in hare rol niet
veel anders te doen dan er bekoorlijk uit te zien en in eene
schilderachtige houding te staan, terwijl zij haar kind omvatte; en
deze taak volbracht zij op eene bewonderenswaardige wijze. Tevergeefs
poogden de verschillende acteurs den bijval van den grooten
tooneel-sultan te verwerven. Pizarro kon hem geen teeken van
aanmoediging afpersen. Bingley bulkte en mevrouw Bingley gilde, maar de
directeur nam slechts een snuifje uit zijne groote gouden doos. Eerst
bij het laatste tooneel, als Rolla waggelend opkomt met het kind
(Bingley is zoo sterk niet meer als vroeger, en zijn vierde zoontje, de
jonge heer Talma Bingley, is een monsterachtig dik kind voor zijn
leeftijd), als Rolla waggelend met het kind naar Cora komt, die met een
gil toespringt en uitroept: „O God, hij is bebloed!” – eerst toen
klapte de Londensche directeur in de handen en barstte in luide bravo’s
uit.
Toen mijnheer Dolphin met zijne toejuiching klaar was, tikte hij zijn
secretaris op den schouder en zeide: „Bij den hemel, Billy, wij zullen
haar kunnen gebruiken!”
„Wie heeft haar dat kunstje geleerd?” vroeg Billy, een satiriek oud
heertje; „ik herinner mij, haar in den Olympischen schouwburg gezien te
hebben, en ik laat mij hangen als zij eene a voor eene b kende.”
Mijnheer Bows in het orkest was het, die haar dat „kunstje” geleerd
had. Het gansche tooneelgezelschap hoorde de toejuiching en schaarde
zich, toen de gordijn gevallen was, rondom jufvrouw Fotheringay om haar
geluk te wenschen en haar te benijden.
Dat mijnheer Dolphin in den kleinen schouwburg van het afgelegene
Chatteries verscheen, had de volgende oorzaak. In weerwil van al zijne
inspanningen, in weerwil van de aanhoudende triomfkreten, van de
uitgelezen sujetten, van de zegepralen van het echt oude Engelsche
tooneel, welke zijne aanplakbiljetten verkondigden, verkeerde zijn
schouwburg (dien wij, met uw welnemen, om niemands gevoeligheid noch
belangen te kwetsen, het Museum Theater zullen noemen) in gansch geen
bloeienden toestand, en de beroemde directeur stond aan den rand van
den ondergang. De groote Hubbard had twintig avonden in deftige drama’s
gespeeld en niemand had er voordeel van gehad dan hij zelf; de
vermaarde mijnheer en mevrouw Cawdor waren in het treurspel van
mijnheer Rawhead en met hun eigen geliefkoosd repertoire opgetreden en
hadden geen publiek getrokken. De Duitsche Herr Garbage had met zijne
leeuwen en tijgers een korten tijd opgang gemaakt, totdat een der
dieren een stuk uit den schouder van den „Herr” gebeten had, waarop de
lord-kamerheer er zich mee bemoeide en een einde aan deze soort van
vertooningen maakte. En het groote lyrische drama, ofschoon met
ongeëvenaarde pracht en bijval opgevoerd, met monsieur Poumons als
eersten tenor en een ontzaglijk orkest, had op zijn zegetocht den armen
Dolphin bijna verpletterd; zoodat zijn genie en zijn vermogen, hoe
groot beiden ook waren geweest, uitgeput schenen. Hij sleepte zich met
halve salarissen, kleine opera’s, onbeduidende oude blijspelen en zijn
corps de ballet treurig door het overige van het seizoen voort, en
iedereen verwachtte hem den eenen of anderen dag in de lijst der
bankroetiers in de Gazette vermeld te zien.
Een heer, wiens naam in een vroeger verhaal [4] voorkomt, de ervaren
kunstbeschermer en verlichte voorstander van de muziek en het drama, de
hooggeboren heer markies van Steyne, behoorde onder de voorname
vrienden van het Museum Theater en bezat daar eene groote tooneelloge.
Ten gevolge zijner drukke werkzaamheden op staatkundig gebied kon zijn
lordschap niet dikwijls en dan nog niet vroeg in den schouwburg komen.
Doch bij wijlen kwam hij tijdig genoeg voor het ballet, en altijd werd
hij met het grootste ontzag door den directeur bejegend, van wien hij
zich soms verwaardigde een bezoek in zijne loge te ontvangen. Die loge
had gemeenschap met het tooneel, en als er iets gebeurde, dat hem
bijzonder behaagde, wanneer hij een nieuw gezichtje onder de koristen
ontdekte, of als eene schoone danseres hare passen buitengemeen
bevallig of vlug uitvoerde, werd mijnheer Wenham, mijnheer Wagg of een
ander adjudant van den markies achter de coulissen gezonden, om de
goedkeuring van den grooten man kenbaar te maken of de vragen te doen,
waartoe zijn lordschaps nieuwsgierigheid, of belangstelling in de
dramatische kunst, aanleiding gaf. De toeschouwers konden Lord Steyne
niet zien, want hij zat zedig achter eene gordijn en keek alleen naar
het tooneel, – maar dat hij aanwezig was, kon men zien aan de blikken,
die het geheele corps de ballet en de voornaamste danseressen naar
zijne loge wierpen. Zoo heb ik, bij voorbeeld, bij den palmendans in
het ballet van „Cook op Otaheite,” waarin niet minder dan honderd
twintig mooie wilde meisjes met palmtakken en voorschootjes van veeren
rondom Floridor als kapitein Cook moeten dansen, vele dozijnen oogen
naar die loge zien lonken, terwijl zij er vóór dansten, en dikwijls heb
ik mij verbaasd over de tegenwoordigheid van geest van mademoiselle
Sauterelle, of mademoiselle de Bondi, bijgenaamd la petite Caoutchouc,
die, terwijl zij al volants in de lucht zweefden, altijd met hare mooie
oogen naar de loge, waar de groote Steyne zat, bleven lonken. Nu en dan
hoorde men eene krassende stem achter de gordijn: „Brava! brava!”
roepen, of zag men een paar witte handschoenen daaruit te voorschijn
komen, die een aanvang maakten met het applaudissement. Wanneer Bondi
of Sauterelle weer op den grond kwamen, nijgden en glimlachten zij
inzonderheid voor die handen, eer zij weer hijgend en verheugd naar
hare plaatsen op het tooneel terugkeerden.
Op zekeren avond zat deze groote man dan met eenige uitverkoren
vrienden in zijne loge in het Museum Theater, waar zij zooveel gedruis
maakten en zoo luid lachten, dat het parterre zich begon te ergeren en
vele verontwaardigde stemmen zoo gebiedend: „Stilte!” riepen, dat Wagg
zich verwonderde, dat de politie die rumoermakers niet naar buiten
bracht. Wenham vermaakte het gezelschap in de loge met uittreksels uit
een brief, dien hij van majoor Pendennis ontvangen had, wiens uitstapje
naar het platteland in het midden van het Londensche seizoen door zijne
vrienden opgemerkt en natuurlijk betreurd was.
„Het geheim is ontdekt,” zeide mijnheer Wenham, „er is eene vrouw in
het spel.”
„Wel verd –, Wenham, hij is van uw leeftijd!” zeide de heer achter de
gordijn.
„Pour les âmes bien nées, l’amour ne compte pas le nombre des années,”
antwoordde mijnheer Wenham heel galant. „Ik hoop, wat mij betreft, er
een slachtoffer van te blijven tot aan mijn dood en mijn hart geregeld
eens in het jaar te breken.” Hetgeen eigenlijk met andere woorden
zeggen wilde: „Mylord, daar moest gij niet van spreken; ik ben drie
jaar jonger dan gij, en tweemaal zoo goed geconserveerd.”
„Wenham, gij roert mij,” zeide de groote man met een zijner
gebruikelijke vloeken. „Bij den –, dat doet gij! Ik mag het wel, dat
iemand al de illusiën der jeugd tot op uw leeftijd behoudt, en dat zijn
hart zoo warm blijft als het uwe. Wel voor den –, mijnheer, het is mij
een genoegen zulk een edelaardig, onschuldig schepsel aan te treffen. –
Wie is die meid daar in de tweede rij, met de blauwe linten, de derde
van het tooneel – mooie meid! Ja, gij en ik, wij zijn sentimenteele
kerels. Wagg, geloof ik, geeft er niet veel om – gij geeft meer om uwe
maag dan om uw hart, Wagg, – niet waar, mijn jongen?”
„Ik houd van alles wat lekker is,” antwoordde Wagg onbewimpeld. „Belles
en Bourgogne, Venus en vogels. Ik zal niet zeggen, dat de tortelduiven
van Genus te verachten zijn, omdat men ze in de London Tavern niet
gebraden kan krijgen; maar – maar vertel ons eens alles van den ouden
Pendennis, mijnheer Wenham,” eindigde hij plotseling, – want zijne
aardigheid viel in het water, daar hij zag, dat zijn beschermheer niet
luisterde. Steyne had zijn kijker voor de oogen en keek naar iets op
het tooneel.
„Ja wel, ik heb die aardigheid over de tortelduiven van Venusen en de
London Tavern al meer gehoord – gij begint af te takelen, arme Wagg.
Als gij niet oppast zal ik een anderen hofnar moeten zoeken,” zeide
Lord Steyne, terwijl hij zijn kijker neerlegde, „Ga voort, Wenham, met
hetgeen den ouden Pendennis betreft.”
„Waarde Wenham,” – zoo begint hij, las mijnheer Wenham, – „daar mijn
goede naam sinds de drie laatste weken in uwe handen overgeleverd is
geweest en gij mij ongetwijfeld volgens uwe gewoonte naar hartelust
over den hekel hebt gehaald, zoudt gij tot afwisseling wel eens
hulpvaardig kunnen zijn en mij een dienst bewijzen. Het betreft eene
kiesche zaak, – entre nous, une affaire de coeur. Een jong vriend van
mij is dol verliefd geraakt op zekere jufvrouw Fotheringay, eene
actrice van den schouwburg alhier, die, ik beken het, eene zoo schoone
vrouw is als men ergens zien kan en die, naar mijn oordeel, zoo goed
speelt als de beste actrice, die zich ooit blankette. Zij speelt
Ophelia, Lady Teazle, Mevrouw Haller en zulke rollen. Zij doet zich, op
mijn woord, zoo goed voor als Georges in haar besten tijd, en munt,
voor zooveel ik het beoordeelen kan, verre uit boven alles wat wij op
ons tooneel hebben. Ik zou een engagement te Londen voor haar wenschen.
Kunt gij uw vriend Dolphin niet bewegen haar eens te komen zien, – haar
te engageeren, – haar van hier weg te halen? Een enkel woord van een
voornaam vriend van ons (gij weet wel wien ik meen) zou alles afdoen,
en indien gij den heer van Gaunt House op mijne hand kondt krijgen, zou
ik tot elken wederdienst bereid zijn, want gij zoudt mij den grootsten
dienst bewijzen, die mogelijk is. Kom, bewijs me, dat gij een best
mensch zijt, zooals ik altijd gezegd heb, en beschik wederkeerig over
uw toegenegen
A. Pendennis.”
„Die zaak is heel duidelijk,” zeide mijnheer Wenham, toen hij den brief
uitgelezen had; „de oude Pendennis is verliefd.”
„En wil die vrouw te Londen hebben – dat is zoo klaar als de zon,”
merkte mijnheer Wagg aan.
„Ik wou Pendennis, met zijne rheumatiek, wel eens op de knieën zien
liggen,” hernam mijnheer Wenham.
„Of hem het voorwerp zijner liefde eene lok van zijn haar zien
vereeren,” vervolgde Wagg.
„Gekheid,” zeide de groote man. „Heeft hij niet familie op het land?
Hij heeft ons gesproken van een neef, die veel invloed kon uitoefenen
op de verkiezing van een parlementslid. Let er eens op: het zal iets
met dien neef zijn. Die jongen zit in ongelegenheid. Het is mij ook
overkomen – ik zat te Eton in de vijfde klasse – dochter van een
groenteboer – en zwoer, dat ik haar trouwen zou. Ik was smoorlijk op
haar verliefd – arme Polly!” Hier hield hij op, en misschien rees het
verledene Lord Steyne voor den geest en was George Gaunt weer een knaap
en nog niet geheel verloren. „Het moet, naar het verslag van Pendennis,
eene mooie vrouw zijn. Roep Dolphin eens, en laten wij hooren of hij
iets van haar weet.”
Op die woorden vloog Wenham de loge uit, snelde den bediende voorbij,
die aan de deur, welke met het tooneel gemeenschap had, op wacht stond
en mijnheer Wenham met den diepsten eerbied groette, en had weinig
moeite, daar hij op die plaats gemeenzaam bekend was, om den directeur
te vinden, die bezig was, gelijk wel meer gebeurde, tegen de dames van
het corps de ballet te razen en te vloeken, omdat zij haar plicht niet
gedaan hadden.
De vloeken verstierven op Dolphin’s lippen, zoodra hij Wenham zag, en
hij trok de vuist terug, waarmede hij eene der nalatige koristen
dreigde, om de hand van den nieuwaangekomene te drukken. „Hoe vaart ge,
mijnheer Wenham? Hoe gaat het heden avond met mylord? Hij ziet er
bijzonder goed uit,” zeide de directeur met een lachje, alsof hij nooit
uit zijn humeur was geweest, waarop hij met het grootste genoegen Lord
Steyne’s ambassadeur volgde, om zijne opwachting bij den grooten man te
maken.
De tocht naar Chatteries was het gevolg van dat gesprek, en mijnheer
Dolphin schreef uit de stad aan mylord, dat hij zich de eer gaf den
markies van Steyne te verwittigen, dat hij de dame gezien had, van wie
mylord had gesproken, dat hij evenzeer door hare talenten als door haar
voorkomen getroffen was, en dat hij een engagement met jufvrouw
Fotheringay had gesloten, die weldra de eer zou hebben voor het
Londensche publiek en voor zijn edelen en verlichten beschermer, den
markies van Steyne, op te treden.
Pen las het bericht van jufvrouw Fotheringay’s nieuw engagement in het
blad van Chatteries, waarin hij zoo dikwijls hare bekoorlijkheden
bezongen had. De redacteur sprak met lof van haar talent en hare
schoonheid en voorspelde haar eene schitterende toekomst in de
hoofdstad. Bingley, de regisseur, begon te adverteeren: „De laatste
avond van jufvrouw Fotheringay’s engagement.” De arme Pen en Sir Derby
Oaks waren trouwe bezoekers van den schouwburg, – Sir Derby in de
tooneelloge, waaruit hij ruikers wierp en waarin hij lonkjes ontving,
en Pen in de bijna ledige loges, verbijsterd, rampzalig en eenzaam.
Buiten die twee bekommerde niemand er zich om, of jufvrouw Fotheringay
ging of bleef – of wèl misschien nog iemand, te weten, mijnheer Bows in
het orkest.
Bows verliet op zekeren avond die plaats en begaf zich naar de loge,
waar Pen zat, dien hij de hand toereikte en verzocht naar buiten te
komen en met hem mee te wandelen. Zij liepen al pratende de straat op,
en gingen in het maanlicht op de brug van Chatteries zitten en spraken
over haar. „Wij mogen wel op dezelfde brug zitten,” sprak Bows, „want
wij hebben lang in dezelfde schuit gevaren. Gij zijt niet de eenige
man, wiens hoofd door die vrouw op hol is gebracht. En ik ben minder te
verontschuldigen dan gij, omdat ik ouder ben en haar beter ken. Zij
heeft evenmin een hart als de steen, waartegen gij leunt; en die steen,
of gij, of ik, zou in het water kunnen vallen en nooit weer boven
kunnen komen, zonder dat zij er zich over bekommerde. Ja toch – zij zou
zich om mij bekommeren, omdat zij mij voor haar onderricht noodig
heeft; en zij zal zonder mij zich niet kunnen redden en genoodzaakt
zijn uit Londen om mij te schrijven. Maar zij zou het niet doen, indien
zij mij niet noodig had. Zij heeft geen hart en geen hoofd, geen
begrip, geen gevoel, geen verdriet en geen zorg; – niets hoegenaamd! Ik
had bijna gezegd, dat zij geen genoegen ook had – maar zij houdt van
eten en het streelt haar als de menschen haar bewonderen.”
„En dat doet gij ook?” zeide Pen, zich zelven vergetende en verwonderd
over het mismaakte, eenvoudige oude mannetje.
„Dat is eene gewoonte, evenals snuiven of borrels drinken,” gaf hij ten
antwoord. „Ik bewonder haar sinds vijf jaar uit gewoonte en kan haar
niet meer missen. Ik ben het, die haar gemaakt hebt tot hetgeen zij is.
Als zij mij niet laat roepen, zal ik haar volgen; maar ik weet, dat zij
mij ontbieden zal. Zij heeft mij noodig. Eenmaal zal zij trouwen en mij
wegwerpen, zooals ik dit eindje sigaar doe!”
Het gloeiende vonkje viel in het water daar beneden en verdween, en
toen Pen dien avond naar huis reed, dacht hij werkelijk nog aan iemand
anders dan aan zich zelven.